Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7408

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
16/711777-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

feit 1; medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711777-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1978] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in P.I. Noord Holland, Huis van Bewaring Zwaag te Zwaag,

raadsman mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 november 2012 en 10 december 2012, waarbij de officier van justitie, en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: een inbraak in de woning van [slachtoffer] heeft uitgelokt, dan wel dat hij daaraan medeplichtig is geweest, terwijl [slachtoffer] na de inbraak in zijn woning is overleden (dit is in verschillende varianten aan verdachte ten laste gelegd);

feit 2: een vuurwapen van categorie III voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig en de rechtbank is bevoegd. Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

3.1 De ontvankelijkheid van de officier van justitie in de vervolging

3.1.1 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft de niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte op 24 augustus 2011 ten onrechte als getuige is gehoord in het onderzoek naar het overlijden van zijn oom, slachtoffer [slachtoffer] omdat hij reeds daarvoor, op basis van gegevens uit opsporingsonderzoek 09KOPER, door het openbaar ministerie als verdachte was aangemerkt. Door verdachte desondanks als getuige te horen is aan verdachte, volgens de raadsman, de mogelijkheid onthouden om een raadsman te raadplegen en is hem ten onrechte niet de cautie gegeven. De raadsman heeft voorts aangevoerd dat het proces-verbaal aangaande de inzet van een politieel informant ten onrechte op een tijdstip, gelegen ruim na de behandeling van de vordering gevangenhouding van verdachte, aan het dossier is toegevoegd. Naar de mening van de raadsman is door deze handelwijze van het openbaar ministerie belangrijke ontlastende informatie achtergehouden.

3.1.2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat het verweer van de raadsman moet worden verworpen. De officier van justitie heeft er ter onderbouwing van zijn standpunt op gewezen dat verdachte pas op 29 september 2011 als verdachte binnen het onderhavige onderzoek is aangemerkt. Vóór 29 september 2011 komt verdachte daarom alleen voor in het dossier als betrokkene. Pas na binnenkomst van belastende CIE-informatie in de maand september is verdachte ook als verdachte aangemerkt. Daarnaast heeft de officier van justitie aangevoerd dat hij ingevolge artikel 126aa Wetboek van Strafvordering de stukken aangaande de inzet van een politieel informant aan het dossier heeft toegevoegd zodra het belang van het onderzoek dat toeliet.

3.1.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman en overweegt daartoe als volgt. Naar het oordeel van de rechtbank was er aanvankelijk – op basis van de stand van het onderzoek– geen enkele reden om verdachte ook als verdachte te horen in het onderzoek naar het overlijden van zijn oom. Verdachte werd, net als vele andere leden van de familie, gehoord als getuige. Pas later, voor het eerst in de maand september 2011, is bekend geworden dat er mogelijk sprake zou zijn van betrokkenheid van een familielid van slachtoffer [slachtoffer] bij diens overlijden. Niet lang daarna is verdachte ook daadwerkelijk als verdachte aangemerkt.

Voorts is er naar het oordeel van de rechtbank geen sprake van het niet tijdig voegen van stukken in het dossier van verdachte. De rechtbank wijst daartoe op artikel 126aa, derde lid, van het Wetboek van Strafvordering waaruit volgt dat uiterlijk vóór aanvang van het onderzoek ter terechtzitting de betreffende stukken moeten zijn gevoegd in het dossier. Nu dat in de onderhavige zaak het geval is geweest, slaagt het verweer van de raadsman niet.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten 1 meest meest subsidiair (medeplichtigheid aan diefstal met geweld de dood ten gevolgde hebbend) en feit 2 heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van feit 1 heeft de raadsman aangevoerd dat verdachte geen voorinformatie heeft verstrekt of een tip heeft gegeven aan [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2][medeverdachte]. Naar de mening van de raadsman vindt dit standpunt bevestiging in de verklaring die [medeverdachte] ter terechtzitting op 21 november 2012 als getuige heeft afgelegd. Uit deze verklaring blijkt, volgens de raadsman, dat verdachte en [medeverdachte] alleen in algemene zin met elkaar over geld hebben gesproken en dat [medeverdachte] hierdoor is ‘getriggerd’. Andere gegevens uit het dossier, zoals CIE-informatie, de historische printgegevens en het verwijderen van de telefoonnummers van verdachte uit zijn telefoon door [medeverdachte], waarop de officier van justitie zich in zijn requisitoir heeft gebaseerd, zijn als gevolg van de verklaring van [medeverdachte] eveneens voor een andere uitleg vatbaar. Ten slotte heeft de raadsman erop gewezen dat uit de OVC-gesprekken, de stelselmatige informatie-inwinning en de verklaringen van diverse getuigen evenmin blijkt van betrokkenheid bij het onder 1 ten laste gelegde feit.

