Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY8869

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-09-2012
Datum publicatie
18-01-2013
Zaaknummer
793271 UC EXPL 12-1313 k
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

'KOO: aan door werknemer aan werkgever gemakte verwijten in kader van koo kan uitsluitend gewicht worden toegekend wanneer die hebben bijgedragen aan de arbeidsongeschiktheid die heeft geleid tot de opzegging.'

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0036
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 793271 UC EXPL 12-1313 k

vonnis d.d. 19 september 2012

inzake

[eiser],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [eiser],

eisende partij,

gemachtigde: DAS Nederlandse Rechtsbijstand N.V.,

tegen:

de besloten vennootschap

Mediq Apotheken Nederland B.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Mediq,

gedaagde partij,

gemachtigde: mr. D. Slotema.

Het verloop van de procedure

[eiser] heeft een vordering ingesteld.

Mediq heeft geantwoord op de vordering.

Bij tussenvonnis van 28 maart 2012 is een comparitie van partijen gelast.

Op 17 augustus 2012 heeft de comparitie van partijen plaatsgevonden. Daarvan is proces-verbaal opgemaakt.

Hierna is uitspraak bepaald.

Het geschil en de beoordeling daarvan

1. De feiten

Als enerzijds gesteld en anderzijds niet althans onvoldoende gemotiveerd weersproken, alsmede op grond van de in zoverre niet betwiste inhoud van de door partijen in het geding gebrachte producties neemt de kantonrechter het volgende als vaststaand aan:

1.1. [eiser] is op 13 januari 1997 in dienst getreden bij de rechtsvoorganger van Mediq in de functie van apothekersassistente.

1.2. Op 30 augustus 2006 heeft [eiser] zich ziek gemeld. In februari 2007 heeft [eiser] haar werkzaamheden deels hervat en op 9 april 2007 is [eiser] geheel hersteld gemeld.

1.3. Op 13 augustus 2007 heeft [eiser] zich ziek gemeld.

1.4. Naar aanleiding van een bezoek aan de bedrijfsarts op 16 augustus 2007 heeft de bedrijfsarts gemeld: ‘Mijns inziens is hier sprake van een verstoring in de arbeidsverhouding. (…) Werkgever en werknemer worden geadviseerd hiervoor zo spoedig mogelijk een oplossing te zoeken. (…) Indien hier al sprake is van arbeidsongeschikt, acht ik die niet ten gevolge van ziekte of gebrek.’

1.5. Bij brief van 20 augustus 2007 heeft [eiser] de apotheekster mevrouw [X] bericht dat zij ten gevolge van het optreden van [X] psychische klachten ervoer.

1.6. Op 24 augustus 2007 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [eiser], [X] en een personeelsadviseur van Mediq. In dat gesprek is afgesproken wekelijks evaluatiegesprekken tussen [eiser] en [X] te doen plaatsvinden. Op 27 augustus 2007 heeft [eiser] haar werkzaamheden gedeeltelijk hervat.

1.7. Op 5 augustus 2008 heeft [eiser] zich volledig ziek gemeld.

1.8. Naar aanleiding van een bezoek op 8 augustus 2008 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd:

‘Al meerdere jaren is er bij betrokkene sprake van een licht verminderde belastbaarheid door ziekten, privésituatie. Er zijn al op meerdere momenten gesprekken geweest over veranderingen op het werk en problemen daarmee. Nu is er sprake van een emotionele escalatie in een gesprek met de leiding. (…)

Het is niet juist om alleen te spreken van een arbeidsconflict al is daar wel een probleem uiteraard. (…) Aangezien betrokkene nu beperkingen heeft in het persoonlijk functioneren is het advies dat betrokkene eerst wat afstand kan nemen van het probleem. (…) Mijn voorstel is dan ook om na 2 weken een gesprek te arrangeren tussen werknemer en hrm.’

