Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7227

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
09-01-2013
Zaaknummer
16/711513-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag. Verdachte heeft geholpen met het vervoeren van een ladder en verdachte heeft deze ladder vastgehouden terwijl de medeverdachten de woning van een oude man binnengingen. Tengevolge van het op de man toegepaste geweld is hij overleden. Verdachte heeft met zijn handelen zijn mededaders in de gelegenheid gesteld dit feit te plegen.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711513-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in P.I. Nieuwegein, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, Nieuwegein,

raadsman mr. S. Schuurman, advocaat te Breukelen.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 21 november 2012 en 10 december 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met ander een (gekwalificeerde doodslag heeft gepleegd), dan wel dat verdachte hieraan medeplichtig is geweest, dan wel dat verdachte samen met een ander een inbraak in de woning van [slachtoffer ] heeft gepleegd, dan wel dat hij daaraan medeplichtig is geweest, terwijl [slachtoffer ] na de inbraak in zijn woning is overleden, dan wel dat verdachte medeplichtig is geweest aan de poging tot inbraak.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het meest meest subsidiair ten laste gelegde (medeplegen van poging tot diefstal met geweld de dood ten gevolge hebbend) heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. De raadsman heeft ter onderbouwing van zijn primaire standpunt aangevoerd dat verdachte weliswaar samen met medeverdachte [medeverdachte 1] de ladder heeft vervoerd, maar dat van het vasthouden van die ladder bij de woning van het slachtoffer geen sprake is geweest. De vondst van het DNA-materiaal van verdachte op de doekjes die op de ladder zijn aangetroffen en de telefoongesprekken die zijn gevoerd ten tijde van de uitzending van Bureau Hengeveld kunnen op een andere manier dan de officier van justitie dat heeft gedaan worden verklaard. Ook heeft de raadsman aangevoerd dat de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] onbetrouwbaar zijn. Dat verdachte de ladder heeft vervoerd, maar niet heeft vastgehouden vindt bevestiging in de OVC-gesprekken, de verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 1] en in het onderzoek naar de telecomgegevens. Ten slotte heeft de raadsman bepleit dat van voorwaardelijk opzet in het geval van verdachte geen sprake is. Voorts is naar de mening van de raadsman geen sprake van medeplegen of medeplichtigheid. Verdachte dient daarom, naar de mening van de raadsman te worden vrijgesproken. Subsidiair heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat hooguit kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van het uiterst subsidiair aan verdachte ten laste gelegde (medeplichtigheid aan poging tot diefstal met braak en inklimming in vereniging).

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Het aantreffen van [slachtoffer ]

Op 19 juni 2011 is de 80-jarige [slachtoffer ] (verder: [slachtoffer ]) op de grond in de slaapkamer van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] aangetroffen. De beide polsen van [slachtoffer ] waren met tierips (kabelbinders) aan elkaar gebonden. Deze tierips waren ook onderling kruislings aan elkaar verbonden door de tierips door elkaar te steken. De enkels van [slachtoffer ] waren met duct tape gebonden. De duct tape was om de enkels en ook tussen de benen door gewikkeld. Over de mond van [slachtoffer ] waren stroken duct tape geplakt. Deze stroken hebben de neusgaten van [slachtoffer ] niet geblokkeerd. Uit de neusgaten van [slachtoffer ] was bloed gelopen. Ook was er schuim zichtbaar in beide neusgaten. Het overlijden van [slachtoffer ] werd vastgesteld.

Tegen de zijgevel van de woning van [slachtoffer ] is een aluminium ladder aangetroffen die reikte tot het geopende slaapkamerraam van [slachtoffer ].

