Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY8051

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
09-01-2013
Zaaknummer
839370 UE VERZ 12-1566
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Ontbinding arbeidsovereenkomst op verzoek werkgever na drie jaar arbeidsongeschiktheid; ondanks tekortschieten van werkgever in re-integratie geen reden voor toekenning van een vergoeding aan werknemer nu niet aannemelijk is geworden dat zij aan haar re-integratie tweede spoor wil werken omdat zij het standpunt inneemt dat zij niet kan werken.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2013-0017

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 839370 UE VERZ 12-1566 MJ(4221)

beschikking van 21 december 2012

inzake

[verzoekster],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [verzoekster],

verzoekende partij,

gemachtigde: mr. J.C. Noordenbos,

tegen:

de naamloze vennootschap

De Koninklijke Nederlandse Munt N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen KNM,

verwerende partij,

gemachtigde: mr. N.T.A. Zeeuwen.

1. Het verloop van de procedure

[verzoekster] heeft een verzoekschrift met producties ingediend, strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met KNM onder toekenning van een vergoeding aan haar.

KNM heeft een verweerschrift met producties, tevens een zelfstandig verzoek strekkende tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst, ingediend.

De mondelinge behandeling heeft plaatsgevonden op 29 november 2012.

Partijen hebben hun standpunten, KNM mede aan de hand van pleitaantekeningen, toegelicht.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. De feiten

2.1. [verzoekster], thans 54 jaar oud, is op 27 mei 2002 in dienst van KNM getreden in de functie van medewerker assemblage. Voordien was zij in die functie als uitzendkracht werkzaam sedert 17 oktober 2001. Haar bruto maandsalaris bedraagt € 2.225,-. Op 2 maart 2009 heeft zij zich ziek gemeld.

2.2. In de door bedrijfsarts Vroegop opgestelde probleemanalyse van 24 april 2009 is te lezen dat er sprake is van toegenomen beperkingen in het gebruik van arm en hand en dat [verzoekster] als gevolg daarvan tijdelijk niet in staat is haar werk te verrichten. De bedrijfsarts maakt er ook melding van dat [verzoekster] een probleem in de werksituatie ervaart.

In de periodieke evaluatie van 15 mei 2009 door de bedrijfsarts wordt vastgesteld dat geen sprake is van vooruitgang. De bedrijfsarts adviseert een multidisciplinair onderzoek uit te voeren, zodat er duidelijkheid komt over de begeleiding en verwachting. In dit verslag is niet te lezen dat er (nog steeds) sprake is van een probleem in de werksituatie.

2.3. KNM verneemt van de bedrijfsarts dat [verzoekster] gedurende maximaal 1,5 tot 2 uur in niet-repeterend en niet-belastend werk (“capselen van munten”) kan worden ingezet.

Op 19 mei 2009 start [verzoekster] met simpel en niet-belastend werk gedurende 1,5 tot 2 uur per dag op de afdeling Assemblage. In een interne e-mail van 29 mei 2009 stelt het hoofd productie van KNM, [A], dat met [verzoekster] afgesproken is dat zij de volgende week 3 uur gaat werken. [A] meldt dat hij daarna streeft naar een week met halve dagen, gevolgd door een week met hele dagen.

In de periodieke evaluatie van 10 juni 2009 stelt de bedrijfsarts vast dat er sprake is van een toename van klachten ten gevolge van het aangeboden werk dat niet (volledig) voldeed aan de beperkingen. De bedrijfsarts adviseert afspraken te maken en geeft aan dat de prognose onduidelijk is.

2.4. Op 12 juni 2009 is nogmaals geprobeerd [verzoekster] in te zetten voor het capselen van munten, maar [verzoekster] viel meteen uit.

2.5. In de periodieke evaluatie van 23 juli 2009 stelt de bedrijfsarts vast dat [verzoekster] nu ernstig beperkt is in het gebruik van beide armen en herhaalt zijn advies een multidisciplinair onderzoek te laten verrichten. In de evaluatie is te lezen dat [verzoekster] in de maanden maart en juni 2009 gedeeltelijk (50% respectievelijk 10%) heeft gewerkt.

In de periodieke evaluatie van 11 september 2009 wordt gemeld dat er geen sprake is van structurele vooruitgang en dat de mogelijkheden van werkhervatting afhangen van de passendheid van de geboden werkzaamheden. Tevens wordt een multidisciplinair onderzoek geadviseerd en een gesprek over werkhervatting tussen [verzoekster] en KNM.