1.9. Begin november 2008 heeft [eiser] haar werkzaamheden gedeeltelijk hervat.

1.10. Naar aanleiding van een bezoek op 13 november 2008 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd:

‘Het gaat beter met mevrouw [eiser]. Zij werkt momenteel 2 uur per dag en denkt in week 48 de uren weer uit te kunnen breiden naar 3 uur per dag. Zij heeft goed contact met de werkgever over het verloop van de werkzaamheden. Zij zou graag haar persoonlijke belastbaarheid eens uitgebreider toelichten tijdens een overleg tussen werkgever, werknemer en bedrijfsarts.’

1.11. In een gesprek tussen [eiser], Mediq en de bedrijfsarts op 25 november 2008 heeft [eiser] aangegeven dat zij wenst dat Mediq meer rekening houdt met haar gezondheidsklachten.

1.12. Er vinden periodieke evaluaties bij de bedrijfsarts plaats met betrekking tot de re-integratie.

1.13. Na een spreekuurcontact op 30 januari 2009 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd:

‘Het contact met de werkgever is na het vertrek een half jaar geleden van de vorige leidinggevende genormaliseerd. (…) Mevrouw is mijns inziens na een recente operatieve ingreep wel erg snel en intensief met het werk gestart. (…) Mevrouw acht ik, tot het moment dat zij wat meer gestabiliseerd, is vanaf dit moment tot maximaal halve dagen werken in staat. (…) Ter ondersteuning van mevrouw bij het oplossen van specifieke belemmeringen op werkgebied adviseer ik verwijzing naar bedrijfsmaatschappelijk werk.’

1.14. Op 4 maart 2009 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd dat Mediq akkoord is met het inschakelen van bedrijfsmaatschappelijk werk.

1.15. Naar aanleiding van een spreekuurbezoek op 30 maart 2009 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd:

‘Het opbouwen van uren is nog niet gelukt, maar zij ervaart meer stabilitiet met de vaste werktijden. Ook heeft zij een “cursusje” gedaan waar zij veel energie van kreeg. Mevrouw is gestart met bedrijfsmaatschappelijk werk. Het resultaat hiervan moet nog blijken (…) Mevrouw wordt geschikt geacht voor het huidige werk.’

1.16. Naar aanleiding van een spreekuurbezoek op 14 mei 2009 heeft de bedrijfsarts gemeld:

‘Mevrouw heeft veel baat bij de positieve ondersteuning van de werkgever. Zij werkt nu 5 uur per dag. Dat gaat goed. Na haar geplande vakantie komt daar weer een uur bij en wordt er weer geëvalueerd en eventuele verdere uitbreiding gezamenlijk afgesproken. Mevrouw wordt geschikt geacht om de uren zoals afgesproken na de vakantie weer met een uur uit te breiden.’

1.17. Op 15 juni 2009 heeft [eiser] zich ziek gemeld.

1.18. Op 24 juni 2009 heeft de bedrijfsarts gerapporteerd:

‘Mevrouw heeft recent medisch advies gekregen. Op grond hiervan is een bijstelling van de probleemanalyse aan de orde. (…) Mevrouw werkte 6 uur per dag in haar eigen werk. Er heeft recente een re-integratiegesprek plaatsgevonden waarbij mevrouw druk ervaarde om het werk op korte termijn volledig te hervatten. Zij kon dat naar haar beleving nog niet aan. (…)

Mevrouw wordt vanwege de recente informatie vanaf heden volledig ongeschikt geacht voor eigen en voor aangepast werk voor in ieder geval de komende 2 weken.’

1.19. Aan [eiser] is per 3 augustus 2010 een IVA-uitkering op grond van de WIA toegekend naar een mate van arbeidsongeschiktheid van 100%. In de medische rapportage die ten grondslag ligt aan deze beslissing staat:

‘Op 05-08-2008 meldde cliënt zich arbeidsongeschikt voor dit werk vanwege overspanningsklachten. Deze klachten houden verband met een chronische, erfelijke aandoening die in 2002 is vastgesteld. Er is sprake van een zeer uitgebreide, gecompliceerde medische voorgeschiedenis. (…) Haar belangrijkste klacht is wel de extreme vermoeidheid, de futloosheid en geen energie hebben. Ze functioneert nauwelijks in het dagelijks leven en ze is sterk afhankelijk van de zorg van haar echtgenoot. Deze laatste klachten houden niet alleen verband met haar fysieke toestand, maar ook met de psychische verwerking van haar aandoeningen en de problemen die er waren op het werk.

