Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BZ1923

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-09-2012
Datum publicatie
21-02-2013
Zaaknummer
SBR 12-1162
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Omgevingsrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussenuitspraak. Betreft verlening van omgevingsvergunning ten behoeve van aanleg golfbaan. Naar oordeel van rechtbank is sprake van onlosmakelijke samenhang tussen de omgevingsvergunningplichtige activiteiten en de handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, van de Flora- en faunawet. Indien sprake is van een onlosmakelijke samenhang is 'aanhaken' slechts dan niet aan de orde indien evident is dat geen ontheffing of verklaring van geen bedenkingen op grond van de Flora- en faunawet is vereist. In alle andere gevallen moet het ter zake bevoegde en deskundige orgaan, de minister van ELI, in staat worden gesteld zich uit te laten over de vraag of een Ffw-toestemming is vereist en zo ja, te beoordelen of die toestemming kan worden afgegeven in de vorm van een verklaring van geen bedenkingen.

Wetsverwijzingen
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht
Wet algemene bepalingen omgevingsrecht 2.1
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Omgevingsvergunning in de praktijk 2013/3073
M en R 2013/60 met annotatie van F.C.S. Warendorf
BR 2013/80 met annotatie van A. Drahmann, F. Onrust
JBO 2013/46 met annotatie van mr. drs. D. van der Meijden
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 12/1162

uitspraak van de meervoudige kamer van 6 september 2012 in de zaak tussen

Stichting Behoud De Eemvallei, gevestigd te Baarn, eiseres,

(gemachtigde: mr. J.M. Neefe)

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Amersfoort, verweerder.

(gemachtigden: mr. drs. H. Maaijen en H.N. Abrahams)

Als derde-partij heeft aan het geding deelgenomen:

[bedrijf] B.V., gevestigd te Amersfoort, vertegenwoordigd door [derde-partij], vergunninghouder.

Inleiding

Bij besluit van 6 september 2011 heeft verweerder met toepassing van de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, en 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wet algemene bepalingen omgevingsrecht (Wabo) aan vergunninghouder een omgevingsvergunning verleend ten behoeve van de realisatie van een golfbaan, het aanleggen van grondwerk(en) ten behoeve van waterlopen, natuurontwikkeling en reliëf, het aanbrengen van beplanting, het rooien van vier houtopstanden, het verplanten van vier eiken, het plaatsen van een hekwerk met ballenvanger en het plaatsen van een voetgangers- en onderhoudsbrug op de percelen kadastraal bekend gemeente Hoogland, secties [sectie] en [sectie], nummers [nummers] (verder: de percelen).

Bij besluit van 13 maart 2012 heeft verweerder het door eiseres tegen het besluit van 6 september 2011 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd onder aanvulling van de overwegingen en onder wijziging van de voorschriften met betrekking tot de activiteit aanleggen.

Bij uitspraak van 6 april 2012 (SBR 12/1161) heeft de Voorzieningenrechter op verzoek van thans eiseres het besluit van verweerder van 13 maart 2012 geschorst tot zes weken na verzending van de uitspraak in de onderhavige procedure.

Het beroep is behandeld ter zitting van 23 augustus 2012, waar eiseres is verschenen bij [A], bijgestaan door haar gemachtigde. Verweerder is verschenen bij zijn gemachtigden. Vergunninghouder is verschenen in de persoon van [derde-partij] voornoemd.

Overwegingen

1. Vergunninghouder heeft op 15 augustus 2011 een aanvraag om een omgevingsvergunning ingediend ten behoeve van de aanleg van een 9 holes golfbaan met bijbehorende voorzieningen. In het kader van de beoogde aanleg van deze golfbaan is op verzoek van golfclub Soestduinen door Ecologisch Adviesbureau Viridis B.V. een ecologisch onderzoek ingesteld in de vorm van een quickscan in het kader van de natuurwetgeving. Viridis B.V. heeft daaromtrent in augustus 2010 in de vorm van een Quickscan gerapporteerd.

2. Bij besluit van 14 december 2010, herzien bij besluit van 14 juni 2011, heeft de raad van de gemeente Amersfoort het bestemmingsplan “Golfbaan Hoogland West” vastgesteld. Dit bestemmingsplan is inmiddels in rechte onaantastbaar.