2.6. In de periodieke evaluatie van 10 november 2009 wordt vastgesteld dat geen sprake is van verbeteringen en dat mogelijkheden voor werkhervatting aanwezig zijn ‘op geleide van de beperkingen’; de prognose blijft onveranderd onduidelijk. Dit wordt herhaald in de eerstejaarsevaluatie van 22 januari 2010, waarin tevens wordt gemeld dat waarschijnlijk in maart 2010 een medische ingreep zal plaatsvinden. De prognose is dat [verzoekster] na de medische ingreep nog vier tot zes maanden voor herstel nodig heeft, zodat arbeidsdeskundig onderzoek volgens de bedrijfsarts nog niet nodig is. In het verslag is te lezen dat KNM enigszins bezorgd is over de herstelmogelijkheid in eigen werk.

2.7. Bij brief van 14 juni 2010 deelt bedrijfsarts [B] KNM mee dat [verzoekster] haar werk per 14 juni 2010 voor halve dagen zal hervatten. [verzoekster] was het met dit oordeel van de bedrijfsarts niet eens en heeft op 3 augustus 2010 een deskundigenoordeel aangevraagd bij het UWV. In afwachting daarvan heeft [verzoekster] op advies van de bedrijfsarts niet gewerkt.

2.8. Het deskundigenoordeel van het UWV van 12 oktober 2010 luidt dat [verzoekster] niet geschikt is voor het eigen werk in de volle omvang onder verwijzing naar het rapport van de arbeidsdeskundige Heije van het UWV van 8 oktober 2010. Deze arbeidsdeskundige concludeert dat het eigen werk van [verzoekster] te zwaar is op de onderdelen ‘duwen met grote kracht’ en ‘hoog frequent reiken’ en dat er sprake is van een urenbeperking; de overige onderdelen van haar werk kan [verzoekster] wel doen. De arbeidsdeskundige merkt op dat het terecht is en ook noodzakelijk dat KNM activiteiten op het gebied van spoor 2 ontplooit, maar dat [verzoekster] daar “niets blij mee is” en dat [verzoekster] tijdens het bespreken van die noodzaak heeft aangegeven het er niet mee eens te zijn en de kamer heeft verlaten.

2.9. Bedrijfsarts [B] heeft daarop een actueel oordeel van 5 november 2010 opgesteld waarin wordt geconcludeerd dat [verzoekster] niet meer geschikt is voor haar eigen werk, dat KNM geen passende werkzaamheden voor haar heeft en dat er nu een re-integratietraject 2e spoor gaat lopen.

2.10. KNM schrijft bij brief van 15 november 2010 aan [verzoekster] dat zij het re-integratiebureau USG Restart heeft ingeschakeld om het re-integratietraject 2e spoor te starten. KNM maakt in de brief melding van de telefonische mededeling van de dochter van [verzoekster] dat [verzoekster] het niet eens is met het deskundigenoordeel van het UWV en een tweede deskundigenoordeel zal vragen en dat zij niet wil starten met de re-integratie 2e spoor. De dochter meldt dat [verzoekster] van mening is dat KNM onvoldoende heeft gedaan aan haar re-integratie binnen KNM. KNM deelt in de brief mee dat zij niet instemt met het verzoek tot uitstel van het starten van het 2e spoor traject en spreekt [verzoekster] aan op het verlenen van haar medewerking daaraan.

2.11. Bij e-mailbericht van 16 november 2010 zegt [verzoekster] haar medewerking toe.

2.12. USG Restart stelt op 26 november 2010 een intakerapport op waarin onder meer is te lezen:

“Haalbaarheid re-integratie

Er zijn geen passende functies genoemd in de arbeidsdeskundige rapportages. De combinatie van fysieke beperkingen, urenbeperking van maximaal 20 uur per week (4 uur per dag) en het ontbreken van voldoende kennis van de Nederlandse taal maken het noodzakelijk eerst uitgebreid te onderzoeken welke mogelijkheden er voor werknemer kunnen zijn. Het zal geen gemakkelijke weg zijn richting de arbeidsmarkt en ik verwacht dat uitproberen, vrijwilligerswerk, proefplaatsing onderdelen zullen zijn om duidelijkheid te verkrijgen over de inzetbaarheid.”