De doodsoorzaak

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer ] zijn bevindingen vastgesteld die passen bij een overlijden door verstikking door het afplakken van de mond (‘belemmering van de luchtwegen’) hetgeen heeft geleid tot algehele weefselschade door zuurstofgebrek. Daarnaast zijn bevindingen vastgesteld die passen bij het uitoefenen van geweld op de mond. Er zijn letsels aan tong en lippen gezien die bij leven zijn ontstaan door de inwerking van uitwendig mechanisch botsend, al dan niet gecombineerd met samendrukkend geweld op de mond zoals bij belemmeren of smoren met structuren zoals tape. Bij de sectie is geen andere oorzaak voor het overlijden gevonden. Uit de uitkomsten van het toxicologisch onderzoek kan het overlijden van [slachtoffer ] niet worden verklaard.

4.3.1 Forensisch onderzoek

Onderzoek op de plaats delict (PD)

Onderzoek in en om de woning

Tijdens het forensisch onderzoek in en om de woning van [slachtoffer ] zijn geen sporen van braak aangetroffen. De benedenverdieping van de woning is onverstoord gebleken. Op de binnen- en buitenzijde van de raamkozijnen van de slaapkamer waarin [slachtoffer ] is aangetroffen, zijn handschoensporen gevonden. Deze sporen worden verklaard door het in- en uitklimmen via dit raam. Een aantal kamers op de bovenverdieping is doorzocht. In deze ruimten zijn eveneens handschoensporen gevonden. Deze sporen lijken terug te brengen tot de afdrukken van minimaal twee verschillende soorten handschoenen. Uit de woning zijn geen goederen of geldbedragen ontvreemd.

De ladder

De zoon van [slachtoffer ], getuige [getuige 3], heeft hierover verklaard dat hij een vreemde ladder zag staan toen hij bij de woning van zijn vader aankwam op 19 juni 2011. Op 18 juni 2011 om 22.30 stond deze ladder er nog niet. Een buurvrouw, getuige [getuige 4], heeft verklaard dat zij de ladder voor het eerst zag staan op 19 juni 2011 om 07.30 uur.

DNA-onderzoek

De ladder is veiliggesteld voor nader onderzoek. De ladder is eerst in zijn geheel binnen in de woning geplaatst, de twee uiteinden van de ladder zijn verwijderd en ingezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut.

Op de beide uiteinden van de ladder zijn microvezeldoekjes aangetroffen, die waren omwikkeld (vastgezet) met duct tape. Deze doekjes zijn eerst bemonsterd terwijl deze nog om de uiteinden van de ladder waren bevestigd. Van de beide uiteinden van de ladder zijn aanvankelijk de delen van de stukken textiel die niet door tape zijn bedekt, bemonsterd.

In van deze bemonsteringen, voorzien van de kenmerken AADO1068NL#01 (linkeruiteinde van de ladder) en AADO1069NL#01 (rechteruiteinde van de ladder), is respectievelijk een onvolledig DNA-mengprofiel en een complex DNA-mengprofiel gevonden.

Na verwijdering van de duct tape zijn de microvezeldoekjes in zijn geheel aan beide zijden bemonsterd (de sporen met kenmerken AADO1068NL# 04 en AADO1068NL#05 en AADO1069NL# 04 en AADO1069NL#05).

De bemonstering AADO1068NL#05 bevat een afgeleid DNA-hoofdprofiel van één persoon en zwak aanwezige DNA-kenmerken van minimaal één andere persoon. Uit de relatief hoge pieken in dit profiel kan op basis van het verschil in piekhoogte, een combinatie van DNA-kenmerken worden afgeleid die naar verwachting afkomstig is van één mannelijke donor, van wie relatief veel celmateriaal in de bemonstering aanwezig is. Het DNA-profiel van [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1]) matcht met dit afgeleide DNA-hoofdprofiel. Dit betekent dat hij donor kan zijn van het celmateriaal in deze bemonstering met een berekende frequentie van één op één miljard.

