Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2004:AR6167

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
29-10-2004
Datum publicatie
21-12-2004
Zaaknummer
AWB 03/1283
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Art. 58 WAZ. In casu indexering maatmaninkomen in strijd met verbod van willekeur.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE-LELYSTAD

Sector Bestuursrecht

Meervoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 03/1283

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde: R.T. van Baarlen, medewerker Fiscount Adviesgroep te Zwolle,

en

de Raad van bestuur van het Uitvoeringsinstituut Werknemers-verzekeringen (UWV), gevestigd te Amsterdam (kantoor Arnhem), verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluiten

Besluit van verweerder d.d. 30 september 2003, met als kenmerk B&B/Waz 3.796.061137.00-44419 en besluit van verweerder d.d. 30 september 2003 B&B/Waz 3.796.061137.00-43999.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluit van 8 mei 2003 heeft verweerder medegedeeld dat de uitkering die eiser op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen (WAZ) is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100%, onder toepassing van artikel 58 WAZ gedurende de periode van 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 uitbetaald moet worden naar de klasse 45-55%.

Bij besluit van 21 mei 2003 heeft verweerder van eiser de over de periode 1 januari 2001 tot en met 31 december 2001 onverschuldigd betaalde WAZ uitkering teruggevorderd.

Tegen deze besluiten is op 16 juni 2003 een bezwaarschrift ingediend.

Bij de bestreden besluiten is het bezwaarschrift van 16 juni 2003 ongegrond verklaard.

Op 7 oktober 2003 is tegen deze besluiten beroep ingesteld, nog nader aangevuld bij brief van 2 april 2004.

Verweerder heeft op 18 mei 2004 een verweerschrift en op 10 augustus een aanvullend verweerschrift ingezonden. Bij brief van 22 september 2004 heeft verweerder gereageerd op vragen van de rechtbank. Eiser heeft bij brief van 24 september 2004 nog nadere gronden ingediend. Bij brief van 30 september 2004 heeft verweerder op laatstgenoemde brief gereageerd.

Het beroep is op 12 oktober 2004 ter zitting behandeld.

Eiser is vertegenwoordigd door zijn gemachtigde, voornoemd.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door de heer E. van den Brink.

3. Motivering

Ter beoordeling staat of de bestreden besluiten de toetsing in rechte kunnen doorstaan.

Bij de beoordeling gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden. Eiser is als zelfstandige in eigen (agrarisch) bedrijf werkzaam. Hij heeft met een op 12 juli 2000 ondertekend formulier, een aanvraag ingediend om toekenning van een WAZ uitkering in verband met op 29 augustus 1999 ingetreden gedeeltelijke arbeidsongeschiktheid. Bij verzekeringsgeneeskundig onderzoek op 31 juli 2000 is de eerste arbeidsongeschiktheidsdag (arbitrair) bepaald op 1 januari 1999. Omdat de arbeidsdeskundige niet voldoende functies kan duiden, is eiser voor 80 tot 100% arbeidsongeschikt geacht. Bij besluit van 10 oktober 2000 is eiser met ingang van 31 december 1999 in aanmerking gebracht voor een uitkering op grond van de Wet Arbeidsongeschiktheidsverzekering Zelfstandigen (WAZ).

Na ontvangst van de jaarstukken over het jaar 2000 is op 18 oktober 2001 arbeidskundig onderzoek verricht. Naar aanleiding hiervan heeft verweerder besloten dat de uitkering op basis van de feitelijke inkomsten over het jaar 2000 op nihil dient te worden gesteld. Tegen de hierop volgende beslissingen is namens eiser bezwaar ingesteld, welk bezwaar door verweerder ongegrond is verklaard, waarna namens eiser beroep is ingesteld. Deze beroepen zijn bij de rechtbank geregistreerd onder AWB 03/443 en 03/444 en gevoegd behandeld met het onderhavige beroep.

Na ontvangst van de jaarstukken over het jaar 2001 is op 26 februari 2003 arbeidskundig onderzoek verricht. De arbeidsdeskundige heeft geconcludeerd dat de uitkering op basis van de feitelijke inkomsten over het jaar 2001 moet worden uitbetaald naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 45-55%.

Hierna heeft besluitvorming plaatsgevonden als weergegeven in rubriek 2 van deze uitspraak.