2.13. Bij e-mailbericht van 21 januari 2011 schrijft [C] van USG Restart aan KNM: “In kleine stapjes probeer ik de (beperkte) mogelijkheden met mevrouw in kaart te brengen. (…) er veel functies zijn die haar belastbaarheid (…) te boven gaan. Ik kijk naar wat zij kan volhouden fysiek in combinatie met haar kennis en competenties om zo te komen tot een profiel. Dat profiel probeer ik daarna te toetsen aan de mogelijkheden op de arbeidsmarkt. De weerstand die mevrouw heeft tracht ik bespreekbaar te maken en met het aangeven van de mogelijkheden die er wel zijn, te verkleinen. Dit gaat niet snel, zij heeft tijd nodig om dingen die zij niet meer kan te verwerken, want ook heeft dit natuurlijk invloed op haar prive omstandigheden en wat ze daar gewend was te kunnen. Ik ga er vanuit dat we op deze manier het snelst duidelijk krijgen welke mogelijkheden voor betaald werk er voor haar zullen zijn.”

2.14. Bij op 11 februari 2011 verzonden besluit stelt het UWV dat KNM onvoldoende heeft gedaan om [verzoekster] te re-integreren. Haar aanvraag voor een WIA-uitkering is afgewezen en KNM is als sanctie op het niet voldoen aan haar re-integratieverplichtingen verplicht het loon van [verzoekster] door te betalen tot 27 februari 2012.

2.14.1. Dit besluit is gebaseerd op het arbeidsdeskundig rapport van 9 februari 2011 dat in opdracht van het UWV is opgemaakt.

2.14.2. De arbeidsdeskundige heeft in dat rapport de re-integratie inspanningen van KNM onvoldoende geoordeeld omdat [verzoekster] niet werkt, terwijl zij wel arbeidsmogelijkheden heeft voor een volledige werkweek. KNM heeft volgens de arbeidsdeskundige spoor 2 te laat ingezet en spoor 1 onvoldoende onderzocht. De arbeidsdeskundige overweegt: “Zeker bij een werknemer die eerder een langdurig ziekteverzuim heeft gekend met min of meer dezelfde klachten, had eerder adequaat onderzoek plaats moeten vinden. Werkgever heeft zelf geen enkel onderzoek verricht.” De deskundige ziet benutbare mogelijkheden per 15 juni 2010 en meent dat KNM een verdiepingsonderzoek naar de (on-)mogelijkheden van spoor 1 had moeten instellen en dat zij ten onrechte het op verzoek van [verzoekster] verrichte deskundigen-onderzoek van het UWV als een dergelijk onderzoek heeft aangemerkt. Ook meent de arbeidsdeskundige dat een adequaat voortraject naar toekomstig werk wellicht eerder al tot de mogelijkheden had kunnen behoren. De arbeidsdeskundige overweegt in dit verband: “Ook als een werkneemster niet meewerkt aan een Spoor-2 traject, dient een werkgever adequate middelen in te zetten en vertraging te voorkomen”. De in spoor 2 uitgevoerde activiteiten zijn door de arbeidsdeskundige omschreven als “weerstands-overbruggende gesprekken” met [verzoekster] naast het bespreken van een volgens de arbeidsdeskundige eigenlijk niet passende functie als beveiligingmedewerker. Dit kunnen volgens de arbeidsdeskundige, gelet op de voor het re-integratietraject beschikbare korte tijd, niet als baanbrekende activiteiten worden aangemerkt.

De arbeidsdeskundige vat de tekortkomingen van KNM als volgt samen:

- [verzoekster] is in het geheel niet werkzaam terwijl zij met beperkingen inzetbaar is in arbeid voor 20 uur per week, vier uur per dag;

- Er is geen of onvoldoende interventie gepleegd om [verzoekster] te ondersteunen om een adequaat traject uit te voeren waardoor achterstand is opgelopen;

- Er is onvoldoende gecommuniceerd met [verzoekster] omtrent het einddoel en de te nemen stappen, na bijna twee jaar ziekte moeten nog altijd “weerstands-overbruggende gesprekken” gevoerd worden;

- Spoor 2 is te laat ingezet, waardoor kansen zijn gemist.

De arbeidsdeskundige wijst erop dat het uitgevoerde UWV deskundigenonderzoek alleen gericht is op de beantwoording van de vraag of [verzoekster] het eigen werk volledig kan verrichten terwijl een volledig “spoor-1 onderzoek” antwoorden geeft over de mogelijkheid van aangepast eigen of ander werk bij de werkgever en/of de mogelijkheid tot het creëren van een functie. Het advies van spoor-2 is wel opgevolgd, maar te laat omdat dit al per 14 juni 2010 gestart had kunnen worden en dat op dat moment een nieuw plan van aanpak opgesteld had moeten worden. Volgens de arbeidsdeskundige is een dergelijk plan van aanpak eerst op 15 oktober 2010 opgesteld. Hij verbindt aan dit alles de conclusie dat [verzoekster] een beetje aan haar lot is overgelaten en dat integratiekansen zijn gemist.