De bemonstering AADO1069NL#01 bevat een relatief grote hoeveelheid celmateriaal van minimaal twee en maximaal vier personen daarnaast mogelijk een geringe hoeveelheid celmateriaal van minimaal één andere persoon. Uit het DNA-profiel kunnen geen DNA-profielen van individuele celdonoren worden afgeleid. Wel zijn alle kenmerken uit de DNA-profielen van het slachtoffer [slachtoffer ] en verdachte [medeverdachte 2] (verder: verdachte) ook waargenomen in dit DNA-mengprofiel. Hieruit wordt geconcludeerd dat [slachtoffer ] en verdachte donoren kunnen zijn van een deel van het celmateriaal in deze bemonstering. De kans dat een willekeurig gekozen persoon matcht met de reproduceerbare DNA-kenmerken in dit DNA-mengprofiel is ongeveer één op drie miljoen.

Ter terechtzitting heeft deskundige J.Klaver verklaard dat dit inhoudt dat bij een vergelijking van drie miljoen willekeurige personen met dit profiel, het één persoon zou overkomen dat diens DNA-profiel overeenkomt met dit mengprofiel.

De bemonstering AADO1069NL#04 bevat een DNA-mengprofiel waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal drie personen. Uit dit DNA-profiel konden evenmin DNA-profielen van individuele celdonoren worden afgeleid omdat er geen pieken waren die op basis van hun hoogte één duidelijke afzonderlijke groep vormden die aan één of twee personen toewijsbaar waren. Op basis van piekhoogte is het voor de deskundige mogelijk gebleken om een onderscheid te maken tussen DNA-kenmerken die mogelijk afkomstig kunnen zijn van prominente celdonoren (de hoge pieken) en DNA-kenmerken die in ieder geval niet afkomstig kunnen zijn van prominente celdonoren (de lage pieken). Naar verwachting bevat deze selectie in ieder geval alle DNA-kenmerken van de persoon die relatief het meeste celmateriaal aan de bemonstering heeft bijgedragen.

De DNA-kenmerken van verdachte en [verdachte] (verder: [verdachte]) matchen met de prominente DNA-kenmerken in dit DNA-mengprofiel. De kans dat een DNA-profiel van een willekeurig gekozen persoon matcht met de reproduceerbare DNA-kenmerken uit het DNA-mengprofiel met kenmerk AADO1069NL#04 is ongeveer één op dertig miljoen.

Deskundige J. Klaver heeft ter terechtzitting verklaard dat alle DNA-kenmerken van verdachte en [verdachte] matchen met de prominente pieken. Dat betekent dat alle DNA-kenmerken van verdachte en [verdachte] zichtbaar zijn in dit DNA-mengprofiel. De kans dat dit zich voordoet is ongeveer één op dertig miljoen, waarmee uitdrukking wordt gegeven aan de bijzonderheid van het voorkomen van een specifieke combinatie van DNA-kenmerken.

De verklaringen van verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1]

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij medeverdachte [medeverdachte 1] op diens verzoek heeft geholpen met het vervoeren van de ladder. Volgens verdachte lag hij achter in de auto en hield hij de ladder vast.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij verdachte heeft gevraagd om hem te helpen met het vervoeren van een ladder. Medeverdachte [medeverdachte 1] deed dit nadat hij eerst vergeefs de broer van verdachte had benaderd met het verzoek om hem een ladder te lenen.

4.3.2 Afgeluisterde gesprekken

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op onderstaande afgeluisterde gesprekken.

Bureau Hengeveld

Op 31 augustus 2011 is om 18.30 uur tijdens een uitzending van Bureau Hengeveld, het opsporingsprogramma van de regionale televisiezender RTV Utrecht, aandacht besteed aan het overlijden van [slachtoffer ] op 19 juni 2011. Voor aanvang van deze uitzending hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] onderstaand telefoongesprek gevoerd.

[medeverdachte 1]: Oké….nee want ik ben onderweg, je weet toch. Ik had effe wat dingen…wat andere….weet je. Maar ik ben onderweg.

[medeverdachte 2]: Hoe bedoel je? Wat is belangrijker, wat is belangrijker? Dit toch!

(….)

[medeverdachte 1]: Nee, nee, nee ik ben onderweg man.

(.…)

[medeverdachte 2]: Kom op man bretta man. Half zeven is die ding man. Je maakt grapje jongen. Je doet alsof het niks is ….. hallo!

