Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2005:AS2978

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
18-01-2005
Datum publicatie
18-01-2005
Zaaknummer
07.840009-02
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

mensenhandel en strafbare exploitatie van prostitutie; artikel 250a Sr; artikel 2 Sr; vereenvoudigde uitleveringsprocedure vanuit de Verenigde Staten van Amerika; parallelle opsporing door de officier van justitie tijdens het gerechtelijk vooronderzoek en de belangen van de verdediging

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJ 2005, 123

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Meervoudige strafkamer te Zwolle

Parketnummer: 07.840009-02

Uitspraak: 18 januari 2005

S T R A F V O N N I S

in de zaak van het openbaar ministerie tegen:

[VERDACHTE]

Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 20 december 2004 en 4 januari 2005. De verdachte is ter terechtzitting van 20 december 2004 verschenen, bijgestaan door prof. mr. H. Loonstein, advocaat te Amsterdam.

De officier van justitie, mr. E.E.G. Duijts, heeft ter terechtzitting gevorderd de veroordeling van verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaar, met aftrek van het voorarrest.

TENLASTELEGGING

De verdachte is ten laste gelegd dat:

(volgt tenlastelegging zoals ter terechtzitting van 11 september 2003 is aangepast).

Ten aanzien van de gevoerde verweren met betrekking tot de bevoegdheid/rechtsmacht van de rechtbank

(summiere tenlastelegging)

Van de zijde van de verdediging is aangevoerd dat de summiere, ongewijzigde tenlastelegging bepalend is voor de bevoegdheid van de rechtbank en dat een wijziging in de tenlastelegging geen rechtsmacht of bevoegdheid kan scheppen.

De rechtbank is van oordeel dat het hierboven weergegeven door de verdediging aangevoerde juist is en is dan ook bij het onderzoek naar de bevoegdheid van de rechtbank uitgegaan van de oorspronkelijke tenlastelegging. In de oorspronkelijke tenlastelegging zijn feiten tenlastegelegd als bedoeld in artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht gepleegd in Nederland en/of Rusland.

(artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht)

De verdediging heeft, kort en zakelijk weergegeven, betoogd dat, nu verdachte niet de Nederlandse nationaliteit heeft, er geen sprake is van een feit vermeld in artikel 4 van het Wetboek van Strafrecht en ook artikel 5a van het Wetboek van Strafrecht niet van toepassing is, slechts artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht geldt. Derhalve heeft de Nederlandse rechter in de onderhavige zaak geen rechtsmacht/bevoegdheid ten aanzien van de feiten buiten Nederland gepleegd.

Hetgeen de raadsman van verdachte hierover heeft aangevoerd, is vermeld in de door hem overgelegde pleitnotitie, waarvan de inhoud -voor zover relevant- als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Gelet op het feit dat de verdachte niet over de Nederlandse nationaliteit beschikt en geen feit is tenlastegelegd als bedoeld in artikel 4 van het Wetboek van Strafrecht, is voor de bepaling van de rechtsmacht van de Nederlandse strafrechter alleen artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht van toepassing. Ingevolge artikel 2 van het Wetboek van Strafrecht is de Nederlandse strafwet toepasselijk op een ieder die zich in Nederland aan enig strafbaar feit schuldig maakt. Indien naast in ook buiten Nederland gelegen plaatsen kunnen gelden als plaats waar een strafbaar feit is gepleegd, is op grond van artikel 2 vervolging van dat strafbare feit in Nederland mogelijk. Dit geldt ook ten aanzien van de van dat strafbare feit deel uitmakende gedragingen die buiten Nederland hebben plaatsgevonden (zie HR 30 september 1997, NJ 1998, 117).

De rechtbank is van oordeel dat Nederland kan worden aangemerkt als plaats waar het misdrijf is begaan, terwijl Rusland, waar blijkens de oorspronkelijke tenlastelegging ook uitvoeringshandelingen zijn verricht, mede als land waar het misdrijf is gepleegd is aan te merken.

Aldus is de rechtbank van oordeel dat zij rechtsmacht heeft ten aanzien van de gehele tenlastelegging.

(strafbaarstelling in Rusland)

De raadsman van verdachte heeft gesteld dat verdachte niet in Nederland vervolgd kan worden voor feiten gepleegd in Rusland, omdat niet is gebleken dat de verweten gedragingen in Rusland strafbaar zijn.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt hieromtrent het volgende.