2.14.3. De arbeidsdeskundige geeft aan dat van KNM reparatie wordt verwacht met het volgende resultaat:

- [verzoekster] werkt binnen het eigen bedrijf in werk dat min of meer aansluit bij de resterende functionele mogelijkheden, of

- zij werkt met toestemming buiten het bedrijf, of

- zij werkt in werk met een loonwaarde van tenminste 65% van het oorspronkelijke loon in structureel werk, of

- er is een adequaat re-integratietraject naar ander werk bij een andere werkgever afgerond.

2.15. KNM heeft bezwaar gemaakt tegen het besluit een loonsanctie op te leggen, maar zij is in dat bezwaar niet ontvankelijk verklaard vanwege termijnoverschrijding.

2.16. KNM laat [verzoekster] bij brief van 15 februari 2011 weten dat [verzoekster] volgens haar bedrijfsarts niet in staat is te werken en zij nodigt [verzoekster] uit voor een re-integratiegesprek op 21 februari 2011 over de conclusies van het UWV en de bedrijfsarts en om de vorderingen van het re-integratiebureau te bespreken.

2.17. In het gesprek van 21 februari 2011 heeft [verzoekster] laten weten geen meerwaarde te zien van het traject USG Restart, dat ze zich volledig arbeidsongeschikt achtte en haar kansen op werk als zeer klein inschatte.

2.18. Op verzoek van KNM is vervolgens op 14 maart 2011 een ‘Arbeidsdeskundig Reïntegratie Onderzoek’ uitgevoerd. De conclusie in het rapport van 1 april 2011 van dit onderzoek luidt:

“ - De werknemer is ongeschikt voor het eigen werk (…).

- Het eigen werk is niet passend te maken door voorzieningen of aanpassingen.

- De werknemer is ongeschikt voor ander werk bij de eigen werkgever.

- De werknemer is geschikt voor passende arbeid op de arbeidsmarkt, het vervolgtraject zal waarschijnlijk via het reïntegratiebureau USG Restart verder opgepakt worden (…). Desgewenst kan werkgever ook een tweede reïntegratiebureau inzetten.”

2.19. USG Restart heeft blijkens de brief van de bedrijfsarts van 3 mei 2011 aan [verzoekster] meegedeeld niets meer voor haar te kunnen doen. De bedrijfsarts adviseert KNM om de re-integratieactiviteiten weer op te starten en zo nodig conform het advies van de arbeidsdeskundige een tweede re-integratiebureau in te schakelen. De bedrijfsarts meldt bij brief van 16 juni 2011 dat volgens [verzoekster] zij geen contact meer heeft met USG Restart of KNM en adviseert te overleggen over het vervolgtraject. KNM heeft vervolgens [verzoekster] uitgenodigd voor een voortgangsgesprek op 23 juni 2011 en nadien nog eens op 4 januari 2012 voor een gesprek over het ziekte/hersteltraject en het vervolg na drie jaar ziekte.

2.20. Bij besluit van 20 februari 2012 heeft het UWV het verzoek van [verzoekster] om toekenning van een WIA-uitkering afgewezen omdat [verzoekster] een verlies aan verdiencapaciteit heeft van minder dan 35%. Bij beslissing op bezwaar van 19 juli 2012 is het bezwaar van [verzoekster] tegen het primair besluit ongegrond verklaard. [verzoekster] is van deze beslissing in beroep gekomen bij de bestuursrechter van de rechtbank Utrecht. In die beroepsprocedure is het nog niet tot een uitspraak gekomen.

2.21. In de door [verzoekster] overgelegde “medische rapportage in bezwaarschriftprocedure” is te lezen (bladzijde 3) “Belanghebbende geeft aan dat ze geen functie weet die ze zou kunnen doen. Ze acht zich in verband met de combinatie van psychische klachten en de lichamelijke klachten volledig arbeidsongeschikt.” en (bladzijde 4) “belanghebbende is van mening dat zij volledig arbeidsongeschikt is”.

3. Het verzoek van [verzoekster]

3.1. [verzoekster] meent dat er sprake is van gewichtige redenen op grond van veranderingen in de omstandigheden op grond waarvan de arbeidsovereenkomst op korte termijn moet worden ontbonden. [verzoekster] onderbouwt haar verzoek tot ontbinding van de arbeidsovereenkomst met KNM als volgt:

- KNM weigert al anderhalf jaar re-integratie inspanningen te verrichten en [verzoekster] staat wat dat betreft machteloos. Ontbinding van de arbeidsovereenkomst is dan de enig overgebleven optie.

