Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7769

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
04-01-2013
Zaaknummer
SBR 12/1935
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Tussen partijen is niet in geschil dat eiseres en [dochter 1] geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben (gehad). Gelet hierop zijn zij niet op grond van artikel 11, tweede of derde lid, van de Wwb met een Nederlander gelijk te stellen. Als gevolg hiervan vallen eiseres en [dochter 1] onder artikel 16, tweede lid van de Wwb, zodat aan hen zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de Wwb worden toegekend. Ook indien sprake is van een positieve verplichting op grond van artikel 8 van het EVRM dient niettemin de beperkte doelstelling van de Wwb in acht te worden genomen. Een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Wwb, kan niet met toepassing van de Wwb gestalte worden gegeven.

Ten aanzien van het beroep op schending van artikel 14 van het EVRM wijst de rechtbank op rechtspraak van de CRvB waarbij is overwogen dat het in de koppelingswetgeving gemaakte onderscheid naar nationaliteit verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften welke zijn vervat in artikel 14 van het EVRM.

Voor zover gelet op de inhoud van het arrest Ruiz Zambrano moet worden aangenomen dat aan eiseres dan wel aan [dochter 2] voorzieningen moeten worden verstrekt ter voorkoming van het risico dat eiseres samen met haar kinderen het grondgebied van de Unie verlaat om (waarschijnlijk in haar land van herkomst) middelen van bestaan te verwerven, waardoor [dochter 2] het effectief genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten zou worden ontzegd, is daarmee niet gezegd welke (wettelijke) voorzieningen dat zouden moeten zijn en of het de taak van verweerder is om deze te verstrekken. In de rechtspraak van de CRvB op het gebied van de Wwb en inzake de positieve verplichting die op grond van artikel 8 van het EVRM op de Staat kan rusten, zijn aanknopingspunten te vinden voor het oordeel dat hulp die wordt verstrekt in het kader van de Rva en/of de Wmo een adequate voorziening kan zijn om voormeld risico weg te nemen. Het ligt dan ook op de weg van eiseres om zich tot het COA en/of een van de (centrum)gemeenten te wenden met het verzoek om in het licht van artikel 20 van het VWEU en het Unieburgerschap van [dochter 2], aan haar en [dochter 1] hulp op grond van de Rva respectievelijk Wmo te verlenen om dit risico weg te nemen. Het beroep op artikel 20 van het VWEU ter onderbouwing van de stelling dat aan eiseres dan wel [dochter 2] op grond van de Wwb een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder wordt verstrekt, slaagt niet.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 12/1935

uitspraak van de meervoudige kamer van 20 december 2012 in de zaak tussen

[eiseres], mede namens haar twee minderjarige kinderen,

[kind 1] en [kind 2], te [woonplaats], eiseres

(gemachtigde: mr. E.C. Cerezo-Weijsenfeld),

en

het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Utrecht, verweerder

(gemachtigde: E.J.W. Bruinsma).

Procesverloop

Bij besluit van 27 juli 2011 heeft verweerder de op 5 mei 2011 ingediende aanvraag van eiseres en haar beide dochters om hulp op grond van de Wet werk en bijstand (Wwb), de Wet maatschappelijke ondersteuning (Wmo) en/of buitenwettelijk afgewezen.

Eiseres heeft tegen dit besluit bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 28 september 2011 heeft verweerder aan [kind 2] op grond van de Wwb algemene bijstand toegekend, ter hoogte van de norm van een baby/kinderuitkering met ingang 17 mei 2011 en heeft verweerder deze uitkering beëindigd met ingang van 8 juli 2011.

Bij afzonderlijk besluit van 28 september 2011 heeft verweerder aan [kind 2] op grond van de Wwb bijzondere bijstand verleend voor de noodzakelijke verblijfskosten, met ingang van 17 mei 2011 en heeft verweerder deze uitkering beëindigd met ingang van 8 juli 2011.

