Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7398

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
27-12-2012
Datum publicatie
27-12-2012
Zaaknummer
16/700757-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

TBS voor moeder

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/700757-12

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 27 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1956] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans verblijvende in het Psychiatrisch Penitentiair Centrum te Zwolle.

Raadsman mr. H.J. Veen, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 29 oktober 2012 en 13 december 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is ter terechtzitting van 29 oktober 2012 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

primair: al dan niet met voorbedachten rade opzettelijk heeft geprobeerd [slachtoffer] (zijnde haar dochter) te doden;

subsidiair: [slachtoffer] (zijnde haar dochter) zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

meer subsidiair: heeft geprobeerd om [slachtoffer] (zijnde haar dochter) zwaar lichamelijk letsel toe te brengen.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig.

De rechtbank is bevoegd.

De officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging.

Er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de primair ten laste gelegde poging tot moord.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft alvorens in te gaan op de juridische beoordeling allereerst naar voren gebracht dat bij verdachte ten opzichte van haar dochter gevoelens van schaamte en verdriet overheersen.

De raadsman heeft zich met betrekking tot het ten laste gelegde op het standpunt gesteld dat er geen sprake is geweest van voorbedachten rade. Hoewel er wel omstandigheden zijn die hierop wijzen blijkt uit niets dat zij daadwerkelijk de uitgevoerde handelingen in de richting van haar dochter heeft voorbereid. De raadsman heeft er in dit kader op gewezen dat de uitlatingen van verdachte in het telefoongesprek met de meldkamer niet zozeer duiden op een door verdachte ten uitvoer gebracht plan om haar dochter van het leven te beroven als wel blijk geven van de realisatie van verdachte wat zij haar dochter had aangedaan.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Vaststaande en niet betwiste feiten en omstandigheden

Op maandag 23 april 2012 omstreeks 10.24 uur kwam er bij de Regionale Meldkamer Utrecht een melding binnen van een onwelwording op de [adres] te [woonplaats]. Enkele minuten later werd deze melding veranderd in het feit dat de moeder des huizes haar dochter met een hamer op haar hoofd had geslagen en dat de moeder hierna had geprobeerd om zichzelf van het leven te beroven.

Nadat er door de ter plaatse gekomen verbalisanten bij de hiervoor genoemde woning werd aangebeld werd er opengedaan door een vrouw (de rechtbank begrijpt op grond van het dossier: door verdachte). Deze vrouw had een tweetal kleine snijwonden in haar hals waaruit bloed kwam en aan beide polsen had zij verticale wonden met een lengte van ongeveer 10 centimeter. Door de verbalisanten werd gezien dat deze vrouw constant met beide handen aan haar haren trok en zij hoorden de vrouw onder meer zeggen: “wat heb ik gedaan, ik wilde haar behoeden voor alles, ik heb het allemaal zelf gedaan”. ’

Meerdere verbalisanten zijn vervolgens boven in de woning gaan kijken en zagen dat de deur van de badkamer openstond, dat het bad gevuld was met bebloed water en er bloedvegen op de rand van het bad zaten. In de kamer links van de badkamer lag aan het voeteneind van een tweepersoonsbed een meisje dat onder het bloed zat. Op de muur in de kamer zat ook bloed op de muur en er lag veel bloed op de grond. Een bebloede klauwhamer werd op de grond aangetroffen en op de strijkplank die in die kamer stond lagen een keukenmes en een stanleymes.

Tijdens het stabiliseren van het meisje vertelde zij aan een van de ter plaatse gekomen verbalisanten: “ik was ziek thuis vandaag. Ik lag hier in bed bij mama. Plotseling zag ik dat mama een hamer onder het bed vandaan pakte. Ik zag dat mama mij meerdere malen, heel vaak eigenlijk, met die hamer op mijn hoofd sloeg. Ik heb zo’n pijn aan mijn hoofd. Ik heb het zo koud”.