(…)

De bedrijfsarts heeft in het actueel oordeel aangegeven dat er geen benutbare mogelijkheden waren. Dat is op dat moment terecht te achten omdat ze nog herstellende was van een ingrijpende longoperatie. Ook de afgelopen 2 jaar zijn er nauwelijks mogelijkheden geweest gezien de medische ontwikkelingen. (…)

Er zijn geen re-integratiekansen gemist. Het re-integratieverslag is akkoord.’

1.20. Bij beschikking van 21 oktober 2010 heeft het UWV Mediq toestemming verleend de arbeidsovereenkomst met [eiser] op te zeggen. Mediq heeft de arbeidsovereenkomst opgezegd tegen 1 februari 2011.

2. De vordering en het verweer

2.1. In deze procedure heeft [eiser] gevorderd dat de kantonrechter bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:

- Voor recht zal verklaren dat de opzegging van de arbeidsovereenkomst door Mediq kennelijk onredelijk was;

- Mediq zal veroordelen om tegen behoorlijk bewijs van kwijting aan [eiser] te betalen de schade die [eiser] ten gevolge van de kennelijk onredelijke opzegging heeft geleden, deze schade op te maken bij staat en te verevenen volgens de wet;

- Mediq te veroordelen in de kosten van de procedure.

2.2. Mediq heeft hiertegen verweer gevoerd.

2.3. Hetgeen partijen over en weer hebben aangevoerd komt, voor zover relevant, hierna aan de orde.

3. De beoordeling van het geschil

3.1. [eiser] heeft haar vordering gegrond op de stelling dat de opzegging kennelijk onredelijk is, omdat de gevolgen van de opzegging voor haar te ernstig zijn vergeleken met het belang van Mediq bij opzegging. Dat is gelegen in de volgende omstandigheden: Mediq heeft druk op [eiser] uitgeoefend om de werkzaamheden te hervatten terwijl zij daartoe niet in staat was, Mediq heeft niets ondernomen om de spanning op het werk te verminderen, Mediq heeft geen externe bemiddelaar ingeroepen, [X] heeft [eiser] op 5 augustus 2008 fysiek gemolesteerd, de arbeidsongeschiktheid houdt verband met de arbeidsomstandigheden, [eiser] is 14 jaar in dienst geweest, haar arbeidsmarktpositie is zwak en Mediq heeft [eiser] geen financiële tegemoetkoming geboden.

3.2. De kantonrechter overweegt dat [eiser] haar stelling dat Mediq druk heeft uitgeoefend om haar werkzaamheden te hervatten, alleen heeft onderbouwd door het overleggen van productie 14 zijnde een handgeschreven briefje waarop staat ‘Je kunt de laatste twee uur er gewoon bij doen.’ Dit zou dateren van mei/juni 2009. Mediq heeft weesproken dat zij druk heeft uitgeoefend op [eiser] om de werkzaamheden te hervatten en heeft gesteld dat het voorstel om de uren uit te breiden van 6 uur naar 8 uur paste binnen de door de bedrijfsarts gegeven kaders.

De kantonrechter overweegt dat de bedrijfsarts op 14 mei 2009 heeft gerapporteerd dat zij van 5 uur naar 6 uur kon uitbreiden. Het geeft dan ook geen pas om tegen [eiser] te zeggen dat zij de laatste twee uur er ‘gewoon’ bij kan doen. Feit is evenwel dat – zo volgt uit het rapport van de bedrijfsarts van 24 juni 2009 – tot 6 uur en niet meer is uitgebreid en dat [eiser] wegens recent medisch advies volledig ongeschikt wordt geacht. Dat te snel is gere-integreerd is dan ook niet voldoende door [eiser] onderbouwd.