3. Bij besluit van 6 september 2011 heeft verweerder met toepassing van de artikelen 2.1, eerste lid, aanhef en onder a en b, en 2.2, eerste lid, aanhef en onder g, van de Wabo aan vergunninghouder de gevraagde omgevingsvergunning verleend. In dat besluit is voor de activiteit aanleggen als voorschrift 7 opgenomen dat de werkzaamheden niet in het broedseizoen (15 maart tot 15 juli) mogen worden uitgevoerd. Verder is daarbij vermeld dat indien er buiten het broedseizoen toch nesten worden gevonden, de werkzaamheden dienen te worden gestaakt tot de jonge vogels het plangebied op eigen kracht hebben verlaten. Bij besluit van 13 maart 2012 heeft verweerder het door eiseres tegen het besluit van 6 september 2011 ingediende bezwaarschrift ongegrond verklaard en dat besluit gehandhaafd onder aanvulling van de overwegingen en onder wijziging van de voorschriften met betrekking tot de activiteit aanleggen. Verweerder heeft daarbij overwogen dat het verbod tot het verrichten van werkzaamheden in de periode van 15 maart tot 15 juli, zoals neergelegd in voorschrift 7, niet langer wordt gehandhaafd, in die zin dat de werkzaamheden ook in die periode zijn toegestaan, mits de aanbevelingen van de Quickscan met betrekking tot het onderzoek naar de aanwezigheid van nesten en de zorgplicht in acht worden genomen.

4. Op grond van artikel 2.1, eerste lid, van de Wabo is het, voor zover hier van belang, verboden zonder omgevingsvergunning een project uit te voeren, voor zover dat geheel of gedeeltelijk bestaat uit:

a. het bouwen van een bouwwerk;

b. het uitvoeren van een werk, geen bouwwerk zijnde, of van werkzaamheden, in gevallen waarin dat bij een bestemmingsplan, beheersverordening, exploitatieplan of voorbereidingsbesluit is bepaald;

Artikel 2.2, aanhef en onder g, van de Wabo bepaalt dat voor zover ingevolge een bepaling in een provinciale of gemeentelijke verordening een vergunning of ontheffing is vereist om houtopstand te vellen of te doen vellen, een zodanige bepaling geldt als een verbod om een project voor zover dat geheel of gedeeltelijk uit die activiteit bestaat, uit te voeren zonder omgevingsvergunning.

Artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo bepaalt, voor zover hier van belang, dat in bij wet of algemene maatregel van bestuur aangewezen categorieën gevallen een omgevingsvergunning niet wordt verleend dan nadat een daarbij aangewezen bestuursorgaan heeft verklaard dat het daartegen geen bedenkingen heeft.

Ingevolge artikel 2.27, derde lid, van de Wabo kan de verklaring slechts worden gegeven of geweigerd in het belang dat in de betrokken wet of algemene maatregel van bestuur is aangegeven.

Artikel 75b, eerste lid, onder a en b, van de Flora- en faunawet (Ffw) bepaalt dat deze afdeling van toepassing is op handelingen a. waarvoor een omgevingsvergunning is vereist en b. die tevens zijn aan te merken als handelingen waarvoor een of meer van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, eerste lid, 17 en 18 gestelde verboden gelden en ten aanzien waarvan Onze Minister op grond van artikel 75, derde lid, bevoegd is ontheffing te verlenen.

Ingevolge artikel 75c, eerste lid, van de Ffw draagt de aanvrager van een omgevingsvergunning er zorg voor dat de aanvraag tevens betrekking heeft op de handelingen die voldoen aan de criteria, bedoeld in artikel 75b, eerste lid.

Ingevolge artikel 75d, eerste lid, van de Ffw wordt een omgevingsvergunning die betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, niet verleend dan nadat Onze Minister heeft verklaard dat hij daartegen geen bedenkingen heeft als bedoeld in artikel 2.27, eerste lid, van de Wabo.