Ten aanzien van feit 2 heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaring van verdachte over het vuurwapen slechts wordt bevestigd door de vondst van het vuurwapen. Verdachte heeft zijn bekennende verklaring ten aanzien van het wapen afgelegd op een moment dat hij net had gehoord waarvan hij werd verdacht. Volgens de raadsman heeft verdachte deze bekennende verklaring bovendien mede afgelegd om zijn huisgenoot te beschermen. Hierdoor is sprake van een situatie van ‘unus testis nullus testis’, zodat voldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring van feit 2 te kunnen komen, ontbreekt.

Naar de mening van de raadsman dient het vorenstaande ertoe te leiden dat verdachte moet worden vrijgesproken van de beide aan hem ten laste gelegde feiten.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Ten aanzien van feit 1:

Inleiding

Het aantreffen van [slachtoffer]

Op 19 juni 2011 is de 80-jarige [slachtoffer] (verder: [slachtoffer]) op de grond in de slaapkamer van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] aangetroffen. De beide polsen van [slachtoffer] waren met tierips (kabelbinders) aan elkaar gebonden. Deze tierips waren ook onderling kruislings aan elkaar verbonden door de tierips door elkaar te steken. De enkels van [slachtoffer] waren met duct tape gebonden. De duct tape was om de enkels en ook tussen de benen door gewikkeld. Over de mond van [slachtoffer] waren stroken duct tape geplakt. Deze stroken hebben de neusgaten van [slachtoffer] niet geblokkeerd. Uit de neusgaten van [slachtoffer] was bloed gelopen. Ook was er schuim zichtbaar in beide neusgaten. Het overlijden van [slachtoffer] werd vastgesteld.

Tegen de zijgevel van de woning van [slachtoffer] is een aluminium ladder aangetroffen die reikte tot het geopende slaapkamerraam van [slachtoffer].

De doodsoorzaak

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] zijn bevindingen vastgesteld die passen bij een overlijden door verstikking door het afplakken van de mond (‘belemmering van de luchtwegen’) hetgeen heeft geleid tot algehele weefselschade door zuurstofgebrek. Daarnaast zijn bevindingen vastgesteld die passen bij het uitoefenen van geweld op de mond. Er zijn letsels aan tong en lippen gezien die bij leven zijn ontstaan door de inwerking van uitwendig mechanisch botsend, al dan niet gecombineerd met samendrukkend geweld op de mond zoals bij belemmeren of smoren met structuren zoals tape. Bij de sectie is geen andere oorzaak voor het overlijden gevonden. Uit de uitkomsten van het toxicologisch onderzoek kan het overlijden van [slachtoffer] niet worden verklaard.

4.3.2 Forensisch onderzoek

Onderzoek op de plaats delict (PD)

Onderzoek in en om de woning

Tijdens het forensisch onderzoek in en om de woning van [slachtoffer] zijn geen sporen van braak aangetroffen. De benedenverdieping van de woning is onverstoord gebleken. Op de binnen- en buitenzijde van de raamkozijnen van de slaapkamer waarin [slachtoffer] is aangetroffen, zijn handschoensporen gevonden. Deze sporen worden verklaard door het in- en uitklimmen via dit raam. Een aantal kamers op de bovenverdieping zijn doorzocht. In deze ruimten zijn eveneens handschoensporen gevonden. Deze sporen lijken terug te brengen tot de afdrukken van minimaal twee verschillende soorten handschoenen. Uit de woning zijn geen goederen of geldbedragen ontvreemd.