Eiseres heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 25 oktober 2011 heeft Het vierde huis de aanvraag van eiseres om toelating tot het corporatiehotel afgewezen.

Hiertegen heeft eiseres bezwaar gemaakt bij verweerder.

Bij afzonderlijke besluiten van 9 december 2011 heeft verweerder op grond van de Wwb aan [kind 2] met ingang van 8 november 2011 een bijstandsuitkering ter hoogte van de norm van een baby/kinderuitkering en bijzondere bijstand voor noodzakelijke verblijfskosten verleend.

Tegen deze besluiten is geen rechtsmiddel aangewend.

Bij afzonderlijke besluiten van 29 december 2011 heeft verweerder de op 8 november 2011 ingediende aanvragen om een bijstandsuitkering op grond van de Wwb van eiseres en [kind 1] afgewezen. Eiseres heeft tegen beide besluiten bezwaar gemaakt.

Bij besluit van 18 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder voornoemde bezwaren van eiseres ongegrond verklaard, onder aanpassing van de ten aanzien van [kind 2] genomen primaire besluiten van 28 september 2011 in die zin dat de uitkering op grond van de Wwb worden toegekend met ingang van 5 mei 2011.

Eiseres heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 5 oktober 2012. Eiseres is verschenen, bijgestaan door mr. J.H. Kruseman, kantoorgenoot van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Eiseres en haar op 17 juli 1996 geboren dochter [kind 1], beiden afkomstig uit Liberia en van Liberiaanse nationaliteit, verblijven sinds 25 maart 2002 in Nederland. Hun aanvragen voor verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd respectievelijk regulier voor bepaalde tijd zijn afgewezen. Zij hebben geen verblijfsvergunning.

De op 12 april 2010 hier te land geboren dochter [kind 2] heeft de Nederlandse nationaliteit. Op grond van de Wwb verstrekt verweerder aan [kind 2] maandelijks een totaalbedrag ad € 703,97. Dit totaalbedrag omvat algemene bijstand ad € 263,97 per maand voor haar levensonderhoud en bijzondere bijstand ad € 440,- per maand voor noodzakelijke verblijfskosten.

Eiseres woont samen met [kind 1] en [kind 2] in een gehuurde sloopwoning.

De vader van [kind 2] is uit beeld en levert geen bijdrage in de kosten van bestaan van eiseres en haar beide dochters.

2. Desgevraagd heeft eiseres ter zitting bevestigd dat het beroep slechts is gericht tegen het bestreden besluit, voor zover dit ziet op de ongegrondverklaring van de bezwaren tegen de besluiten van 28 september 2011 ten aanzien van [kind 2] en de besluiten van 29 december 2011 ten aanzien van eiseres en [kind 1]. Het beroep richt zich niet tegen het bestreden besluit, voor zover daarbij de bezwaren tegen de besluiten van 27 juli 2011 respectievelijk 25 oktober 2011 ongegrond zijn verklaard.

3. Bij bestreden besluit heeft verweerder zich – voor zover van belang – op het standpunt gesteld dat eiseres en [kind 1] geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben, zodat zij niet op grond van artikel 11, tweede en derde lid, van de Wwb kunnen worden gelijkgesteld met een Nederlander. Zij vallen als gevolg hiervan onder het toepassingsbereik van artikel 16, tweede lid, van de Wwb en komen derhalve evenmin op grond van zeer dringende redenen in aanmerking voor een uitkering op grond van de Wwb. Met betrekking tot de stelling van eiseres dat zij en [kind 1] kwetsbare personen zijn, heeft verweerder verwezen naar de uitspraak van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 19 april 2010 (LJN: BM1992) en heeft zich op het standpunt gesteld dat indien er sprake is van een positieve verplichting op grond van artikel 8 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM) niettemin de beperkte doelstelling van de Wwb in acht dient te worden genomen. Als een dergelijke positieve verplichting bestaat rust deze op het bestuursorgaan dat belast is met de uitvoering van de wettelijke geregelde voorzieningen voor vreemdelingen, het Centraal orgaan opvang asielzoekers (COA). Het COA heeft de publiekrechtelijke bevoegdheid – en gehoudenheid – om in zeer bijzondere gevallen verstrekkingen te verlenen buiten de gevallen waarin de vreemdeling onder de reikwijdte van de Regeling verstrekkingen asielzoekers en andere categorieën vreemdelingen 2005 (Rva 2005) valt. Ter onderbouwing hiervan heeft verweerder in het bestreden besluit gewezen op een uitspraak van de CRvB van 28 februari 2012 (LJN: BV7124).

