Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7537

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
28-12-2012
Zaaknummer
16/610155-08 (ontneming)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank volgt bij het vaststellen van het bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel de berekening van de politie.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 16/610155-08 (ontneming)

beslissing van de rechtbank d.d. 14 december 2012

in de ontnemingszaak tegen

[verdachte]

geboren te [geboorteplaats], op [1970]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht.

1 De procedure

De procedure blijkt onder meer uit het volgende:

- de vordering, die binnen de in artikel 511b van het Wetboek van Strafvordering genoemde termijn aanhangig is gemaakt;

- het strafdossier onder parketnummer 16/610155-08, waaruit blijkt dat verdachte op

14 december 2012 door de meervoudige kamer is veroordeeld ter zake van opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd en diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking, tot de in die uitspraak vermelde straf;

- het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel;

- de bevindingen tijdens het onderzoek ter terechtzitting;

- de overige stukken.

Tijdens het onderzoek ter terechtzitting is de officier van justitie gehoord. Tevens is de raadsman van verdachte, mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht, gehoord.

De verdachte is behoorlijk opgeroepen, maar niet ter terechtzitting verschenen.

2 De beoordeling

2.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het in het proces-verbaal van berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel door de politie berekende bedrag juist is. De officier van justitie vordert daarom dat het bedrag van € 96.562,74 in zijn geheel wordt toegewezen.

2.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft voor de hiervoor genoemde in de hoofdzaak bewezen verklaarde strafbare feiten vrijspraak bepleit en aldus verzocht om de vordering tot ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel af te wijzen. De raadsman heeft de hoogte van de vordering overigens niet betwist en geen draagkrachtverweer gevoerd.

2.3 Het oordeel van de rechtbank

Dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan blijkt uit het door de meervoudige kamer van de rechtbank gewezen vonnis in de hoofdzaak van 14 december 2012 en uit de in dat vonnis opgenomen bewijsmiddelen. De rechtbank ontleent aan de inhoud van die bewijsmiddelen het oordeel, dat de veroordeelde door middel van het begaan van voormelde feiten een voordeel als bedoeld in artikel 36e van het Wetboek van Strafrecht heeft gehad.

De rechtbank is voorts van oordeel dat de grondslag voor de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, neergelegd in het proces-verbaal van de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel met nr. PL0930/08-000128, pagina’s 43 tot en met 54, juist is. De politie is voor de berekening uitgegaan van de normen, zoals weergegeven in het rapport “Standaardberekening wederrechtelijk verkregen voordeel bij hennepkwekerijen”, opgesteld op 14 april 2005 door het Bureau Ontnemingswetgeving Openbaar Ministerie. Bij gebrek aan een verklaring van de zijde van de verdachte heeft de rechtbank geen reden om van deze gebruikte normen af te wijken, en evenmin van de constatering dat verdachte in ieder geval drie keer heeft geoogst.

Bij de bepaling van het wederrechtelijk genoten voordeel hanteert de rechtbank de volgende uit de berekening van de politie overgenomen uitgangspunten:

- verdachte heeft in de twee aangetroffen en in gebruik zijnde hennepkwekerijen 246 en 316 hennepplanten geteeld, derhalve in totaal 562 hennepplanten per oogst;

- de opbrengst per gram hennep bedraagt 28,2 gram;

- de verkoopprijs per gram hennep bedraagt € 2,37;

- er wordt ten aanzien van de kweekinstallatie rekening gehouden met een afschrijvingstermijn van vier jaar;

- op basis van 562 hennepplanten worden de afschrijvingskosten van de investering op

€ 350,00 per oogst gesteld;

- de inkoopprijs per stekje bedraagt € 1,94;

- de kosten van kweekmedium, water en voedingsstoffen bedraagt € 2,45;

- de huurkosten van de woning betreffen een bedrag van € 2.555,00 per oogst;

- verdachte heeft, gelet op de bevindingen van Eneco, in ieder geval in totaal drie maal geoogst;

- de kosten van het stroomverbruik ten behoeve van de hennepkwekerij worden niet in mindering gebracht bij de berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel, omdat verdachte het schadebedrag niet aan Eneco heeft betaald.

Gelet op het vorenstaande komt de rechtbank tot de volgende berekening van het wederrechtelijk verkregen voordeel:

Opbrengst

Aantal planten: 562 planten

Opbrengst per plant: 28,2 gram

Totaal hoeveelheid grammen: 562 x 28,2 gram = 15.848 gram

Verkoopprijs per gram: € 2,37

Bruto opbrengst: 15.848 gram x € 2,37 = € 37.559,76

Kosten per oogst

Afschrijving kweekinstallatie: € 350,00

Inkoopprijs stekjes: € 1,94 x 562 planten = € 1.090,28

Bodem, water en voeding: € 2,45 x 562 planten = € 1.376,90

Huurkosten: € 2.555,00

Totale kosten per oogst: € 5.372,18

Netto opbrengst per oogst: € 37.559,76 - € 5.372,18 = € 32.187,58

Totale opbrengst hennepkwekerijen

3 oogsten x € 32.187,58 = 96.562,74.

De rechtbank overweegt nog dat als verdachte alsnog tot betaling van het in de hoofdzaak gevorderde en toegewezen schadebedrag van € 16.915,21 aan benadeelde partij Stedin BV is overgegaan dan wel overgaat, de kosten van het stroomverbruik ten behoeve van de hennepkwekerij in mindering dienen te worden gebracht op het berekende en te betalen bedrag aan wederrechtelijk verkregen voordeel.

3 De beslissing.

De rechtbank stelt het bedrag waarop het wederrechtelijk verkregen voordeel wordt geschat vast op € 96.562,74.

Zij legt de verplichting op tot betaling aan de staat van een geldbedrag ter grootte van

€ 96.562,74 ter ontneming van het wederrechtelijk verkregen voordeel.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. K.F. van Dam en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 december 2012.