Dezelfde dag nog verklaarde het meisje, [slachtoffer] ([2000]) dat haar moeder een hamer onder het bed vandaan pakte en dat haar moeder haar met deze hamer op haar hoofd sloeg. Vervolgens was zij op de grond gevallen en draaide haar moeder haar hoofd om en kreeg ze geen lucht meer. Haar moeder kneep haar keel dicht. Hierna sloeg haar moeder haar nogmaals met de hamer.

De verdachte heeft ter terechtzitting van 29 oktober 2012 verklaard dat zij haar dochter meermalen met een hamer op het hoofd heeft geslagen, dat zij haar dochter bij de keel heeft gepakt omdat zij wilde dat zij stil zou zijn en dat zij hierna heeft geprobeerd om zichzelf te doden.

4.3.2 Overwegingen ten aanzien van de opzet op de dood

De rechtbank overweegt dat, gelet op hetgeen onder 5.2 is weergegeven dat er bij verdachte ten tijde van de gepleegde geweldshandelingen in de richting van haar dochter sprake was van een geestelijke stoornis en dat door de deskundigen geadviseerd wordt om verdachte volledig ontoerekeningsvatbaar te verklaren. De eerste vraag die beantwoord dient te worden is dan ook of er bij verdachte sprake is geweest van opzettelijk handelen of dat de geestelijke stoornis hieraan in de weg heeft gestaan.

De rechtbank overweegt hieromtrent dat een geestelijke stoornis slechts dan aan bewezenverklaring van opzet in de weg kan staan als bij de verdachte ten tijde van haar handelen ieder inzicht in de draagwijdte van haar gedragingen en de gevolgen daarvan zou hebben ontbroken. Daarvan zal slechts bij hoge uitzondering sprake zijn. Uit de door verdachte en het slachtoffer afgelegde verklaringen kan naar het oordeel van de rechtbank worden afgeleid dat verdachte wel degelijk besef had van de draagwijdte en van de mogelijke gevolgen van haar handelen. De rechtbank wijst in dat kader op de hiervoor genoemde en kort na de daad afgelegde verklaring van verdachte tegenover de in haar woning zijnde verbalisanten, maar ook op de verklaring van verdachte afgelegd ter terechtzitting van 29 oktober 2012, zoals deze hiervoor is weergegeven, waar zij heeft verklaard dat ze wilde dat haar dochter stil zou zijn en dat ze daarom haar keel dichtkneep.

De volgende vraag die de rechtbank dient te beantwoorden is of verdachte (voorwaardelijk) opzet heeft gehad op de primair ten laste gelegde dood van het slachtoffer. De rechtbank beantwoordt deze vraag bevestigend. Verdachte heeft immers meermalen met een klauwhamer op het hoofd van het slachtoffer geslagen. Hierdoor ontstond de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer de dood zou vinden, aangezien in het hoofd (hersenen) en in de nabijheid daarvan (keel en nek) zich vitale onderdelen van het menselijk lichaam bevinden, die geraakt hadden kunnen worden. De aanmerkelijke kans op een dodelijke afloop was naar het oordeel van de rechtbank dan ook aanwezig. De gedragingen van verdachte -het meermalen slaan met een hamer tegen het hoofd en het dichtknijpen van de keel- kunnen naar hun uiterlijke verschijningsvorm worden aangemerkt als zo zeer gericht op het gevolg dat [slachtoffer] hierdoor zou komen te overlijden dat het niet anders kan zijn dan dat verdachte de hierboven beschreven aanmerkelijke kans ook heeft aanvaard. In die zin is er sprake van voorwaardelijk opzet.

4.3.3 Overwegingen ten aanzien van de voorbedachte raad

De officier van justitie is van mening dat sprake is van voorbedachten rade en dus van een poging tot moord. De officier van justitie heeft hierbij onder meer gewezen op de door verdachte kort na haar daad gedane uitlatingen in het telefoongesprek met de meldkamer en de ter plaatse gekomen verbalisanten en de plaats van de hamer(s).