Artikel 75d, tweede lid, van de Ffw bepaalt dat artikel 75, vierde tot en met zesde lid, van overeenkomstige toepassing is met betrekking tot de verklaring, bedoeld in het eerste lid.

5. In beroep heeft eiseres aangevoerd dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt stelt dat de vraag of een ontheffing op grond van de Ffw moet worden verleend in een separate procedure op grond van die wet moet worden beoordeeld. Naar de mening van eiseres dient de vraag of een dergelijke ontheffing noodzakelijk is in het kader van de verlening van de omgevingsvergunning te worden beoordeeld. Zij betoogt dat verweerder daarom ten onrechte heeft nagelaten de minister van Economische Zaken, Landbouw en Innovatie (ELI) in de gelegenheid te stellen een verklaring van geen bedenkingen af te geven.

De rechtbank overweegt als volgt.

6. Indien een aanvraag om een omgevingsvergunning betrekking heeft op handelingen waarvoor een of meer van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, eerste lid, 17 en 18 van de Ffw gestelde verboden gelden en ten aanzien waarvan de minister van ELI op grond van artikel 75, derde lid, bevoegd is ontheffing te verlenen, moet de aanvrager er voor zorgen dat de aanvraag om omgevingsvergunning tevens betrekking heeft op die handelingen.

Gelet hierop staat de rechtbank in de eerste plaats voor de beantwoording van de vraag of de aangevraagde activiteiten tevens zijn aan te merken als handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, onder b, van de Ffw. Gezien de aanvraag van vergunninghouder en de aard en omvang van de activiteiten is naar het oordeel van de rechtbank evident dat deze aanvraag ziet op handelingen waarvoor een omgevingsvergunning is vereist als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, onder a, van de Ffw.

De rechtbank is van oordeel dat deze handelingen zijn aan te merken als handelingen waarvoor een of meer van de bij of krachtens de artikelen 8 tot en met 13, eerste lid, 17 en 18 van de Ffw gestelde verboden gelden. Daarbij is van belang dat de activiteiten zien op grootschalige aanlegwerkzaamheden, waaronder grondafgraving en verplaatsing van een aanzienlijke hoeveelheid grond alsmede het aanleggen van grondwerken ten behoeve van waterlopen. Verder is van belang dat de aanvraag betrekking heeft op het rooien van houtopstanden. Nu de gevraagde vergunning mede ziet op het rooien van houtopstanden, die blijkens de gedingstukken door vleermuizen worden gebruikt als fourageerroute, leidt uitvoering van het project tot handelingen waarvoor het verbod geldt van artikel 10 van de Ffw. Op grond van dit artikel is het verboden dieren, behorende tot beschermde inheemse diersoorten, waaronder de in het projectgebied voorkomende vleermuizen, opzettelijk te verontrusten. De rechtbank acht aannemelijk dat het rooien van de houtopstanden zal (kunnen) leiden tot opzettelijke verontrusting van vleermuizen.

De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van onlosmakelijke samenhang tussen deze omgevingsvergunningplichtige activiteiten en de hiervoor bedoelde handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, Ffw, die in beginsel moet leiden tot ‘aanhaken’.

7. Verweerder heeft zich op het standpunt gesteld dat voor het project geen ontheffing op grond van de Ffw is vereist, zodat van ‘aanhaken’ geen sprake kan zijn, dan wel dat op voorhand niet aannemelijk is dat de Ffw aan realisering van het project in de weg staat. In dat kader heeft verweerder verwezen naar de uitgevoerde Quickscan en de stukken die in het kader van de bestemmingsplanprocedure zijn ingebracht, waaronder de uitspraak van de voorzitter van de ABRS van 11 augustus 2011 (LJN: BR5169), waaruit zou blijken dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het plan in de weg staat.

8. Dit betoog faalt. Indien sprake is van een onlosmakelijke samenhang als hiervoor bedoeld is ‘aanhaken’ slechts dan niet aan de orde indien evident is dat geen ontheffing of verklaring van geen bedenkingen op grond van de Ffw is vereist.