Namens eiser is naar voren gebracht dat toepassing van artikel 58 WAZ in strijd is met de rechtszekerheid. Hierbij is er op gewezen dat verweerder -ondanks de omstandigheid dat verweerder ervan op de hoogte was dat eiser zijn werkzaamheden (gedeeltelijk) zou blijven verrichten- eiser een WAZ-uitkering heeft toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% waarbij in de beslissing van 10 oktober 2000 (eerstejaars herbeoordeling) uitdrukkelijk is aangegeven dat de uitkering tijdelijk is toegekend voor een periode van vijf jaar en dat tussentijdse wijzigingen geen gevolgen hebben voor de hierbovengenoemde periode.

Voorts is namens eiser naar voren gebracht dat verweerder op de verdiensten van eiser een reductiefactor had moeten toepassen. Eiser wijst er in dit verband op dat hij effectief nog maar 50% van de voor de ingetreden arbeidsongeschiktheid effectief gewerkte uren (57) kan werken. Gelet hierop had het fiscale winstaandeel van eiser over 2001 (€ 12.900,--) voor de berekening van de toepassing van artikel 58 WAZ gehalveerd moeten worden.

Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder bij de berekening van de bij de toepassing van artikel 58 WAZ over het jaar 2001 in aanmerking te nemen bedragen, de maatman had moeten indexeren naar januari 2002 in plaats van naar januari 2001. Eiser meent dat indexering naar januari 2001 in strijd is met het gelijkheidsbeginsel nu uit diverse beschikkingen van andere UWV-vestigingen blijkt dat hier door verweerder verschillend mee om wordt gegaan. Voorts is namens eiser nog aangevoerd dat verweerder gebruik maakt van verschillende indexcijfers voor bepaalde data.

Verweerder stelt zich op het standpunt dat een zelfstandige altijd rekening dient te houden met het feit dat de inkomsten pas achteraf getoetst kunnen worden. Dat eiser per einde wachttijd een uitkering is toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 80-100% laat onverlet dat ieder jaar, achteraf, getoetst dient te worden of de inkomsten wel leiden tot uitbetaling van de uitkering. Daarmee wordt niet het recht op uitkering aangetast maar komt de uitkering (deels) niet tot uitbetaling. Gelet hierop meent verweerder dat geen sprake is van strijd met het rechtszekerheidsbeginsel.

Verweerder meent voorts dat in het kader van de toepassing van artikel 58 WAZ bij de bepaling van de inkomsten over een bepaald jaar uit moet worden gegaan van de door de zelfstandige opgegeven fiscale winst.

Namens verweerder is bij brief van 22 september 2004 aangegeven dat voor wat betreft het moment van indexering van de maatman gehandeld is conform de circulaire ‘aangepast beleid maatmaninkomen zelfstandigen’ van 12 oktober 2001. Laatstgenoemd beleid van het (voormalige GUO) is van toepassing op gevallen tot 1 januari 2002 (moment van opgaan van GUO in het UWV) dus ook op de anticumulatie van inkomsten van eiser over het jaar 2001. Ten aanzien van de omstandigheid dat verweerder voor een bepaalde datum, bijvoorbeeld 1 januari 2000, verschillende indexcijfers hanteert wordt namens verweerder opgemerkt dat dit voornamelijk te maken heeft met de omstandigheid dat het geruime tijd duurt voordat de indexcijfers definitief zijn. Blijkbaar zijn er arbeidsdeskundigen die bij de berekening van de anticumulatie verzuimen uit te gaan van de definitieve cijfers of een ander indexcijfer dan die van de categorie Volwassenen hanteren. Overigens is sedert 1 juli 2003 nog slechts sprake van de categorie Totaal. Deze cijfers zijn nu leidend voor wat betreft het vaststellen van het maatmanuurloon.