- KNM heeft in de eerste twee jaar van de arbeidsongeschiktheid geen wezenlijke inspanningen voor het 2e spoor gedaan. Na het gesprek van 15 februari 2011 heeft [verzoekster] taal noch teken van KNM vernomen tot in februari 2012 de beëindiging van de arbeidsovereenkomst aan de orde werd gesteld. KNM heeft het advies van het UWV en ArboDuo om een tweede re-integratiebureau in te schakelen naast zich neer gelegd. Dit geldt ook voor de gelijkluidende adviezen van de bedrijfsarts op 3 mei 2011 en 16 juni 2011.

- KNM heeft de loonsanctie niet opgepakt als prikkel om haar re-integratieverplichting na te komen maar heeft volstaan met het doorbetalen van het loon en heeft verder [verzoekster] aan haar lot overgelaten. De door het UWV genoemde te bereiken resultaten na afloop van het derde ziektejaar zijn niet gehaald.

- [verzoekster] lijdt als gevolg van de ontstane situatie schade. Zij heeft al geruime tijd een lager inkomen, te weten 70% van het laatste verdiende inkomen. Als KNM haar verplichtingen wel was nagekomen, had [verzoekster] een grotere kans gehad op een andere baan en hoger inkomen en in ieder geval waren haar kansen op de arbeidsmarkt dan veel hoger geweest. De kans op een andere baan is nu vrijwel nihil. Zij zou alsnog adequate begeleiding moeten krijgen van een re-integratiebureau en een intensieve cursus in de Nederlandse taal en eventueel een werk-gerichte training of opleiding moeten volgen. [verzoekster] heeft daar zelf geen geld voor.

- [verzoekster] acht onder de gegeven omstandigheden een door KNM te betalen ontbindingsvergoeding volgens de uitgangspunten van de zogenoemde kantonrechtersformule met correctiefactor 1,5 redelijk. Zij becijfert dit op een bedrag van € 59.731,55 bruto.

4. Het verzoek van KNM

4.1. KNM meent dat voortzetting van de arbeidsovereenkomst gelet op de volgende omstandigheden geen doel dient:

- [verzoekster] is volledig arbeidsongeschikt;

- binnen KNM zijn geen herplaatsingmogelijkheden;

- de loondoorbetalingverplichting is sedert 27 februari 2012 geëindigd;

- er geldt geen opzegverbod.

Volgens KNM leveren de “hierboven beschreven gedragingen” gewichtige redenen op als bedoeld in artikel 7:685 BW die er toe dienen te leiden dat de arbeidsovereenkomst zo spoedig mogelijk wordt ontbonden. Onder de gegeven omstandigheden, waarvoor KNM verwijst naar hetgeen zij in haar verweerschrift heeft aangevoerd, komt aan [verzoekster] in de visie van KNM geen vergoeding toe.

5. Het verweer

5.1. Ieder van partijen heeft tegen het verzoek van de wederpartij verweer gevoerd. Dit verweer, alsmede hetgeen overigens in deze procedure nog aan de orde is gekomen, zal hierna - voor zover relevant - bij de beoordeling worden besproken.

6. De beoordeling

6.1. De kantonrechter stelt voorop dat tussen partijen niet in discussie is dat de loonbetalingsverplichting van KNM als gevolg van het verstrijken van de wettelijke en nadien verlengde loondoorbetalingstermijn bij ziekte is geëindigd op 27 februari 2012. Daarmee is het dienstverband niet geëindigd, zoals door beide partijen is onderkend. Nu de gezondheid van [verzoekster] haar tot op dit moment niet in staat stelt de met KNM overeengekomen werkzaamheden te verrichten en KNM niet langer gehouden is het loon door te betalen, is sprake van een - zoals dat wel wordt genoemd - ‘slapend dienstverband’.

6.2. De kantonrechter stelt voorop dat de enkele omstandigheid dat de arbeidsovereenkomst van werknemer na een langdurig dienstverband wegens arbeidsongeschiktheid wordt ontbonden, op zichzelf onvoldoende grond oplevert voor het toekennen van een vergoeding.

Voor toekenning van een vergoeding kan in een dergelijk geval wel aanleiding bestaan indien zich bijzondere omstandigheden voordoen. Daarvan kan bijvoorbeeld sprake zijn indien de werkgever een verwijt kan worden gemaakt van het ontstaan van de arbeidsongeschiktheid of indien de werkgever in gebreke is gebleven bij het re-integreren van de werknemer.

