Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AS4008

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-01-2005
Datum publicatie
27-01-2005
Zaaknummer
244956 CV 04-2133
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, arbeidsovereenkomst, kennelijk onredelijk ontslag, invloed werk in buitenland, uitleg bonusregeling.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E – L E L Y S T A D

sector kanton – locatie Deventer

Zaaknr.: 244956 CV 04-2133

datum : 27 januari 2005

Vonnis in de zaak van:

[EISER],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

gemachtigde mr. A.H.B. van den Wijngaert, werkzaam ten kantore van de Stichting Rechtsbijstand te 5000 JC Tilburg, Postbus 10100,

tegen

de besloten vennootschap MATRIX GROUP BV,

gevestigd en kantoorhoudende te Deventer,

gedaagde partij,

gemachtigde mr. R.H. van Muijen, advocaat te 5201 AJ ’s-Hertogenbosch, Postbus 396.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- de dagvaarding

- het antwoord van de gedaagde partij

- de nadere toelichting van partijen.

Het geschil

Eiser (hierna: [eiser]) vordert een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijk ontslag, alsmede nakoming van afspraken in het kader van een bonusregeling, onderdeel van de arbeidsovereenkomst tussen partijen. Gedaagde, (hierna: Matrix) heeft de vorderingen gemotiveerd betwist.

De beoordeling

1.

Tussen partijen staat als gesteld en erkend dan wel niet (voldoende) betwist, mede op grond van de overgelegde en in zoverre niet bestreden bescheiden, het volgende vast:

a. [eiser], thans X jaar oud, is op [datum] bij Matrix in dienst getreden en laatstelijk werkzaam geweest in de functie van regiomanager [regio].

b. De arbeidsovereenkomst tussen partijen is door Matrix na verkregen vergunning van het CWI opgezegd tegen 1 april 2004 wegens bedrijfsorganisatorische redenen.

c. Terzake van dit ontslag is door Matrix aan [eiser] geen vergoeding betaald.

d. Voor de kalenderjaren 2002 en 2003 zijn tussen partijen - inhoudelijk verschillende – bonusregelingen overeengekomen.

2.

Eiser heeft toegelicht dat en waarom volgens hem de voor zijn ontslag als motief voorgedragen bedrijfsorganisatorische redenen ontoereikend waren, bij repliek zelfs de waarheid ervan bestreden (en op die grond zijn aanvankelijke vordering op basis van factor C=1 in de kantonrechtersformule verhoogd naar C=1,5). Hij heeft aldus aansluiting gezocht bij het bepaalde in artikel 7:681, tweede lid onder b, respectievelijk onder a. Voor wat betreft zijn vordering inzake achterstallige bonussen over 2002 en 2003 heeft hij op grond van door hem overgelegde berekeningen aangevoerd, dat hem in strijd met de terzake gemaakte afspraken geen bonussen zijn toegekend.

3.

Matrix heeft zich tegen de vorderingen verweerd met het volgende, kort samengevatte, betoog.

Het verleende ontslag was niet kennelijk onredelijk, omdat de aangevoerde feiten juist waren en zijn, en omdat in het licht van de feiten ten tijde van de ontslagverlening geen sprake was van een wanverhouding tussen de wederzijdse belangen die tot het toekennen van een schadevergoeding noopte. Zij heeft er ook op gewezen dat zij [eiser] na het ontslag heeft aangeboden om alsnog het dienstverband te continueren in een functie die de vestiging in Kazachstan vereiste, en dat [eiser] dat aanbod heeft afgeslagen. De aanspraak op bonussen over 2002 en 2003 moet stranden op het niet behaald zijn van de daarvoor overeengekomen doelstellingen, zoals blijkt uit de terzake relevante cijfers uit de door haar registeraccountant goedgekeurde jaarrekeningen over de desbetreffende kalenderjaren.

4.

De vordering inzake een schadevergoeding wegens kennelijk onredelijke beëindiging van het dienstverband.

