Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7784

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-12-2012
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
16-441147-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling wegens bijstandsfraude. Door ondertekening van meerdere vragenformulieren heeft verdachte minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij naliet informatie te verstrekken over het vermogen in Turkije. Aldus heeft zij opzettelijk gehandeld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16-441147-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 28 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1944] te [geboorteplaats]

wonende te [adres] [woonplaats]

raadsman mr. D. Gürses, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 17 december 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de periode van 1 januari 2004 tot 1 juli 2009 uitkeringsfraude heeft gepleegd door opzettelijk na te laten de instantie waarvan zij een uitkering kreeg te informeren dat zij beschikte over vermogen in de vorm van een woning in het buitenland.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde feit heeft gepleegd. Hij baseert zich daarbij - onder meer - op het rapport van het Internationaal Bureau Fraudeonderzoeken, waaruit blijkt dat verdachte tot 29 april 2009 eigenaar was van een perceel grond met opstallen te [woonplaats] (Turkije) en waaruit blijkt dat dit is getaxeerd op € 208.000,-.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken. De raadsman wijst er in de eerste plaats op dat niet kan worden bewezen dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten de uitkeringsinstantie te informeren over het eigendom van de woning te [woonplaats]. In de tweede plaats kan volgens de raadsman niet worden bewezen dat verdachte de beschikking had over de woning.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank overweegt omtrent het ten laste gelegde feit het volgende .

Verdachte is op 20 november 2007 gedeeltelijk eigenaar geworden van een perceel grond te [woonplaats], Turkije, met de daarop aanwezige bebouwing, bestaande uit een appartementencomplex van vier woonlagen en een werkplaats/winkel. Op 29 april 2009 is de volledige eigendom overgedragen aan [A].

Verdachte ontving met ingang van 1 maart 1997 een uitkering op grond van de Algemene bijstandswet. Deze uitkering is met ingang van 1 oktober 2004 omgezet naar een uitkering op grond van de Wet werk en bijstand. Verdachte ontving de bijstandsuitkering tot en met 1 juli 2009.

Met betrekking tot de op grond van de Algemene bijstandswet en de Wet werk en bijstand ontvangen uitkeringen heeft de uitkeringsinstantie periodiek heronderzoeken uitgevoerd naar onder meer de financiële situatie van verdachte en haar echtgenoot. In het kader van deze heronderzoeken heeft de echtgenoot van verdachte te Utrecht op de mede door haar ondertekende vragenformulieren op 5 maart 1999 , 25 oktober 2000 en op 16 april 2002 steeds aangegeven geen onroerend goed te bezitten.

Na het sluiten van de heronderzoeken in 1999 en 2002 zijn verdachte en haar echtgenoot er door de uitkeringsinstantie op 7 juni 1999 en op 3 mei 2002 steeds op gewezen dat zij verplicht zijn wijzigingen in hun financiële omstandigheden direct te melden. De betreffende brieven zijn gezonden naar het woonadres van verdachte te Utrecht. Door verdachte en haar echtgenoot is geen opgaaf gedaan van het bezit van onroerend goed in Turkije.

Bewijsoverweging

De raadsman heeft betoogd dat hoewel verdachte juridisch eigenaar was van het perceel met de opstallen te [woonplaats], zij hierover nooit heeft beschikt. Verdachtes echtgenoot was aanvankelijk voornemens om samen met [A] de bouw van het appartementencomplex te realiseren, maar bleek hiervoor niet voldoende financiële middelen te hebben. Hierdoor ontstond tijdens en na de bouw van het appartementencomplex bij verdachtes echtgenoot een schuld aan [A], die tot het moment dat het perceel aan hem in eigendom werd overgedragen feitelijk de beschikking had over het gebouw. Er kan niet worden gezegd dat verdachte opzettelijk heeft nagelaten de uitkeringsinstantie te informeren over de juridische eigendom van het perceel, zeker nu verdachte niet heeft geweten waarvoor de vragenformulieren dienden en hierover nooit is ingelicht, aldus de raadsman.

De rechtbank overweegt dat de Wet werk en bijstand de verplichting bevat onverwijld inlichtingen te verstrekken over alle (financiële en persoonlijke) omstandigheden waarvan redelijkerwijs duidelijk kan zijn dat deze van invloed zijn op het recht op bijstand, ook als daar niet expliciet om wordt gevraagd.

Uit het hiervoor weergegeven bewijs volgt dat verdachte bij meerdere gelegenheden is voorgelicht over haar inlichtingenverplichting. De vragenformulieren die ten behoeve van heronderzoeken zijn ingevuld zijn mede door haar ondertekend. Door ondertekening heeft verdachte minstgenomen willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat zij naliet informatie te verstrekken over het vermogen in Turkije. Aldus heeft zij opzettelijk nagelaten deze informatie te verstrekken. De rechtbank verwerpt dan ook het betoog dat verdachte geen opzet had.