De rechtbank stelt vast dat de uitlatingen van verdachte kort na haar daad aan zowel de meldkamer als de ter plaatse gekomen verbalisanten, bijvoorbeeld ‘ik wou mijn dochter en mijzelf ook om het leven brengen, maar het is niet gelukt’, voor verschillende interpretaties vatbaar kunnen zijn. Daarvoor is de context waarin de uitlatingen zijn gedaan van belang. Gelet op de observatie van [slachtoffer] dat zij zag dat haar moeder op een gegeven moment tot het besef kwam en dacht wat ben ik aan het doen , en het feit dat verdachte tegen de meldkamer zei, ‘oh mijn god wat heb ik gedaan? Wat heb ik gedaan?’ is de rechtbank van oordeel dat de zichzelf beschuldigende opmerkingen van verdachte gezien moeten worden als een reactie op wat zij na afloop over haar eigen handelen constateert. Zij is kennelijk na het zien van haar verwonde en ernstige bebloede dochter en het bij zichzelf opgelopen letsel tot de conclusie gekomen dat zij haar dochter en zichzelf heeft willen ombrengen.

Over de gebruikte klauwhamer, die voorafgaand aan de daad onder het matras lag, heeft verdachte verklaard dat zij deze van zolder naar beneden heeft gehaald om te gebruiken voor een knutselwerkje dat zij samen met [slachtoffer] wilde maken. Dat verdachte deze onder het matras van haar bed had gelegd was, naar zeggen van verdachte, ingegeven door het feit dat [slachtoffer] een nare droom had gehad waarin haar vader haar iets zou aan doen. Het is in dat licht en tegen de achtergrond van de geestelijke situatie waarin verdachte zich op dat moment bevond te verklaren dat verdachte op haar slaapkamer een hamer onder het matras en in de kledingkast heeft gelegd.

De rechtbank is van oordeel dat de door de officier van justitie aangehaalde feiten en omstandigheden weliswaar juist zijn, doch dat hiermee onvoldoende vast is komen te staan dat het handelen van verdachte het gevolg is geweest van een ruim tevoren door haar genomen besluit. Daaruit kan ook niet worden afgeleid dat verdachte tussen het nemen van het besluit te handelen en de uitvoering ervan gelegenheid heeft gehad om over de betekenis en de gevolgen van die voorgenomen daad na te denken en zich daarvan rekenschap te geven. De rechtbank is van oordeel dat verdachte veeleer heeft gehandeld uit een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechtbank zal verdachte dan ook van de poging tot moord vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 23 april 2012 te Utrecht, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] (zijnde haar op 14 augustus 2000 geboren dochter) van het leven te beroven, met dat opzet

- die [slachtoffer] meermalen met een klauwhamer op het hoofd heeft geslagen en

- éénmaal de keel van die [slachtoffer] heeft dichtgeknepen en dichtgeknepen heeft gehouden, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

poging tot doodslag.

5.2 De strafbaarheid van verdachte.

De rechtbank heeft kennis genomen van het verslag van het Triple onderzoek Pro Justitia van 10 oktober 2012 van I. Maksimovic, psychiater, I.M. van Woudenberg, klinisch psycholoog en W. van Kreel, forensisch milieuonderzoeker. In dit rapport wordt – onder meer – het volgende geconstateerd:

Bij betrokkene was ten tijde van het ten laste gelegde sprake van een ernstige depressieve episode met psychotische kenmerken en agitatie (opwinding/onrust). Deze psychotische kenmerken uitten zich in de vorm van het waanachtige schuldgevoel in verband met de vermeende misvorming van haar dochter door de beugel en het waanachtige schuldgevoel over het maken van de verkeerde schoolkeuze voor haar dochter. Door deze psychotische depressie was er bij betrokkene sprake van een ernstig gestoord realiteitsbesef. Tijdens een depressieve episode heeft een patiënt haast geen controle meer over het genereren van haar depressieve cognities (ideeën/overtuigingen). Voorafgaand aan het ten laste gelegde werd betrokkene als het ware door deze cognities over de genoemde beugel en de schoolkeuze geleefd en volledig inbeslaggenomen. Betrokkene leefde hierdoor in een gestoorde werkelijkheid waarin het haar geoorloofd leek om [slachtoffer] te slaan met een hamer en te wurgen. Betrokkene wilde op haar manier wellicht (vanuit het oogpunt van die gestoorde werkelijkheid) [slachtoffer] uit haar lijden verlossen. Betrokkene was door haar psychotische, geagiteerde depressie niet in staat een halt toe te roepen aan haar agressieve impulsen. Door de genoemde deskundigen wordt geadviseerd om verdachte als volledig ontoerekeningsvatbaar te beschouwen.