De ladder

De zoon van [slachtoffer], getuige [getuige 1], heeft hierover verklaard dat hij een vreemde ladder zag staan toen hij bij de woning van zijn vader aankwam op 19 juni 2011. Op 18 juni 2011 om 22.30 stond deze ladder er nog niet. Een buurvrouw, getuige [getuige 2], heeft verklaard dat zij de ladder voor het eerst zag staan op 19 juni 2011 om 07.30 uur.

DNA-onderzoek

De ladder is veiliggesteld voor nader onderzoek. Op de beide uiteinden van de ladder zijn microvezeldoekjes aangetroffen, die waren omwikkeld (vastgezet) met duct tape. Deze doekjes zijn bemonsterd en onderwerp geweest van verschillende DNA-onderzoeken.

De uitkomsten van deze DNA-onderzoeken hebben geleid tot de vondst van het DNA-materiaal van [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1]) op één van deze doekjes met een matchkans van één op één miljard (het spoor met kenmerk AADO1068NL#05).

Alle DNA-kenmerken van [medeverdachte 2][medeverdachte] (verder: [medeverdachte]) en [medeverdachte 3] (verder: [medeverdachte 3]) komen overeen met de prominente DNA-kenmerken van een op die microvezeldoekjes gevonden mengprofiel (het spoor met kenmerk (AADO1069NL#04). Zij kunnen derhalve beiden donor zijn van dit mengprofiel waarbij de kans dat een willekeurig gekozen persoon matcht met de reproduceerbare DNA-kenmerken één op dertig miljoen is , waarmee uitdrukking wordt gegeven aan de bijzonderheid van het voorkomen van een specifieke combinatie van DNA-kenmerken.

Daarnaast komen alle DNA-kenmerken van [medeverdachte] en van slachtoffer [slachtoffer] overeen met DNA-kermerken aangetroffen in een mengprofiel op een microvezeldoekje aan het uiteinde van de ladder (AADO1069NL#01) met een match kans van één op drie miljoen.

4.3.3 Tipgever

Medeverdachte [medeverdachte] heeft tijdens de behandeling ter terechtzitting van 21 november 2012 als getuige verklaard dat hij met [verdachte] (verder: verdachte) heeft gesproken over een man uit de familie van verdachte die een eigen slagerij heeft. Deze man zou over geld beschikken. Medeverdachte [medeverdachte] heeft ook verklaard dat hij, nadat hij dit van verdachte had gehoord, heeft gepost bij de slagerij aan het [adres] te Utrecht en later ook bij de woning van slachtoffer [slachtoffer], samen met medeverdachte [medeverdachte 1] omdat hij van plan was om geld te halen in de woning van [slachtoffer].

Op 11 september 2011 hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte] een gesprek gevoerd in de auto van [medeverdachte 1] waarvan onderstaande passage deel uitmaakt.

[voornaam] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte]): En de volgende stap is bruikbare tip. Dus dan moet zeg maar. Ze willen de vuur aandraaien snap je van dan die persoon gaat denken van hé daarom moet ik misschien toch een keer. Én ik heb niets gepakt. Kankerlijer. Fucker. Je weet toch. Ik ga echt niet zitten voor hun. Dat is die shit.

[medeverdachte 1]: Ja precies.

[voornaam]: Snap je. Dikke lul man. Ik heb die nummer van die man alles net meteen uit mijn telefoon gewist alles.

