Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2004:AR5399

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
10-11-2004
Datum publicatie
10-11-2004
Zaaknummer
253484 VV 04-105
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Kort geding
Inhoudsindicatie

kantonzaak, ontruiming in kort geding, gronden overlast, schending van tweede-kanscontract.

Wetsverwijzingen
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen)
Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (geldt in geval van digitaal procederen) 254
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Prg. 2005, 53
JIN 2005/36
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

R E C H T B A N K Z W O L L E – L E L Y S T A D

sector kanton – locatie Zwolle

Zaaknr.: 253484 VV EXPL 04-105

datum : 10 november 2004

Vonnis in het kort geding van:

de stichting WONINGSTICHTING SWZ,

gevestigd te [vestigingsplaats],

eiseres, hierna verhuurster genoemd,

gemachtigde mr. G.E.J. Kornet, advocaat te Zwolle,

tegen

1. [HUURDER 1] en

2. [HUURDER 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagden, hierna huurders genoemd,

gemachtigde mr. W. Maris, advocaat te Zwolle,

toevoeging aangevraagd.

De procedure

De kantonrechter heeft kennisgenomen van:

- het exploot d.d. 1 november 2004 houdende een vordering tot het treffen van een voorziening bij voorraad.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 3 en 4 november 2004.

Verschenen zijn:

- op 3 november 2004 verhuurster bij haar gemachtigde en huurders, bijgestaan door mr. Maris;

- en op 4 november 2004 tevens namens verhuurster de leden van de regiegroep W. Reijers, adviseur bijzondere doelgroepen, H. Veldhuis, politie IJsselland, en F. Trompetter, projectleider sociaal beheer.

Het geschil

Verhuurster vordert, bij vonnis uitvoerbaar bij voorraad, huurders te veroordelen binnen twee dagen na betekening van dit vonnis de woning aan de [adres] te [woonplaats] te ontruimen, met machtiging aan verhuurster deze ontruiming met behulp van de sterke arm van politie en justitie te bewerkstelligen indien huurders met de bevolen ontruiming in gebreke blijven, en huurders, of een van hen, te bevelen zich van bepaalde gedragingen jegens omwonenden te onthouden op verbeurte van een dwangsom van € 100,00 per overtreding, een en ander met veroordeling van huurders in de proceskosten.

Huurders hebben geconcludeerd tot afwijzing.

De beoordeling

1.

Vast staat dat huurders vanaf 1 juli 2003 op basis van een herkansingsovereenkomst de woning aan de [adres] te [woonplaats] van SWZ hebben gehuurd, nadat zij hun vorige huurwoning aan de [adres] te [woonplaats] wegens overlast moesten verlaten.

De herkansingsafspraken houden onder meer in dat huurders begeleiding via de regiegroep accepteren, geen overlast veroorzaken (hetzij zelf, hetzij door familie of andere bezoekers), en geen derden laten inwonen.

Verhuurster heeft op 26 augustus 2003 bij deurwaardersexploot een brief aan huurders laten bezorgen (productie 3 bij dagvaarding), waarin wordt meegedeeld dat verhuurster meldingen van overlast heeft ontvangen. Zo hebben twee familieleden medio juli dronken in een aanhangwagen voor het huis gelegen en is er geluidsoverlast geweest. In strijd met de afspraken bleef familie logeren, en verhuurster heeft huurders hierop op 11 augustus 2003 aangesproken. Desondanks bleef familie logeren na een feestje op 15 augustus 2003, waarover verhuurster wederom een overlastmelding ontving. Ook op 18 augustus 2003 kwam een overlastmelding. Verhuurster heeft huurders gesommeerd de afspraken na te leven en bij overtreding ontruiming in het vooruitzicht gesteld.

2.

Volgens verhuurster heeft zij ontruiming niet doorgezet omdat huurder sub 1 langdurig gedetineerd werd en huurster sub 2 naar een camping trok.

Vanaf april 2004 is echter meer dan eens geconstateerd dat huurders zich niet aan de afspraken hielden. Zo kwam er melding van geluidsoverlast wegens een feestje eind april 2004 tot ’s morgens ongeveer half vier. Daarop aangesproken beloofde huurster sub 2 beterschap. Niettemin werd er op 6 mei 2004 weer gefeest omdat huurder sub 1 vrij was gekomen, hetgeen wederom tot een klacht wegens overlast leidde. Ook bleek een vrouw met twee kinderen in het huis te logeren.

