Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AS3931

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
27-01-2005
Datum publicatie
27-01-2005
Zaaknummer
07.280194-04
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

zaak kraggenburg; ondergaan van gedwongen seksuele handelingen

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Strafkamer te Lelystad

Parketnummer: 07.280194-04

Uitspraak: 27 januari 2005

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[verdachte],

geboren op [geboortedatum en -plaats]

[adres]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaats gevonden op 10, 11 en 13 januari 2005. De verdachte is verschenen op 10 en 11 januari 2005, bijgestaan door mr. R.W.A. Offermans, advocaat te Zeewolde.

De officier van justitie, mr. P. Berden, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte ter zake het onder 1 tot en met 5 ten laste

gelegde tot:

- een gevangenisstraf voor de duur van 6 jaar, met aftrek overeenkomstig artikel 27 van het Wetboek van Strafrecht;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (hoofdelijk) tot een bedrag van € 10,000,-- bij wijze van voorschot;

- toewijzing van de vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] (hoofdelijk) tot een bedrag van € 10,000,-- bij wijze van voorschot;

- telkens toepassing van de maatregel als bedoeld in artikel 36f van het Wetboek van Strafrecht;

- verbeurdverklaring van de voorwerpen welke staan vermeld in het ter terechtzitting overgelegde proces-verbaal van politie nr. 2004026245-274 hetwelk als lijst van inbeslaggenomen voorwerpen dient te worden beschouwd onder [pv naam].

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt gewijzigde tenlastelegging)

De rechtbank verbetert in de tenlastelegging een aantal kennelijke schrijffouten en heeft de tenlastelegging op enkele punten taalkundig aangevuld.

Gelet op hetgeen door verdachte en de raadsman ter verdediging is aangevoerd is aan verdachte voldoende duidelijk geweest wat hem wordt verweten. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de verdachte daardoor niet in haar verdediging is geschaad.

BEWIJS

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte onder 1 tot en met 5 ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

1. zij op 18 april 2004 in België en te Kraggenburg, gemeente Noordoostpolder en elders in Nederland tezamen en in vereniging met anderen, opzettelijk [benadeelde partij] wederrechtelijk van de vrijheid heeft beroofd en beroofd gehouden, immers heeft zij verdachte en/of een of meer van haar mededaders met dat opzet

- onder valse voorwendselen die [benadeelde partij] achterin de auto laten instappen terwijl op de achterdeuren een kinderslot zat, zodat die [benadeelde partij] de auto niet meer kon verlaten en

- die [benadeelde partij], nadat één van haar mededaders naast die [benadeelde partij] op de achterbank was gaan zitten, vastgepakt en een been om die [benadeelde partij] heen geslagen en

- die [benadeelde partij] tegen haar wil vervoerd naar een loods in Kraggenburg en

- tegen die [benadeelde partij] gezegd dat zij al haar kleding moest uittrekken en

anders gedwongen zou worden haar kleding uit te doen, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- die kleding in een vuilniszak gedaan en die vuilniszak met kleding meegenomen en in een kast gestopt en

- die [benadeelde partij] geslagen in het gezicht en tegen de oren, en

- de telefoon en geld en de sleutel en documenten van die [benadeelde partij]

afgepakt en

- tegen die [benadeelde partij] gezegd, dat zij niet mocht vluchten en dat zij anders

vermoord zou worden en dat als zij raar zou doen dat dan de honden haar

zouden opeten, in ieder geval woorden van gelijke aard en/of strekking en

- de ramen en deuren van de loods in Kraggenburg afgesloten;

2. zij op 18 april 2004 te Kraggenburg, gemeente Noordoostpolder, meermalen, tezamen en in vereniging met anderen, telkens door geweld en bedreiging met geweld [benadeelde partij] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen die bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [benadeelde partij], hebbende verdachte en/of een of meer van haar mededaders telkens

- hun penis geduwd/gebracht in de mond en de anus van die [benadeelde partij] en

- die [benadeelde partij] de penis van een hond in haar mond doen nemen en doen houden en

– haar tenen in de mond van die [benadeelde partij] gebracht

en bestaande dat geweld en die bedreiging met geweld hierin dat verdachte en/of een of meer van haar mededaders

- tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd dat wanneer zij zich niet uit zou

kleden, ze haar zouden dwingen om haar kleding uit te doen, in ieder geval

woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- tegen die [benadeelde partij] heeft gezegd dat als zij raar deed, dat de honden

haar dan op zouden eten, in ieder geval woorden van gelijke dreigende aard en/of strekking en