Verder heeft verweerder besloten om de besluiten van 28 september 2011 de wijzigen in de zin dat met ingang van 5 mei 2011 algemene en bijzondere bijstand aan [kind 2] wordt vestrekt in plaats van 17 mei 2011.

4. In beroep heeft eiseres gesteld dat hoewel aan [kind 2] op grond van de Wwb een uitkering wordt verstrekt die is afgestemd op wat zij nodig heeft, aan eiseres als alleenstaande ouder van [kind 1] en [kind 2] een uitkering op grond van de Wwb naar de geldende norm voor alleenstaande ouder dient te worden verstrekt.

Ter motivering van deze stelling heeft zij in de eerste plaats een beroep gedaan op het bepaalde in artikel 8 en 14 van het EVRM. heeftEiseres heeft aangevoerd dat ten aanzien van haar en [kind 1] sprake is van onderscheid op grond van nationaliteit, hetgeen een verboden grond is in het licht van artikel 14 in samenhang met artikel 8 van het EVRM. Voorts heeft eiseres verwezen naar rechtspraak van de CRvB waarin is geoordeeld dat onverkorte toepassing van de koppelingswet op kinderen strijd oplevert met het EVRM en het Verdrag inzake de Rechten van het Kind (IVRK) en waarbij doorslaggevend is geacht dat kinderen hun verblijfsplaats niet kunnen beïnvloeden. Eiseres wijst op de uitspraak van de CRvB van 24 januari 2006 (LJN: AV0197). In zijn uitspraak van 15 juli 2011 (LJN: BR1905) heeft de CRvB nogmaals benadrukt dat de Staat ten opzichte van kinderen die lang in Nederland zijn, met medeweten van de Staat, een bijzondere zorgplicht heeft jegens die kinderen. Deze bijzondere zorgplicht geldt ook voor [kind 1]. Verder heeft eiseres gesteld dat zij en [kind 1] als minderjarig kind kwetsbare personen zijn in de zin van artikel 8 van het EVRM en om die reden bescherming behoeven. Daarnaast heeft eiseres aangevoerd dat zij als alleenstaande moeder de belangen van beide kinderen moet behartigen, terwijl het haar verboden is te werken. Dit brengt haar in een onmogelijke positie. Verweerder heeft de positieve verplichting eiseres te ondersteunen, mede om het gezinsleven veilig te stellen. Nu verweerder al hulp verstrekt aan het gezin valt niet in te zien hoe eiseres en [kind 1] worden aangespoord om te vertrekken.

Eiseres heeft verder mede namens [kind 2] een beroep gedaan op het arrest van het Hof van Justitie EU (het Hof) van 8 maart 2011, C 34/09, Ruiz Zambrano, (het arrest Ruiz Zambrano; LJN: BP9130). Hieruit volgt naar de mening van eiseres dat zij voldoende bestaansmiddelen moet hebben om te kunnen voorzien in haar eigen onderhoud en dat van haar kinderen. Als zij dat niet heeft zal zij met het gehele gezin moeten vertrekken, waardoor het risico bestaat dat [kind 2] in strijd met artikel 20 van het Verdrag inzake de Werking van de Europese Unie (VWEU) de Europese Unie zal moeten verlaten. Om het recht op leven, het recht op familieleven en de rechten onder artikel 20 van het VWEU van [kind 2] te beschermen, moet aan eiseres dan wel aan [kind 2] bijstand naar de norm van alleenstaande ouder worden verstrekt. Door een bijstandsuitkering naar deze norm aan eiseres dan wel [kind 2] te weigeren, wordt [kind 2] anders behandeld dan andere Nederlandse kinderen op grond van een omstandigheid waaraan zij niets kan doen, te weten de verblijfspositie van eiseres.