In alle andere gevallen moet het terzake bevoegde en deskundige orgaan, de minister van ELI, in staat worden gesteld zich uit te laten over de vraag of een Ffw-toestemming is vereist en, zo ja, te beoordelen of die toestemming kan worden afgegeven in de vorm van een verklaring van geen bedenkingen.

De rechtbank is niet gebleken van maatregelen die er op zien dat wordt voorkomen dat de in de Ffw opgenomen verboden, althans het verbod van artikel 10, worden overtreden. Ook overigens is niet gebleken dat evident is dat in dit geval niet een Ffw-toestemming is vereist.

De rechtbank betrekt hierbij, zoals ook hiervoor reeds is overwogen, dat het project van een aanzienlijke omvang is en gepaard gaat met grote ingrepen in de natuur, zoals het ontgronden van 74.000 m³ grond en het rooien van aanzienlijke houtopstanden met als gevolg de mogelijke opzettelijke verontrusting van vleermuizen.

De rechtbank wordt in dit oordeel gesteund door de bevindingen zoals die zijn neergelegd in de Quickscan van Ecologisch Adviesbureau Viridis, waaruit onder meer blijkt dat de beoogde ingrepen nadelig kunnen zijn voor de aanvlieg- en fourageerroute van de vleermuizen.

Dat er mogelijk mitigerende en/of compenserende maatregelen worden genomen, zoals de herplant van bomen op grond van het inrichtingsplan, is niet relevant voor de vraag of de benodigde toestemming op grond van de Ffw evident niet is vereist. De betekenis van eventuele mitigerende en/of compenserende maatregelen komt aan de orde bij de vraag of de benodigde Ffw-toestemming voor verlening in aanmerking komt. Het al dan niet verlenen van die toestemming is niet aan verweerder, maar aan de minister van ELI.

Uit het vorenstaande volgt dat in het kader van deze procedure geen betekenis toekomt aan de stelling van verweerder dat op voorhand niet aannemelijk is dat de Ffw aan realisering van het project in de weg staat. Dat criterium wordt gehanteerd in de bestemmingsplanprocedure en in Wro-procedures waarbij toestemming wordt verleend om ten behoeve van een project af te wijken van de bestemmingsplanvoorschriften. Onder de vigeur van de Wabo is in het geval van ‘aanhaken’ het oordeel of de Ffw aan realisering van het project in de weg staat echter niet aan verweerder, maar aan de minister van ELI. Gelet hierop komt in deze procedure en in dit kader geen betekenis toe aan de uitspraak van de ABRS van 29 augustus 2012, nr. 201101507/1, waarin is geoordeeld dat de Ffw niet aan de uitvoerbaarheid van het (bestemmings)plan in de weg staat.

9. Uit het voorgaande volgt dat de aanvraag tevens betrekking heeft op activiteiten waarvoor Ffw-toestemming is vereist. Door dit in de aanvraag niet te vermelden, heeft de aanvrager in zoverre gehandeld in strijd met artikel 75c, eerste lid, van de Ffw.

Verweerder had moeten onderkennen dat het in dit geval gaat om onlosmakelijk samenhangende activiteiten en een geval van ‘aanhaken’ en had de aanvrager hierop moeten wijzen, eventueel met toepassing van artikel 4:5 van de Awb. Wat daar ook van zij, uitgaande van genoemde samenhang, en nu de benodigde Ffw-toestemming niet separaat is aangevraagd en verkregen, had verweerder de benodigde toestemming op grond van de Ffw dienen te vragen aan de minister. Bij twijfel omtrent de benodigdheid van de verklaring van geen bedenkingen had het op de weg van verweerder gelegen contact te zoeken met het ministerie. Ook dit heeft verweerder nagelaten.

10. Nu de omgevingsvergunning betrekking heeft op handelingen als bedoeld in artikel 75b, eerste lid, van de Ffw en de minister niet heeft verklaard daartegen geen bedenkingen te hebben, moet de rechtbank concluderen dat het bestreden besluit is voorbereid en genomen in strijd met het bepaalde in artikel 75d, eerste lid, van de Ffw.

Het beroep is dan ook gegrond en het bestreden besluit dient om die reden te worden vernietigd. De rechtbank is van oordeel dat het geconstateerde gebrek zich in beginsel leent voor herstel. De benodigde verklaring van geen bedenkingen kan immers alsnog worden aangevraagd, waarna zal blijken of deze ook zal worden verleend.