6.3. In dit geval ziet de kantonrechter geen grond voor toekenning van een vergoeding aan [verzoekster], waartoe het volgende redengevend is.

6.4. [verzoekster] meent dat KNM verwijtbaar is tekort geschoten in haar re-integratie. De kantonrechter oordeelt dat KNM blijkens de opgesomde feiten inderdaad is tekortgeschoten in haar re-integratie inspanningen gedurende het eerste ziektejaar van [verzoekster]. Het door de bedrijfsarts tot en met de maand september 2009 bij herhaling voorgestelde multidisciplinair onderzoek heeft kennelijk nimmer plaatsgevonden. Als de bedrijfsarts werkhervatting tot maximaal 1,5 à 2 uur adviseert wordt dit al snel door de werkgever uitgebreid naar drie uur en is het kennelijk de bedoeling dat verder uit te bouwen in een korte periode van slechts twee weken tot een volledige werkweek. Nergens in de overgelegde rapportage is te lezen dat die door de werkgever ingezette ontwikkeling medisch verantwoord was. De bedrijfsarts stelt op 10 juni 2009 vast dat er sprake is van een toename van klachten ten gevolge van het aangeboden werk dat niet (volledig) voldeed aan de beperkingen en dit geeft aan dat KNM een onjuiste aanpak had gevolgd.

6.4.1. Dat vervolgens gedurende de eerste maanden van 2010 geen op re-integratie gerichte activiteiten hebben plaatsgevonden laat zich naar het oordeel van de kantonrechter rechtvaardigen door de inmiddels gebleken noodzaak voor [verzoekster] om een operatie (kennelijk in verband met haar klachten die tot ziekteverzuim leidden) te ondergaan en de herstelperiode daarna.

6.4.2. Aan deze situatie komt echter een einde op 14 juni 2010 met het bericht van de bedrijfsarts dat [verzoekster] haar werk weer voor halve dagen kan hervatten. Het standpunt van [verzoekster] dat zij nog steeds volledig arbeidsongeschikt is en een second opinion zal gaan vragen aan het UWV leidt dan tot een impasse gedurende de periode van 14 juni 2010 tot 15 november 2010. In die periode van vijf maanden werkt [verzoekster] niet en wordt evenmin gestart met het tweede spoor traject. Een gericht professioneel onderzoek naar de inzetbaarheid van [verzoekster] in aangepast werk en het door de bedrijfsarts geadviseerde multidisciplinair onderzoek wordt evenmin uitgevoerd. Daargelaten de betwisting door [verzoekster] van het oordeel van de bedrijfsarts dat zij weer voor halve dagen aan het werk kan gaan, had in ieder geval in die periode onderzocht kunnen worden wat [verzoekster] in afwachting van het te verkrijgen deskundigenoordeel dan wel kan doen. Ook had al in die periode meteen kunnen worden gestart met het zogenoemde tweede spoor. KNM voert weliswaar (onweersproken door [verzoekster]) aan dat deze periode van inactiviteit op advies van de bedrijfsarts is gekozen, maar zonder verdere informatie kan dit die beslissing nog niet dragen. Het feit dat [verzoekster] overduidelijk de re-integratie in het 2e spoor heeft afgewezen toen dit later alsnog ter sprake kwam, vormt geen rechtvaardiging voor het uitblijven van die re-integratie. Een werknemer hoort zijn of haar medewerking te verlenen, evenals de werkgever, en de werkgever hoort die werknemer op die verantwoordelijkheid aan te spreken zoals KNM uiteindelijk bij brief van 15 november 2010 ook heeft gedaan. In dit verband is niet zonder betekenis dat de wijziging van de re-integratie naar het tweede spoor uiteraard voor menig werknemer ingrijpend is, zodat een professioneel werkgever op weerstand bedacht moet zijn. Daar past dan geen stilzitten maar actief optreden van de werkgever.