De verdediging heeft voorts betoogd dat verdachte niet heeft beschikt over het vermogen omdat het gebouw steeds (economisch) eigendom van de heer [A] is geweest. De rechtbank hecht echter geen geloof aan de verklaring die verdachte daarover heeft afgelegd. De rechtbank acht daartoe het volgende van belang. Ter zitting van 17 december 2012 heeft verdachte op herhaalde vragen niet heeft kunnen aangeven om welke reden - ondanks dat verdachte en haar echtgenoot nooit enige zeggenschap over het complex zou hebben gehad - het perceel in 2007 gedeeltelijk aan haar in eigendom werd overgedragen door haar echtegenoot. Daarnaast acht de rechtbank van belang dat verdachte tijdens een gesprek met een klantmanager van de uitkeringsinstantie op 27 april 2009 desgevraagd heeft aangegeven niet te beschikken over enig vermogen, anders dan de eigendom van een oude vervallen woning te [woonplaats] in Turkije. Ten slotte heeft verdachte aan de sociale recherche verklaard het betreffende appartementencomplex op een foto niet te herkennen. Verdachte heeft uiteindelijk moeten erkennen wel in het complex te hebben verbleven. De rechtbank hecht gelet op deze omstandigheden geen geloof aan het door verdachte geschetste scenario.

Met betrekking tot de ten laste gelegde periode overweegt de rechtbank dat de eigendom van de woning eerst met ingang van 20 november 2007 gedeeltelijk aan verdachte toekwam. De rechtbank stelt vast dat, gelet op het toepasselijke Turkse huwelijksvermogensrecht, geen bewijs voorhanden is op grond waarvan tot de vaststelling kan worden gekomen dat de woning ook vóór deze datum behoorde tot het vermogen van verdachte. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend is bewezen, dat verdachte in de periode van 1 januari 2004 tot 20 november 2007 heeft beschikt over het vermogen. Verdachte zal dan ook worden vrijgesproken voor zover haar is ten laste gelegd dat zij in de periode van 1 januari 2004 tot 20 november 2007 heeft nagelaten daarover informatie te verstrekken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op meerdere tijdstippen in de periode van 20 november 2007 tot 29 april 2009 te Utrecht, in strijd met een haar bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting, te weten artikel 17 van de Wet werk en bijstand, opzettelijk heeft nagelaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, zulks terwijl dit feit kon strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, terwijl verdachte wist, althans redelijkerwijs moest vermoeden dat die gegevens van belang waren voor de vaststelling van verdachtes of eens anders recht op een verstrekking, te weten een uitkering krachtens de Wet werk en bijstand, dan wel voor de hoogte of de duur van die verstrekking, immers heeft zij, verdachte, telkens opzettelijk verzwegen dat zij, verdachte, beschikking had over vermogen in de vorm van onroerend goed in het buitenland.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die haar strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft bepleit verdachte een geheel voorwaardelijke taakstraf op te leggen, gelet op haar persoonlijke omstandigheden, waaronder met name haar gezondheidstoestand.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan uitkeringsfraude, door opzettelijk geen melding te maken van het vermogen, in de vorm van onroerend goed, waarover zij beschikte. Door aldus te handelen heeft verdachte misbruik gemaakt van het sociale stelsel zoals dat in Nederland bestaat. De rechtbank merkt daarbij op dat een uitkering bedoeld is om mensen die om wat voor reden dan ook niet in hun eigen inkomen kunnen voorzien, te verzekeren van een aanvaardbaar inkomen. Indien het misbruik maken van deze voorzieningen op grote schaal plaats zou vinden, zou aan het sociale stelsel afbreuk worden gedaan en zouden uiteindelijk mensen die op een dergelijke uitkering zijn aangewezen daarvan de dupe worden.

De rechtbank overweegt dat de periode waarin het feit is gepleegd relatief kort is, namelijk anderhalf jaar. Het bedrag aan ten onrechte ontvangen uitkeringsgelden is door de uitkeringsinstantie berekend op € 159.517,38 over de periode van 1 januari 1998 tot en met 30 juni 2009. De rechtbank acht op basis hiervan aannemelijk dit bedrag over de bewezen verklaarde periode ongeveer € 20.000,- bedraagt. De verstrekte bijstand wordt door de uitkeringsinstantie van verdachte en haar echtgenoot terug gevorderd.

De persoon van verdachte geeft bovendien aanleiding haar slechts een voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen. De rechtbank neemt hierbij de leeftijd van verdachte en haar slechte gezondheidstoestand in aanmerking. De rechtbank heeft bovendien kennis genomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 20 augustus 2012, waaruit blijkt dat verdachte nooit eerder is veroordeeld.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een voorwaardelijke gevangenisstraf van 4 maanden met een proeftijd van 2 jaar passend en geboden is.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 57 en 227b van het Wetboek van Strafrecht zoals deze luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

in strijd met een hem bij of krachtens wettelijk voorschrift opgelegde verplichting opzettelijk nalaten tijdig de benodigde gegevens te verstrekken, terwijl het feit kan strekken tot bevoordeling van zichzelf of een ander, en terwijl hij weet of redelijkerwijze moet vermoeden dat de gegevens van belang zijn voor de vaststelling van zijn of eens anders recht op een verstrekking dan wel voor de hoogte of de duur van een dergelijke verstrekking;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 4 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de gevangenisstraf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. C.S.K. Fung Fen Chung en mr. M.H.L. Schoenmakers, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. de Meulder, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 28 december 2012.

Mr. C.S.K. Fung Fen Chung Chung en mr. M.H.L. Schoenmakers zijn buiten staat om dit vonnis mede te ondertekenen.