De rechtbank stelt verweerder daarom, ter voorkoming van onnodige vervolgprocedures, in de gelegenheid om met toepassing van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb, het geconstateerde gebrek te herstellen.

Op grond van artikel 8:80a, eerste lid, van de Awb doet de rechtbank een tussenuitspraak als zij artikel 8:51a van de Awb toepast. De rechtbank geeft verweerder een termijn van twee weken, te rekenen vanaf de dag van verzending van deze tussenuitspraak, om de rechtbank te laten weten of hij gebruik wenst te maken van de gelegenheid om het geconstateerde gebrek te (laten) herstellen. Zo ja, dan dient verweerder zich daarna binnen twee weken tot de minister van ELI te wenden met het verzoek om afgifte van een verklaring van geen bedenkingen als hiervoor bedoeld. Binnen vier weken nadat de minister van ELI heeft besloten op het verzoek om afgifte van een verklaring van geen bedenkingen, zal verweerder de rechtbank meedelen wat daarvan het gevolg is voor het bestreden besluit.

11. Nu genoemde Ffw-toestemming was vereist, had verweerder op grond van artikel 3.10, eerste lid, onder e van de Wabo de beslissing op de aanvraag om omgevingsvergunning dienen voor te bereiden met toepassing van afdeling 3.4 van de Awb. Verweerder heeft dit miskend. De rechtbank is echter van oordeel dat verweerder bij het vervolg van de procedure geen toepassing hoeft te geven aan afdeling 3.4 van de Awb. Daarbij is van belang dat eiseres en vergunninghouder in de - ten onrechte - gevolgde bezwaarschriftprocedure afdoende gelegenheid hebben gehad hun standpunt kenbaar te maken en in zoverre niet in hun belangen zijn geschaad. Evenmin is aannemelijk dat andere belanghebbenden door het niet volgen van de uniforme openbare voorbereidingsprocedure in hun belangen zijn geschaad. Wel zal verweerder eiseres en vergunninghouder in de gelegenheid moeten stellen te reageren op de beslissing van de minister.

12. De rechtbank ziet aanleiding om in afwachting van de verklaring van geen bedenkingen een voorlopige voorziening te treffen als bedoeld in artikel 8:80b, derde lid, van de Awb. De rechtbank ziet hiertoe aanleiding nu ter zitting is gebleken dat vergunninghouder, in weerwil van de uitspraak van de voorzieningenrechter van 6 april 2012, waarbij het besluit van verweerder van 13 maart 2012 is geschorst tot zes weken na verzending van de uitspraak in deze zaak, de voorbereidende werkzaamheden in het zuidelijke deel van het projectgebied (ten zuiden van de Male Wetering) na het broedseizoen heeft hervat. Vergunninghouder en verweerder hebben de strekking van die uitspraak miskend; indien bij een beslissing op bezwaar de bij primair besluit verleende vergunning wordt gehandhaafd, en de beslissing op bezwaar wordt geschorst, dan strekt die schorsing zich ook uit tot het primaire besluit.

Ter zitting is de rechtbank gebleken dat in het noordelijke deel van de Male Wetering nog geen werkzaamheden zijn verricht ter uitvoering van het project. Gelet daarop en ter voorkoming van een verdere verstoring van de aanvliegroute van de drie ter plaatse voorkomende soorten vleermuizen, ziet de rechtbank aanleiding om zowel het besluit op bezwaar van 13 maart 2012 als het primaire besluit van 6 september 2011 te schorsen, doch uitsluitend voor zover daarbij toestemming is verleend bomen en overige houtopstanden te rooien. Tot het treffen van een verdergaande voorziening ziet de rechtbank geen aanleiding; daarbij is van belang dat in de verleende vergunning reeds als voorschrift is opgenomen dat er in de Male Wetering geen werkzaamheden mogen worden verricht, waardoor de kleine modderkruiper geen hinder zal ondervinden.

