Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBZLY:2004:AR4874

Instantie
Rechtbank Zwolle-Lelystad
Datum uitspraak
19-10-2004
Datum publicatie
29-11-2004
Zaaknummer
AWB 04/333 WVG
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Socialezekerheidsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Tegemoetkoming in vervoerskosten per eigen auto. Verweerders beleid blijft niet binnen grenzen redelijke beleidsbepaling, nu wordt uitgegaan van de gemiddelde uitgave voor vervoer volgens het referentiebudget van het Nibud.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK ZWOLLE

Sector Bestuursrecht

Enkelvoudige Kamer

Reg.nr.: AWB 04/333 WVG

UITSPRAAK

in het geschil tussen:

A, wonende te B, eiser,

gemachtigde: J.B. van der Pauw,

en

De Commissie Lokaal Indicatieorgaan Almere, gevestigd te Almere, verweerder.

1. Aanduiding bestreden besluit

Besluit van verweerder d.d. 9 februari 2004.

2. Ontstaan en loop van de procedure

Bij besluiten van 9 april 1999, 17 januari 2000, 28 februari 2001, 14 februari 2002 en 23 januari 2003 heeft verweerder aan eiser een vervoersvoorziening in de vorm van financiële tegemoetkomingen in de kosten van het gebruik van de eigen auto toegekend, telkens over de periode van april tot april van ieder jaar.

Bij besluit d.d. 23 augustus 2002 heeft verweerder de toegekende bedragen over april 1999 tot april 2003 verhoogd.

Tegen eerstgenoemde besluiten zijn op respectievelijk 19 mei 1999, 9 februari 2000, 4 april 2001, 15 maart 2002 en 27 februari 2003 bezwaarschriften ingediend. De bezwaren zijn gehandhaafd met betrekking tot het besluit d.d. 23 augustus 2002.

Bij het bestreden besluit zijn deze bezwaarschriften ongegrond verklaard, voor zover het betreft de in het besluit d.d. 23 augustus 2002 genoemde bedragen. Met betrekking tot de periode van april 2003 tot april 2004 heeft verweerder het bezwaar tegen het besluit d.d. 23 januari 2003 gegrond verklaard en het toegekende bedrag verhoogd van € 500,-- naar € 613,--.

Op 18 maart 2004 is tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft op 26 april 2004 een verweerschrift ingezonden.

Het beroep is op 6 oktober 2004 ter zitting behandeld.

Eiser is verschenen bij zijn gemachtigde.

Verweerder heeft zich doen vertegenwoordigen door J. Dodewaard.

3. Motivering

In dit geding dient de vraag te worden beantwoord of het bestreden besluit in rechte stand kan houden.

Bij de beantwoording van deze vraag gaat de rechtbank uit van de volgende feiten en omstandigheden.

Eiser is slechthorend en heeft een stoornis aan het bewegingsapparaat tengevolge waarvan hij slechts kleine afstanden kan lopen. Voor het vervoer buitenshuis is eiser aangewezen op het gebruik van zijn eigen auto.

Verweerder heeft eiser ingaande 1 april 1994 voor de duur van een jaar een tegemoetkoming in de gebruikskosten van de eigen auto toegekend ten bedrage van maximaal ƒ1.600,00. Verweerder heeft op verzoek van eiser deze vervoersvoorziening in 1995 en 1996 voor de duur van een jaar verlengd.

Bij besluiten van 20 januari 1997 en 6 februari 1998 heeft verweerder aan eiser een tegemoetkoming toegekend in de vervoerskosten over de periode van 1 april 1997 tot 1 april 1998 van ƒ 1.200,-- en over de periode van 1 april 1998 tot 1 april 1999 van

ƒ 900,-- .Tegen deze besluiten is op respectievelijk 21 februari 1997 en 9 maart 1998 een bezwaarschrift ingediend.

Vervolgens zijn de bezwaarschriften bij besluit van respectievelijk 18 juni 1997 en 28 juli 1998 ongegrond verklaard.

De rechtbank heeft bij uitspraken van respectievelijk 31 juli 1998 en 28 januari 1999 de tegen genoemde besluiten op bezwaar ingestelde beroepen ongegrond verklaard. Tegen die uitspraken is hoger beroep ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.

De Centrale Raad van Beroep heeft op 31 maart 2000 uitspraak gedaan en heeft de aangevallen uitspraken van de rechtbank Zwolle alsmede de besluiten van 18 juni 1997 en 28 juli 1998 vernietigd. De Raad heeft bepaald dat verweerder nadere besluiten diende te nemen met inachtneming van bedoelde uitspraak van de Raad.

Vervolgens zijn de bezwaarschriften bij besluit van 19 februari 2001 wederom ongegrond verklaard, zij het met wijziging van de motivering.

Op 16 april 2002 heeft de rechtbank het tegen het besluit van 19 februari 2001 ingestelde beroep gegrond verklaard en dat besluit vernietigd.

Bij besluit van 28 mei 2003 heeft verweerder besloten de financiële tegemoetkoming over het jaar 1997 te laten op f 1.200,00 en de financiële tegemoetkoming over het jaar 1998 te verhogen van f 900,00 naar f 1.200,00.

Het namens eiser tegen dit besluit ingestelde beroep is door de rechtbank wegens termijnoverschrijding niet-ontvankelijk verklaard.

Voor de periode van 1 april 1999 tot 1 april 2004 heeft verweerder aanvankelijk aan eiser een jaarlijkse tegemoetkoming toegekend van respectievelijk f 705,00, f 705,00,

f 720,00, € 327,00 en € 550,00. Nadat namens eiser tegen deze vaststelling bezwaar was gemaakt, heeft verweerder de tegemoetkomingen over genoemde jaren bij besluit d.d. 23 augustus 2002 nader vastgesteld op respectievelijk € 600,00, € 600,00,

€ 613,00, € 613,00 en € 613,00.

Beoordeling van het geschil

Gelet op hetgeen in bezwaar en beroep zijdens eiser naar voren is gebracht, spitst het geschil zich toe op de vraag welk bedrag bij de bepaling van de hoogte van de tegemoetkoming als algemeen gebruikelijke kosten voor vervoer moet worden aangemerkt.

Bij de vaststelling van de hoogte van de tegemoetkoming in de kosten van vervoer heeft verweerder overwogen dat iedereen, ongeacht een handicap, kosten maakt voor het vervoer. Deze kosten dienen te worden aangemerkt als zijnde algemeen gebruikelijk. Met betrekking tot de vaststelling van de hoogte van deze algemeen gebruikelijke kosten is verweerder uitgegaan van de referentiebudgetten als vastgesteld door het Nibud. Het bedrag dat volgens het referentiebudget in de laagste inkomensklasse voor een éénpersoonshuishouden per maand gemiddeld wordt uitgegeven aan vervoer bedraagt € 78,00. Dit betekent dat er jaarlijks gemiddeld

€ 936,00 aan vervoer wordt uitgegeven. Uitgaande van dit bedrag stelt verweerder zich op het standpunt dat de aan eiser verstrekte vervoerskostenvergoeding in combinatie met de algemeen gebruikelijke vervoerskosten van € 936,00 voldoende moet zijn om eiser in staat te stellen om 1700 tot 1750 km per jaar auto te rijden, zijn auto te onderhouden en te zijner tijd te vervangen.

De gemachtigde van eiser stelt zich op het standpunt dat genoemd bedrag niet realistisch is. Om dit te onderbouwen heeft de gemachtigde enerzijds een overzicht gegeven van de kosten die eiser over de jaren 1997 tot en met 2002 daadwerkelijk heeft gemaakt, uitgaande van 1750 km per jaar, aan vervoer met de auto, het onderhoud, de afschrijving en dergelijke. Het gaat dan om een gemiddeld bedrag van

€ 1.524,46 per jaar. Daarnaast heeft de gemachtigde erop gewezen dat er volgens het referentiebudget van het NIBUD een maandelijks tekort is van € 196,00. Uitgaande van de eveneens door het NIBUD opgestelde voorbeeldbegroting voor een inkomen van € 867,-- tot € 903,-- per maand, blijkt dat er precies quitte wordt gespeeld als voor vervoer ongeveer € 18,-- wordt besteed.

In dit verband heeft de gemachtigde gewezen op jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State uit 1995 waaruit zou blijken dat voor een gezin met een minimuminkomen € 29,04 beschikbaar was voor vervoer.

De gemachtigde is voorts van oordeel dat verweerder handelt in strijd met de uitspraak van de rechtbank d.d. 16 april 2002, waarbij de rechtbank heeft overwogen dat voor eiser het hebben van een auto niet algemeen gebruikelijk is.

In het verweerschrift heeft verweerder er (nogmaals) op gewezen dat verweerder uitgaat van hetgeen volgens het NIBUD feitelijk wordt uitgegeven aan vervoer door de groep met het minimum inkomen. Verweerder stelt dat het werken met (gemiddelde) normbedragen in het kader van de WVG gebruikelijk is. Er is geen sprake van dat verweerder in strijd handelt met de vaststelling van de rechtbank dat voor eiser een auto niet algemeen gebruikelijk is. Voor al diegenen die een minimuminkomen hebben geldt dat het hebben van een auto niet algemeen gebruikelijk is. Niettemin blijkt uit het referentiebudget voor deze groep dat desondanks een aantal personen met een dergelijk inkomen er een auto op nahoudt. De berekende uitgave voor vervoer is een gemiddelde van degenen die wel en die niet een auto bezitten. Dit betekent een gunstige berekening voor eiser, die immers wel een auto bezit, maar voor wie de berekende uitgaven worden gedrukt doordat ook diegenen worden meegeteld die geen auto bezitten en dus een lagere uitgave hebben dan diegenen die wel een auto hebben.

Daarnaast heeft verweerder vastgesteld, dat eiser een hoger inkomen heeft dan de laagste categorie, zodat het feit dat de laagste inkomenscategorie als uitgangspunt heeft gediend, voor eiser eveneens gunstig is.

De rechtbank stelt vast, dat verweerder zich op het standpunt stelt dat, nu feitelijk door de laagste inkomenscategorie waarmee eiser is vergeleken een bedrag ad € 78,00 per maand aan reiskosten wordt gemaakt, een dergelijk bedrag voor eiser als algemeen gebruikelijk moet worden gezien.

De rechtbank is van oordeel dat verweerders besluit niet in stand kan worden gelaten. Daartoe gelden de volgende overwegingen.

Voorop staat dat eiser iemand is, die geen keuze kan maken om wel of niet een auto te gebruiken. Vast staat tevens dat voor iemand als eiser, gelet op zijn inkomen, een auto niet algemeen gebruikelijk is.

Dit betekent, dat de toepassing van verweerders beleid om uit te gaan van de Referentiebudgetten van het NIBUD bij de vaststelling van wat voor eiser algemeen gebruikelijk is, eiser in feite genoodzaakt is om, wil hij in voldoende mate aan het maatschappelijk verkeer deelnemen, zich in de schulden moet steken. Uit het overzicht van het NIBUD blijkt immers, dat in deze categorie sprake is van een negatief verschil tussen inkomsten en uitgaven. Dit wordt veroorzaakt door het feit dat er in die categorie kennelijk mensen zijn die zich een auto permitteren, hoewel zij die in elk geval niet uit hun inkomen kunnen betalen. Eiser heeft echter geen keuze: hij heeft de auto nodig.

Uit de door eisers gemachtigde overgelegde rapport van het NIBUD van juli 2002, getiteld “Een onderzoek naar de bestedingsmogelijkheden van huishoudens met een minimum inkomen”, blijkt dat door deze inkomens ongeveer € 18,00 besteed wordt aan vervoerskosten. Uitgaande van dit bedrag zou inderdaad quitte worden gespeeld. Een auto is daarbij (uiteraard) niet in beeld.

De rechtbank is van oordeel dat verweerders beleid, dat inhoudt dat iemand genoodzaakt is zich in de schulden te steken indien hij op medische gronden voor het onderhouden van zijn sociale contacten is aangewezen op het gebruik van een eigen auto, een beleid is dat niet blijft binnen de grenzen van een redelijke beleidsbepaling.

Het bestreden besluit dient dan ook vernietigd te worden en verweerder zal opnieuw op het bezwaar moeten beslissen. Daarbij zal verweerder uit moeten gaan van wat, gelet op eisers inkomen, besteed kan worden en door verstandige mensen besteed wordt in de inkomenscategorie waarin eiser valt.

Het beroep wordt dan ook gegrond verklaard.

De rechtbank ziet geen aanleiding een partij te veroordelen in de kosten die de andere partij in verband met de behandeling van het beroep heeft moeten maken.

4. Beslissing

De rechtbank

· verklaart het beroep gegrond;

· vernietigt het bestreden besluit en verstaat dat verweerder een nieuwe beslissing op het bezwaar neemt met inachtneming van deze uitspraak;

· wijst de gemeente Almere aan om aan eiser het door hem betaalde griffierecht ad € 37,-- te vergoeden.

Gewezen door mevrouw mr. M.I. Lammertsma-van der Heij en in het openbaar uitgesproken op in tegenwoordigheid de griffier.

Tegen deze uitspraak staat voor een belanghebbende en het bestuursorgaan hoger beroep open. Dit dient te worden ingesteld binnen zes weken na de datum van verzending van deze uitspraak door een beroepschrift en een kopie van deze uitspraak te zenden aan de Centrale Raad van Beroep, Postbus 16002, 3500 DA Utrecht.

afschrift verzonden op