Bij aanvullend beroepschrift van 12 juli 2012 heeft eiseres onder verwijzing naar een uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Arnhem van 10 juli 2012 (LJN: BX3418) gesteld dat uit de door het Hof in het arrest Ruiz Zambrano gegeven uitleg van artikel 20 van het VWEU volgt dat aan haar als niet-toegelaten moeder van een Nederlands kind op grond van de Wwb een uitkering moet worden verstrekt.

5. De rechtbank stelt gezien de processtukken, in het bijzonder het beroepschrift van 31 mei 2012, en het verhandelde ter zitting vast dat tussen partijen niet in geschil is dat [kind 2] als Nederlands kind een uitkering op grond van de Wwb ontvangt die is afgestemd op wat zij nodig heeft.

6. Eiseres Ter zitting heeft eiseres desgevraagd bevestigd dat zij wil bereiken dat verweerder aan haar en haar beide dochters tezamen een uitkering op grond van de Wwb verstrekt naar de geldende norm voor een alleenstaande ouder verhoogd met een maximale gemeentelijke toeslag, ten tijde in geding zijnde een totaalbedrag van € 1.202,77 per maand. Eiseres wenst dit bedrag primair op eigen titel te verkrijgen en subsidiair op naam van [kind 2].

7. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat eiseres en [kind 1] geen rechtmatig verblijf in Nederland hebben (gehad). Gelet hierop zijn zij naar het oordeel van de rechtbank niet op grond van artikel 11, tweede of derde lid, van de Wwb met een Nederlander gelijk zijn te stellen. Als gevolg hiervan vallen eiseres en [kind 1] onder artikel 16, tweede lid van de Wwb, zodat aan hen zelfs uit hoofde van zeer dringende redenen, zoals bedoeld in het eerste lid van dit artikel, geen uitkering ingevolge de Wwb worden toegekend. De rechtbank verwijst ter onderbouwing van haar oordeel naar de uitspraak van de CRvB van 18 april 2012 (LJN: BW3242).

8. Met betrekking tot het beroep van eiseres en [kind 1] op artikel 8 en 14 van het EVRM overweegt de rechtbank onder verwijzing naar vaste jurisprudentie van de CRvB als volgt. Het Europese Hof voor de rechten van de mens (EHRM) merkt respect voor menselijke waardigheid en menselijke vrijheid aan als “the very essence” van het EVRM. Het in artikel 8 van het EVRM besloten liggende recht op respect voor het privéleven van een persoon omvat mede de fysieke en psychische integriteit van die persoon en is er primair op gericht, zonder inmenging van buitenaf, de ontwikkeling van de persoonlijkheid van elke persoon in zijn betrekkingen tot anderen te waarborgen. Dit artikel beoogt niet alleen de staten tot onthouding van inmenging in het privéleven te dwingen, maar kan onder omstandigheden ook aan het recht op eerbiediging van het privéleven inherente positieve verplichtingen meebrengen die noodzakelijk zijn voor een effectieve waarborging ervan. Daarbij hebben kinderen en andere kwetsbare personen in het bijzonder recht op bescherming. Het EHRM heeft meerdere malen geoordeeld dat artikel 8 van het EVRM ook relevant is in zaken die betrekking hebben op de besteding van publieke middelen. Daarbij is wel van belang dat in een dergelijk geval aan de staat een extra ruime “margin of appreciation” toekomt, terwijl het EHRM bij de bepaling van de bescherming die betrokkenen genieten onder het EVRM belang toekent aan de al dan niet legale status van het verblijf van betrokkenen. De CRvB heeft in dit verband gewezen op het arrest van het EHRM van 27 mei 2008 in de zaak [naam] tegen het Verenigd Koninkrijk (LJN: BD6647). De rechtbank verwijst in dit verband naar de uitspraken van de CRvB van 22 december 2008 (LJN: BG8789) en 19 april 2010 (LJN: BM0956 en LJN: BM1992).