4.1

De klacht van [eiser] dat tot de aangevoerde bedrijfsreorganisatie onvoldoende noodzaak bestond, dan wel dat die reorganisatie niet hoefde te leiden tot zijn ontslag wordt gepasseerd. Aan de werkgever komt, binnen de grenzen van goed werkgeverschap, de vrijheid toe zijn onderneming vorm te geven. Die werkgever behoeft zich daarbij dus niet uitsluitend te laten leiden door de belangen van eventueel betrokken werknemers, doch enkel die belangen op een voor een goed werkgever passende wijze in zijn overwegingen te betrekken. Matrix heeft onbestreden gesteld, dat zij haar kernactiviteiten naar het buitenland heeft verplaatst, en dat [eiser] een aanbod om zich in het kader van een nieuwe arbeidsovereenkomst tussen partijen in Kazachstan te vestigen heeft afgeslagen. Het verwijt van [eiser], dat Matrix in strijd met de waarheid heeft aangevoerd, dat zij haar vestiging in Kiev had gesloten, waarmee zij haar standpunt mede had onderbouwd, is onvoldoende aannemelijk geworden. Immers, [eiser] heeft dat verwijt enkel gebaseerd op een (bij repliek als productie 1 overgelegd) inschrijfformulier voor een door Matrix in juni 2004 georganiseerde handelsmissie naar Kiev. In haar verweer op dit onderdeel heeft Matrix toegelicht dat de sluiting van haar vestiging in Kiev een geleidelijk proces was, gelet ook op de belangen van aldaar aangesteld personeel, doch dat de vestiging per 1 oktober 2004 daadwerkelijk is gesloten. Aldus heeft [eiser], zeker gezien de toelichting van Matrix, ook onvoldoende feiten of omstandigheden genoemd om hem tot bewijslevering toe te laten, daargelaten dat hij op dit specifieke punt geen bewijs heeft aangeboden.

4.2

Voorzover [eiser] heeft beoogd te stellen dat een ontslag wegens bedrijfsorganisatorische redenen, zonder financiële noodzaak en dus bijvoorbeeld, zoals in casu, enkel ter verbetering van de eigen concurrentiepositie, steeds kennelijk onredelijk is indien geen schadevergoeding wordt aangeboden, wordt die stelling verworpen. Volgens het in de wet neergelegde systeem is een arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd opzegbaar, mits daartoe een voldoende zwaarwegende grond bestaat, en overigens de daarvoor geldende voorschriften in acht worden genomen. Matrix heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd met behulp van een verkregen vergunning van het CWI, en hiervoor is reeds overwogen dat en waarom de aangevoerde grondslag van een valse of voorgewende reden voor dat ontslag ondeugdelijk is bevonden. Bij die stand van zaken brengen de woorden “kennelijk onredelijk” als kwalificatie van het verleende ontslag mee, dat sprake moet zijn van uitzonderlijke omstandigheden, die in het individuele geval aanleiding geven om af te wijken van het gebruikelijke stramien waarin de opzegtermijn de financiële pleister op de wonde is. In die visie past in geen geval een – min of meer automatische – toekenning van een vergoeding (al dan niet overeenkomstig de uitkomst van de kantonrechtersformule) zodra aan de werknemer terzake van het ontslag geen verwijt kan worden gemaakt.

4.3

Anders dan Matrix is de kantonrechter, echter, van oordeel dat in dit geval sprake is van een kennelijk onredelijk ontslag nu geen enkele vergoeding werd toegekend, en wel omdat [eiser], ter uitvoering van zijn arbeidsovereenkomst met haar, zich jarenlang op een gebied ver buiten de Nederlandse arbeidsmarkt heeft moeten concentreren, een gebied bovendien waarin het volgens haar eigen stellingen ook nog lastig, en in zekere zin avontuurlijk zaken doen is. Door die, rechtstreeks met de uitvoering van de arbeidsovereenkomst verbonden omstandigheid is ontegenzeggelijk de slagingskans van [eiser] op de Nederlandse arbeidsmarkt beperkter dan gebruikelijk. In die omstandigheid had Matrix aanleiding moeten vinden om aan [eiser], ter opvang van een langere dan gebruikelijke “zoektocht’ naar een vervangende werkkring, enige financiële compensatie te bieden. Die compensatie had tenminste € 10.000,- bruto moeten bedragen. Tot dat bedrag is de desbetreffende vordering van [eiser] dan ook toewijsbaar. Aan dit oordeel doet niet af, dat [eiser] een vervangende functie in Kazachstan heeft afgewezen. Nog daargelaten of het moment waarop dat aanbod werd gedaan, en of dat toen door [eiser] als welgemeend moest worden opgevat, is op zichzelf niet onredelijk dat [eiser], die kennelijk mede verantwoordelijkheid draagt voor een gezin met schoolgaande kinderen, een aanbod om in een zo ver verwijderd land, en ook overigens in voor de vestiging van zijn gezin avontuurlijke en ongewisse omstandigheden, te gaan wonen van de hand heeft gewezen. Hem kan daarvan rechtens geen verwijt worden gemaakt.

5.

De gevorderde bonussen.

Bij de dagvaarding heeft [eiser] als producties 7 en 12 overgelegd de bonusregelingen voor 2002 en 2003. Matrix heeft niet bestreden dat die stukken de afspraken terzake correct weergeven, zodat daarvan bij de verdere beoordeling wordt uitgegaan.

6.

De regeling voor 2002 kent een drietal grondslagen voor (kennelijk verschillende) bonussen, te weten:

a. Een bonus volgens de rendementsregeling, afhankelijk van het budget voor Kazachstan en Oekraïne, en wel volgens de vermelde staffel (hierna kortweg: BR1);

b. een bonus volgens de persoonlijke doelstellingsregeling, afhankelijk van de realisatie van persoonlijke doelstellingen ter beoordeling van de directie (hierna kortweg: BR2);

c. een bonus volgens de budgetregeling, afhankelijk van de realisatie van de persoonlijke en ondernemingsdoelstellingen (hierna kortweg: BR3).

Allereerst is onduidelijk waarom de regeling die zich richt op de realisatie van het budget het predikaat “Rendementsregeling” heeft gekregen, terwijl de regeling die zich richt op de realisatie van de persoonlijke en ondernemingsdoelstellingen is aangeduid met “Budgetregeling”. Inhoudelijk is onduidelijk wat de afzonderlijke betekenis is van BR3 naast BR1 en BR2.

6.2

In deze regeling worden vier kernbegrippen voor de bepaling van de aanspraak gehanteerd, te weten “budget”, “persoonlijke doelstellingen”, “ondernemingsdoelstellingen” en “netto resultaat”. Geen van die begrippen is in de regeling nader gedefinieerd.

6.3

[eiser] heeft bij dagvaarding aangevoerd, dat onder “budget” moet worden verstaan hetgeen in de administratie van Matrix is verwoord als “Cost Budget”. Daartegenover heeft Matrix gesteld, dat geen aanspraak onder die afspraak is ontstaan, omdat haar resultaat voor belastingen negatief was.

6.4

Ook bij dagvaarding heeft [eiser] zich op het standpunt gesteld, dat onder “persoonlijke doelstellingen” moet worden begrepen een positieve beoordeling van het persoonlijke functioneren. Volgens Matrix moet dit begrip worden opgevat als “financiële/salesdoelstellingen”, die volgens haar ook niet zijn gerealiseerd.

6.5

De “persoonlijke en ondernemingsdoelstellingen” zijn volgens [eiser] te duiden als het persoonlijke functioneren (dus hetzelfde als bedoeld in de “persoonlijke doelstellingsregeling”, zie hiervoor onder 6.4), respectievelijk de voor het door hem bewerkte gebied vastgestelde ondernemingsdoelstellingen. Volgens Matrix heeft [eiser] onder deze regeling geen aanspraak, enkel en alleen omdat hij zijn persoonlijke doelstellingen niet heeft gehaald.

6.6

Nu Matrix de tekst van de regelingen heeft opgesteld, terwijl omtrent enige betrokkenheid van [eiser] bij de totstandkoming ervan niet is gesteld of gebleken, komen eventuele onduidelijkheden daarin voor haar risico.

- Ten aanzien van BR1 zal Matrix hebben uit te leggen welk(e) onderde(e)l(en) van haar (door een registeraccountant goedgekeurde) jaarrekening zij in haar beoordeling van het begrip “budget” heeft betrokken, en waarom. Op die uitleg zal [eiser] mogen reageren, waarna een nadere beoordeling volgt.

- Ten aanzien van BR2 zal [eiser] moeten toelichten waaruit voor [eiser] duidelijk kon zijn dat onder het daarin gebruikte begrip “persoonlijke doelstellingen” verstaan moe(s)ten worden “financiële/salesdoelstellingen”. Bij deze toelichting is dan tevens van belang dat Matrix uitlegt hoe die betekenis van dat andersluidende begrip zich verhoudt tot de inhoud van BR1 en BR3.

- Ten aanzien van BR3 zal Matrix voorshands in ieder geval de afzonderlijke betekenis daarvan ten opzichte van, of in relatie tot, BR1 en BR2 hebben uit te leggen.