Onderzoek aan de mobiele telefoons van medeverdachte [medeverdachte] heeft uitgewezen dat [medeverdachte] de contacten ‘[voornaam]’ en ‘[voornaam]2 uit zijn telefoons heeft verwijderd’. Eén van de gewiste telefoonnummers betreft [nummer]. [verdachte] heeft gebruik gemaakt van het telefoonnummer [nummer].

Medeverdachte [medeverdachte] heeft ter terechtzitting op 21 november 2012 verklaard dat de man van wie hij het nummer uit zijn telefoon heeft gewist [verdachte] betreft.

Uit de resultaten van het onderzoek naar de telecomgegevens (telecomanalyse) is gebleken dat medeverdachte [medeverdachte] en verdachte voorafgaand aan 19 juni 2011 veelvuldig telefonisch contact met elkaar hebben gehad. De eerste contacten dateren van 30 mei 2011. In de dagen voorafgaand aan het incident op 19 juni 2011 hebben [medeverdachte] en [verdachte] op 17, 18, 19 juni 2011 telefonisch contact gehad. Daarna is er nog eenmaal sprake van telefonisch contact op 20 juni 2011 waarna deze contacten pas weer zijn hervat op 20 augustus 2011.

De analyse van de telecomgegevens heeft daarnaast ook geleid tot de vaststelling dat er vanuit de familie [slachtoffer] met niemand anders dan door [verdachte] contact is geweest met de medeverdachten.

Verdachte heeft toegegeven dat hij gesprekken heeft gevoerd met [medeverdachte] over geld. In deze gesprekken is ook de slagerij van zijn oom ter sprake gekomen.

4.3.4 Getuigenverklaringen

De verklaring van getuige [getuige 3]

De getuige [getuige 3] (de moeder van medeverdachte [medeverdachte 3]) heeft verklaard dat [voornaam] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 3]) door [voornaam] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) is opgehaald en dat [voornaam] heeft verteld dat hij alleen de trap heeft vastgehouden. [voornaam] is beneden gebleven en ‘ze’ zijn naar boven gegaan via het raam. Toen ze klaar waren zijn ze naar beneden gekomen en ze hadden niets. [voornaam] stond beneden. Getuige [getuige 3] vond dit dom van [voornaam]. Degenen die naar boven zijn geklommen hebben een doekje op het gezicht van die man gezet. Ze hadden handschoenen aan. Familie van de man zelf zou de tip hebben gegeven, maar niet aan [voornaam]. Ze dachten dat zij geld konden vinden. Volgens getuige [getuige 3] heeft [voornaam] het ook aan zijn vader heeft verteld. Toen [getuige 3] nogmaals als getuige is gehoord heeft zij wederom verklaard dat [voornaam] heeft gezegd dat ‘ze’ maskers en handschoenen aanhadden. De twee die naar boven zijn gegaan zijn via het raam naar binnen gegaan. Toen zij naar buiten kwamen zeiden zij dat ze niets hadden gevonden.

In een afgeluisterd telefoongesprek heeft getuige [getuige 3] aan een derde verteld dat zij ‘alles heeft verteld zoals het is ‘ook van de familie van de man die heeft geholpen’ tijdens het verhoor.

De verklaring van getuige [getuige 1]

De vader van [medeverdachte 3], getuige [getuige 1], heeft verklaard dat [voornaam] is komen zeggen dat hij daar was om mee te gaan. Zij zijn in dat huis gegaan met z’n tweeën. [voornaam] heeft de trap in de auto vastgehouden tot in Zeist, waarna ze de trap hebben uitgeladen. [voornaam] is niet in het huis gegaan, dat waren [voornaam] en die andere jongen. [voornaam] is daar gebleven met zijn kale compagnon. Getuige [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij ‘via via’ heeft gehoord dat ze bij die man terecht zijn gekomen via familie van die man zelf. De man van die familieleden is nog niet gepakt. Volgens de getuige [medeverdachte 1] heeft hij alles van [voornaam] gehoord nadat [voornaam] was aangehouden.

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft in een gesprek met zijn moeder en zijn broer gezegd dat hij niet had gedacht dat zijn vader zou gaan praten en dat hij had gedacht dat zijn vader ‘gewoon’ zijn mond zou dichthouden.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van de getuigenverklaringen

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 1]. Daartoe overweegt de rechtbank dat beide getuigen belastende verklaringen hebben afgelegd over hun zoon. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat deze getuigen leugenachtig belastend zouden verklaren over het aandeel van hun zoon. Hierbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de getuigen [getuige 3] en [getuige 1] over daderwetenschap beschikken. Zij verklaren immers over zaken, zoals het gebruik van handschoenen en de betrokkenheid van een familielid van het slachtoffer, toen dit nog op geen enkele manier naar buiten was gebracht. De aangehaalde gesprekken (telefoongesprek en OVC-gesprek) bevestigen dit betrouwbaarheidsoordeel ten aanzien van de verklaringen van deze getuigen.

Dat hierover in september reeds CIE-informatie binnen het politieteam bekend was doet aan dit oordeel niet af nu getuige [getuige 3] immers heeft verklaard dat zij alles van [voornaam] ([medeverdachte 3]) zelf heeft gehoord.

Getuige [getuige 1] is overleden, nog voordat hij bij de rechter-commissaris (nader) kon worden verhoord in het bijzijn van de verdediging. De verdediging heeft ten aanzien van de verklaring van getuige [medeverdachte 1] aangevoerd dat deze verklaring om die reden niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

De rechtbank overweegt hierover dat er geen sprake is van een situatie waarin het ondervragingsrecht van de verdediging zodanig is beperkt dat gebruik van deze verklaring in strijd zou zijn met de waarborgen voor een eerlijk proces. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van getuige [getuige 1] voldoende steun in andere bewijsmiddelen.

De rol van verdachte als tipgever

Op grond van de hiervoor genoemde bewijsmiddelen stelt de rechtbank vast dat medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte 1] naar aanleiding van informatie die is verstrekt door een familielid van slachtoffer [slachtoffer] een inbraak in de woning van [slachtoffer] hebben gepleegd.

Medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte 1] zijn door gebruik te maken van een ladder via een raam de woning van slachtoffer [slachtoffer] binnengegaan.

[slachtoffer] is in zijn slaapkamer aan handen en voeten geboeid met tierips en duct tape. De mond van [slachtoffer] is afgeplakt met duct tape. Uit het sectieverslag kan bovendien worden afgeleid dat er geweld is toegepast op de mond van slachtoffer [slachtoffer]. [slachtoffer] is als gevolg van zuurstofgebrek, opgelopen door belemmering van de luchtwegen door geweld/ het afplakken van zijn mond, door verstikking overleden.

De bovenverdieping van de woning is doorzocht. Hierbij zijn de sporen van tenminste twee verschillende soorten handschoenen aangetroffen. Uit de woning van [slachtoffer] zijn geen goederen weggenomen.

Op grond van het voorgaande, te weten; de verklaring van medeverdachte [medeverdachte] ter terechtzitting, het afgeluisterde OVC-gesprek, het wissen van de telefoonnummers van verdachte door [medeverdachte], de uitkomsten van het onderzoek naar de telecomgegevens en de verklaringen van de getuigen [getuige 3] en [getuige 1] in onderling verband en samenhang beschouwd, stelt de rechtbank vast dat verdachte het familielid van slachtoffer [slachtoffer] is geweest dat de informatie heeft verstrekt die tot de inbraak in de woning van [slachtoffer] heeft geleid.

De aard van de verstrekte informatie

Medeverdachte [medeverdachte] heeft verklaard dat hij op het idee is gekomen om ‘geld te halen in de woning van [slachtoffer]’ naar aanleiding van gesprekken die hij met verdachte heeft gevoerd.

Volgens verdachte heeft hij tegen [medeverdachte] gezegd dat je met hard werken toch iets kon bereiken. Bij wijze van voorbeeld heeft hij zijn oom genoemd die een bekende keurslager is.

De rechtbank leidt echter uit het (onder 4.3.3) aangehaalde afgeluisterde gesprek tussen medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte 1] af dat de rol van verdachte aanmerkelijk groter is dan verdachte doet voorkomen. De rechtbank leidt uit dit gesprek af dat verdachte kennelijk zou delen in de buit. Hierbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat er sprake is van zeer veel telefonische contacten tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte] voorafgaand aan het plegen van het delict. Verdachte heeft de hoeveelheid gesprekken niet kunnen verklaren.

Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is hierbij geen sprake geweest van onschuldige gesprekken over een vermogende oom, maar heeft verdachte een wezenlijk rol vervuld door informatie te verschaffen en waarvoor verdachte kennelijk een deel van de buit zou ontvangen.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte het binnengaan van de woning van [slachtoffer] bevorderd door het verschaffen van inlichtingen. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, daarom van oordeel dat de rol van verdachte kan worden gekwalificeerd als die van medeplichtige.

Opzet

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte wist of had kunnen weten dat zijn medeverdachten de woning van slachtoffer [slachtoffer] zijn binnengegaan met duct tape en tierips. Bovendien is ook niet gebleken dat verdachte op enige manier van tevoren ervan op de hoogte was dat zijn medeverdachten van plan waren om slachtoffer [slachtoffer] op deze manier te boeien en de mond af te plakken. Ten slotte is evenmin gebleken dat verdachte ervan op de hoogte was op welke wijze en in welke toestand zijn medeverdachten slachtoffer [slachtoffer] in zijn woning hebben achtergelaten. Om die reden acht de rechtbank het aannemelijk dat bij verdachte sprake is geweest van een minder vergaand opzet dan het opzet van medeverdachten [medeverdachte] en [medeverdachte 1].

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zal de rechtbank echter ten aanzien van de bewezenverklaring en de kwalificatie uitgaan van alle door [medeverdachte] en [medeverdachte 1] verrichte handelingen, ook nu het opzet van verdachte als medeplichtige slechts was gericht op een deel van die handelingen.

De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder 1 subsidiair ten laste gelegde (medeplichtigheid aan medeplegen van gekwalificeerde doodslag) heeft begaan en zij zal hem hiervoor veroordelen.

4.3.5 Ten aanzien van feit 2

Op 4 januari 2012 is in de woning van de vriendin van verdachte, waar verdachte meestal verbleef, gelegen aan de [adres] te [woonplaats] in het kader van het onder 4.3.1 bedoelde onderzoek een doorzoeking gehouden. In de onderste lade van een nachtkastje dat naast het hoofdeinde van het bed op de zolderverdieping stond is een vuurwapen aangetroffen. Nader onderzoek aan het vuurwapen heeft uitgewezen dat het gaat om een gaspistool van het merk Colt, model Colt Double Eagle, model Combat Commander met kaliber 9 mm P.A.K. PTB 614 van de categorie III (sub 1).

Verdachte heeft over het vuurwapen verklaard dat hij dat vuurwapen acht of negen jaar geleden heeft gekocht voor ongeveer honderd gulden.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van feit 2

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte weliswaar een bekennende verklaring heeft afgelegd, maar dat deze verklaring niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

De rechtbank verwerpt het verweer en overweegt daartoe dat naar het oordeel van de rechtbank geen omstandigheid aannemelijk is gemaakt die ertoe zou kunnen leiden dat de bekennende verklaring van verdachte niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

Gelet op het vorenstaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte feit 2 heeft begaan.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