De rechtbank bepaalt dat deze voorlopige voorziening op grond van artikel 8:80, vierde lid, van de Awb vervalt zodra het beroep is ingetrokken of zes weken na de dag waarop de rechtbank uitspraak als bedoeld in artikel 8:66 van de Awb heeft gedaan. Voorts staat het partijen vrij om opheffing van de getroffen voorlopige voorziening te vragen. Daartoe zou aanleiding kunnen bestaan nadat de minister van ELI heeft beslist op het verzoek om de verklaring van geen bedenkingen.

13. Om proceseconomische redenen en ten behoeve van het nader door verweerder te nemen besluit zal de rechtbank hieronder de overige beroepsgronden van eiseres bespreken.

14. Eiseres heeft aangevoerd dat verweerder heeft gehandeld in strijd met het verbod van reformatio in peius door in het besluit op bezwaar het voorschrift met betrekking tot verrichten van werkzaamheden in broedseizoen aan te passen.

15. Deze beroepsgrond slaagt niet. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRS (zie onder meer de uitspraak van 1 april 2009, LJN: BH9259) is de bezwaarschriftprocedure bedoeld voor een volledige heroverweging, die niet is gebonden aan argumenten of omstandigheden die in het bezwaarschrift aan de orde zijn gesteld. Dat neemt niet weg dat een bestuursorgaan zich bij het nemen van een besluit op bezwaar mag beperken tot de in bezwaar aangevoerde gronden, indien, gelet op de in geding zijnde belangen, geen klemmende redenen bestaan voor een verderstrekkende heroverweging. Leidt deze heroverweging tot een voor de belanghebbende ongunstiger resultaat, dan is dit alleen toelaatbaar indien het bestuursorgaan ook zonder dat het bezwaarschrift zou zijn ingediend tot wijziging van het besluit ten nadele van de belanghebbende bevoegd zou zijn.

16. In het besluit van 6 september 2011 heeft verweerder voor de activiteit aanleggen onder meer als voorschrift opgenomen dat de werkzaamheden niet in het broedseizoen (van 15 maart tot 15 juli) mogen worden uitgevoerd. In bezwaar heeft eiseres aangevoerd dat de werkzaamheden in elk geval niet in het broedseizoen mogen plaatsvinden, waarbij zij heeft verzocht te bepalen dat het broedseizoen loopt van 15 maart tot 15 september.

In het kader van de heroverweging heeft verweerder in het besluit op bezwaar van 13 maart 2012 besloten het verbod van het verrichten van werkzaamheden in de periode van 15 maart tot 15 juli niet langer te handhaven, in die zin dat werkzaamheden ook in die periode zijn toegestaan, mits de aanbevelingen uit de Quickscan met betrekking tot het onderzoek naar de aanwezigheid van nesten en de zorgplicht in acht worden genomen.

Naar het oordeel van de rechtbank is met de aanpassing van dit voorschrift geen sprake van een ongunstiger resultaat voor eiseres. Uit de aanbevelingen blijkt immers dat de werkzaamheden ook moeten worden gestaakt indien buiten het broedseizoen nesten worden aangetroffen, terwijl binnen het broedseizoen het plangebied onderzocht moet worden op nesten alvorens gestart mag worden met werkzaamheden. Door het voorschrift in het bestreden besluit aldus te verduidelijken en in overeenstemming te brengen met de aanbevelingen van de Quickscan, heeft verweerder niet gehandeld in strijd met artikel 7:11 Awb en het daarin begrepen verbod van reformatio in peius.

17. Eiseres kan zich voorts niet vinden in het standpunt van verweerder dat de illegaal gekapte bomen mogen worden herplant binnen het gebied waarin de golfbaan wordt aangelegd. Eiseres is van mening dat de bomen op hun oorspronkelijke locatie moeten worden herplant.

18. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. Verweerder heeft aan de verleende vergunning voor de activiteit kappen het voorschrift verbonden dat vergunninghouder volgens het inrichtingsplan ter plekke dient over te gaan tot herplant van elzensingels, eikenrijen en broek- en eikenbosjes.