Nu verdachte niet over de Nederlands nationaliteit beschikt, begrijpt de rechtbank niet waarom de verdediging zich beroept op de dubbele strafbaarstelling zoals omschreven in artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht. Artikel 5 van het Wetboek van Strafrecht is immers alleen van toepassing op Nederlanders en heeft ten aanzien van de onderhavige verdachte dan ook geen betekenis.

(de vereenvoudigde uitlevering en het specialiteitsbeginsel)

Over de uitleveringsprocedure van verdachte heeft de raadsman van verdachte, kort en zakelijk weergegeven, het volgende betoogd.

Artikel 16 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika betreft de vereenvoudigde uitlevering. Wil er sprake zijn van een vereenvoudigde uitlevering dan dient de verdachte daarmee onherroepelijk schriftelijk in te stemmen. Daarvan is in de onderhavige zaak geen sprake. Verdachte is niet door een rechterlijke autoriteit op de hoogte gesteld van de rechten en waarborgen die hem bij vereenvoudigde uitlevering zouden ontvallen. Er is niet gebleken dat aan deze verdragseis is voldaan. Aldus heeft geen uitlevering conform artikel 16 van het verdrag plaatsgevonden.

Dit betekent dat artikel 15 van het Verdrag van toepassing is en dat alleen vervolging en berechting in Nederland mogelijk is van feiten waarvoor de uitlevering werd toegestaan.

Hetgeen de raadsman van verdachte terzake heeft aangevoerd, is vermeld in de door hem overgelegde pleitnotitie, waarvan de inhoud -voor zover relevant- als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

In het onderliggende dossier bevindt zich een door verdachte ondertekende verklaring van afstand d.d. 17 september 2002 waarin verdachte schriftelijk verklaart dat hij volledig geïnformeerd is omtrent de rechten die gelden met betrekking tot het Uitleveringsverdrag tussen de Verenigde Staten van Amerika en het Koninkrijk der Nederlanden en dat hij daar volledig afstand van doet. Onder deze verklaring van verdachte is een ondertekende verklaring van Roanne L. Mann, U.S. Magistrate Judge, opgenomen. Deze rechter verklaart dat verdachte in eigen persoon voor haar is verschenen en onder ede heeft verklaard dat hij zijn verklaring naar waarheid heeft afgelegd. Gelet op deze verklaringen en in aanmerking nemende dat verdachte gedurende die procedure rechtsbijstand door een advocaat is verleend is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan de vereisten zoals omschreven in artikel 16 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika. Aldus is artikel 15 van voornoemd verdrag niet van toepassing, zodat het specialiteitsbeginsel door de rechtbank buiten beschouwing moet worden gelaten. Derhalve is ook vervolging mogelijk voor andere feiten dan waarvoor de uitlevering is toegestaan.

(artikel 2 van het Uitleveringsverdrag)

De verdediging heeft gesteld dat artikel 2 van het Uitleveringsverdrag een beletsel vormt voor de rechtsmacht ten aanzien van feiten buiten het grondgebied van de verzoekende staat, in casu Nederland, gepleegd.

Hetgeen de raadsman van verdachte hierover heeft aangevoerd, is vermeld in de door hem overgelegde pleitnotitie, waarvan de inhoud -voor zover relevant- als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

De rechtsmacht van de Nederlandse rechter wordt niet beperkt door artikel 2 van het Uitleveringsverdrag. Daarin staat slechts vermeld welke feiten tot uitlevering kunnen leiden.

(toetsing uitleveringsprocedure)

De uitleveringsprocedure is een zaak tussen de aangezochte en de verzoekende staat. Verdachte is op verzoek van het Openbaar Ministerie in Nederland en met toestemming van de autoriteiten in de Verenigde Staten naar Nederland overgebracht. Of de uitlevering van verdachte al dan niet correct is gebeurd is geen kwestie die de rechtsmacht of bevoegdheid van de Nederlandse rechter betreft. Indien er gebreken kleven aan de uitlevering zou dat slechts consequenties kunnen hebben voor de ontvankelijkheid van de officier van justitie of voor de op te leggen straf.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie / bewijsuitsluiting

(toetsing uitleveringsprocedure)

De verdediging heeft gesteld dat de uitleveringprocedure op een aantal punten niet geheel volgens de daarvoor geldende regels is verlopen en dat de officier van justitie daarom niet-ontvankelijk verklaard dient te worden in haar vervolging.