Ten aanzien van het beroep van eiser op het rechtszekerheidsbeginsel overweegt de rechtbank dat uit artikel 58 van de WAZ volgt dat indien een verzekerde die recht heeft op een arbeidsongeschiktheidsuitkering, inkomsten uit arbeid geniet, de uitkering niet wordt betaald indien de inkomsten uit arbeid zodanig zijn, dat (..) niet langer sprake zou zijn van arbeidsongeschiktheid van ten minste 25%, dan wel wordt betaald tot een bedrag ter grootte van de arbeidsongeschiktheidsuitkering, zoals deze zou zijn vastgesteld wanneer het zou gaan om inkomsten uit algemeen geaccepteerde arbeid waartoe verzekerde met zijn krachten en bekwaamheden in staat is. Blijkens de arbeidsdeskundige rapportage van 25 september 2000 is eiser, voor de toekenning van de WAZ uitkering, de werking van artikel 58 WAZ uitgelegd. Gelet hierop heeft eiser er rekening mee kunnen en moeten houden dat zijn inkomsten over het jaar 2001, aan de hand van de eerst in 2002 definitief bekend gemaakte bedrijfsresultaten, tot niet dan wel lagere uitbetaling van zijn uitkering zouden kunnen leiden.

Uit de omstandigheid dat in de beslissing van 10 oktober 2000 is aangegeven dat tussentijdse wijzigingen geen gevolgen hebben voor de periode waarvoor de uitkering is toegekend (vijf jaar) en dat het arbeidsongeschiktheidspercentage niet wijzigt, kon niet worden afgeleid dat eventuele inkomsten geen effect zouden kunnen hebben op de uitbetaling van de uitkering van eiser. De hiervoor aangehaalde passages uit de beslissing van 10 oktober 2000 zeggen immers slechts iets over wijzigingen in het arbeidsongeschiktheidspercentage van eiser (dat is vastgesteld op 80-100%) en niets over de mogelijkheid inkomsten van eiser op de betaling van de uitkering in mindering te brengen. Het beroep van eiser op het rechtszekerheidsbeginsel faalt derhalve.

Het beroep van eiser, voor zover dit betrekking heeft op het toepassen van een reductiefactor -in die zin dat slechts 50% van de aan eiser toegekende fiscale winst over 2001 als inkomsten van eiser over dat jaar had mogen worden aangemerkt- dient te falen. Hiertoe overweegt de rechtbank dat uit vaste jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep volgt dat in geval van zelfstandig ondernemerschap bij de vaststelling van het inkomen uit arbeid dient te worden uitgegaan van het aan de verzekerde toekomende deel van de fiscale winst. In het onderhavige geval is voor het jaar 2001 gekozen voor een winstverdeling van 40% aan eiser en 60% aan zijn echtgenote. Dit komt voor eiser neer op € 12.900,-- (40%). Dat verweerder € 12.900,-- heeft aangemerkt als inkomsten van eiser is een gevolg van de eigen financiële keuze van eiser. Van een uitzonderlijke situatie, waaronder deze keuze niet voor rekening van eiser zou mogen komen, is niet gebleken. Hierbij is van belang dat de winstverdeling binnen de maatschap van eiser niet standaard is maar jaarlijks wordt bijgesteld (voor 2000 was de winstverdeling 45-55). Daarnaast is niet gebleken dat de winsttoedeling niet in overeenstemming is met eisers arbeidsprestatie.

Het door eiser overgelegde besluit van UWV kantoor Vlaardingen kan niet tot een ander oordeel leiden nu dit betrekking heeft op een ander geval dan het onderhavige. In het geval waar eiser naar verwijst was immers sprake van een vennootschap onder firma met een standaardwinstverdeling van 50-50% die in geen verhouding (meer) stond tot de door de verzekerde geleverde arbeidsprestatie.

Ten aanzien van de door verweerder gehanteerde indexeringsmethodiek overweegt de rechtbank als volgt. Als vaststaand moet worden aangemerkt dat de diverse, inmiddels onder verweerder vallende, voormalige uitvoeringsinstellingen, voor de periode gelegen voor 1 januari 2002 verschillende indexeringsmethodieken toepassen, hetgeen tot verschillen in berekeningen kan leiden. Er zijn kantoren die voor de toepassing van artikel 58 WAZ het maatmaninkomen indexeren naar januari van het betreffende jaar en er zijn kantoren die voor de toepassing van artikel 58 WAZ het maatmaninkomen indexeren naar januari van het jaar volgend op het jaar waarover artikel 58 WAZ zal worden toegepast (t + 1). De gemachtigde van verweerder heeft ter zitting aangegeven dat inmiddels met terugwerkende kracht vanaf 1 januari 2002 uniform beleid is vastgesteld dat neerkomt op de indexeringsmethodiek ‘t + 1’. Voor de jaren vòòr 2002 is het beleid van de verschillende UWV onderdelen van toepassing. In geval van eiser houdt dit indexering naar januari van het te verrekenen boekjaar in. De gemachtigde van verweerder ter zitting heeft voorts aangegeven dat bij de toepassing van het nieuwe beleid uit dient te worden gegaan van de laatst gepubliceerde indexcijfers.

