Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2004:AR7849

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
16-11-2004
Datum publicatie
21-12-2004
Zaaknummer
238748 CV 04-2847
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

kantonzaak, arbeidsovereenkomst. Art. 7:668a lid 2 BW: vraag of sprake is van verschillende werkgevers die ten aanzien van de verrichte arbeid als elkaars opvolger gezien moeten worden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2005, 29
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E - L E L Y S T A D

sector kanton – locatie Zwolle

zaaknr. : 238748 CV EXPL 04-2847

datum : 16 november 2004

Vonnis in de zaak van:

[EISENDE PARTIJ],

wonende te [woonplaats],

eisende partij,

verder ook te noemen: [eisende partij],

gemachtigde: mr. J.H. van Meurs, advocaat te Kampen,

tegen

de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

KONINKLIJKE TPG POST B.V.,

gevestigd te ‘s-Gravenhage,

gedaagde partij,

verder ook te noemen: TPG,

gemachtigde: mr. F.H.M. van Haastert,

rolgemachtigde: A. Agterhuis, gerechtsdeurwaarder te Zwolle.

Het verdere verloop van de procedure

Na het tussenvonnis d.d. 24 augustus 2004 heeft op 7 oktober 2004 en (voortgezet) op 4 november 2004 blijkens de daarvan opgemaakte processen-verbaal de comparitie van partijen plaatsgevonden.

Nadien is het vonnis op heden bepaald.

Het geschil

[eisende partij] eist een verklaring voor recht dat tussen partijen op 1 december 2003 een arbeidsover-eenkomst voor onbepaalde tijd tot stand is gekomen en voorts te bepalen dat TPG vanaf 1 juni 2003 (bedoeld is: 2004) verplicht is aan [eisende partij] het overeengekomen loon te betalen.

TPG bestrijdt deze eisen.

De beoordeling

1.

Vaststaat dat [eisende partij] via uitzendbureau Capac Inhouse Services B.V. gedurende de periode 29 januari 2001 tot en met 31 mei 2001 ten behoeve van TPG werkzaamheden heeft verricht in haar postdistributiecentrum aan de Anthony Fokkerstraat te Zwolle.

Gedurende de periode 1 juni 2001 tot en met 30 november 2001 heeft tussen [eisende partij] en TPG een dienstverband bestaan, welk dienstverband ingaande 1 december 2001 is verlengd tot en met 30 november 2003. Per 1 december 2003 is het dienstverband verlengd tot en met 31 mei 2004.

Vaststaat ook, dat [eisende partij] gedurende de uitzendperiode als postsorteerder heeft gewerkt en gedurende de perioden nadien (telkens) als medewerker splitsen partijenpost.

2.

[eisende partij] stelt met een beroep op artikel 7:668a BW dat het laatste dienstverband een dienstver-band voor onbepaalde tijd is, omdat sprake is van elkaar opvolgende arbeidsovereenkomsten tussen [eisende partij] enerzijds en het uitzendbureau en TPG anderzijds, terwijl laatstgenoemden ten aanzien van de verrichte arbeid redelijkerwijze geacht moeten worden elkanders opvolger te zijn.

[eisende partij] voert daartoe aan --kort gezegd-- telkens post te hebben gesorteerd.

3.

Volgens TPG heeft [eisende partij] gedurende de uitzendperiode andere werkzaamheden verricht dan

gedurende de drie daarop volgende perioden.

TPG wijst in dit verband op de volgende verschillen:

-[eisende partij] was gedurende de uitzendperiode werkzaam op de afdeling businessunit sortering en nadien op de afdeling businessunit distributie;

-op de afdeling sortering heeft [eisende partij] post gesorteerd aan de hand van postcodes;

-op de afdeling distributie heeft [eisende partij] de inhoud van binnenkomende postzakken met zakelij-ke post gecontroleerd en gesorteerd naar product/soort/categorie (“regels” genoemd);

-de plaats in het gebouw waar de arbeid werd verricht verschilde;

-de leidinggevenden waren verschillende personen;

-het vereiste werk- en denkniveau verschilt (LBO respectievelijk VMBO).

4.

De kantonrechter heeft tijdens de voortzetting van de comparitie op 4 november 2004 in voornoemd postdistributiecentrum te Zwolle de werkzaamheden die [eisende partij] gedurende de uit-zendperiode en nadien heeft verricht zelf aanschouwd en daarbij uitleg van beide partijen gekregen.

Op grond van deze eigen waarnemingen wordt het volgende overwogen.

5.

Toegegeven kan worden dat het in algemene zin gesproken telkens ging om het sorteren van post, maar ook is duidelijk geworden dat wel onderscheid dient te worden gemaakt naar ge-lang de plek waar dit werk in het sorteer- en distributieproces van TPG wordt verricht.

Gedurende de uitzendperiode heeft [eisende partij] op de afdeling sortering slechts op postcode behoe-ven te sorteren, welk werk in betrekkelijk korte tijd (hooguit een halve à een hele werkdag) kan worden geleerd. Het kunnen lezen en het beschikken over de vereiste accuratesse volstaan in beginsel.

Het werk dat nadien is verricht, op de afdeling distributie, vereist behalve het vorenstaande ook een hoger werk- en denkniveau alsmede meer vakkennis en de inwerkperiode is dan ook beduidend langer (zeker één week). [eisende partij] diende de binnengekomen (zakelijke) post te sorte-ren én te controleren aan de hand van de “regels”, dat wil zeggen te sorteren en te controleren aan de hand van een indeling van de post op categorie, productsoort en productcode. Daartoe is kennis van de (vele) onderscheiden “regels” noodzakelijk. [eisende partij] diende daarbij tevens te controleren of de opgave van de diverse soorten post (de “regels”) door de klant op het daar-toe door deze ingevulde en aangeboden formulier, correct was. De aldus door haar gesorteer-de en gecontroleerde post werd daarna aangeboden aan een collega die aan de hand daarvan de factuur ten behoeve van de klant opstelde. Een fout bij de uitvoering van haar werkzaam-heden had dan ook in beginsel tot gevolg dat een onjuiste factuur werd opgesteld.

6.

De uit de vorenstaande beschrijving van beide werkzaamheden voortvloeiende verschillen ten aanzien van taken, kennis, vaardigheden en verantwoordelijkheden zijn zodanig, dat het uit-zendbureau en TPG ten aanzien van de verrichte arbeid niet redelijkerwijze als elkanders op-volger zijn te beschouwen. De verrichte arbeid is bezien in het licht van artikel 7:668a lid 2 BW niet (in overwegende mate) dezelfde arbeid, zodat [eisende partij] niet de met dit wetsartikel be-oogde ontslagbescherming toekomt.

7.

De vorderingen van [eisende partij] dienen daarom te worden afgewezen. [eisende partij] dient als verliezende partij in de proceskosten te worden veroordeeld.

De beslissing

De kantonrechter:

- wijst de vorderingen af;

- veroordeelt [eisende partij] in de proceskosten aan de zijde van TPG welke kosten tot op heden zijn begroot op € 360,00 voor salaris gemachtigde.

Aldus gewezen door mr. C.H. de Haan, kantonrechter te Zwolle en uitgesproken op de open-bare terechtzitting van 16 november 2004 in aanwezigheid van de griffier.