(….)

[medeverdachte 2]: Die ding is half zeven. Daarom ben ik hier gekomen toch! Ik stress me de kanker.

Vervolgens heeft medeverdachte [medeverdachte 1] om 18.17 uur contact gezocht met verdachte. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft in dit telefoongesprek het volgende tegen verdachte gezegd:

‘Luister eens zet dat ding er voorlopig op dan kan jij zien wat er aan de hand is ik ben onderweg ik kom eraan (…) Het begint om half zeven (….) Je moet voor mij ernaar kijken ik kom zo naar jou toe. Maar druk gelijk op de knop wanneer ik er ben zodat ik gelijk naar boven kan komen (…) Zet het gelijk op de zender zodat ik het gelijk kan zien wanneer ik er ben’.

4.3.3 Getuigenverklaringen

De verklaring van getuige [getuige 1]

De getuige [getuige 1] (de moeder van verdachte) heeft verklaard dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) door [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) is opgehaald en dat [verdachte] heeft verteld dat hij alleen de trap heeft vastgehouden. [verdachte] is beneden gebleven en ‘ze’ zijn naar boven gegaan via het raam. Toen ze klaar waren zijn ze naar beneden gekomen en ze hadden niets. [verdachte] stond beneden. Getuige [getuige 1] vond dit dom van [verdachte]. Degenen die naar boven zijn geklommen hebben een doekje op het gezicht van die man gezet. Ze hadden handschoenen aan. Familie van de man zelf zou de tip hebben gegeven, maar niet aan [verdachte]. Ze dachten dat zij geld konden vinden. Volgens getuige [getuige 1] heeft [verdachte] het ook aan zijn vader verteld. Toen [getuige 1] nogmaals als getuige is gehoord heeft zij wederom verklaard dat [verdachte] heeft gezegd dat ‘ze’ maskers en handschoenen aanhadden. De twee die naar boven zijn gegaan zijn via het raam naar binnen gegaan. Toen zij naar buiten kwamen zeiden zij dat ze niets hadden gevonden.

Uit een afgeluisterd telefoongesprek is gebleken dat getuige [getuige 1] ‘alles heeft verteld zoals het is’ tijdens het verhoor.

De verklaring van getuige [getuige 5]

De vader van verdachte, getuige [getuige 5] heeft verklaard dat [verdachte] is komen zeggen dat hij daar was om mee te gaan. Zij zijn in dat huis gegaan met z’n tweeën. [verdachte] heeft de trap in de auto vastgehouden tot in Zeist, waarna ze de trap hebben uitgeladen. [verdachte] is niet in het huis gegaan, dat waren [medeverdachte 1] en die andere jongen. Getuige [getuige 5] heeft ook verklaard dat hij ‘via via’ heeft gehoord dat ze bij die man terecht zijn gekomen via familie van die man zelf. De man van die familieleden is nog niet gepakt. Volgens de getuige [getuige 5] heeft hij alles van [verdachte] gehoord nadat [medeverdachte 1] was aangehouden.

Verdachte heeft in een gesprek met zijn moeder en zijn broer gezegd dat hij niet had gedacht dat zijn vader zou gaan praten en dat hij had gedacht dat zijn vader ‘gewoon’ zijn mond zou dichthouden.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van de getuigenverklaringen

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuige [getuige 1]. Daartoe overweegt de rechtbank dat deze getuige belastende verklaringen heeft afgelegd over haar zoon (verdachte). De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat de getuige leugenachtig belastend zou verklaren over het aandeel van haar zoon. Hierbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 5] blijkens hun verklaringen, beiden over onderling overeenkomende daderwetenschap beschikken. De getuigen [getuige 1] en [medeverdachte 1] verklaren immers over zaken, zoals het gebruik van handschoenen en de betrokkenheid van een familielid van het slachtoffer, toen dit nog op geen enkele manier naar buiten was gebracht. De aangehaalde gesprekken (telefoon- en OVC-gesprek) bevestigen dit betrouwbaarheidsoordeel ten aanzien van de verklaringen van getuige [getuige 1]. Ten aanzien van getuige [medeverdachte 1] heeft de raadsman gesteld dat de verklaring van deze getuige naar zijn mening betrouwbaar is.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van de DNA-onderzoeken