9. Voorts overweegt de rechtbank dat volgens rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraken van respectievelijk 9 november 2011 (LJN: BU4382), 8 februari 2012 (LJN: BV3563), 18 april 2012 (LJN: BW3242) en van 13 november 2012 (LJN: BY3011)) ook indien sprake is van een positieve verplichting als bedoeld in overweging 8 niettemin de beperkte doelstelling van de Wwb in acht dient te worden genomen. De wetgever heeft de categorieën vreemdelingen die door de werking van artikel 11 van de Wwb geen recht op bijstand hebben, met het bepaalde in artikel 16, tweede lid, van de Wwb, uitdrukkelijk ook buiten het bereik van de in artikel 16, eerste lid, van de Wwb opgenomen hardheidsclausule gebracht. Met inachtneming van het primaat van de wetgever, en teneinde een door de wetgever ongewenste doorkruising van het vreemdelingenbeleid te voorkomen, is de CRvB tot de conclusie gekomen dat een positieve verplichting ten aanzien van vreemdelingen als bedoeld in artikel 16, tweede lid, van de Wwb, niet met toepassing van de Wwb gestalte kan worden gegeven.

Indien er ten aanzien van vreemdelingen een positieve verplichting bestaat recht te doen aan artikel 8 van het EVRM, rust deze op het bestuursorgaan dat belast is, of de bestuursorganen die belast zijn, met de uitvoering van de wettelijk geregelde voorzieningen voor vreemdelingen. De CRvB wijst in dit verband op de uitleg die de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS) in haar uitspraak van 28 maart 2007 (LJN: BA4652) heeft aangegeven aan artikel 3, eerste en tweede lid, van de Wet COA. Op grond van deze uitleg heeft het COA de publiekrechtelijke bevoegdheid – en gehoudenheid – om in zeer bijzondere omstandigheden verstrekkingen te verlenen buiten de gevallen waarin de vreemdeling onder de reikwijdte van de Rva 2005 valt. Gegeven deze bevoegdheid, verdragsconform uitgelegd, is het aan het COA om voor de Staat een eventuele positieve verplichting als hier bedoeld na te komen.

Verder heeft de CRvB geoordeeld dat indien ten aanzien van kwetsbare personen die gezien artikel 8 van het EVRM in het bijzonder recht op bescherming hebben, is komen vast te staan dat zij niet in aanmerking komen voor een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h, van de Rva 2005, onder bepaalde omstandigheden met voorbijgaan aan artikel 11 van de Vreemdelingenwet 2000 maatschappelijke opvang op grond van de Wmo dient te worden geboden.

Het voorgaande brengt mee dat de vraag of een vreemdeling is aan te merken als kwetsbare persoon die op grond van artikel 8 van het EVRM bijzondere bescherming geniet in het kader van de Wwb in het midden kan worden gelaten.

10. Verder wijst de rechtbank op rechtspraak van de CRvB (zie bijvoorbeeld de uitspraken van respectievelijk 26 januari 2010 (LJN: BL2155) en 13 november 2012 (LJN: BY3011)) waarbij de CRvB heeft overwogen dat het in de koppelingswetgeving gemaakte onderscheid naar nationaliteit verenigbaar is met de non-discriminatievoorschriften welke zijn vervat in artikel 14 van het EVRM.