- die [benadeelde partij] meermalen heeft geslagen tegen het hoofd en

- die [benadeelde partij] meermalen heeft geslagen met een stok op haar borsten en

op het lichaam en

- het hoofd van die [benadeelde partij] heeft geduwd in de richting van de penis van de hond

en aldus voor die [benadeelde partij] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

3. zij in de periode van 4 april 2004 tot en met 18 april 2004 te Almere en te Kraggenburg, gemeente Noordoostpolder en elders in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen,

anderen, genaamd [benadeelde partij] en [benadeelde partij] en [benadeelde partij], door geweld of één of meer andere feitelijkheden heeft gedwongen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,

en

zij in de periode van 4 april 2004 tot en met 18 april 2004 te Brussel tezamen en in vereniging met anderen,

anderen, genaamd [benadeelde partij] en [benadeelde partij] en [benadeelde partij] heeft aangeworven of medegenomen met het oogmerk die personen in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling,

hebbende zij verdachte en/of een of meer van haar mededaders

- die [benadeelde partij] en die [benadeelde partij] en/of die [benadeelde partij] tegen hun wil opgesloten en/of

bewaakt en

- die [benadeelde partij] en die [benadeelde partij] en die [benadeelde partij] mishandeld en

- foto's gemaakt van die [benadeelde partij] en die [benadeelde partij] en die [benadeelde partij] terwijl

voornoemden ontbloot waren en zich in verschillende seksuele posities

bevonden en

- die foto's geplaatst en/of vervaardigd om te plaatsen op verschillende

internetsites en chatboxen om die [benadeelde partij] en/of die [benadeelde partij] en/of die [benadeelde partij] als escorts/prostituees aan te bieden en

- advertenties op het internet geplaatst waarbij die [benadeelde partij] en die [benadeelde partij] werden aangeboden voor het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling en

- meermalen afspraken gemaakt met klanten over/voor het verrichten van

seksuele handelingen, door die [benadeelde partij] en/of die [benadeelde partij], tegen betaling en

- die [benadeelde partij] en/of die [benadeelde partij] meermalen meegenomen naar klanten teneinde daar met die klanten betaalde sex te hebben en

- die [benadeelde partij] meermalen tegen betaling seksuele handelingen laten verrichten met een of meer klanten en

- die [benadeelde partij] opgemeten met de bedoeling sm-artikelen op maat voor haar te laten maken en

- contacten gelegd met derden met de bedoeling die [benadeelde partij] en/of die [benadeelde partij] en/of die [benadeelde partij] te doen gebruiken voor het maken van films waarbij sex zou plaatsvinden tussen een of meer van genoemde personen en/of dieren en/of waarbij ledematen van genoemde personen zouden worden afgesneden en/of waarbij een of meer van de genoemde personen van het leven zouden worden beroofd;

4. zij in de periode van 01 februari 2004 tot en met 19 april 2004 te Almere en elders in Nederland, heeft deelgenomen aan een organisatie, te weten een organisatie die gevormd werd door [medeverdachte] en [medeverdachte] en [medever[medeverdachte] en/of een andere persoon, welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, namelijk mensenhandel en diefstal;

5. zij op 20 maart 2004 te Ruurlo tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een motor (merk BMW, type R 1100 Gs), een kentekenbewijs behorende bij voornoemde motor, een horloge, een Playstation, een digitale camera en andere goederen, toebehorende aan [benadeelde partij].

Van het onder 1 tot en met 5 meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

De rechtbank heeft het, niettegenstaande de toepasselijkheid van artikel 365a Wetboek van Strafrecht, aangewezen geacht reeds thans inzicht te geven in haar overwegingen die geleid hebben tot de bewezenverklaring.

De rechtbank merkt vervolgens op dat de betreffende feiten ten laste zijn gelegd in de vorm van mededaderschap. Hiervoor is niet vereist dat alle feitelijke handelingen mede door de mededader zijn gepleegd. Voldoende is dat er enige vorm is van eigen feitelijk handelen, dat er sprake is van wetenschap en samenwerking, en dat is nagelaten afstand te nemen van het plegen van strafbare handelingen.