Naar aanleiding van klachten van omwonenden over geluidsoverlast, bedreiging en mishandeling door huurder sub 1 heeft de regiegroep van verhuurster op 7 oktober 2004 met deze mensen een gesprek gehad. Verteld werd dat met name huurder sub 1 op intimiderende wijze eist dat klachten aan hem en niet aan verhuurster of de politie worden gemeld. Wanneer zij hun klachten echter aan huurder sub 1 melden, worden zij geïntimideerd en bedreigd. Men durft niet meer naar verhuurster of de politie te gaan. Een van deze omwonenden is na 25 jaar uit de buurt vertrokken en een ander heeft onlangs aangifte gedaan tegen huurder sub 1 van mishandeling. In januari 2005 moet huurder sub 1 hiervoor voorkomen bij de politierechter.

Voor verhuurster is de maat vol en zij wenst ontruiming door huurders. Verhuurster dient voor de belangen van de klagende omwonenden op te komen, aldus verhuurster. De regiegroep acht huurders onvoldoende aanspreekbaar en is met hen uitgepraat.

3.

Huurders betwisten dat zij zich schuldig hebben gemaakt aan bedreiging, intimidatie en mishandeling. Huurder sub 1 is ervan overtuigd dat hij in januari 2005 zal worden vrijgesproken van de hem ten laste gelegde mishandeling van een omwonende. Zo’n 25 straatbewoners hebben hun handtekening geplaatst onder een brief van een andere buurvrouw, die de klachten over overlast overdreven vindt.

Niet betwist wordt dat er in het voorjaar van 2004 feestjes zijn gegeven en dat er familie bleef slapen, maar volgens huurders zijn de klachten ernstig overdreven en klagen sommigen al wanneer hun baby huilt.

Namens huurders heeft hun gemachtigde zich kritisch uitgelaten over de aard en omvang van de begeleiding door de regiegroep, en is aangevoerd dat de vordering niet spoedeisend is.

4.

Naar het oordeel van de kantonrechter vloeit uit de aard van de vordering de spoedeisendheid voort.

5.

Voor zover de vordering tot ontruiming gebaseerd is op door enkele omwonenden ondervonden overlast, intimidatie en (bedreiging met) geweld, ontbreekt in het dossier thans hard bewijs. Er zijn geen aangiftes bij de politie bijgevoegd met naam en toenaam van de aangever; er zijn geen getuigenverklaringen; er is geen proces-verbaal van constatering van geluidsoverlast door de politie; de wijkagent, die bij beide zittingen aanwezig was en als informant is gehoord, heeft niet zelf wangedrag door huurders geconstateerd. Ook ontbreekt een verklaring van de bewoner die na vele jaren vanwege huurders uit de wijk zou zijn vertrokken.

Wel heeft de wijkagent aangegeven dat hij van verschillende mensen uit de buurt serieus te nemen signalen heeft ontvangen dat het niet goed gaat, en die signalen komen naar zijn zeggen niet alleen van de twee mensen die in het eerste overzicht van verhuurster met A en B zijn aangeduid. De mensen die hem benaderd hebben durven uit angst voor huurders en hun familie geen aangifte te doen, aldus de wijkagent.

Soortgelijke angst heeft dhr. Reijers, lid van de regiegroep, op 7 oktober 2004 bij de vier meerderjarige huurders bemerkt met wie toen, naar aanleiding van het gebeurde daags ervoor, is gesproken. Ook dhr. Veldhuis, die maar korte tijd bij dit gesprek aanwezig is geweest, heeft ter zitting verklaard dat hij deze angst en andere emoties bij de bewuste mensen heeft waargenomen en zeer authentiek en overtuigend vond.

Hier staat tegenover dat een grote groep bewoners van de Tulpstraat door middel van handtekeningen, en een kleinere groep door aanwezigheid ter zitting, duidelijk heeft willen maken dat naar hun idee geen sprake is van overlast, althans niet van onduldbare overlast, en dat de klagers naar hun idee op alle slakken zout leggen.

De kantonrechter acht de gestelde overlast, mede gelet op de discrepantie tussen de anonieme klachten enerzijds en de openlijke steunbetuigingen van andere omwonenden anderzijds, onvoldoende aannemelijk geworden.