De rechtbank overweegt dat de uitvoeringspraktijk ten aanzien van jaren vòòr 2002 -ook al is inmiddels met ingang van het jaar 2002 sprake van geüniformeerd beleid- wordt gekenmerkt door een willekeurige bejegening van verzekerden, waarbij de toe te passen indexeringsmethodiek afhankelijk was (en is) van de uitvoeringsinstelling waaronder de verzekerde viel. De uitkomst was en is voor wat betreft anticumulatie over de jaren gelegen voor 2002 derhalve afhankelijk van min of meer toevallige factoren, waardoor er verschil in behandeling ontstaat. Op dit punt heeft het ontbroken aan een consistente uitvoering. De rechtbank is van oordeel dat verweerder voor de te hanteren indexeringsmethodiek en indexcijfers niet slechts voor boekjaren met ingang van 2002 uit zou moeten gaan van het inmiddels geüniformeerd beleid van verweerder maar voor alle na 1 januari 2002 genomen beslissingen, ongeacht de vraag op welk boekjaar deze beslissingen betrekking hebben. Dit betekent dat het besluit van 30 september 2003, met als kenmerk B&B/Waz 3.796.061137.00-44419 voor zover betrekking hebbend op de indexering, is genomen in strijd met artikel 3:4, tweede lid, van de Algemene wet bestuursrecht (hierna: Awb), in welke wetsbepaling het verbod van willekeur ligt besloten. Het bestreden besluit dient derhalve gedeeltelijk te worden vernietigd.

Gelet op het voorgaande is het beroep voorzover dit betrekking heeft op de indexering van het maatmaninkomen van eiser, gegrond.

Nu het besluit van 30 september 2003 (met als kenmerk B&B/WAZ 3.796.061137.00-44419) gedeeltelijk vernietigd zal worden en niet op voorhand duidelijk is tot welk bedrag verweerder kan terugvorderen, acht de rechtbank het aangewezen dat het bestreden besluit ten aanzien van de terugvordering van 30 september 2003 (met als kenmerk B&B/WAZ 3.796.061137.00-43999) eveneens zal worden vernietigd.

Het beroep, voor zover dit betrekking heeft op de terugvordering, is dan ook gegrond.

Gelet op het vorenoverwogene zal verweerder opnieuw op het bezwaar hebben te beslissen met achtneming van deze uitspraak.

Voor een veroordeling van verweerder in de kosten van de bezwaarprocedure, zoals gevraagd, wordt thans geen aanleiding gevonden. Verweerder zal daarover hebben te beslissen bij de opnieuw te nemen beslissing op bezwaar. Ten aanzien van de vordering van eiser tot vergoeding van geleden schade bestaand uit de wettelijke rente over de eventueel teveel teruggevorderde uitkering geldt evenzeer dat verweerder hierover zal hebben te beslissen bij de te nemen beslissing op bezwaar.

De rechtbank acht voldoende termen aanwezig verweerder met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in de kosten te veroordelen, die eiser in verband met de behandeling van het beroep redelijkerwijs heeft moeten maken.

4. Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond, voorzover dit betrekking heeft op het indexeren van het maatmaninkomen van eiser;

- vernietigt het bestreden besluit (44419) in zoverre;

- verklaart het beroep voorzover gericht tegen de terugvordering gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit (43999);

- draagt aan verweerder op nieuwe besluiten te nemen met inachtneming van deze uitspraak;

- gelast dat het UWV aan eiser het door hem gestorte griffierecht ad € 31,-- vergoedt;

- veroordeelt verweerder in de kosten die eiser in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken, tot op heden begroot op € 644,--;

- wijst UWV aan als de rechtspersoon die deze kosten vergoedt, te betalen aan eiser.

Gewezen door mw. mr. M.H.P. Beukelman, mr. J.H.M. Hesseling en mr. A. Oosterveld, rechters en in het openbaar uitgesproken op 29 oktober 2004

in tegenwoordigheid van mw. mr. M. Keukenmeester als griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op 29 oktober 2004