6.5. Van het vervolgens door KNM ingeschakelde re-integratiebureau mag verwacht worden dat zij een strak, concreet en dus meetbaar plan voor die re-integratie opstelt, in kaart brengt waar knelpunten zitten en hoe daaraan gewerkt gaat worden. KNM stelt dat het re-integratiebureau in het intakeverslag heeft opgemerkt dat “zelfs de arbeidsdeskundige van het UWV geen passende mogelijkheden kon benoemen”. De kantonrechter leest evenwel in dit intakeverslag alleen dat in de arbeidsdeskundige rapportages geen passende functies zijn genoemd. Het re-integratiebureau heeft volgens dit verslag een verder niet overgelegd rapport van bedrijfsarts [B] als arbeidskundige rapportage aangemerkt (hoewel, voor zover de kantonrechter uit de stukken begrijpt, [B] geen arbeidsdeskundige is) en het deskundigenoordeel van de heer Heije van het UWV. Dat laatste oordeel had echter uitsluitend betrekking op de vraag of [verzoekster] voor 50% in staat was haar eigen werk te verrichten. De vraag naar passende functies elders is daar helemaal niet aan de orde geweest. Het is dus niet juist dat een arbeidsdeskundige heeft vastgesteld dat er geen passende mogelijkheden voor [verzoekster] te noemen zijn. Het had op de weg van KNM (of het door haar ingeschakelde re-integratiebureau) gelegen om eerst onderzoek naar die passende mogelijkheden te doen. Uit de toelichting van KNM en de overgelegde stukken komt thans een beeld naar voren dat het door KNM ingeschakelde re-integratiebureau niet meer heeft gedaan dan het voeren van gesprekken met [verzoekster] zonder een duidelijk, concreet en in tijd vastgesteld doel. Gelet ook op de weerstand die [verzoekster] kennelijk heeft getoond tegen het in gang zetten van het tweede spoor is dan van die weg bij voorbaat weinig heil te verwachten. Dit kan echter niet uitsluitend aan [verzoekster] worden toegeschreven, nu een enthousiasmerende en na onderzoek op feiten gebaseerde aanpak mogelijk tot een andere houding van haar had kunnen leiden.

6.6. Anders dan KNM kan de kantonrechter gelet op deze feitelijke gang van zaken begrip opbrengen voor de aan KNM opgelegde loonsanctie.

Na het opleggen van de loonsanctie heeft KNM ingezien dat zij het arbeidsdeskundig onderzoek, dat in overweging 6.5 bij de beoordeling in die periode nog node werd gemist, alsnog diende uit te voeren. De arbeidsdeskundige concludeert dat functies op LBO-niveau in de omvang van 20 uur per week en vier uur per dag haalbaar zijn en als voorbeeld worden genoemd: gastvrouw, parkeerwacht, visuele controle met de kanttekening dat mogelijk bijscholing in de Nederlandse taal gewenst is.

6.7. Het is de kantonrechter volstrekt niet duidelijk gemaakt wat het door KNM ingeschakelde re-integratiebureau USG Restart met die aanbeveling heeft gedaan en op welke grond dit bureau tot de conclusie is gekomen dat [verzoekster] niet wilde re-integreren. De kantonrechter heeft slechts algemeenheden gelezen, zoals “mevrouw [verzoekster] zag uitsluitend onmogelijkheden en geen mogelijkheden en alle hulp van het bureau leidde niet tot verbetering van re-integratiemogelijkheden”. Voorbeelden van concrete door [verzoekster] niet opgevolgde adviezen zijn niet gegeven. Niet is aangevoerd dat KNM [verzoekster] op de hoogte heeft gebracht van de kennelijke opvatting van het re-integratiebureau dat [verzoekster] zich niet wilde laten re-integreren en dat KNM vervolgens aan [verzoekster] duidelijk heeft gemaakt dat zij in dit verband ook verplichtingen heeft en wat er van haar geëist werd. Op een gegeven moment moet een werkgever duidelijke grenzen stellen. Onvoldoende is gebleken dat KNM dit heeft gedaan. Zij bestrijdt weliswaar dat [verzoekster] in het derde ziektejaar niets meer van haar heeft vernomen, maar meer dan “telefonische contacten om met haar de situatie te bespreken” is ook volgens KNM niet gedaan.

6.8. Het geheel overziende komt de kantonrechter tot de conclusie dat KNM onvoldoende heeft gedaan om [verzoekster] van de ernst van haar situatie en de absolute noodzaak tot re-integratie 2e spoor te overtuigen. De werkgever heeft instrumenten gekregen om een gebrek aan medewerking van de werknemer te sanctioneren, maar KNM heeft die niet benut. Dat de begeleiding van KNM van de re-integratie in het eigen bedrijf niet optimaal is geweest, is hiervoor al aan de orde gekomen.