Met betrekking tot verdachte heeft de rechtbank vastgesteld dat zij reeds in een vroegtijdig stadium op de hoogte is geweest van het door de medeverdachte [medeverdachte] geïnitieerde plan voor het opzetten van een escortbureau. Verdachte heeft in dat bureau ook een rol gespeeld: zij is mee geweest bij het bezoeken van een klant. Verdachte was er tevens van op de hoogte dat de volgende stap ten behoeve van dat bedrijf eruit bestond dat er vrouwen uit België zouden worden gehaald om een rol te vervullen in het escortbedrijf, zij is ook mee geweest naar België. Zij is op de hoogte geweest van de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [voornaam] [benadeelde partij] (hierna te noemen [benadeelde partij]) en [voornaam] [benadeelde partij] (hierna te noemen [benadeelde partij]) in de woning aan [adres] te Almere (hierna ook aan te duiden als: in Almere), zij heeft een rol gespeeld in de wederrechtelijke vrijheidsberoving van [voornaam] [benadeelde partij] (hierna te noemen [benadeelde partij]) en tenslotte was zij getuige van, en zelfs deelneemster aan de gebeurtenissen in de loods aan [adres] te Kraggenburg (hierna te noemen de loods). Deze omstandigheden tezamen maken dat de rechtbank mededaderschap van verdachte bewezen acht.

De rechtbank heeft bij de bewijsbeslissing grote betekenis toegekend aan de verklaringen van de aangeefsters [benadeelde partij], [benadeelde partij] en [benadeelde partij]. De rechtbank heeft vastgesteld dat hun verklaringen veel overeenkomsten met elkaar vertonen, ook ten aanzien van details. Dat dit geldt voor de verklaringen van [benadeelde partij] en [benadeelde partij] is verklaarbaar doordat zij gelijktijdig te Almere en in de loods hebben verbleven en ook gezamenlijk zijn gevlucht. Dat hun verklaringen zoveel overeenkomsten vertonen zou ook kunnen zijn ingegeven doordat zij veel met elkaar hebben gesproken over hetgeen hun is overkomen. Dat geldt echter niet voor de verklaringen van [benadeelde partij]. Er is geen enkele aanwijzing dat zij [benadeelde partij] en [benadeelde partij] kent of dat zij na haar vertrek uit de loods te Kraggenburg met hen heeft gesproken. De opvallende gelijkenissen in de respectieve verklaringen ziet de rechtbank derhalve als een aanwijzing voor de betrouwbaarheid van hun verklaringen. De rechtbank heeft voorts vastgesteld dat hetgeen hun feitelijk is overkomen grotendeels bevestigd wordt in de verklaringen van de verdachten en door foto’s die in de loods zijn genomen en foto’s van [benadeelde partij] en [benadeelde partij] in de woning te Almere. De rechtbank wijst er overigens op dat de foto’s als zodanig geen rol hebben gespeeld bij de vraag of hetgeen aangeefsters is overkomen al dan niet vrijwillig is geweest.

Met betrekking tot de tenlastegelegde feiten heeft de rechtbank bewezen verklaard de wederrechtelijke vrijheidsberoving van aangeefster [benadeelde partij].

Uit de verklaring van [benadeelde partij], bevestigd door de verklaring van [medeverdachte] over de werkwijze bij het werven van vrouwen in België, leidt de rechtbank af dat [benadeelde partij] onder het voorwendsel van een profijtelijke nacht in een hotel in Brussel bij de [medeverdachten] in de auto is gestapt. Dat neemt niet weg dat, naar het oordeel van de rechtbank, de vrijheidsberoving van aangeefster [benadeelde partij] wel reeds in België is aangevangen. Zo heeft zij verklaard dat zij ongerust werd nadat haar was gebleken dat er in een andere richting werd gereden dan die van het voorgehouden Brusselse hotel, dat vervolgens, net buiten Brussel de bijrijder bij haar achterin de auto kwam zitten en zijn been over haar heen sloeg. Voorts hebben medeverdachten verklaard dat de auto, een Opel Astra, die werd gebruikt voor het vervoer van de vrouwen uit Brussel, was voorzien van portieren met kindersloten, die aan de binnenkant van de auto niet konden worden geopend.

Verdachte moet op de hoogte zijn geweest van het doel van de reis naar Brussel en wat er vervolgens zou gaan gebeuren. Dat leidt de rechtbank af uit een SMS-berichtje van [medeverdachte] aan verdachte waarin hij spreekt over een nieuwe vangst en in een volgend bericht aangeeft dat hij haar komt ophalen en dat ze naar “doggie” gaan, waarmee is bedoeld de loods te Kraggenburg. Ze is vervolgens inderdaad meegegaan naar de loods.

Over wat er feitelijk in de loods is gebeurd kan de rechtbank kort zijn. Hetgeen aangeefster [benadeelde partij] hierover verklaart wordt grotendeels bevestigd door de verdachten, terwijl de aldaar gemaakte foto’s haar verhaal in feitelijke zin volledig ondersteunen. De vraag is wel of hetgeen in de loods is gebeurd haar instemming had en of aangeefster de loods heeft kunnen verlaten op ieder door haar gewenst moment. De rechtbank beseft dat er op seksueel gebied gedragingen zijn die bij menig mens de wenkbrauwen doen fronsen, maar dat levert op zich geen strafbaar feit op indien de gedragingen plaatsvinden met wederzijdse instemming, hoe extreem en bizar die gedragingen wellicht ook zijn. Dat is voor hetgeen zich in de bewuste loods heeft afgespeeld niet anders. Deze gedragingen zijn dan ook enkel strafrechtelijk relevant indien deze tegen de wil van de betrokkene hebben plaatsgevonden.

Aangeefster zelf laat hierover geen enkele twijfel bestaan: haar verblijf in de loods en hetgeen haar daar is overkomen was onvrijwillig. Verdachte verklaart dat zij heeft gezien dat [benadeelde partij] zich bij binnenkomst in de loods niet wil uitkleden, waarna geweld wordt gebruikt. Zowel verdachte maar ook de medeverdachte [medeverdachte] verklaren dat zij angst bij aangeefster hebben gezien. Verdachte ziet behalve angst ook verbazing op het gezicht van aangeefster [benadeelde partij] over de bevelen die zij in de loods krijgt. Verdachte stelt vast dat [benadeelde partij] wordt geslagen, niet als onderdeel van een SM-spel, maar puur met de bedoeling om te zorgen dat [benadeelde partij] doet wat de mannen haar vragen. Ook verbaast zij zich erover dat [medeverdachte] geld van [benadeelde partij] afneemt en dat later deelt met [medeverdachte].

Tenslotte heeft de rechtbank in dit kader van betekenis geacht dat aangeefster uiteindelijk, als [medeverdachte] in slaap is gevallen, in naakte toestand de loods te Kraggenburg is ontvlucht.

Dat zij niet zomaar uit de loods heeft weg gekund wordt bevestigd door verdachte die daarover verklaart dat [benadeelde partij] niet weg kon omdat haar kleren weg waren. Uit de verklaring van aangeefster blijkt dat is gedreigd met de honden als zij weg zou lopen.

Met betrekking tot feit 3 gaat het erom dat aangeefsters door verdachte en een of meer van haar medeverdachten in België zijn aangeworven en/of meegenomen met het oogmerk hen in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen voor prostitutie. Het moet voor verdachte duidelijk zijn geweest waarom [benadeelde partij], [benadeelde partij] en [benadeelde partij] uit België werden meegenomen. Immers zij was op de hoogte van de plannen van medeverdachte [medeverdachte] om een escort-bureau op te zetten, zij is mee geweest naar een klant van het bureau en is ook mee geweest naar België om voor het escortbureau geschikte vrouwen te vinden. Zij weet bovendien te melden dat de medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte] veel tijd achter de computer doorbrengen om klanten voor het bureau te werven. Verder is zij een keer mee geweest toen [benadeelde partij] werd weggebracht naar een klant, waarmee [benadeelde partij] seks moest hebben tegen betaling. In dit kader speelt bovendien mee dat er, zoals uit de verklaringen van aangeefsters en meerdere verdachten blijkt, (vergevorderde) plannen bestonden aangeefsters beschikbaar te stellen voor opnames van een pornografische film, waaraan ook een paard te pas zou komen, waarvoor betalingen zouden plaatsvinden. Hiertoe zijn bedragen genoemd van 8000 en 25.000 euro. Dat laatste bedrag zou dan zien op films waarin de vrouwen het leven zouden laten. Verdachte is van het maken van een film op de hoogte aangezien zij zelf toegeeft dat hierover is gesproken tijdens een bezoek aan de loods in een gesprek buiten de loods ten tijde van het verblijf van [benadeelde partij] en [benadeelde partij] in de loods.

Onder feit 4 wordt verdachte verweten deel uit gemaakt te hebben van een criminele organisatie. Het moet daarbij gaan om feitelijke deelneming aan een gestructureerd samenwerkingsverband dat tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven. De rechtbank heeft in dit kader de omschrijving mensenhandel opgevat als een feitelijke omschrijving van die misdrijven. De term mensenhandel is als zodanig geen juridische kwalificatie, maar duidelijk is wel dat hier bedoeld is een misdrijf in de zin van artikel 250a Wetboek van Strafrecht. De rechtbank heeft niet aangenomen dat wederrechtelijke vrijheidsberoving en verkrachting tot het oogmerk van de organisatie hebben behoord, maar dat zulks als middel is aangewend om tot het uiteindelijke doel te geraken. De structuur van de organisatie is voldoende duidelijk. Medeverdachte [medeverdachte] speelde in dit kader duidelijk de hoofdrol, maar in alle door hem ondernomen activiteiten werd hij ondersteund door zijn broer [medeverdachte]. Daarnaast speelden ook verdachte en [medeverdachte] een rol in het geheel. Zo zijn zij mee geweest naar België om vrouwen op te halen en zijn er blijkens de verklaring van verdachte [medeverdachte], duidelijke afspraken: de meisjes, waarmee zij bedoelt verdachte, [naam] en zijzelf, zouden de klanten bezighouden en de jongens, waarmee zijn bedoeld de broers [voorletters]. en [medeverdachte], zouden dan goederen uit de woning stelen. Ook verdachte verklaart dat de SM-contacten een dekmantel vormden voor het plegen van diefstallen.

Met betrekking tot het 5e feit heeft de rechtbank verdachte vrijgesproken van geweld. Het tenlastegelegde blinddoeken en boeien, alsmede het injecteren is immers door het slachtoffer gewild. Dat geldt niet voor het stompen en/of slaan, maar de rechtbank heeft ten aanzien hiervan geen relatie kunnen vaststellen met de bewezen verklaarde diefstal.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

Feit 1:

Medeplegen van opzettelijk iemand wederrechtelijk van de vrijheid beroven of beroofd houden, strafbaar gesteld bij artikel 282 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 2:

Medeplegen van verkrachting, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 242 juncto artikel 47 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 3:

Een ander door geweld of een andere feitelijkheid dwingen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd, strafbaar gesteld bij artikel 250a lid 1 sub 1° in verband met artikel 250a lid 2 sub 1°, van het Wetboek van Strafrecht,

en

een persoon aanwerven, met het oogmerk die persoon in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen, meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 250a lid 1 sub 2° in verband met artikel 250a lid 2 sub 1°, van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 4:

Deelneming aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven,

Strafbaar gesteld bij artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht.

Feit 5:

Diefstal gepleegd door twee of meer verenigde personen, strafbaar gesteld bij artikel 311 juncto 310 van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank vindt in dit geval een onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank rekening gehouden met het feit dat het hier ernstige en voor de slachtoffers bijzonder ingrijpende strafbare feiten betreft. Het plegen van deze feiten is voorts een continue gebeuren, waarvan de ernst in snel tempo is toegenomen. Is het begonnen met diefstal, het eindigt met vrijheidsberoving en frequente verkrachting. De rechtbank acht verder strafverzwarend de omstandigheden waaronder de misdrijven hebben plaatsgevonden en de kwetsbaarheid van de slachtoffers. Zo zijn de diefstallen gepleegd bij klanten die om een SM-contact hebben gevraagd en waarvan de medeverdachte [medeverdachte] gezegd heeft dat die toch geen aangifte zouden doen, gelet op de situatie waarin die diefstallen hebben plaatsgevonden. Voor de prostitutie worden vrouwen gezocht, die illegaal in België verbleven, die niet snel gemist zouden worden en die pas in het uiterste geval naar de politie zouden stappen.

Verder zijn de bewezen verklaarde misdrijven vergezeld van voor de slachtoffers zeer vernederende en onsmakelijke gedragingen als het dwingen tot het opdrinken van thee van een gebruikte tampon en het letterlijk honds behandelen van [benadeelde partij] in de loods door haar te laten blaffen en uit een hondenbak te laten drinken. Verdachte heeft daarbij [benadeelde partij] aangemoedigd harder te blaffen, heeft op haar rug paardje gereden en [benadeelde partij] op haar tenen laten zuigen. Daarbij komt dat verdachte wist dat het zou gaan om dierenseks en dat zij, ondanks dat zij foto’s van [benadeelde partij] en [benadeelde partij] die in de loods zijn genomen, had gezien is meegegaan naar de loods.

De rechtbank heeft kennis genomen van het omtrent de persoonlijkheid van verdachte op 3 januari 2005 uitgebrachte rapport van de deskundige dr. Th.A.M. Deenen, psycholoog.

De deskundige acht verdachte met betrekking tot het onder 2 tenlastegelegde op grond van een persoonlijkheidsstoornis N.A.O. enigszins verminderd toerekeningsvatbaar en doet over de andere feiten geen uitspraak omdat verdachte deze feiten ontkent. Dit oordeel is, zo begrijpt de rechtbank ingegeven door de vaststelling van een afhankelijke stoornis met antisociale- en borderline trekken. Die afhankelijkheid zou worden gekenmerkt in het maken van keuzes van partners. Tevens constateert de deskundige dat verdachte haar kennis van normen en waarden onder dwang laat vallen en dat het haar ontbreekt aan spijt en/of schaamtegevoelens naar de slachtoffers. Het borderline-aspekt ziet op haar instabiele intermenselijke relaties en de angst in de steek gelaten te worden.

De rechtbank volgt de deskundige niet in zijn oordeel over de toerekeningsvatbaarheid. Op grond van verdachtes eigen verklaringen tegenover de deskundige valt af te leiden dat zij zich niet zodanig door haar partner [medeverdachte] liet sturen dat zij alles slikte: ondanks aandrang daartoe door [medeverdachte] en haar eigen idee dat het leuk en spannend zou zijn, heeft zij toch een duidelijke grens gesteld ten aanzien van partnerruil. Bovendien is gebleken dat het de bedoeling was om [benadeelde partij] in plaats van in Almere onder te brengen in de woning van verdachte. Dit bleek echter op verzet van verdachte te stuiten, waardoor [benadeelde partij] in Almere is gebleven. Het valt dan ook niet in te zien waarom zij niet een duidelijke grens zou stellen ten aanzien van het bezoek aan de loods. In tegenstelling tot hetgeen daarover in het rapport van de deskundige is vermeld, was verdachte er wel degelijk van op de hoogte dat zij met een Belgische vrouw naar de loods zouden gaan en dat daar dierenseks zou plaatsvinden. Dat verdachte zich voorts zou hebben laten leiden door haar angst [medeverdachte] als partner te verliezen kan de rechtbank al evenmin plaatsen, gelet op hetgeen door haar ter zitting naar voren is gebracht, namelijk dat zij wel een einde aan de relatie wilde maken, maar niet wist hoe ze dat zou moeten doen.

De rechtbank acht verdachte volledig toerekeningsvatbaar met betrekking tot haar aandeel in de bewezen feiten.

Aan de andere kant weegt de rechtbank wel mee dat verdachte niet eerder met Justitie in aanraking is geweest.

De rechtbank is van oordeel dat de op de lijst van inbeslaggenomen voorwerpen, in casu het proces-verbaal van politie nr. 2004026245-274, vermelde voorwerpen onder het kopje [pv naam], alle dienen te worden verbeurdverklaard, omdat dit voorwerpen betreft met behulp waarvan de bewezenverklaarde feiten zijn begaan of voorbereid en welke voorwerpen aan verdachte toebehoorden.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 15 december 2004 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 24c, 27, 33, 33a en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

Benadeelde partijen

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

De vordering van de benadeelde partij [benadeelde partij] is naar het oordeel van de rechtbank niet van zo eenvoudige aard dat deze zich leent voor behandeling in het strafgeding. De rechtbank zal derhalve bepalen dat de benadeelde partij in die vordering niet ontvankelijk is en dat de vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

BESLISSING

Het onder 1 tot en met 5 ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het onder 1 tot en met 5 meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van

5 (vijf) jaar.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering en voorlopige hechtenis doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

De rechtbank verklaart verbeurd de voorwerpen welke staan vermeld op het aan dit vonnis gehechte proces-verbaal van politie onder het kopje [pv naam].

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

De rechtbank bepaalt dat de benadeelde partij [benadeelde partij] in haar vordering niet ontvankelijk is en dat zij haar vordering slechts bij de burgerlijke rechter kan aanbrengen.

Aldus gewezen door mr. S.E. Bins-van Waegeningh, voorzitter, mrs. G. Blomsma en G.J.J.M. Essink, rechters, in tegenwoordigheid van M. Smit als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 27 januari 2005.

Mr. Bins-van Waegeningh voornoemd was buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.