De rechtbank heeft hiervoor reeds overwogen dat uitlevering op basis van artikel 16 van het Uitleveringsverdrag tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de Verenigde Staten van Amerika (vereenvoudigde uitlevering) heeft plaatsgevonden.

Aangezien de rechtbank ook overigens niet gebleken is van gebreken in de vereenvoudigde uitlevering van verdachte aan Nederland verwerpt de rechtbank het verweer van de verdediging.

(overige ontvankelijkheidsverweren)

De raadsman van de verdachte heeft, kort en zakelijk weergegeven, betoogd dat de officier van justitie frequent en stelselmatig de rechten van de verdachte en de raadsman heeft geschonden door als volgt te handelen:

a) het achterhouden van relevante stukken;

b) de inhoud van de door de officier van justitie en een opsporingsambtenaar met de vier getuigen/slachtoffers gevoerde, aan de verklaring voorafgaande, informatieve gesprekken niet vastleggen en daardoor onttrekken aan het zicht van de rechtbank en de verdediging;

c) het in St. Petersburg door de officier van justitie horen van de getuigen [slachtoffer 1], [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3], terwijl zij wist dat de rechter-commissaris ook naar St. Petersburg zou gaan om getuigen in deze zaak te horen en terwijl [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] aangaven dat zij maar één keer wilden verklaren, waardoor het voor de verdediging onmogelijk werd om de getuigen [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], de moeder van [slachtoffer 3] en [medeverdachte 2] vragen te (doen) stellen die in het belang van de verdediging noodzakelijk worden geacht.

De raadsman van de verdachte heeft op basis van het vorenstaande geconcludeerd dat het Openbaar Ministerie niet-ontvankelijk dient te worden verklaard danwel dat de verklaringen van de betreffende getuigen afgelegd ten overstaan van de officier van justitie en een opsporingsambtenaar in St. Petersburg als onrechtmatig verkregen van het bewijs moeten worden uitgesloten.

Hetgeen de raadsman van verdachte hierover heeft aangevoerd, is vermeld in de door hem overgelegde pleitnotitie, waarvan de inhoud -voor zover relevant- als hier herhaald en ingelast wordt beschouwd.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende:

Ten aanzien van het onder a. aangevoerde (het achterhouden van stukken):

Voorzover er al sprake is geweest van achterhouden van stukken door het openbaar ministerie, is de rechtbank van oordeel dat dit thans hersteld is, aangezien er nu geen stukken aan het dossier ontbreken die vereist zijn om de strafzaak volledig te kunnen beoordelen. De rechtbank is derhalve van oordeel dat, voorzover het onder a. aangevoerde al juist zou zijn, er geen reden is om de officier van justitie om die reden niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van het onder b. aangevoerde (het houden van informatieve gesprekken):

Gelet op de 'Aanwijzing opsporing seksueel misbruik in afhankelijkheidsrelaties' is het beleid van het openbaar ministerie dat mogelijke slachtoffers van zedendelicten voor het opnemen van een aangifte eerst een informatief gesprek krijgen met een zedenrechercheur waarbij de consequenties van het doen van aangifte worden besproken. Dit betreffen informatieve mededelingen aan de getuigen die naar het oordeel van de rechtbank niet behoeven te worden vastgelegd in een proces-verbaal. Ook in de onderhavige zaak is op deze wijze door het openbaar ministerie gehandeld. De rechtbank is van oordeel dat het openbaar ministerie aldus de rechten van verdachte niet heeft geschonden.

Ten aanzien van het onder c. aangevoerde (parallelle opsporing door officier van justitie tijdens het gerechtelijk vooronderzoek):

Het gerechtelijk vooronderzoek tegen verdachte is op 7 februari 2002 geopend. De officier van justitie mag tijdens het gerechtelijk vooronderzoek ook zelf nog opsporingsonderzoek in een zaak doen. Deze bevoegdheid vloeit voort uit artikel 149 van het Wetboek van Strafvordering. Artikel 177a van het Wetboek van Strafvordering geeft een nadere regeling voor het geval er tijdens een gerechtelijk vooronderzoek opsporingshandelingen door de officier van justitie dan wel in diens opdracht worden verricht. Het is op deze wijze mogelijk dat de officier van justitie zelfstandig getuigen in de zaak hoort. De raadsman heeft in het algemeen niet het recht de verhoren van de politie bij te wonen.