3.3. Het verwijt dat Mediq niets heeft ondernomen om de spanning op het werk te verminderen, kan de kantonrechter niet goed volgen. Mediq heeft de adviezen van de bedrijfsarts opgevolgd, er zijn wekelijks gesprekken gevoerd en Mediq heeft bedrijfsmaatschappelijkwerk ingeschakeld. De bedrijfsarts maakt melding van positieve ondersteuning door Mediq en in de medische rapportage van de verzekeringsarts is opgenomen dat Mediq geen re-integratieinspanningen heeft gemist. Dat Mediq heeft gehandeld in strijd met enig advies van de bedrijfsarts – bijvoorbeeld door in 2007 geen vermindering van computerwerkzaamheden toe te staan of geen hulpmiddelen aan te schaffen – is niet gebleken. Voorts blijkt uit het gespreksverslag van 16 maart 2007 (productie 4 bij dagvaarding) dat Mediq gehoor heeft gegeven aan het verzoek van [eiser] om fysiotherapie gedeeltelijk onder werktijd te doen. Gesteld noch gebleken is dat [eiser] ooit om een externe bemiddelaar heeft verzocht of dat dit door de bedrijfsarts is geadviseerd en door Mediq niet opgevolgd. Van het niet inroepen van een externe bemiddelaar kan Mediq dan ook geen verwijt worden gemaakt.

3.4. Dat [X] (onredelijke) kritiek zou hebben geuit, ten onrechte zou hebben gezegd dat de communicatie met collega’s niet goed liep of [eiser] zelfs op 5 augustus 2008 fysiek zou hebben ‘gemolesteerd’, is niet onderbouwd. Evenmin is onderbouwd dat de werkdruk te hoog zou zijn.

3.5. Voor zover voornoemde verwijten terecht zouden zijn – zoals bijvoorbeeld de druk om van 6 uur naar 8 uur uit te breiden – is de vraag in hoeverre daaraan in de onderhavige procedure gewicht toekomt. Aan die verwijten kan uitsluitend gewicht worden toegekend wanneer die hebben bijgedragen aan de arbeidsongeschiktheid die heeft geleid tot de opzegging.

3.6. De kantonrechter is van oordeel dat daarvan in het onderhavige geval geen sprake is. In de medische rapportage van de verzekeringsarts is immers vermeld dat de overspanningsklachten verband houden met een chronische, erfelijke aandoening. Weliswaar staat daarin ook vermeld dat de vermoeidheidsklachten niet enkel in verband staan met die aandoening, maar ook met de verwerking daarvan en de problemen op het werk, maar de kantonrechter is van oordeel dat aan die laatste factor slecht beperkte betekenis toekomt. Immers, de verzekeringsarts heeft ook gerapporteerd dat er geen re-integratiekansen zijn gemist en dat de afgelopen twee jaar nauwelijks re-integratiemogelijkheden zijn geweest gezien de medische ontwikkelingen. De medische aandoeningen hebben aldus op de voorgrond gestaan bij de arbeidsongeschiktheid. [eiser] heeft nagelaten andere gegevens in te brengen die zouden moeten leiden tot een andere conclusie.

3.7. Aldus resteert als grondslag voor de gestelde kennelijke onredelijkheid van het ontslag dat [eiser] 14 jaar in dienst is geweest, dat ze een zwakke arbeidsmarktpositie heeft gelet op haar arbeidsongeschiktheid en dat Mediq haar geen financiële genoegdoening heeft geboden. Deze omstandigheden zijn naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende om tot kennelijke onredelijkheid van het ontslag te kunnen concluderen.

3.8. Gelet op het vorenoverwogene zal de vordering worden afgewezen.

3.9. Als in het ongelijk gestelde partij zal [eiser] worden veroordeeld in de kosten van de procedure. De kosten aan de zijde van Mediq worden begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde (2 punten x € 200,00).

De beslissing

De kantonrechter:

wijst de vordering af;

veroordeelt [eiser] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van Mediq, tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 400,00 aan salaris gemachtigde.

Dit vonnis is gewezen door mr. K.G.F. van der Kraats, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 19 september 2012.