Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AS3933

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-01-2005
Datum publicatie
27-01-2005
Zaaknummer
07.230119-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

zaak kraggenburg; ondergaan van gedwongen seksuele handelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Strafkamer te Lelystad

Parketnummer: 07.230119-04

Uitspraak: 27 januari 2005

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum en -plaats],

wonende te [woonplaats],

verblijvende [verblijfplaats]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaats gevonden op 10, 11 en 13 januari 2005. De verdachte is verschenen op 10 en 11 januari 2005, bijgestaan door

mr. R.A. van der Horst, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr. P. Berden, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 tot en met 8 ten laste

gelegde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (hoofdelijk) tot een bedrag van € 814,--, en het overige deel van die vordering

niet-ontvankelijk te verklaren;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (hoofdelijk) tot een bedrag van € 10,000,-- bij wijze van voorschot;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (hoofdelijk) tot een bedrag van € 10,000,-- bij wijze van voorschot;

- telkens toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt gewijzigde tenlastelegging)

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten en heeft de tenlastelegging op enkele punten taalkundig aangevuld.

Gelet op hetgeen door verdachte en de raadsman ter verdediging is aangevoerd is aan verdachte voldoende duidelijk geweest wat haar wordt verweten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte daardoor niet in haar verdediging is geschaad.

BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 tot en met 8 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1. zij in de periode van 4 april 2004 tot en met 17 april 2004 te Almere en te Kraggenburg, gemeente Noordoostpolder, en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft zij verdachte en/of een of meer van haar mededaders met dat opzet

- die [benadeelde partij] opgesloten gehouden en bewaakt op het adres [adres] en

- de (mobiele) telefoon en de tas van die [benadeelde partij] afgenomen en

- die [benadeelde partij] meermalen geslagen in het gezicht en

- die [benadeelde partij] volledig uitgekleed en die [benadeelde partij] naakt op een stoel gezet en haar handen op haar rug gebonden met handboeien en haar

mond afgeplakt met plakband en een band, met daaraan een bal, gebonden voor en gestopt in de mond van die [benadeelde partij] en terwijl zij vastgebonden op die stoel zat die [benadeelde partij] meermalen geslagen/gestompt in haar buik en op haar rug en

- meermalen tegen die [benadeelde partij] gezegd dat één van haar mededaders een vuurwapen had en één van haar mededaders dit vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, zichtbaar heeft gedragen en

- die [benadeelde partij] meegenomen naar een loods in Kraggenburg en

- dreigend tegen die [benadeelde partij] gezegd dat zij haar kleding moest uittrekken en

die kleding in een vuilniszak gedaan en die vuilniszak meegenomen en

- die [benadeelde partij] geslagen op de rug en het hoofd, en

- tegen die [benadeelde partij] gezegd: "Kijk, hier lopen twee honden en die zijn er speciaal voor getraind. Als jullie weglopen dan stuur ik de honden achter jullie aan", in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- een vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de mond van die [benadeelde partij] gedaan en tegen die [benadeelde partij] gezegd: "als je doet wat wij vragen, is er niets aan de hand maar als je weigert mee te werken dan schiet ik je met dit pistool in je mond" in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- die [benadeelde partij] laten ruiken aan een (bedwelmende) vloeistof waardoor die [benadeelde partij]

draaierig werd en het bewustzijn verloor en

- de ramen en deuren van de loods in Kraggenburg afgesloten en afgesloten gehouden;

2. zij in de periode van 9 april 2004 tot en met 17 april 2004 te Almere en te Kraggenburg, gemeente Noordoostpolder en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft zij verdachte en/of een of meer van haar mededaders met dat opzet

- de telefoon van die [benadeelde partij] afgepakt en deze uitgezet en

- tegen die [benadeelde partij] gezegd dat zij niet mocht weglopen en dat zij niet mocht

schreeuwen omdat zij anders zou worden neergeschoten, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking waarna één van haar mededaders een vuurwapen, in ieder geval een dergelijk voorwerp, toonde en

- die [benadeelde partij] opgesloten gehouden en bewaakt op het adres [adres] en

- tegen die [benadeelde partij] gezegd dat zij mee moest werken omdat ze anders

doodgeschoten zou worden of aan andere mensen verkocht zou worden, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- die [benadeelde partij] meegenomen naar een loods te Kraggenburg en