De rechtbank neemt de conclusies en het advies van de hierboven genoemde deskundigen over en maakt deze tot de hare. De rechtbank beschouwt verdachte derhalve als volledig ontoerekeningsvatbaar en zal verdachte ontslaan van alle rechtsvervolging.

6 De oplegging van de maatregel

6.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft overeenkomstig de conclusies en het advies van de deskundige gevorderd verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging en haar de maatregel terbeschikkingstelling met (de in het reclasseringsadvies d.d. 10 december 2012 genoemde) voorwaarden op te leggen.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft evenals de officier van justitie verzocht de conclusies en het advies van de deskundigen over te nemen. De raadsman heeft er hierbij op gewezen dat het van groot belang is dat verdachte op korte termijn met haar behandeling kan beginnen. Voorts heeft de raadsman te kennen gegeven dat verdachte met alle door de reclassering voorgestelde voorwaarden akkoord gaat, maar dat wellicht het contactverbod enige nuance behoeft.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft op 23 april 2012 geprobeerd haar 12 jarige dochter [slachtoffer] met fors geweld te doden. Daarin is zij niet geslaagd.

Door verdachte zelf gewaarschuwde hulpverleners hebben [slachtoffer] en verdachte, die ook getracht heeft zichzelf te doden, behoorlijk gewond aangetroffen.

Verdachte heeft haar dochter niet alleen fors lichamelijke letsel toegebracht maar ook een, naar het zich op dit moment laat aanzien, groot geestelijk trauma.

Naasten, maar ook hulpverleners zijn door dit feit diep geschokt. Een doding dan wel een poging daartoe van een eigen kind raakt iedereen immers heftig.

Deze gebeurtenis vormde voor verdachte het dieptepunt van een depressieve periode met psychotische kenmerken: de verdachte werd als gevolg van haar zware depressie totaal in beslag genomen door de gedachte dat [slachtoffer] met een voorgeschreven beugel misvormd zou worden en door de vrees dat een verkeerde schoolkeuze [slachtoffer] toekomst zou ruïneren.

Die gedachten die als waangedachten kunnen worden gekenmerkt gaven verdachte het gevoel tekort te schieten. Verdachte voelde zich hierin alleen staan nu haar omgeving de wanen niet deelde. Verdachte heeft nagelaten in deze periode professionele hulp te zoeken en ervoer de suggestie van psychische behandeling als een bedreiging.

In verdachte groeide het idee dat het een oplossing zou zijn als zij en haar dochter dood waren en in een radeloos moment heeft zij daarnaar gehandeld.

Niemand heeft voorzien en niemand kon voorzien dat verdachte zich zou keren tegen wat haar het liefste was, haar dochter.

Verdachte is, mede dankzij de in detentie voorgeschreven medicijnen, langzaam uit haar wanen en haar depressie ontwaakt. De rechtbank heeft die ontwikkeling op de achtereenvolgende zittingen ervaren.

Zwaarder dan enige straf of maatregel weegt dat verdachte zich inmiddels realiseert wat zij haar dochter heeft aangedaan, welke traumatische gevolgen haar dochter heeft te dragen en uiteindelijk ook wat dit betekent voor de relatie tussen haar dochter en haar en tenslotte welke gevolgen dit alles voor haarzelf heeft.

De verdachte is niet strafbaar, omdat het feit voort is gekomen uit haar depressie en de daaruit voortvloeiende gestoorde waarneming van de werkelijkheid.