6.9. Toch dient naar het oordeel van de kantonrechter voor de beoordeling van de vraag of een ontbindingsvergoeding moet worden toegekend en zo ja, tot welk bedrag, zwaar te wegen dat [verzoekster] zich tegen de re-integratie 2e spoor heeft verzet. Van een actief meedenkende houding van [verzoekster] om ondanks haar medische beperkingen zoveel mogelijk in het arbeidsproces actief te blijven is niet gebleken. Voor een succesvolle re-integratie is uiteraard [verzoekster] volledig mede verantwoordelijk. Het mag eigenlijk niet zo zijn dat een werkgever zich gedwongen moet voelen om loonsancties in te zetten om de medewerking van de werknemer te krijgen. Daarbij rijst onmiddellijk de vraag of een dergelijke afgedwongen medewerking wel zinvol is.

6.10. De conclusie is dat KNM is tekort geschoten in haar taak tijdig de resterende benutbare mogelijkheden van [verzoekster] in kaart te brengen en haar terugkeer in het arbeidsproces, in het eigen bedrijf of elders, te bevorderen. [verzoekster] is tekort geschoten in haar verplichting om loyaal mee te werken aan haar re-integratie en mee te denken aan de mogelijkheden die zij heeft. Eerst thans formuleert zij de wens een intensieve taalcursus of een werkgerichte opleiding te volgen. Die wens had zij al veel eerder onder de aandacht van KNM kunnen brengen, zodat daaraan eerder gevolg had kunnen worden gegeven.

6.11. De houding van [verzoekster] compenseert echter niet volledig de tekortkomingen van KNM bij de beoordeling van de vraag naar de rechtvaardiging van een ontbindingsvergoeding. Niet uit het oog mag worden verloren dat van de onderneming KNM een professionele begeleiding van [verzoekster] wordt verwacht, zo nodig met toepassing van sancties, juist in dit geval waar de afwerende houding van [verzoekster] mede bepaald kan zijn door de wijze waarop zij haar - aantoonbaar aanwezige - medische beperkingen ervaart.

6.12. Onder deze omstandigheden ligt het in beginsel voor de hand om KNM te belasten met een vergoeding ter tegemoetkoming in de kosten die KNM anders had moeten maken indien het re-integratiebureau Restart haar taak niet in het derde jaar had neergelegd. [verzoekster] zou met dat bedrag begeleiding dienen te zoeken naar ander werk met hulp van het door de arbeidsdeskundige van KNM genoemde bureaus “Fourstar” of “UW reintegratie”. KNM heeft er echter terecht op gewezen dat [verzoekster] zich, blijkens de overgelegde stukken uit de bezwaar- en beroepsprocedure tegen de beslissing van het UWV van 20 februari 2012, nog steeds op het standpunt stelt in het geheel geen werk te kunnen verrichten. In die procedure heeft [verzoekster] het standpunt ingenomen niet te kunnen begrijpen waarom zij na drie jaar ziek te zijn geweest “opeens” moet gaan werken en dat haar toestand erg is verslechterd. Aan de ‘verzekeringsarts bezwaar en beroep’ heeft zij (blijkens het rapport van die arts van 24 mei 2012) laten weten geen functie te weten die zij zou kunnen doen en zich volledig arbeidsongeschikt te achten door een combinatie van psychische en lichamelijke klachten. [verzoekster] heeft naar het oordeel van de kantonrechter nagelaten duidelijk te maken hoe dat standpunt zich verhoudt tot haar in het verzoekschrift in deze procedure ingenomen standpunt dat zij alsnog adequate begeleiding zou moeten krijgen van een re-integratiebureau. De kantonrechter concludeert dat niet aannemelijk is geworden dat [verzoekster] aan haar re-integratie tweede spoor wil werken omdat zij het standpunt inneemt dat zij niet kan werken. Dat laatste kan juist zijn, maar dan past het niet haar werkgever te verwijten dat die zich onvoldoende heeft ingezet haar toch aan het werk te helpen. Het is van tweeën één.

6.13. De conclusie is dat er geen grond bestaat voor het toekennen van een beëindigingvergoeding aan [verzoekster]. De gevraagde ontbinding zal op verzoek van KNM worden uitgesproken nu geen van partijen het voortzetten van het dienstverband zinvol oordeelt. Gelet op deze beslissing heeft [verzoekster] geen belang meer bij toewijzing van haar verzoek tot ontbinding.

6.14. De proceskosten worden gecompenseerd in die zin dat ieder van partijen de eigen kosten draagt.

7. De beslissing

De kantonrechter:

7.1. ontbindt de arbeidsovereenkomst tussen partijen met ingang van 1 januari 2013 zonder toekenning van een vergoeding ten laste van KNM aan [verzoekster];

7.2. compenseert de proceskosten in die zin, dat partijen de eigen kosten dragen.

Deze beschikking is gegeven door mr. M.J. Slootweg, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 21 december 2012.