[medeverdachte 2][medeverdachte] en [medeverdachte 1] op 19 juni 2011 te Zeist, opzettelijk [slachtoffer] van het leven hebben beroofd immers hebben

voornoemde [medeverdachte] en [medeverdachte 1] opzettelijk voornoemde [slachtoffer] vastgebonden en gekneveld

en de mond gesnoerd, door

- de handen van voornoemde [slachtoffer] vast te binden met tieraps en

- de voeten van voornoemde [slachtoffer] vast te binden met duct tape en

- de mond van voornoemde [slachtoffer] dicht te plakken met duct tape

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] geen/onvoldoende lucht en/of zuurstof heeft

kunnen krijgen en dientengevolge is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en/of vergezeld en/of

voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

het tezamen en in vereniging met een ander of anderen ter

uitvoering van het door [medeverdachte] en [medeverdachte 1]

en een mededader voorgenomen misdrijf om tezamen en

in vereniging met een ander met het oogmerk van

wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of goederen geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer],

- met een ladder door een openstaand slaapkamerraam inklimmen in de woning

van voornoemde [slachtoffer] en

- meerdere ruimtes in voornoemde woning doorzoeken

zijnde de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet voltooid,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die

voorgenomen diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of

om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere

deelnemer straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk

verkregene te verzekeren,

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, in of omstreeks de periode

van 1 mei tot en met 19 juni 2011 in Nederland, opzettelijk inlichtingen heeft verschaft

door aan die [medeverdachte] informatie te verstrekken ten

aanzien van de financiële situatie van [slachtoffer] ;

2.

op 04 januari 2012 te [woonplaats] een wapen van categorie III te weten een pistool type Colt Double Eagle, model Combat Commander (kaliber 9 mm PAK, PTB 614) voorhanden heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 5 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van verdachte bepleit.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag. Verdachte heeft [medeverdachte 2][medeverdachte] informatie verstrekt over zijn oom, slachtoffer [slachtoffer], en diens financiële positie. Deze informatie heeft ertoe geleid dat in de woning van deze oom is ingebroken door [medeverdachte] samen met een ander. Op de oom van verdachte is door deze mededaders geweld toegepast. Tengevolge van het toegepaste geweld is de oom van verdachte overleden. Verdachte heeft met zijn handelen zijn mededaders in de gelegenheid gesteld dit feit te plegen. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Het overlijden van slachtoffer [slachtoffer] heeft voor de nabestaanden van [slachtoffer] onherstelbaar leed en verdriet gebracht. Voor de samenleving is het een schokkend en zeer ernstig feit dat bovendien bijdraagt aan in de samenleving bestaande gevoelens van onrust en onveiligheid.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het handelen van verdachte het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele jaren. De rechtbank heeft acht geslagen op het bepaalde in artikel 49, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank legt derhalve een straf op voor de handelingen die verdachte opzettelijk heeft bevorderd, zijnde verstrekken van informatie die heeft geleid tot het plegen van een inbraak in de woning van slachtoffer [slachtoffer].

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het handelen van verdachte het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele jaren. Naar het oordeel van de rechtbank vormt deze straf een afdoende passende reactie op het bewezen verklaarde feit.

7 De benadeelde partij

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van benadeelde partij [benadeelde] geheel hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedings¬maatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen nu hij vrijspraak van verdachte heeft bepleit ten aanzien van het feit ten aanzien waarvan de vordering is ingediend.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding van € 8.489,05 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de rechtbank de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8.1 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen zijn vatbaar voor onttrekking aan het verkeer.

Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36b, 36d, 36f, 45, 48, 57, 63, 287, 288 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

-spreekt verdachte vrij van hetgeen onder 1 primair is ten laste gelegd;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1; medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 3 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van onderstaande in beslag genomen voorwerpen, te weten: een telefoon (zwarte BlackBerry) (547858), telefoon (Nokia) (E.01.03.001, 547929), een telefoon (witte alcatel) (547865), geld (67 biljetten, 559631);

- verklaart onttrokken aan het verkeer onderstaande in beslag genomen voorwerpen, te weten: een wapen (zwart) (Colt Double Eagle, koffer, schietbeker, houder drie patronen en pompstok);

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van

€ 8.489,05 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 8.489,05 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 77 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. N.E.M. Kranenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 december 2012.