Echter de rechter-commissaris heeft de leiding van het onderzoek tijdens het gerechtelijk vooronderzoek en de rechter-commissaris dient volledig op de hoogte te zijn van de gang van zaken tijdens de parallelle opsporing.

Voorts is van belang dat de continuering van het opsporingsonderzoek tijdens het gerechtelijk vooronderzoek er niet toe mag leiden dat de rechtspositie van de betrokkenen worden verzwakt.

Op het moment dat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] aangaven dat zij maar één keer wilden verklaren had de officier van justitie het getuigenverhoor van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] niet mogen voortzetten. Doordat [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] slechts eenmaal een verklaring wilden afleggen is de verdediging niet in de gelegenheid geweest vragen te stellen aan deze getuigen bij gelegenheid van een verhoor door de rechter-commissaris.

De rechtbank merkt hierbij op dat niet valt in te zien waarom een verhoor door de officier van justitie in St. Petersburg de voorkeur verdiende boven een verhoor door de rechter-commissaris in St. Petersburg, in welk geval het belang van de verdediging gewaarborgd zou zijn.

Op grond van deze overwegingen is de rechtbank van oordeel dat de handelwijze van de officier van justitie de toetsing aan algemene beginselen van behoorlijk strafprocesrecht niet kan doorstaan omdat de officier van justitie, bij afweging van het belang van de strafvordering tegen de belangen van de verdediging, in redelijkheid niet heeft kunnen besluiten de door haar noodzakelijk geachte verhoren van de getuigen [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] te continueren, terwijl zij wist dat de verdediging niet meer in de gelegenheid zou zijn vragen te stellen aan deze getuigen.

Rekening houdend met het belang dat het geschonden beginsel dient, alsmede met de ernst van het verzuim en het nadeel dat daardoor wordt veroorzaakt, is de rechtbank van oordeel dat de schending niet dusdanig is dat de officier van justitie niet-ontvankelijk verklaard moet worden in haar vervolging.

De rechtbank is, op grond van het vorenstaande, echter van oordeel dat de verklaringen van de getuigen [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] afgelegd ten overstaan van de officier van justitie en een opsporingsambtenaar in St. Petersburg, niet mogen bijdragen aan het bewijs van de ten laste gelegde feiten.

De getuigen/slachtoffers [slachtoffer 2], de moeder van [slachtoffer 3] en [medeverdachte 2] hebben ten overstaan van de officier van justitie niet te kennen gegeven dat zij slechts één keer een verklaring wilden afleggen. De verdediging heeft niet de mogelijkheid gehad hen te ondervragen, omdat deze getuigen/slachtoffers niet bij de rechter-commissaris zijn verschenen. Dit is evenwel niet te wijten aan de handelwijze van de officier van justitie. De rechtbank ziet derhalve geen aanleiding die verklaringen van het bewijs uit te sluiten.

BEWIJS

De verdediging heeft betoogd dat nergens uit blijkt dat er door de officier van justitie in St. Petersburg gebruik is gemaakt van een tolk, die het Russisch en het Nederlands voldoende beheerst. De verdediging twijfelt er aan of de verklaringen die daar zijn afgelegd wel juist zijn vertaald.

De rechtbank overweegt hieromtrent het volgende.

Uit de processen-verbaal die op zijn gemaakt van de verhoren in St. Petersburg blijkt dat gebruik is gemaakt van een tolk. De rechtbank heeft geen aanwijzingen dat de tolk onjuist of onvolledig vertaald zou hebben en gaat er vanuit dat de verklaringen correct zijn vertaald.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen hetgeen de verdachte ten laste is gelegd, met dien verstande dat:

hij in de periode van 1 december 2000 tot en met 15 mei 2001 in de gemeenten Zwolle en Reiderland, [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, welk feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen,

en

hij in de periode van 1 december 2000 tot en met 15 mei 2001 in de gemeenten Zwolle en/of Kampen en/of Ommen en/of Reiderland, [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] heeft aangeworven, met het oogmerk die [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] in een ander land, te weten Nederland, ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, welk feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen,

en

hij in de periode van 1 december 2000 tot en met 15 mei 2001 in de gemeenten Zwolle en Reiderland opzettelijk voordeel heeft getrokken uit seksuele handelingen van [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] met een derde tegen betaling, terwijl verdachte en zijn mededader wisten dat [slachtoffer 1], [slachtoffer 3], [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht werden bewogen zich beschikbaar te stellen tot het plegen van die handelingen, welk feit is gepleegd door twee of meer verenigde personen;

immers heeft hij

a

in de periode van 1 december 2000 tot en met 15 mei 2001, samen met zijn mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], [slachtoffer 1] tot slachtoffer van mensenhandel heeft gemaakt, doordat:

- [medeverdachte 2] in St Petersburg, samen met verdachte, op verzoek van en voor verdachte en [medeverdachte 1], meisjes benaderd om in Nederland voor verdachte te gaan werken, zonder hen vooraf te vertellen dat zij in de prostitutie zouden komen te werken;

- [slachtoffer 1] (wonende te St Petersbrug, Rusland) wilde werken in het buitenland om geld te verdienen en zij, via een vriendin ( [slachtoffer 3]) die ook ging werken in het buitenland, in december 2000 in contact kwam met [medeverdachte 2];

- [slachtoffer 1] begin januari 2001 een ontmoeting had in St Petersburg met [medeverdachte 2] en verdachte;

- er bij die ontmoeting is afgesproken dat zij, [slachtoffer 1], in het buitenland zou gaan werken als danseres en dat zij daartoe naar Nederland zou gaan;

- verdachte een vliegticket voor haar heeft geregeld om te reizen naar Nederland;

- [slachtoffer 1] en verdachte in Nederland zijn opgewacht door [medeverdachte 1];

- [slachtoffer 1] in de [locatie 1] werd gebracht;

- [slachtoffer 1] werk heeft verricht in de [locatie 1] als prostituee;

- nadat [slachtoffer 3] was gekomen, zij samen prostitutiewerk in de [locatie 1] zijn gaan verrichten en zij samen onderdak hebben gekregen in een vakantiehuisje in Ommen;

- [slachtoffer 1] met [slachtoffer 3] door [medeverdachte 1] zijn overgebracht naar de club [locatie 2] in Nieuw Beerta, om hier te gaan werken in de prostitutie;

- in club [locatie 2] twee andere Russische meisjes (waaronder [slachtoffer 1]'s vriendin [slachtoffer 2]) werden gebracht door verdachte, om ook te gaan werken in de prostitutie;

- verdachte die vriendin als drukmiddel gebruikte richting [slachtoffer 1], door te zeggen dat [slachtoffer 2] mogelijk iets zou overkomen, als zij, [slachtoffer 1] zou weigeren verder te gaan werken;

- alle verdiensten aan verdachte en/of [medeverdachte 1] zijn afgedragen;

- [slachtoffer 1] door [medeverdachte 1] is bedreigd o.a. met de woorden "Ik zal er dan voor zorgen dat je spijt zult krijgen dat je op deze wereld geboren bent";

tengevolge waarvan [slachtoffer 1] zich in een afhankelijke positie heeft bevonden ten aanzien van de verdachte en zijn mededaders;

b

in de periode van 1 december 2000 tot en met 15 mei 2001, samen met zijn mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], [slachtoffer 3] tot slachtoffer van mensenhandel heeft gemaakt, doordat:

- [medeverdachte 2] in St Petersburg, samen met verdachte, op verzoek van en voor verdachte en [medeverdachte 1], meisjes benaderd om in Nederland voor verdachte en/of [medeverdachte 1] te gaan werken, zonder hen vooraf te vertellen dat zij in de prostitutie zouden komen te werken;

- [slachtoffer 3] in december 2000 in St Petersburg door [medeverdachte 2] het voorstel werd gedaan om in Nederland te gaan werken als fotomodel of als danseres;

- [slachtoffer 3] op het vliegveld voor het eerst verdachte ontmoette, die haar op heeft gewacht, haar haar ticket gaf en haar tijdens de reis naar Nederland heeft begeleid;

- [slachtoffer 3] en verdachte na hun aankomst in Nederland zijn afgehaald door [medeverdachte 1] (die in gezelschap was van [slachtoffer 1]);

- [slachtoffer 3] in de [locatie 1] in Zwolle te werk is gesteld;

- [slachtoffer 3] met [slachtoffer 1] samen prostitutiewerk is gaan verrichten en zij samen onderdak hebben gekregen in een vakantiehuisje in Ommen;

- [slachtoffer 3] met [slachtoffer 1] door verdachte en/of [medeverdachte 1] zijn overgebracht naar de club [locatie 2] in Nieuw Beerta, om hier te gaan werken in de prostitutie;