6.7

Ter onderbouwing van haar betoog heeft Matrix volstaan met het overleggen van niet nader te identificeren stukken, waarvan zij stelt dat die onderdeel vormen van haar door haar registeraccountant goedgekeurde jaarrekening. Ook al omdat [eiser] de correctheid van die cijfers heeft bestreden bestaat aanleiding om Matrix in overweging te geven haar volledige jaarrekeningen over 2002 en 2003 over te leggen. Voor zover haar belang zich tegen die aanpak zou verzetten, kan zij ook volstaan met overlegging van de volgens haar relevante passages daaruit, per pagina voorzien van een paraaf van haar registeraccountant, en voorzien van een begeleidende brief van die accountant waaruit blijkt dat de desbetreffende pagina’s inderdaad afkomstig zijn uit de door hem over het desbetreffende jaar opgestelde en goedgekeurde jaarrekening van Matrix.

7.

De regeling voor 2003 is belangrijk eenvoudiger van opzet, omdat deze uitsluitend gerelateerd is aan de in het aandachtsgebied van [eiser] (Kazachstan en Oekraïne) behaalde marge. [eiser] is van mening dat een marge werd behaald van € 1.014.288,-, zodat volgens de bonusregeling aanspraak bestaat op een bonus van 1,5% ad € 15.214,32. Matrix stelt dat een marge werd behaald van € 489.809,- en dus een bedrag onder het niveau van de laagste trede van 5 (€ 500.000,-) die aanspraak geeft op een bonus. Van belang is dat de regeling spreekt over “betaalde bruto marge”. Voorzover [eiser] heeft verdedigd dat bij de bepaling van deze bonus ook niet in 2003 betaalde marges moeten worden betrokken, wordt dat betoog reeds dadelijk verworpen op grond van de op dat punt duidelijke tekst van de regeling.

7.1

Aangezien [eiser] ook ten aanzien van dit verweer van Matrix gemotiveerd heeft betwist dat de door haar geproduceerde cijfers afkomstig zijn van de door haar registeraccountant goedgekeurde jaarrekening, geldt voor de beoordeling van dit onderdeel van de vordering hetzelfde als hiervoor onder 6.7 werd overwogen. Ook over 2003 zal Matrix verifieerbaar uit haar jaarrekening afkomstige stukken dienen over te leggen, waarop [eiser] zal mogen reageren, alvorens een nadere beoordeling volgt.

8.

Ter versnelling van de afdoening van de zaak wordt een comparitie van partijen gelast, en wordt Matrix bevolen om de van haar in het voorgaande verlangde toelichtingen en stukken tenminste drie weken voorafgaande aan de zitting aan de kantonrechter en aan [eiser] in afschrift toe te zenden. Van [eiser] wordt vervolgens verlangd dat hij zijn schriftelijke reactie daarop uiterlijk één week voorafgaande aan de zitting aan de kantonrechter en aan Matrix toezendt. Ter zitting kan dan aan de hand van de aldus nader ingenomen stellingen van partijen worden beoordeeld, of een deskundige moet worden benoemd ter voorlichting van de kantonrechter bij de beoordeling van verstrekte of nog te vertrekken cijfers, of nadere stukkenwisseling nog noodzakelijke is, en of wellicht een schikking kan worden getroffen.

De beslissing

De kantonrechter:

- nodigt, alvorens verder te beslissen, partijen uit om (C.C. [eiser] in persoon en Matrix Group BV deugdelijk vertegenwoordigd) te verschijnen voor de kantonrechter voor het verstrekken van nadere inlichtingen en wel op een nader, in overleg met partijen, vast te stellen datum, tijdstip en plaats;

- verwijst de zaak naar de rol van donderdag 10 februari 2005 te 10.15 uur; vóór of uiterlijk op die zitting kunnen beide partijen schriftelijk aan de sector kanton opgeven op welke dagen zij in de maanden maart en april verhinderd zijn, voor welke opgave geen nader uitstel zal worden verleend;

op deze zitting zal dan worden bepaald wanneer en waar de comparitie van partijen zal plaatsvinden;

na dagbepaling wordt geen uitstel meer verleend;

- verstaat dat partijen elkaar en de kantonrechter voorafgaande aan de zitting informeren op de wijze als hiervoor onder 8 werd overwogen;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus gewezen door mr. A.H. Canté, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 27 januari 2005 in tegenwoordigheid van de griffier.