De deskundigen, aangehaald bij de overwegingen met betrekking tot de strafbaarheid van de verdachte, adviseren dan ook om verdachte een maatregel op te leggen, te weten TBS met voorwaarden, waarbinnen zowel behandeling als langdurige professionele begeleiding kunnen plaatsvinden.

De deskundigen beschrijven verdachte als een vrouw die intellectueel bovengemiddeld scoort, maar aan haar jeugd met een vroeggestorven vader en een psychisch zwakke moeder die haar zeer negatief benaderde, onder meer een negatief zelfbeeld overhield.

Verdachte heeft terugkerende depressieve periodes gehad. De kans dat de depressie terug zal komen is om die reden behoorlijk hoog.

Er is volgens de deskundigen dus een blijvende kwetsbaarheid voor depressie, maar depressie is volgens hen wel een behandelbare ziekte: behandeling is mogelijk met anti-depressiva, met ECT (elektroconvulsieve shocks) en ook cognitieve gedragstherapie is hier geïndiceerd. De hiervoor genoemde ECT zal overigens alleen met instemming van verdachte plaatsvinden.

Het recidiverisico is hoog zonder adequate behandeling, waarbij een klinische fase kort kan zijn en ambulante controle lang zal moeten voortduren.

Dat is dan ook de insteek van het reclasseringsrapport dat is opgesteld door de deskundige mevrouw M. Hooijer.

In dat rapport zijn voorwaarden voorgesteld, die hierna te vinden zijn in het dictum. De voorgestelde klinische behandelingsfase is echter niet kort, omdat overleg heeft geleid tot de conclusie dat mogelijk ook nadere diagnostiek moet plaatsvinden, waarmee tijd gemoeid is.

De verdachte heeft ter terechtzitting ingestemd met alle voorwaarden. Deze vormen naar het oordeel van de rechtbank een goede invulling om met deze maatregel het recidivegevaar terug te brengen.

Wat betreft het voorgestelde contactverbod (met welk voorstel de verdachte overigens instemde) brengt de rechtbank echter enige nuancering aan:

[slachtoffer] is onder behandeling voor de geestelijke trauma’s als gevolg van het strafbare feit.

Volgens de behandelaars is contact nu niet in het belang van [slachtoffer] en moet [slachtoffer] daar zelf om verzoeken. De civiele rechter heeft bij beschikking van 14 augustus 2012 verdachte voorlopig het recht op contact met [slachtoffer] ontzegd.

De rechtbank gaat ervan uit dat op enig moment in de civiele procedure opnieuw beoordeeld zal worden dat en hoe, in het belang van [slachtoffer], contact tot stand kan komen. Daarbij overweegt de rechtbank dat er – ondanks het gebeurde – altijd een band tussen moeder en dochter zal blijven bestaan. Het is geenszins onmogelijk dat [slachtoffer] op afzienbare termijn weer contact met haar moeder wil en dat een spoedig contactherstel ook in het belang van zowel [slachtoffer] als haar moeder kan zijn.

Het is goed mogelijk dat het thans voorgestelde contactverbod dan te strikt geformuleerd blijkt te zijn. Om die reden zal de rechtbank de voorwaarde aldus formuleren, dat deze aansluit bij de beslissing in de civiele zaak, waarin immers het belang van [slachtoffer] leidend is.

Ten slotte: verdachte heeft baat gehad bij de medicatie die zij tot nu toe kreeg, maar verdergaande behandeling moet volgen. Volgens de deskundige Hooijer kan verdachte daartoe op 10 januari 2013 geplaatst worden in de FPA Heiloo.

Verdachte wil dit zelf ook graag.

Dit kan snel gerealiseerd worden door dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Aan het vereiste daartoe wordt ook voldaan.