- vrijwel alle verdiensten aan verdachte en/of [medeverdachte 1] zijn afgedragen;

tengevolge waarvan [slachtoffer 3] zich in een afhankelijke positie heeft bevonden ten aanzien van de verdachte en zijn mededaders;

c

in de periode van 1 december 2000 tot en met 15 mei 2001, samen met zijn mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], [slachtoffer 4] slachtoffer van mensenhandel heeft gemaakt, doordat:

- [medeverdachte 2] in St Petersburg, op verzoek van en voor verdachte, meisjes benaderde om in Nederland voor verdachte en/of [medeverdachte 1] te gaan werken, zonder hen vooraf te vertellen dat zij in de prostitutie zouden komen te werken;

- [slachtoffer 4] in St Petersburg in januari 2001 in contact kwam met [medeverdachte 2], die haar voor hield dat zij in Nederland legaal geld zou kunnen verdienen als fotomodel, danseres of in de prostitutie;

- [slachtoffer 4] via [medeverdachte 2] in contact kwam met verdachte, die haar hetzelfde voorstel deed;

- verdachte via zijn contacten een visum en een vliegticket voor haar zou regelen;

- de afspraak was gemaakt dat verdachte de kosten van het visum en de reis zou betalen, waarna zij deze schuld bij hem later zou kunnen aflossen;

- [slachtoffer 4] aanvankelijk niet kon of wilde vertrekken, maar dat zij uiteindelijk via [medeverdachte 2] bericht kreeg dat zij nu naar de Bondsrepubliek Duitsland zou gaan om te werken;

- [medeverdachte 2] haar werk aanbood als bardame of als danseres, waarbij gezegd is dat prostitutiewerk niet mogelijk was, nu dat verboden was in Duitsland;

- [slachtoffer 4] op 25 april 2001 samen heeft gereisd met [slachtoffer 2], die ook via [medeverdachte 2] naar het buitenland zou gaan en, zonder dat dat door [medeverdachte 2] was aangekondigd, (vanaf Parijs) onder begeleiding van/samen met verdachte;

- [medeverdachte 2] voor beide meisjes vooraf een visum en vliegticket heeft betaald en opgehaald;

- [medeverdachte 2] hen vooraf verteld dat [medeverdachte 1] hen zou afhalen in Amsterdam en hun zou brengen naar de werkplek (in Duitsland);

- [slachtoffer 4], [slachtoffer 2] en verdachte door [medeverdachte 1] zijn afgehaald in Amsterdam en naar de club [locatie 2] in Nieuw Beerta zijn gebracht;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2] te koop hebben aangeboden aan de eigenaar/bedrijfsleider van [locatie 2];

- in deze club ook o.a. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] aanwezig waren;

- [slachtoffer 3] aan haar, [slachtoffer 4], vertelde dat er een groot bedrag als schuld was opgebouwd en deze eerst moest worden terugbetaald, alvorens er geld zou kunnen worden verdiend, waarbij slechts 1/6 (namelijk 1/3 van de helft) van het bedrag voor het meisje was;

- [slachtoffer 3] haar vertelde dat zij, ondanks dat zij al geruime tijd in Nederland werkte nog steeds geen geld in handen had gehad;

- [slachtoffer 1] haar vertelde bedreigd te zijn met geweld, en hierdoor toch bereid was prostitutiewerkzaamheden te verrichten;

- [slachtoffer 4] hierdoor begreep dat ook zij zou moeten werken als prostituee, ondanks dat dat niet expliciet gezegd was, en besloot mee te werken, omdat zij besefte dat bedreigingen in Rusland gemakkelijk ten uitvoer kunnen worden gelegd;

- [slachtoffer 4] eveneens begreep dat zij langer zou moeten blijven dan haar visum toestond, om de schuld te kunnen aflossen en dat zij dus illegaal in Nederland zou moeten verblijven;

- [slachtoffer 4] zich opgesloten voelde, omdat de club afgelegen was, zij de taal niet sprak en geen kennissen had buiten de club, tot wie zij zich zou kunnen wenden voor hulp;

- verdachte en [medeverdachte 1], in de paar dagen dat [slachtoffer 4] in deze club werkte, ieder dag kwamen controleren hoeveel klanten zij had gehad en hoeveel zij verdiend had;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] het geld dat zij verdiende inden;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] haar controleerden, zij niet vrij was om te gaan en te staan waar zij wilde, geen inspraak had in de werkplek en de werktijden en het aantal klanten;