11. De rechtbank is met inachtneming van voormelde rechtspraak van de CRvB van oordeel dat verweerder gehouden was de aanvraag van eiseres en [kind 1] om een Wwb-uitkering af te wijzen, omdat zij niet behoren tot de kring der gerechtigden op grond van de Wwb. Gelet op deze rechtspraak slaagt het beroep op het bepaalde in artikel 8 en 14 van het EVRM in dit geval niet.

Eiseres en [kind 1] zullen zich voor hulp in de eerste plaats tot het COA moeten wenden. Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat het COA weliswaar met ingang van 21 oktober 2011 de verstrekking van voorzieningen op grond van de Rva 2005 aan eiseres en haar kinderen heeft beëindigd, omdat de laatste door eiseres mede namens [kind 1] gedane aanvraag tot verlening van een vergunning regulier bepaalde tijd is afgewezen. Echter, gesteld noch gebleken is dat eiseres en [kind 1] los van een verblijfsprocedure zich tot het COA hebben gewend met het verzoek om hen in het licht van artikel 8 van het EVRM op grond van de Rva hulp te bieden.

Indien zal komen vast te staan dat zij niet in aanmerking komen voor een opvangvoorziening als bedoeld in artikel 1, aanhef en onder h, van de Rva 2005, dan kunnen eiseres en [kind 1] zich tot (een van de) daartoe aangewezen (centrum)gemeenten wenden met het verzoek om hen met voorbijgaan aan artikel 11 van de Vreemdelingenwet 2000 maatschappelijke opvang als bedoeld in de Wmo te bieden.

12. De rechtbank is voorts van oordeel dat de beroepsgrond dat verweerder bij het nemen van het bestreden besluit in strijd met het motiveringsbeginsel niet is ingegaan op het beroep van eiseres op het bepaalde in artikel 14 van het EVRM, niet tot vernietiging van het bestreden besluit kan leiden. Weliswaar is verweerder in het bestreden besluit niet expliciet ingegaan op het beroep van eiseres op dit artikel, maar verweerder heeft wel verwezen naar een uitspraak van de CRvB van 28 februari 2012 (JLN: BV7124) waarin de betekenis van artikel 14 van het EVRM in gevallen als de onderhavige is besproken en beoordeeld, en de inhoud daarvan de zijne gemaakt.

13. Het beroep op de uitspraak van de meervoudige kamer van de rechtbank Arnhem van 10 juli 2012 (LJN: BX3418) is voor de rechtbank geen aanleiding om tot een ander oordeel te komen, nu de rechtbank de in overweging 10 van voormelde uitspraak vermelde redenering van de rechtbank Arnhem die leidt tot de conclusie dat de niet-rechtmatig in Nederland verblijvende moeder/vreemdeling gelet op de rechtspositie van haar Nederlandse kind als Unieburger, gelijk moet worden gesteld met een vreemdeling als bedoeld in artikel 11, tweede lid, van de Wwb zodat artikel 16, eerste lid van de Wwb ook op haar van toepassing is, zonder nadere motivering en gelet op het voorgaande niet kan volgen.

14. Met betrekking tot het beroep op het bepaalde in artikel 20 van het VWEU en de uitleg die het Hof aan dit artikel heeft gegeven in het arrest Ruiz Zambrano alsmede het Unieburgerschap van [kind 2], overweegt de rechtbank het volgende.

15. In het arrest Ruiz Zambrano heeft het Hof geoordeeld dat artikel 20 van het VWEU aldus moet worden uitgelegd dat het zich ertegen verzet dat een lidstaat aan een staatsburger van een derde staat, die zijn kinderen van jonge leeftijd, burgers van de Unie, ten laste heeft, het recht van verblijf ontzegt in de lidstaat waar deze kinderen verblijven en waarvan zij de nationaliteit bezitten, en hem bovendien een arbeidsvergunning weigert, aangezien dergelijk beslissingen de betrokken kinderen het effectieve genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten ontzeggen. In overweging 41 tot en met 44 van dit arrest staat:

“41. Het Hof heeft herhaaldelijk verklaard dat de hoedanigheid van burger van de Unie de primaire hoedanigheid van de onderdanen van de lidstaten moet zijn (…).

42. In die omstandigheden verzet artikel 20 VWEU zich tegen nationale maatregelen die tot gevolg hebben dat burgers van de Unie het effectieve genot wordt ontzegd van de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten (…).

43. Een dergelijke situatie ontstaat wanneer een staatsburger van een derde land het recht wordt ontzegd te verblijven in de lidstaat waar zijn kinderen van jonge leeftijd, staatsburgers van de die lidstaat en te zijnen laste, verblijven en wordt geweigerd hem een arbeidsvergunning af te geven.

44. Er is namelijk van uit te gaan dat een dergelijke weigering ertoe zal leiden dat deze kinderen, burgers van de Unie, zullen worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten om hun ouders te volgen. Tevens loopt de betrokken persoon, indien hem geen arbeidsvergunning wordt afgegeven, het risico niet over voldoende bestaansmiddelen te beschikken om te voorzien in zijn eigen onderhoud en in dat van zijn gezin, wat er eveneens toe zou leiden dat zijn kinderen, burgers van de Unie, zouden worden verplicht het grondgebied van de Unie te verlaten. In die omstandigheden zullen bedoelde burgers van de Unie in de feitelijke onmogelijkheid verkeren de belangrijkste aan hun status van burger van de Unie ontleende rechten uit te oefenen.”

16. In voormelde zaak ging het om de vraag of aan de desbetreffende vreemdeling gelet op het Unieburgerschap van zijn minderjarige kinderen een verblijfsvergunning en een arbeidsvergunning moest worden verleend. Die vraag ligt hier niet voor. Wel ligt de vraag voor of verweerder gelet op de Unieburgerschap van [kind 2] gehouden is aan eiseres dan wel [kind 2] een bijstandsuitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder te verstrekken.

17. De rechtbank is van oordeel dat voor zover gelet op de inhoud van het arrest Ruiz Zambrano moet worden aangenomen dat aan eiseres dan wel aan [kind 2] voorzieningen moeten worden verstrekt ter voorkoming van het risico dat eiseres samen met haar kinderen het grondgebied van de Unie verlaat om (waarschijnlijk in haar land van herkomst) middelen van bestaan te verwerven, waardoor [kind 2] het effectief genot van de belangrijkste aan de status van burger van de Unie ontleende rechten zou worden ontzegd, daarmee niet is gezegd welke (wettelijke) voorzieningen dat zouden moeten zijn en of het de taak van verweerder is om deze te verstrekken. In de rechtspraak van de CRvB op het gebied van de Wwb en inzake de positieve verplichting die op grond van artikel 8 van het EVRM op de Staat kan rusten, vindt de rechtbank aanknopingspunten voor het oordeel dat hulp die wordt verstrekt in het kader van de Rva en/of de Wmo een adequate voorziening kan zijn om voormeld risico weg te nemen. Zie in dit verband in het bijzonder hetgeen in overweging 9 staat vermeld. Het ligt dan ook op de weg van eiseres om zich tot het COA en/of een van de (centrum)gemeenten te wenden met het verzoek om in het licht van artikel 20 van het VWEU en het Unieburgerschap van [kind 2], aan haar en [kind 1] hulp op grond van de Rva respectievelijk Wmo te verlenen om dit risico weg te nemen.

Het voorgaande leidt tot het oordeel dat het beroep op artikel 20 van het VWEU ter onderbouwing van de stelling dat aan eiseres dan wel [kind 2] op grond van de Wwb een uitkering naar de norm voor een alleenstaande ouder wordt verstrekt, niet slaagt.

18. Het beroep is ongegrond. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding.

Beslissing

De rechtbank verklaart het beroep ongegrond.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Ramsaroep, voorzitter, en mr. R.J. Praamstra en mr. Y. van Wezel, leden, in aanwezigheid van mr. K.S. Smits, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2012.

griffier voorzitter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.