- tegen die [benadeelde partij] gezegd dat zij zich moest uitkleden en die

kleding in een vuilniszak gedaan en die vuilniszak meegenomen en

- een vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

zichtbaar voor die [benadeelde partij] gedragen en

- de ramen en deuren van de loods in Kraggenburg afgesloten en

afgesloten gehouden;

3. zij in de periode van 4 april 2004 tot en met 17 april 2004 te Almere en te Kraggenburg, gemeente Noordoostpolder, meermalen tezamen en in vereniging met anderen, telkens door geweld en bedreiging met geweld

[benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij],

hebbende een of meer van haar mededaders telkens

- hun penis gebracht in de mond en/of de vagina van die [benadeelde partij] en

- die [benadeelde partij] de penis van een hond in haar mond doen nemen en

- die [benadeelde partij] een (opblaasbare) dildo in de mond gestopt,

en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte en/of een of meer van haar mededaders terwijl zij, verdachte en/of een of meer van haar mededaders, die [benadeelde partij] tegen haar wil heeft vastgehouden en door haar stelselmatig te bedreigen en te mishandelen een zodanige bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan die [benadeelde partij] zich niet kon onttrekken

- die [benadeelde partij] meermalen heeft geslagen in het gezicht en

- het hoofd van die [benadeelde partij] heeft vastgepakt en geduwd/gebracht in de

richting van de penis van één van haar mededaders en

- die [benadeelde partij] op het bed heeft gegooid en de broek van die [benadeelde partij] en

heeft uitgetrokken en de benen van die [benadeelde partij] uit elkaar heeft gedaan/geduwd en

- dreigend tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd dat zij haar kleding moest

uittrekken en de onderbroek van die [benadeelde partij] van haar lichaam heeft gescheurd en

- die [benadeelde partij] heeft geslagen op de rug en het hoofd en

- die [benadeelde partij] heeft geslagen met een zweep op haar voeten en

- een vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp, in de mond van die [benadeelde partij] heeft gedaan en vervolgens heeft gezegd: "Als je doet wat wij vragen is er niets aan de hand maar als je weigert mee te werken dan schiet ik je met dit pistool in je mond", in ieder geval woorden van gelijke aard en/of strekking en

- een vuurwapen, in ieder geval een op een vuurwapen gelijkend voorwerp,

heeft gedrukt in de nek van die [benadeelde partij]

en aldus voor die [benadeelde partij] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

4. zij in de periode van 15 april 2004 tot en met 17 april 2004 te Kraggenburg, gemeente Noordoostpolder, meermalen tezamen en in vereniging met anderen, telkens door geweld en bedreiging met geweld

[benadeelde pa[benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij], hebbende een of meer van haar mededaders telkens

- hun penis gebracht in de mond en/of de anus van die [benadeelde partij] en

- die [benadeelde partij] de penis van een hond in haar mond doen nemen en doen houden,

en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte en/of (een of meer van) haar mededader(s) terwijl zij, verdachte en/of een of meer van haar mededaders die [benadeelde partij] tegen haar wil heeft vastgehouden en door die [benadeelde partij] stelselmatig te bedreigen en te mishandelen een zodanige bedreigende situatie heeft doen ontstaan waaraan die [benadeelde partij] zich niet kon onttrekken

- tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd dat zij haar kleding moest uittrekken en

- die [benadeelde partij] heeft geslagen op het hoofd, en

- die [benadeelde partij] heeft geslagen met een zweep op haar voeten en op het lichaam en

- een vuurwapen, in ieder geval een dergelijk voorwerp, zichtbaar gedragen

en getoond aan die [benadeelde partij] en

- tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd dat die [benadeelde partij] één of meer van haar mededaders, moest zuigen omdat zij anders een hond zouden halen die met haar zou neuken, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking

en aldus voor die [benadeelde partij] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

5. zij in de periode van 4 april 2004 tot en met 18 april 2004 te Almere en te Kraggenburg, gemeente Noordoostpolder en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

anderen, genaamd [benadeelde partij] en [benadeelde partij], door geweld of één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,

en

zij in de periode van 4 april 2004 tot en met 18 april 2004 te Brussel tezamen en in vereniging met anderen,

anderen, genaamd [benadeelde partij] en [benadeelde partij] heeft aangeworven of medegenomen met het oogmerk die personen in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,

hebbende zij verdachte en/of een of meer van haar mededaders

- die [benadeelde partij] en die [benadeelde partij] tegen hun wil opgesloten en bewaakt en

- die [benadeelde partij] en die [benadeelde partij] mishandeld en

- foto's gemaakt van die [benadeelde partij] en die [benadeelde partij] terwijl voornoemden ontbloot waren en zich in verschillende seksuele posities bevonden en

- die foto's geplaatst en/of vervaardigd om te plaatsen op verschillende

internetsites en chatboxen om die [benadeelde partij] en die [benadeelde partij] als escorts/prostituees aan te bieden en

- advertenties op het internet geplaatst waarbij die [benadeelde partij] en die [benadeelde partij] werden aangeboden voor het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling en

- meermalen afspraken gemaakt met klanten over/voor het verrichten van

seksuele handelingen, door die [benadeelde partij] en/of die [benadeelde partij], tegen betaling en

- die [benadeelde partij] en/of die [benadeelde partij] meermalen meegenomen naar klanten teneinde daar met die klanten betaalde sex te hebben en

- die [benadeelde partij] meermalen tegen betaling seksuele handelingen laten verrichten met een of meer klanten en

- contacten gelegd met derden met de bedoeling die [benadeelde partij] en/of die [benadeelde partij] te doen gebruiken voor het maken van films waarbij sex zou plaatsvinden tussen een of meer van genoemde personen en/of dieren en/of waarbij ledematen van genoemde personen zouden worden afgesneden en/of waarbij een of meer van de genoemde personen van het leven zouden worden beroofd;

6. zij in de periode van 01 februari 2004 tot en met 19 april 2004 te Almere en elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie[medeverdachte]werd door [medeverdachten] en/of een andere persoon, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk mensenhandel en diefstal;

7. zij op 14 maart 2004 te Etten-Leur tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een mobiele telefoon (merk Nokia), een aantal DVD's en een digitale camera (merk Trust), toebehorende aan [benadeelde partij];

8. zij op 20 maart 2004 te Ruurlo tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor (merk BMW, type R 1100 Gs), een kentekenbewijs behorende bij voornoemde motor, een horloge, een Playstation, een digitale camera en andere goederen, toebehorende aan [benadeelde partij].

Van het onder 1 tot en met 8 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank heeft het, niettegenstaande de toepasselijkheid van artikel 365a Wetboek van Strafvordering, aangewezen geacht reeds thans inzicht te geven in haar overwegingen die hebben geleid tot de bewezenverklaring.

De rechtbank merkt vervolgens op dat de betreffende feiten ten laste zijn gelegd in de vorm van mededaderschap. Hiervoor is niet vereist dat alle feitelijke handelingen mede door de mededader zelf zijn gepleegd. Voldoende is dat er enige vorm is van eigen feitelijk handelen, dat er sprake is van wetenschap en samenwerking, en dat is nagelaten afstand te nemen van het plegen van strafbare handelingen.

Met betrekking tot verdachte heeft de rechtbank vastgesteld dat zij reeds in een vroegtijdig stadium op de hoogte is geweest van het door de medeverdachte [medeverdachte] geïnitieerde plan tot het opzetten van een escort-bureau. Verdachte heeft in dat bureau ook een rol gespeeld: zij is mee geweest bij het bezoeken van klanten en wist wat er tijdens die bezoeken gebeurde. Verdachte was er tevens van op de hoogte dat de volgende stap ten behoeve van dat bedrijf eruit bestond dat er vrouwen uit België zouden worden gehaald om een rol te vervullen in het escort-bedrijf, zij is ook mee geweest naar België. Zij heeft voorts een bewakende rol gespeeld in de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [benadeelde partij] (hierna te noemen [benadeelde partij]) en [benadeelde partij] (hierna te noemen [benadeelde partij]) in haar woning aan de [adres] (hierna ook aan te duiden als: in Almere) en tenslotte was zij getuige van de gebeurtenissen in de loods aan [adres] te Kraggenburg (hierna te noemen de loods). Deze omstandigheden tezamen maken dat de rechtbank mededaderschap van verdachte bewezen acht.

De rechtbank merkt vervolgens op dat zij bij de bewijsbeslissing grote betekenis heeft toegekend aan de verklaringen van de aangeefsters [benadeelde partij], [benadeelde partij] en [benadeelde partij] (hierna te noemen: [benadeelde partij]). De rechtbank heeft vastgesteld dat hun verklaringen veel overeenkomsten met elkaar vertonen, ook ten aanzien van details. Dat dit geldt voor de verklaringen van [benadeelde partij] en [benadeelde partij] is verklaarbaar doordat zij gelijktijdig te Almere en in de loods hebben verbleven en ook gezamenlijk zijn gevlucht. Dat hun verklaringen zoveel overeenkomsten vertonen zou ook kunnen zijn ingegeven doordat zij veel met elkaar hebben gesproken over hetgeen hun is overkomen. Dat geldt echter niet voor de verklaringen van [benadeelde partij]. Er is geen enkele aanwijzing dat zij [benadeelde partij] en [benadeelde partij] kent of dat zij na haar vertrek uit de loods te Kraggenburg met hen heeft gesproken. De opvallende gelijkenissen in de respectieve verklaringen ziet de rechtbank derhalve als een aanwijzing voor de betrouwbaarheid van hun verklaringen. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat hetgeen hun feitelijk is overkomen grotendeels bevestigd wordt in de verklaringen van de verdachten en door foto’s die in de loods zijn genomen en foto’s van [benadeelde partij] en [benadeelde partij] in de woning te Almere. De rechtbank wijst er overigens op dat de foto’s als zodanig geen rol hebben gespeeld bij de vraag of hetgeen aangeefsters is overkomen al dan niet vrijwillig is geweest.

Door de raadsman is aangevoerd dat de verklaringen van [benadeelde partij] onder toepassing van artikel 6 van het Europees Verdrag van de Rechten van de Mens buiten beschouwing dienen te blijven, nu de verdediging niet in staat is geweest [benadeelde partij] te ondervragen om zo haar betrouwbaarheid als getuige te kunnen beoordelen. De rechtbank zal de raadsman hierin niet volgen. De rechtbank is van oordeel dat er voldoende steunbewijs is te vinden zoals boven reeds is overwogen.

Met betrekking tot de tenlastegelegde feiten heeft de rechtbank bewezen verklaard de wederrechtelijke vrijheidsberoving van de aangeefsters [benadeelde partij] en [benadeelde partij]. De rechtbank heeft daarbij niet bewezen verklaard dat de aangeefsters met geweld in de auto zijn geduwd. De rechtbank mist de overtuiging daartoe. Hoewel [benadeelde partij] nadrukkelijk betwist als zodanig werkzaam te zijn (geweest), bij de politie te Brussel staan beide aangeefsters bekend als prostituees. Daarbij komt dat de verdachten over de gang van zaken bij de gestelde ontvoeringen consistent verklaren en dat verdachte zelf ook aangeeft dat de werkwijze hieruit bestond dat de vrouwen onder valse voorwendselen, namelijk met de belofte van veel geld te kunnen verdienen in Nederland, dan wel een royale vergoeding voor een nachtje in een hotel, werden overgehaald mee te gaan. Dit was de werkwijze in het geval van twee eerdere pogingen vrouwen uit Antwerpen over te halen mee komen en ook bij [benadeelde partij]. Voorts hebben verdachte en haar medeverdachten verklaard dat de auto, een Opel Astra, die werd gebruikt voor het vervoer van de vrouwen uit Brussel, was voorzien van portieren met kindersloten, die aan de binnenkant van de auto niet konden worden geopend. [benadeelde partij] verklaart met betrekking tot de reis over details die ook in de verklaring van [benadeelde partij] naar voren komen zoals het been dat [medeverdachte] over haar heen slaat, zodat ze niet weg kon. In het geval van [benadeelde partij] heeft de rechtbank echter niet kunnen vaststellen of de onvrijwilligheid al in België is ingetreden. De rechtbank heeft ten aanzien van [benadeelde partij] niet kunnen vaststellen dat de onvrijwilligheid in de auto is ingetreden.

De rechtbank heeft bewezen verklaard dat de aangeefsters [benadeelde partij] en [benadeelde partij] wederrechtelijk van hun vrijheid zijn beroofd geweest te Almere. De rechtbank sluit niet uit dat de onvrijwilligheid van hun verblijf niet op alle momenten als even drukkend door hen is ervaren en dat er zelfs momenten van ontspanning zijn geweest. Voor de rechtbank doet dat echter in onvoldoende mate af aan haar oordeel. Voor de onvrijwilligheid van het verblijf van de aangeefsters [benadeelde partij] en [benadeelde partij] te Almere neemt de rechtbank de verklaringen van de aangeefsters in aanmerking. Uit de verklaring van [benadeelde partij] blijkt dat haar telefoon is afgenomen. Haar vriend [naam] heeft frequent geprobeerd haar te bereiken. Hij heeft hierover verklaard dat hij vervolgens werd gebeld en bedreigd met de bedoeling dat hij verder geen contact meer zou opnemen met [benadeelde partij].

Ook het feit dat zowel [benadeelde partij] als [benadeelde partij] zijn gemeld als zijnde vermist, strookt niet met vrijwilligheid van het verblijf in de woning in Almere. Voorts heeft [benadeelde partij] verklaard dat zij, nadat zij haar mogelijkheden om het pand te verlaten had verkend, ernstig is geslagen door de verdachte [medeverdachte]. Ook verdachte en haar medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] verklaren over een heftige ruzie tussen [medeverdachte] en [benadeelde partij] en dat zij hebben gehoord dat [benadeelde partij] is geslagen. [benadeelde partij] heeft voorts verklaard dat zij naakt op een stoel is gezet, de armen geboeid op de rug en een bal in haar mond, vastgebonden met een band om haar hoofd. Hiervan bevindt zich een foto in het dossier. Ook bevindt zich in het dossier een weergave van een chatgesprek van 13 april 2004 waarover medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij daaraan onder de chatnaam [naam] heeft deelgenomen en dat zijn gesprekspartner zijn broer [medeverdachte] was. De laatste geeft daarin opdracht ervoor te zorgen dat “ze niet naar buiten kunnen” en meldt vervolgens dat beide deuren nu op slot kunnen. “[naam]” heeft daarop gereageerd dat het O.K. is. Uit datzelfde gesprek blijkt dat het [benadeelde partij] niet was toegestaan telefoongesprekken te voeren in een andere dan de Engelse taal. Hieruit leidt de rechtbank af dat ook dit een middel was aangeefsters onder controle te houden. Verdachte heeft toegegeven dat [benadeelde partij] en [benadeelde partij], door haar respectievelijk [naam] en [naam] genoemd, onvrijwillig in haar woning hebben verbleven, hetgeen ook door de medeverdachte [medeverdachte] wordt bevestigd voor het laatste deel van de periode.

De rechtbank acht voorts bewezen dat de aangeefsters [benadeelde partij] en [benadeelde partij] tegen hun wil gedwongen zijn geweest tot seks met derden tegen betaling. Er zijn foto’s van hen met aanprijzing op het internet aangetroffen, foto’s die bij verdachte in de woning zijn gemaakt. Aangeefster [benadeelde partij] verklaart dat het enige keren is gebeurd dat zij naar een klant werd gebracht met wie zij ook seks heeft gehad tegen betaling. Zij werd doorgaans vergezeld door [benadeelde partij], die echter nimmer daadwerkelijk contact heeft gehad met klanten. Het vervoer geschiedde door de [medeverdachten], maar ook verdachte en medeverdachte [medeverdachte] zijn mee geweest en hebben hierover ook verklaard. Dat deze contacten vrijwillig zijn geweest acht de rechtbank niet aannemelijk, gelet op de verklaringen van de aangeefsters.

Het bezoek aan de loods te Kraggenburg wordt door de aangeefsters [benadeelde partij] en [benadeelde partij] ook beschreven als bezoek aan een klant. Echter al snel in de loods blijkt dat het hier niet gaat om een doorsnee escort-contact. Over wat er feitelijk in de loods is gebeurd kan de rechtbank kort zijn. Hetgeen aangeefsters [benadeelde partij] en [benadeelde partij] hierover verklaren wordt grotendeels bevestigd door de verdachten, terwijl ook de reeds genoemde foto’s hun verhalen in feitelijke zin volledig ondersteunen. De vraag is wel of hetgeen in de loods is gebeurd hun instemming had en of aangeefsters de loods hebben kunnen verlaten op ieder door hen gewenst moment. De rechtbank beseft dat er op seksueel gebied gedragingen zijn die bij menig mens de wenkbrauwen doen fronsen, maar dat levert op zich geen strafbaar feit op indien de gedragingen plaatsvinden met wederzijdse instemming, hoe extreem en bizar die gedragingen wellicht ook zijn. Dat is voor hetgeen zich in de bewuste loods heeft afgespeeld niet anders. Deze gedragingen zijn dan ook enkel strafrechtelijk relevant indien deze tegen de wil van de betrokkene hebben plaatsgevonden.

Aangeefsters zelf laten hierover geen enkele twijfel bestaan: hun verblijf in de loods en alles wat hen daar is overkomen was tegen hun wil. [benadeelde partij] heeft dat duidelijk laten weten, onder meer door te huilen. Verdachte heeft in haar laatste verklaring toegegeven dat het verblijf van aangeefsters [benadeelde partij] en [benadeelde partij] onvrijwillig is geweest en heeft ook ter zitting bevestigd dat de verklaringen van [benadeelde partij] en [benadeelde partij] juist zijn.

Dat zij niet uit de loods weg kunnen blijkt uit de verklaring van verdachte dat de loods op slot zat en wordt bevestigd door medeverdachte [medeverdachte] die stelt dat ook hij en [medeverdachte] loods niet mogen verlaten.

Aangeefsters [benadeelde partij] en [benadeelde partij] hebben verklaard dat zij niet durfden te ontsnappen omdat medeverdachte [medeverdachte] in het bezit was van een vuurwapen, hetgeen is bevestigd door verdachte en haar medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte].

Met betrekking tot feit 5 gaat het erom dat aangeefsters door verdachte en een of meer van zijn medeverdachten zijn aangeworven en/of uit België zijn meegenomen met het oogmerk hen in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen voor prostitutie. Het moet voor verdachte duidelijk zijn geweest waarom [benadeelde partij] en [benadeelde partij] uit België werden meegenomen. Immers zij was op de hoogte van de plannen van de broers [voorletters] en [medeverdachte] om een escort-bureau op te zetten, zij is mee geweest naar klanten van het bureau en is ook mee geweest naar België om voor dat doel geschikte vrouwen te vinden. Ook de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] verklaren over de plannen van het escort-bureau en verdachte merkt op dat haar partner veel tijd achter de computer zat om klanten voor het bureau te werven. In dit kader speelt bovendien mee dat er, zoals uit de verklaringen van aangeefsters en meerdere verdachten blijkt, (vergevorderde) plannen bestonden aangeefsters beschikbaar te stellen voor opnames van een pornografische film, waaraan ook een paard te pas zou komen en waarvoor betalingen zouden plaatsvinden. Hiervan zijn bedragen genoemd van 8000 en 25.000 euro. Dat laatste bedrag zou dan btrekking hebben op films waarbij de vrouwen het leven zouden laten. Dat er zelfs al een afspraak is gemaakt, blijkt ook uit de al eerder genoemde chat van 13 april 2004 tussen de beide medeverdachten Marreel.

Onder feit 6 wordt verdachte verweten deel uit gemaakt te hebben van een criminele organisatie. Het moet daarbij gaan om feitelijke deelneming aan een gestructureerd samenwerkingsverband dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De rechtbank heeft in dit kader de omschrijving mensenhandel opgevat als een feitelijke omschrijving van die misdrijven. De term mensenhandel is als zodanig geen juridische kwalificatie, maar duidelijk is wel dat hier bedoeld is een misdrijf in de zin van artikel 250a Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft niet aangenomen dat wederrechtelijke vrijheidsberoving en verkrachting tot het oogmerk van de organisatie hebben behoord, maar dat zulks als middel is aangewend om tot het uiteindelijke doel te geraken. De structuur van de organisatie is voldoende duidelijk. Medeverdachte [medeverdachte] speelde in dit kader duidelijk de hoofdrol, maar in alle door hem ondernomen activiteiten werd hij ondersteund door zijn broer [medeverdachte]. Daarnaast speelden ook verdachte en medeverdachte [medeverdachte] een rol in het geheel. Zo zijn zij mee geweest naar België om vrouwen op te halen en zijn er blijkens de verklaring van verdachte duidelijke afspraken: de meisjes, waarmee zij bedoelt [medeverdachte], [naam] en zijzelf, zouden de klanten bezighouden en de jongens, waarmee zijn bedoeld de broers [voorletters]en [medeverdachte], zouden dan goederen uit de woning stelen. Ook medeverdachte [medeverdachte] verklaart dat de SM-contacten een dekmantel vormden voor het plegen van diefstallen.

Met betrekking tot de diefstallen heeft de raadsman aangevoerd dat het slachtoffer van feit 7 niet verdachte en medeverdachte [medeverdachte] heeft herkend. Dat is juist, maar de verklaringen daarover van de desbetreffende medeverdachten en verdachte zelf vormen voldoende grondslag om te komen tot een bewezenverklaring van de tenlastegelegde diefstal. Aangezien het geweld dat in casu is gepleegd door het slachtoffer is gewild, spreekt de rechtbank verdachte daarvan vrij. Dat geldt ook voor feit 8. Het tenlastegelegde blinddoeken en boeien, alsmede het injecteren is immers door het slachtoffer gewild. Dat geldt niet voor het stompen en/of slaan, maar de rechtbank heeft ten aanzien hiervan geen relatie kunnen vaststellen met de bewezen verklaarde diefstal.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1 en 2 telkens:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden, strafbaar gesteld bij artikel 282 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3 en 4 telkens:

Medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 242 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 5:

Een ander door geweld of een andere feitelijkheid dwingen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 250a lid 1 sub 1° in verband met artikel 250a lid 2 sub 1°, van het Wetboek van Strafrecht,

en

een persoon aanwerven, met het oogmerk die persoon in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 250a lid 1 sub 2° in verband met artikel 250a lid 2 sub 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 6:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,

strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 7 en 8 telkens:

Diefstal door twee of meer verenigde personen,

strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto artikel 310 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank vindt in dit geval een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met de omstandigheid dat het hier ernstige en voor de slachtoffers bijzonder ingrijpende strafbare feiten betreft. Het plegen van deze feiten is voorts een continue gebeuren, waarvan de ernst in snel tempo is toegenomen. Is het begonnen met diefstallen, het eindigt met langdurige vrijheidsberoving en frequente verkrachting. De rechtbank acht verder strafverzwarend de omstandigheden waaronder de misdrijven hebben plaatsgevonden en de kwetsbaarheid van de slachtoffers. Zo zijn de diefstallen gepleegd bij klanten die om een SM-contact hebben gevraagd, waarvan de medeverdachte [medeverdachte] gezegd heeft dat die toch geen aangifte zouden doen, gelet op de situatie waarin die diefstallen hebben plaatsgevonden. Voor de prostitutie worden vrouwen gezocht, die illegaal in België verbleven, die niet snel gemist zouden worden en die pas in het uiterste geval naar de politie zouden stappen.

Verder zijn de bewezen verklaarde misdrijven vergezeld van voor de slachtoffers zeer vernederende en onsmakelijke gedragingen als het dwingen tot het opdrinken van thee van een gebruikte tampon, het opdrinken van urine en het opeten van een bij een anaal contact gebruikt condoom.

De rechtbank wil wel aannemen dat verdachte letterlijk ziek is geworden van hetgeen zij in de loods heeft gezien, maar de rechtbank rekent het haar toch zwaar aan dat zij gedurende langere tijd heeft meegewerkt aan wederrechtelijke vrijheidsberoving en ondanks dat zij diverse keren getuige is geweest van ernstig geweld, waaronder verkrachting, niets heeft ondernomen om een einde aan de situatie te maken.

Aan de andere kant weegt de rechtbank mee dat verdachte niet eerder met Justitie in aanraking is geweest. De rechtbank weegt ook mee dat verdachte zich zelf niet of nagenoeg niet heeft overgegeven aan fysiek geweld of enige initiërende rol heeft gespeeld.

Bij de bepaling van de straf heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met het omtrent verdachte uitgebrachte deskundigenrapport van de deskundige dr. Th.A.M. Deenen, klinisch psycholoog, d.d. 3 januari 2005. De deskundige beschrijft verdachte als een jonge vrouw met een goede intelligentie die weinig zelfvertrouwen heeft en weinig actieve copingstrategieën hanteert. Haar basishouding is dociel en aanpassend en zij oogt als iemand die onvoldoende weerstand kan bieden tegen anderen en zich gemakkelijk laat inpalmen. Ze lijkt zich daarbij af te sluiten van de werkelijkheid en deze niet te willen zien. De deskundige constateert overigens wel dat verdachte zich vooral als slachtoffer presenteert, die tot haar daden is gekomen uit angst voor haar zwager (de medeverdachte [medeverdachte]), maar ze lijkt de feiten ook niet goed te overzien en neemt geen verantwoordelijkheid voor haar rol. Al met al is sprake van een gemengde persoonlijkheidsstoornis met vooral afhankelijke, ontwijkende en antisociale trekken.

De rechtbank kan zich vinden in de bevindingen van de deskundige en merkt de persoonlijkheidsstructuur van verdachte en de door haar aangegeven druk van de medeverdachte [medeverdachte] op haar en haar partner [medeverdachte] aan als strafverminderende omstandigheden. De rechtbank gaat niet zover dat zij verdachte niet verantwoordelijk houdt voor haar eigen aandeel in de strafbare handelingen.

De rechtbank heeft, in afwijking van het advies van de deskundige geen aanleiding gezien om hernieuwd advies te vragen na de beslissing terzake het bewijs, nu de verdachte ter zitting desgevraagd, niet heeft aangegeven bereid te zijn aan een aanvullend onderzoek mee te werken.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 15 december 2004 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst;

- een de verdachte betreffend voorlichtingsrapport d.d. 31 augustus 2004 uitgebracht door de Stichting Reclassering Nederland.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 27, 36f en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partijen

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

Bij het onderzoek ter terechtzitting is komen vast te staan, dat de benadeelde partij [benadeelde partij] rechtstreeks schade heeft geleden ten gevolge van het ten laste van verdachte onder 7 bewezen verklaarde feit.

De hoogte van die schade is, gelet op de overgelegde bescheiden en hetgeen ter terechtzitting naar voren is gekomen, genoegzaam komen vast te staan tot een bedrag van € 814,--, vermeerderd met de kosten die -tot op heden- worden begroot op nihil.

De vordering van de benadeelde partij, die in die vordering ontvankelijk is, is in dier voege tot dat bedrag toewijsbaar.

De verdachte is voor de schade, voorzover toegewezen, naar burgerlijk recht hoofdelijk aansprakelijk.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] dient voor het meerdere, als zijnde onvoldoende onderbouwd, te worden afgewezen.

De rechtbank zal voorts terzake het onder 7 bewezenverklaarde feit aan de verdachte op de voet van artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht de verplichting opleggen tot betaling aan de Staat van bovengenoemde geldsom van € 814,-- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij].

BESLISSING

Het onder 1 tot en met 8 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 tot en met 8 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

5 (vijf) jaar.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot betaling aan de benadeelde partij

[benadeelde partij], wonende te [adres], van een bedrag van € 814,-- (zegge: achthonderdenveertien euro), hoofdelijk met dien verstande dat indien en voorzover haar mededaders betalen, verdachte in zoverre van deze verplichting zal zijn bevrijd.

De verdachte wordt voorts veroordeeld in de kosten, door de benadeelde partij gemaakt, tot op heden begroot op nihil, en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken.

De rechtbank legt op aan verdachte de verplichting tot betaling aan de Staat van een bedrag, groot € 814,-- ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde partij], bij gebreke van betaling en verhaal te vervangen door 5 dagen hechtenis.

De rechtbank bepaalt dat, indien de verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de Staat daarmee haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij inzoverre komt te vervallen en andersom dat, indien verdachte heeft voldaan aan haar verplichting tot betaling aan de benadeelde partij daarmee haar verplichting tot betaling aan de Staat inzoverre komt te vervallen.

De rechtbank wijst de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] voor wat betreft het meer gevorderde af.

Aldus gewezen door mr. S.E. Bins-van Waegeningh, voorzitter, mrs. G. Blomsma en G.J.J.M. Essink, rechters, in tegenwoordigheid van M. Smit als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2005.

Mr. Bins-van Waegeningh voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.