- verdachte en [medeverdachte 1] [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2], na een politiecontrole in [locatie 2], hebben meegenomen naar Zwolle, naar de [locatie 1] om daar te gaan werken als prostituee;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] hier een werkplek voor beide meisjes heeft/hebben geregeld in de [locatie 1] en zij daar ook zijn te werk gesteld;

- [slachtoffer 4], de eerste avond via een klant is gevlucht uit de club, om te ontsnappen aan verdachte en [medeverdachte 1];

- [slachtoffer 4] geen geld heeft ontvangen voor de door haar verrichte prostitutiewerkzaamheden;

tengevolge waarvan [slachtoffer 4] zich in een afhankelijke positie heeft bevonden ten aanzien van verdachte en zijn mededaders;

d

in de periode van 1 december 2000 tot en met 15 mei 2001, samen met zijn mededaders [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2], [slachtoffer 2] slachtoffer van mensenhandel gemaakt, doordat:

- [medeverdachte 2] in St Petersburg, op verzoek van en voor verdachte, meisjes benaderd om in Nederland voor verdachte en/of [medeverdachte 1] te gaan werken, zonder hen vooraf te vertellen dat zij in de prostitutie zouden komen te werken;

- [slachtoffer 2] via haar vriendin [slachtoffer 1] in contact is gekomen met [medeverdachte 2];

- [medeverdachte 2] haar in december 2000 het voorstel deed om naar het buitenland (Nederland) te gaan als stripteasedanseres of, als ze dat zou willen, als prostituee;

- [slachtoffer 2] haar paspoort heeft afgegeven aan [medeverdachte 2] om voor haar en visum en vliegticket te regelen om voor een periode van 3 maanden naar Nederland te gaan;

- [slachtoffer 2] aan heeft gegeven niet als prostituee te willen gaan werken;

- [slachtoffer 2] de kosten aan [medeverdachte 2] zou terugbetalen na terugkomst in St Petersburg, + 25 % van haar verdiensten;

- [slachtoffer 2] via [medeverdachte 2] ook verdachte ontmoette, die haar vertelde dat zij nog even moest wachten voor zij zou kunnen vertrekken;

- haar vriendin [slachtoffer 1] eerder ook met hulp van [medeverdachte 2] en verdachte is vertrokken en dat zij een aantal malen contact had gehad met [slachtoffer 1], waaruit zij kon opmaken dat het niet goed met haar ging;

- [slachtoffer 2] haar vriendin mistte en graag wilde helpen, zodat zij, toen de kans zich voor deed te vertrekken, ook ging;

- [medeverdachte 2] visum en ticket had geregeld;

- [slachtoffer 2] op 25 april 2001 samen met een ander meisje, [slachtoffer 4], vanuit St Petersburg is vertrokken naar Amsterdam;

- verdachte met hen reisde, kennelijk als begeleiding, zonder dat [medeverdachte 2] dit vooraf aan haar had gezegd;

- [slachtoffer 2], [slachtoffer 4] en verdachte door [medeverdachte 1] zijn afgehaald in Amsterdam en naar de club [locatie 2] in Nieuw Beerta zijn gebracht;

- in deze club ook o.a. [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] aanwezig waren;

- na aankomst in de club verdachte haar vertelde dat zij als prostituee zou moeten werken om de kosten voor het visum en het ticket terug te betalen;

- [slachtoffer 1] haar vertelde dat zij, ondanks dat zij al geruime tijd in Nederland werkte nog steeds geen geld in handen had gehad;

- [slachtoffer 1] haar vertelde bedreigd te zijn met geweld, en hierdoor toch bereid was prostitutiewerkzaamheden te verrichten;

- [slachtoffer 1] haar vertelde dat zij vermoedde afgeluisterd te worden, waardoor zij niet alles eerlijk en open had kunnen vertellen;

- [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] vertelden dat zij niet kon vluchten "omdat dat gevolgen zou hebben";

- [slachtoffer 2] door de ervaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 3] en door haar eigen recente ervaring met verdachte bang is geworden en hierdoor is gaan werken als prostituee;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] het geld dat zij verdiende inden;

- verdachte en [medeverdachte 1] [slachtoffer 4] en [slachtoffer 2], na een politiecontrole in [locatie 2], hebben meegenomen naar Zwolle, naar de [locatie 1] om daar te gaan werken als prostituee;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] hier een werkplek voor beide meisjes hebben geregeld in de [locatie 1] en zij daar ook zijn te werk gesteld;

- verdachte en/of [medeverdachte 1] [slachtoffer 2], na de vlucht van [slachtoffer 4], hebben meegenomen vanuit de [locatie 1] terug naar [locatie 2];

- [medeverdachte 1] tegen [slachtoffer 2] heeft gezegd dat zij "niet zo stom moest zijn als [slachtoffer 4], omdat zij dan problemen zou krijgen" en dat haar vriendin [slachtoffer 1] problemen zou krijgen als zij [slachtoffer 2], zou vluchten;

- [slachtoffer 2] mede hierdoor bang was om te vluchten;

- [slachtoffer 2] geen geld heeft ontvangen voor de door haar verrichtte prostitutiewerkzaamheden, terwijl zij, volgens de afspraken, recht had op 50% van het door haar verdiende geld;

tengevolge waarvan [slachtoffer 2] zich in een afhankelijke positie heeft bevonden ten aanzien van verdachte en zijn mededaders.

Van het meer of anders ten laste gelegde zal de verdachte worden vrijgesproken, aangezien de rechtbank dat niet wettig en overtuigend bewezen acht.

STRAFBAARHEID

Het bewezene levert op:

een ander door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht bewegen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen,

meermalen gepleegd,

en

een persoon aanwerven met het oogmerk die persoon in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen,

meermalen gepleegd,

en

opzettelijk voordeel trekken uit seksuele handelingen van een ander met een derde tegen betaling, terwijl hij weet dat die ander door misbruik van uit feitelijke verhoudingen voortvloeiend overwicht wordt bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van seksuele handelingen met een derde tegen betaling, gepleegd door twee of meer verenigde personen,

meermalen gepleegd,

strafbaar gesteld bij artikel 250a van het Wetboek van Strafrecht.

De verdachte is deswege strafbaar, nu geen feiten of omstandigheden gebleken zijn die die strafbaarheid zouden opheffen of uitsluiten.

OPLEGGING VAN STRAF OF MAATREGEL

Gelet op de aard en de ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, op de omstandigheden waaronder verdachte zich daaraan heeft schuldig gemaakt en op de persoon van verdachte, zoals van een en ander uit het onderzoek ter terechtzitting is gebleken, acht de rechtbank de na te noemen beslissing passend.

De rechtbank vindt in dit geval een gedeeltelijk onvoorwaardelijke vrijheidsstraf noodzakelijk omdat aard en ernst van het bewezen en strafbaar verklaarde, door een lichtere strafrechtelijke afdoening van de zaak miskend zouden worden.

Bij het bepalen van de hoogte van de op te leggen straf heeft de rechtbank in het bijzonder rekening gehouden met het internationale karakter van de feiten, met het gemak waarmee verdachte de feiten heeft begaan en met de omstandigheid dat de gepleegde delicten psychisch nadelige gevolgen van lange duur voor de slachtoffers kunnen hebben.

Bij haar beslissing heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met een de verdachte betreffend uittreksel d.d. 18 januari 2003 uit het algemeen documentatieregister van de justitiële documentatiedienst.

De oplegging van straf of maatregel is, behalve op de reeds aangehaalde wettelijke voorschriften, gegrond op de artikelen 10, 14a, 14b, 14c, 27 en 57 van het Wetboek van Strafrecht.

BESLISSING

Het ten laste gelegde is bewezen zoals hiervoor aangegeven en levert de strafbare feiten op, zoals hiervoor vermeld. De verdachte is deswege strafbaar.

Het meer of anders ten laste gelegde is niet bewezen en de verdachte wordt daarvan vrijgesproken.

De rechtbank veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 3 jaar.

De tijd, door de verdachte vóór de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in verzekering, in voorlopige hechtenis en in uitleveringsdetentie doorgebracht, zal bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf in mindering worden gebracht.

Van de gevangenisstraf zal een gedeelte, groot 1 jaar, niet worden tenuitvoergelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten op grond van het feit dat de verdachte zich voor het einde van een proeftijd van 2 jaren aan een strafbaar feit heeft schuldig gemaakt.

Het (geschorste) bevel tot voorlopige hechtenis wordt opgeheven.

Aldus gewezen door mr. C.A.M. Heeregrave, voorzitter, mrs. G. Eelsing en H.J. Buijsman, rechters, in tegenwoordigheid van mr. M. Nijhuis als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 18 januari 2005.