Zolang de rechter niet heeft geoordeeld in de strafzaak tegen huurder sub 1 is er ook onvoldoende bewijs voor de gestelde mishandeling.

Op deze grondslagen kan de gevorderde ontruiming dan ook niet worden toegewezen.

6.

Een ander facet van deze zaak is evenwel dat het hier om een herkansingscontract gaat. De kantonrechter stelt voorop dat huurders in het kader van dit contract de gelegenheid hebben gekregen om, na bewezen wangedrag elders, in de Tulpstraat een nieuwe start te maken. Zij behoorden inmiddels te weten dat zij rekening moesten houden met anderen, dat hun eigen opvatting over wat wel of niet toelaatbaar is niet per definitie maatgevend is en dat zij aanwijzingen van de regiegroep serieus moesten nemen.

In het onderhavige geval staat vast dat huurders, ondanks herhaalde waarschuwingen van de regiegroep, mensen in hun woning lieten logeren. Ook staat vast dat huurders, de sommatie uit 2003 en de eind april 2004 beloofde beterschap ten spijt, wederom begin mei 2004 een feest in huis gaven.

De kantonrechter is van oordeel dat in het midden kan blijven of huurders hiermee nu objectief vast te stellen overlast aan omwonenden hebben veroorzaakt en of de regiegroep het houden van een feestje in huis nu van tevoren met zoveel woorden had moeten verbieden. Feit is dat huurders zich bij herhaling niet hebben gehouden aan afspraken met de regiegroep. Die afspraken zijn in het licht van een herkansingscontract redelijk, en huurders dienden zich te realiseren dat nakoming van die afspraken een noodzakelijke voorwaarde is voor voortzetting van de overeenkomst en hun aanspraak op huurgenot.

De kantonrechter is voorshands van oordeel dat huurders voldoende gewaarschuwd zijn en het aan zichzelf hebben te wijten dat de regiegroep hen inmiddels niet meer voldoende aanspreekbaar acht. Die mening van de regiegroep acht de kantonrechter gerechtvaardigd in het licht van de feiten.

Daarmee is een zeer belangrijke voorwaarde voor voortzetting van de herkansingsovereenkomst niet meer aanwezig, hetgeen ook los van overlast ontruiming rechtvaardigt.

7.

De gevorderde ontruimingstermijn van twee dagen na betekening acht de kantonrechter in dit geval, waarin daadwerkelijke overlast voor de buurt onvoldoende aannemelijk is geworden, te kort. De termijn wordt gesteld op de twee weken die in bodemzaken gebruikelijk is.

8.

Omdat ieder hard bewijs voor mishandeling, bedreiging, intimidatie en andere vormen van verbaal of non-verbaal wangedrag jegens omwonenden ontbreekt, is de kantonrechter vooralsnog van oordeel dat het gevorderde verbod aan huurders zich daaraan schuldig te maken op straffe van verbeurte van een dwangsom niet behoort te worden toegewezen. Niet valt in te zien waarom omwonenden dan wel aangifte zouden doen. En zou de politie dergelijk gedrag constateren, dan zijn er andere middelen om dergelijk gedrag te sanctioneren.

9.

De kantonrechter is van oordeel dat compensatie van proceskosten in deze zaak redelijk is.

De beslissing in kort geding

De kantonrechter:

- veroordeelt huurders om binnen twee weken na betekening van dit vonnis de woning gelegen te [woonplaats] aan [adres] te ontruimen en deze te verlaten, met al het hunne en de hunnen, en deze woning ontruimd te houden en ter vrije en algehele beschikking van verhuurster te stellen, onder afgifte van de sleutels van deze woning;

- machtigt verhuurster om, indien huurders met de bevolen ontruiming in gebreke blijven, deze zelf te bewerkstelligen met behulp van de sterke arm van politie en justitie;

- compenseert de kosten van deze procedure zodat iedere partij de aan eigen zijde gevallen kosten dient te dragen;

- verklaart deze beslissing uitvoerbaar bij voorraad;

- wijst af wat meer of anders is gevorderd.

Aldus gewezen door mr. M.E.L. Fikkers, kantonrechter, en uitgesproken in de openbare terechtzitting van 10 november 2004, in tegenwoordigheid van de griffier.