In de Quickscan wordt daarover opgemerkt dat bij de herinrichting van de golfbaan groenstructuren (bos, houtwallen en lanen) worden aangelegd die een meerwaarde kunnen betekenen voor vleermuizen. Gelet op het voorgaande kan in hetgeen eiseres heeft aangevoerd geen grond worden gevonden voor het oordeel dat verweerder bij het bestreden besluit niet tot de opgelegde herplantplicht heeft kunnen komen. Daarbij is van belang dat verweerder bij de locatie van de herplant beoordelingsvrijheid toekomt. Die herplant kan plaatsvinden binnen en buiten het projectgebied.

19. Eiseres heeft ten slotte aangevoerd dat na archeologisch onderzoek is geconcludeerd dat een deel van het projectgebied ongemoeid moest blijven. Volgens eiseres heeft vergunninghouder daarmee ingestemd en zou het plan tot aanleg van de golfbaan dienovereenkomstig worden bijgesteld. Naar de mening van eiseres is daarmee bij het bestreden besluit ten onrechte geen rekening gehouden.

20. Ook deze beroepsgrond slaagt niet. In de verleende omgevingsvergunning van 6 september 2011 is voor de activiteit aanleggen als voorschrift 9 opgenomen dat met de werkzaamheden in de aangegeven gebieden pas mag worden gestart wanneer het archeologisch onderzoek is voltooid en daaruit blijkt dat er geen archeologische waarden worden aangetast.

Uit de stukken blijkt dat er van 26 oktober 2011 tot en met 28 november 2011 archeologisch onderzoek heeft plaatsgevonden, waarvan de bevindingen zijn neergelegd in het Selectierapport van 22 december 2011. Uit het onderzoek is naar voren gekomen dat een klein deel van het onderzoeksgebied behouden dient te worden, hetgeen er toe heeft geleid dat de ontgravingen in het zuidwestelijke deel van het projectgebied deels zijn komen te vervallen. Gelet hierop is er geen reden om aan te nemen dat verweerder bij de bestreden besluitvorming onvoldoende oog heeft gehad voor mogelijk ter plaatse voorkomende archeologische waarden.

Conclusie

21. De rechtbank doet tussenuitspraak op de voet van artikel 8:51a van de Awb. Verweerder krijgt de gelegenheid het gesignaleerde gebrek in de besluitvorming te herstellen op de wijze zoals in deze uitspraak aangegeven. Indien verweerder daarvan geen gebruik wil maken, dient hij dit binnen twee weken na de dag van verzending van deze tussenuitspraak aan de rechtbank te laten weten. In dat geval zal einduitspraak worden gedaan. Indien verweerder wel gebruik maakt van de geboden gelegenheid en de rechtbank meedeelt op welke wijze het gebrek wordt hersteld, zal de rechtbank eiseres en vergunninghouder in de gelegenheid stellen binnen vier weken te reageren.

22. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt.

Beslissing

De rechtbank Utrecht,

- stelt verweerder in de gelegenheid om het gebrek in het bestreden besluit te herstellen met inachtneming van de overwegingen in deze tussenuitspraak; of om binnen twee weken na heden aan de rechtbank mee te delen dat van deze mogelijkheid geen gebruik wordt gemaakt;

- schorst bij wijze van voorlopige voorziening het besluit op bezwaar van 13 maart 2012 en het primaire besluit van 6 september 2011, voor zover daarbij vergunning is verleend voor de activiteit kappen in het noordelijk deel van het projectgebied; de schorsing komt te vervallen bij intrekking van het beroep of zes weken na de dag waarop de rechtbank (eind)uitspraak doet op het beroep;

- bepaalt dat verweerder bij het vervolg van de procedure geen toepassing hoeft te geven aan afdeling 3.4 van de Awb;

- houdt iedere verdere beslissing aan.

Aldus vastgesteld door mr. B.J. van Ettekoven, voorzitter, mr. J.M. Willems en

mr. E.C. Matiasen, rechters, en in het openbaar uitgesproken op 6 september 2012.

De griffier De voorzitter van de meervoudige kamer:

W.B. Lakeman mr. B.J. van Ettekoven

Afschrift verzonden op:

Rechtsmiddel

Tegen deze tussenuitspraak staat (nog) geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak.