Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7535

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-12-2012
Datum publicatie
28-12-2012
Zaaknummer
16/610155-08 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor het kweken van hennep en diefstal van elektriciteit. De ontkennende verklaring van verdachte wordt niet ondersteund door de inhoud van het dossier.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/610155-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1970] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsman mr. W. Hendrickx, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 30 november 2012.

Verdachte is niet verschenen. Wel is verschenen zijn gemachtigde raadsman. De officier van justitie en de verdediging hebben hun standpunten kenbaar gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: in de periode van 1 december 2006 tot en met 2 oktober 2007 hennep heeft gekweekt;

Feit 1 subsidiair: in de genoemde periode medeplichtig is geweest aan het kweken van hennep;

Feit 2: in de periode van 1 december 2006 tot en met 2 oktober 2007 een hoeveelheid elektriciteit heeft gestolen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, dat de rechtbank bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 primair en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij met name op het door de politie opgemaakte proces-verbaal over het aantreffen van de hennepkwekerijen in de woning in [woonplaats] en de verklaring van verhuurder [medeverdachte], alsmede de huurovereenkomst en de rekeningafschriften van [medeverdachte] waarop de huur voor de woning werd gestort, op basis waarvan kan worden gesteld dat verdachte de huurder van die woning was.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 2 tenlastegelegde. De verdediging heeft daartoe aangevoerd dat in deze zaak alleen vaststaat dat er een huurovereenkomst is op naam van verdachte en dat er betalingen zijn gedaan door verdachte. Op basis van de inhoud van het dossier kan echter niet worden bewezen dat verdachte daadwerkelijk in die woning is geweest en wetenschap had van de hennepkwekerijen in de woning dan wel van de diefstal van de elektriciteit in de woning, aldus de verdediging. De verdediging heeft daarom verzocht verdachte wegens gebrek aan bewijs van feit 1 primair, feit 1 subsidiair en feit 2 vrij te spreken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Bewezenverklaring feit 1 primair en feit 2

Verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] relateren in het door hen opgemaakte proces-verbaal dat zij op 2 oktober 2007 na een melding van een mogelijke inbraak de woning aan de [adres] in [woonplaats] hadden betreden. In de gang van de woning zagen zij in de meterkast dat er kabels vanuit de meterkast naar boven liepen. Verbalisanten troffen op de eerste etage een ruimte aan waar een hennepkwekerij had gezeten. De houten stellages en de potgrond waren nog aanwezig. Verbalisanten troffen op de tweede etage twee ruimtes aan. Eén ruimte was ingericht als hennepkwekerij. In deze ruimte stonden 316 hennepplanten. De tweede ruimte was ook ingericht als hennepkwekerij en in deze ruimte stonden 246 hennepplanten. De kamer tussen deze ruimtes was ingericht als waterreservoir. Tegenover deze ruimte was tegen de wand een houten plaat bevestigd met travo’s.

Bij controle van de netcomponenten van Eneco en de elektrische installatie in de meterkast van het pand zag de heer [X], fraudemedewerker bij Eneco, dat de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast was verbroken. Er waren twee hoofdzekeringen van 35 ampère bijgeplaatst. Hierdoor kon er een grotere hoeveelheid elektriciteit worden afgenomen. Aan de bovenzijde van de hoofdzekeringen was een vijf-aderige elektriciteitskabel bijgeplaatst en aangesloten. Deze elektriciteitskabel zat aangesloten voor de elektriciteitsmeter, zodat alle elektriciteit die via deze kabel werd afgenomen niet door de elektriciteitsmeter werd geregistreerd. De elektriciteitskabel kwam uit in een onderverdeelinrichting van elektriciteit van waaruit de hennepkwekerijen onbemeten van elektriciteit werden voorzien. De hoeveelheid weggenomen elektriciteit is berekend op 95521 kWh.

Het onderzoek door de heer [X] wees verder uit dat er eerder hennep was geoogst. Het witte filtermateriaal van de aanwezige koolstoffilters was door het gebruik in de hennepkwekerijen dermate vervuild dat de filters minimaal vier hennepoogsten in werking waren geweest. Op de vloer lagen afvalbladeren en resten van hennepplanten, kennelijk afkomstig van een eerdere hennepoogst. Het zeil dat op de vloer lag was voorzien van een dikke laag kalkaanslag en ook de afvoergoten waren voorzien van kalkaanslag, wat duidde op een langdurige tijd in bedrijf zijn van de hennepkwekerijen. In het watervat bestemd voor de watertoevoer van de hennepkwekerijen dreef een vieze blubberlaag bovenop het water en de zijkant was voorzien van een dikke laag kalkaanslag. De heer [X] kwam op basis van deze bevindingen tot de conclusie dat er sprake was geweest van vier volledige hennepoogsten van zeventig dagen.

De politie heeft nader onderzoek gedaan naar de bewoner van de woning op het adres [adres] in [woonplaats]. Uit de gemeentelijke basisadministratie bleek dat op dit adres woonachtig was [medeverdachte].

Medeverdachte [medeverdachte] heeft bij de politie verklaard dat hij de eigenaar was van het pand aan de [adres] en dat hij dat pand per 1 december 2005 had verhuurd aan [verdachte]. De huurovereenkomst werd gesloten voor de periode van

1 december 2005 tot en met 30 november 2006, met de mogelijkheid deze telkens te verlengen met één jaar. In november 2006 was [medeverdachte] in het pand geweest om het huurcontract met [verdachte] te verlengen.

Uit door [medeverdachte] overgelegde rekeningafschriften volgt dat in de periode van

5 december 2005 tot en met 10 september 2007 bedragen van € 1.050,00 en € 1.095,00 waren gestort op de rekening van [medeverdachte] vanaf onder meer de ‘tegenrekening’ met het nummer P [rekeningnummer]. Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij een rekening had bij de Postbank met voormeld nummer.

Uit een kopie van een verhuisbericht gericht aan Eneco blijkt dat op 1 december 2005 de heer [medeverdachte] alle nutsactiviteiten, welke betrekking hadden op de [adres] te [woonplaats] op naam had laten zetten van verdachte [verdachte]. Dit verhuisbericht is mede door verdachte ondertekend.

Verdachte heeft bij de politie verklaard dat hij vanaf 1 december 2005 de huurder was geweest van de woning aan de [adres] in [woonplaats].

Verdachte heeft bij de politie ook verklaard dat hij in november 2006 voor de laatste keer de huur voor het pand aan de [adres] had betaald aan verhuurder [medeverdachte] en dat de huurovereenkomst na november 2006 niet was verlengd. De rechtbank stelt vast dat de verklaring van [medeverdachte] dat de huurovereenkomst na november 2006 was verlengd wordt ondersteund door de hiervoor genoemde rekeningafschriften in het dossier uit welke afschriften volgt dat vanaf 1 december 2005 tot en met september 2007 de huur van het pand aan [medeverdachte] werd overgemaakt vanaf rekeningnummer P [rekeningnummer] en het proces-verbaal van bevindingen waaruit volgt dat die huur werd overgemaakt van de rekening van verdachte. De verklaring van verdachte wordt niet ondersteund door de inhoud van het dossier. Verdachte heeft zijn verklaring op geen enkele wijze onderbouwd dan wel voor de rechtbank controleerbaar gemaakt. Verdachte is ook niet ter terechtzitting verschenen om een verklaring te kunnen afleggen. De rechtbank acht de verklaring van verdachte daarom niet geloofwaardig en gelet op de inhoud van het dossier kennelijk leugenachtig.

De rechtbank stelt aldus vast dat verdachte in de periode van 1 december 2006 tot en met

2 oktober 2007 de huurder was van de woning aan de [adres] in [woonplaats], in welke woning de politie een ruimte aantrof waarin kennelijk hennep was gekweekt en in twee ruimtes hennepkwekerijen aantrof met 316 respectievelijk 246 hennepplanten en constateerde dat sprake was van het wegnemen van elektriciteit. De huurder van een woning heeft het exclusieve gebruiksrecht van die woning en wordt -als niets anders blijkt- geacht de gebruiker van die woning te zijn. Dat dat in dit geval anders zou zijn blijkt nergens uit en wordt ook weersproken door het feit dat de nutsvoorzieningen op zijn, verdachtes, naam stonden. Nu verdachte kennelijk leugenachtig heeft verklaard en overigens geen verklaring geeft voor de aanwezigheid van de hennepkwekerijen in de door hem gehuurde woning acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het kweken van de hennep en de diefstal van de elektriciteit, zoals ten laste gelegde onder feit 1 primair en feit 2.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Primair

op tijdstippen in de periode van 01 december 2006 tot en met 02 oktober 2007 te [woonplaats] opzettelijk heeft geteeld, in een pand gelegen aan de [adres] A aldaar, een hoeveelheid van 246 en 316 hennepplanten, zijnde hennep een middel vermeld op de bij de Opiumwet behorende lijst II.

2.

op tijdstippen in de periode van 01 december 2006 tot en met 02 oktober 2007 te [woonplaats], met het oogmerk van wederrechtelijke toeëigening heeft weggenomen een grote hoeveelheid elektriciteit, toebehorende aan Eneco Energie, waarbij verdachte het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking van de verzegeling van het deksel van de hoofdaansluitkast.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd.

Ten aanzien van feit 2:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vier maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het gedurende langere tijd kweken van hennepplanten en diefstal van elektriciteit om de hennepkwekerijen van voldoende stroom te kunnen voorzien. Het spreekt voor zich dat het kweken van een softdrug als hennep een strafbaar feit is dat overlast veroorzaakt en schade voor de maatschappij oplevert. Softdrugs zijn immers stoffen die bij langdurig gebruik kunnen leiden tot schade voor de gezondheid. Voorts levert een hennepkwekerij waarbij op illegale wijze elektriciteit wordt onttrokken aan het net en waarvoor de elektrische installatie ondeskundig is aangelegd, (brand)gevaar op voor de omgeving. Dit is in dit geval des te kwalijker nu de aangetroffen kwekerij in een woning was opgezet. Verdachte heeft zich kennelijk om al deze gevolgen niet bekommerd en slechts gehandeld uit winstbejag.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 20 juli 2012 volgt dat verdachte eerder is veroordeeld voor overtreding van de Opiumwet en voor vermogensdelicten. Verdachte was dus een gewaarschuwd mens en hij wist dat het kweken van hennep strafbaar is. Bij de bepaling van de hierna te noemen straf heeft de rechtbank overeenkomstig het bepaalde in artikel 63 van het Wetboek van Strafrecht, rekening gehouden met de omstandigheid, dat verdachte ook na de thans bewezen verklaarde feiten nog is veroordeeld voor meerdere strafbare feiten en nu opnieuw wordt schuldig verklaard aan het plegen van misdrijven voor de hierboven genoemde datum gepleegd.

De rechtbank houdt voorts in het voordeel van verdachte rekening met het feit dat de bewezen verklaarde feiten inmiddels zo’n vijf jaar geleden zijn gepleegd door verdachte. De behandeling van de zaak was op 22 september 2008 ter zitting aangebracht en werd vervolgens op die zitting aangehouden. Naar aanleiding van het op die zitting bevolen nadere onderzoek werd een B-proces-verbaal d.d. 14 december 2009 opgemaakt. Dit proces-verbaal werd op 29 december 2009 reeds door het Openbaar Ministerie ontvangen. Daarna is de zaak blijven liggen en pas op 30 november 2012 weer op zitting aangebracht. Verdachte valt van dit aanzienlijke tijdsverloop weinig verwijt te maken.

De rechtbank is van oordeel dat het tijdsverloop in deze zaak ertoe leidt dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet meer op zijn plaats is. Dat tijdsverloop neemt niet weg dat verdachte zich wel schuldig heeft gemaakt aan het plegen van ernstige strafbare feiten gedurende een lange periode. Een onvoorwaardelijke straf is daarom wel gerechtvaardigd. De rechtbank zal deze onvoorwaardelijke straf opleggen in de vorm van een werkstraf. Daarnaast zal de rechtbank een voorwaardelijke gevangenisstraf opleggen om verdachte (nogmaals) te doordringen van de ernst van hetgeen hij heeft gedaan en om hem er in de toekomst van te weerhouden zich wederom met dit soort strafbare feiten bezig te houden.

Alles overziende zal de rechtbank aan verdachte een werkstraf voor de duur van 120 uur opleggen, te vervangen door hechtenis voor de duur van 60 dagen als verdachte die werkstraf niet naar behoren verricht, alsmede een voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 2 maanden met een proeftijd van 2 jaar.

7 De benadeelde partij

De officier van justitie heeft primair geconcludeerd tot toewijzing van de door de benadeelde partij Stedin BV (ten tijde van het plegen van feit 2 nog genaamd Eneco) ingediende vordering tot schadevergoeding, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. Subsidiair heeft de officier van justitie geconcludeerd tot toewijzing van een deel van de gevorderde schade als voorschot.

De verdediging heeft aangevoerd dat de door de benadeelde partij Stedin BV ingediende vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen. De verdediging heeft de inhoud van deze vordering overigens niet betwist.

De benadeelde partij Stedin BV, voor welke als gemachtigde optreedt de heer [A], vordert een schadevergoeding van € 16.915,21 voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De verdediging heeft de hoogte van het door de benadeelde partij gevorderde schadebedrag niet betwist.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 36f, 57, 63, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht en artikel 11 van de Opiumwet, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

ten aanzien van feit 1 primair:

Opzettelijk handelen in strijd met een in artikel 3 onder B van de Opiumwet gegeven verbod, meermalen gepleegd;

ten aanzien van feit 2:

Diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat de voorwaardelijke straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij Stedin BV, van € 16.915,21, ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van de benadeelde partij Stedin BV, € 16.915,21 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 119 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en

mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 december 2012.