Gezien de aard van het feit waarvoor verdachte wordt veroordeeld en de nog zeer precaire gemoedstoestand van verdachte op dit moment, moet er immers - zolang de behandeling nog niet succesvol heeft plaatsgevonden - ernstig rekening mee worden gehouden dat de verdachte wederom een misdrijf zal begaan dat is gericht tegen of gevaar veroorzaakt voor de onaantastbaarheid van het lichaam van een of meer personen. De vordering van de officier van justitie ter zake wordt dan ook toegewezen.

7 Het beslag

7.1 De teruggave

De rechtbank zal de teruggave aan de rechthebbende gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen.

7.2 De onttrekking aan het verkeer

De rechtbank acht de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen

vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat het feit is begaan met behulp van dit voorwerp, te weten de klauwhamer, zoals weergegeven onder nr. 12 op de beslaglijst. Verder acht de rechtbank het stanleymes (nr. 13) en het keukenmes (nr. 14) van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en/of het algemeen belang.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 36c, 45, 287 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

primair: poging tot doodslag;

- verklaart verdachte niet strafbaar voor het bewezen verklaarde en ontslaat verdachte van alle rechtsvervolging;

Maatregel

- gelast de terbeschikkingstelling van verdachte en stelt daarbij de navolgende voorwaarden:

• dat de terbeschikkinggestelde niet zal recidiveren;

• dat de terbeschikkinggestelde zich voor behandeling laat opnemen bij FPA Heiloo, of een soortgelijke instelling, zolang deze kliniek dit nodig acht en vanaf het moment dat zij daar terecht kan, te weten met ingang van 10 januari 2013;

• dat de terbeschikkinggestelde zich zal houden aan de aanwijzingen van haar behandelaars en begeleiders;

• dat de terbeschikkinggestelde aansluitend aan de klinische behandeling, meewerkt aan een behandeling bij een nader te kiezen polikliniek, zolang deze polikliniek en de reclassering dit noodzakelijk achten;

• dat de terbeschikkinggestelde zich zal houden aan de voorgeschreven medicatie;

• dat de terbeschikkinggestelde op geen enkele wijze contact zal zoeken met haar dochter [slachtoffer] en dat een eventueel herstel van dit contact zal plaatsvinden als dit in het belang van haar dochter mogelijk is, welk belang leidend zal zijn in de civiele procedure;

• dat de terbeschikkinggestelde zich niet zal vestigen in de plaats Utrecht, zolang dit in strijd is met het belang van haar dochter. Indien de behandelaars en de reclassering het verantwoord achten dat betrokkene zelfstandig gaat wonen, zal de terbeschikkinggestelde in nauw overleg en met toestemming van hen haar woonplaats kiezen;

• dat de terbeschikkinggestelde in overleg met haar behandelaren en de reclassering vorm zal geven aan haar dagbesteding;

• dat de terbeschikkinggestelde openheid geeft over haar netwerk;

• dat de terbeschikkinggestelde zich begeleidbaar zal opstellen en zich zal gedragen naar de aanwijzingen die haar worden gegeven door de reclassering;

• dat de terbeschikkinggestelde indien in de periode na de klinische behandeling er een crisissituatie ontstaat haar medewerking zal verlenen aan een kortdurende crisisopname van maximaal 2 keer 7 weken. In het kader van Forensisch psychiatrisch toezicht (FPT) zal ook overleg en consultatie kunnen plaatsvinden;

- draagt de Reclassering Nederland op verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van de voorwaarden;

- beveelt dat de hiervoor genoemde voorwaarden dadelijk uitvoerbaar zijn;

Beslag

- gelast de teruggave aan de rechthebbende van de voorwerpen die op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst zijn genummerd onder 1 t/m 11;

- verklaart onttrokken aan het verkeer de op de aan dit vonnis gehechte beslaglijst genoemde inbeslaggenomen voorwerpen, genummerd onder 12 t/m 14.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Grapperhaus, voorzitter, mr. M.C. Oostendorp en mr. P.P.C.M. Waarts, rechters, in tegenwoordigheid van J.J. Veldhuizen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 27 december 2012.

Mr. Waarts en J.J. Veldhuizen zijn buiten staat mede te ondertekenen.