Verdachte heeft verklaard dat de microvezeldoekjes op het moment van vervoeren van de ladder nog niet om de uiteinden van de ladder waren bevestigd. Verdachte heeft ook verklaard dat zijn DNA-materiaal op deze doekjes terecht is gekomen omdat hij in de woning van medeverdachte [medeverdachte 1] schoonmaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring van verdachte voor het aantreffen van zijn DNA-materiaal op de microvezeldoekjes op geen enkele wijze aannemelijk geworden.

De rechtbank acht daarnaast ten aanzien van het aangetroffen DNA-mengprofiel van belang dat het onderscheidend vermogen van de gevonden DNA-kenmerken in het DNA-mengprofiel is berekend op de kans van 1 op dertig miljoen (nummer) dat een toevallige onbekende niet aan verdachte verwante persoon op dezelfde wijze als verdachte matcht met de aangetroffen kenmerken. De rechtbank is daarom van oordeel dat nu alle DNA-kenmerken van verdachte in het mengprofiel voorkomen, het onderzochte DNA-mengprofiel, in onderling verband en samenhang bezien met de inhoud van de overige aangehaalde bewijsmiddelen, belastende bewijswaarde heeft.

De raadsman heeft daarnaast aangevoerd dat het DNA-materiaal door secundaire overdracht via de neef van verdachte (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) op de microvezeldoekjes terecht kan zijn gekomen. De rechtbank overweegt dat uit hetgeen de verdediging heeft aangevoerd noch uit het dossier aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van secundaire overdacht. De rechtbank acht het door de raadsman aangevoerde scenario dan ook niet aannemelijk en verwerpt het verweer.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van het voorgaande, te weten de resultaten van het DNA-onderzoek, de afgeluisterde gesprekken, de verklaring van verdachte ter terechtzitting, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] en de verklaringen van de getuigen, in onderling verband en samenhang beschouwd, tot het oordeel dat verdachte medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] behulpzaam is geweest bij de door hen gepleegde inbraak in de woning van [slachtoffer ]. [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn door gebruik te maken van een ladder via een raam de woning van [slachtoffer ] binnengegaan. [slachtoffer ] is in zijn slaapkamer aan handen en voeten geboeid met tierips en duct tape. De mond van [slachtoffer ] is afgeplakt met duct tape. Uit het sectieverslag kan bovendien worden afgeleid dat er geweld is toegepast op de mond van slachtoffer [slachtoffer ]. [slachtoffer ] is als gevolg van zuurstofgebrek, opgelopen door belemmering van de luchtwegen door geweld/ het afplakken van zijn mond, door verstikking overleden.

De bovenverdieping van de woning van [slachtoffer ] is doorzocht. Hierbij zijn de sporen van tenminste twee verschillende soorten handschoenen aangetroffen. Uit de woning van [slachtoffer ] zijn geen goederen weggenomen.

Het aandeel van verdachte

Verdachte heeft toegegeven dat hij medeverdachte [medeverdachte 1] heeft geholpen met het vervoeren van de ladder. Uit de eerder aangehaalde verklaringen van de getuigen kan voorts worden afgeleid dat verdachte de ladder heeft vastgehouden terwijl hij zijn medeverdachten naar boven zag klimmen. Zij droegen handschoenen en maskers. Het was hen te doen om geld. Toen de medeverdachten terug kwamen, hadden zij geen geld bij zich.

Naar het oordeel van de rechtbank heeft verdachte een aanzienlijk kleiner aandeel in het gebeuren op 19 juni 2011 dan zijn medeverdachten die de woning zijn binnengegaan. Uit het dossier is gebleken dat verdachte heeft geholpen met het vervoeren van de ladder en dat hij deze ladder heeft vastgehouden terwijl de medeverdachten de woning zijn binnengegaan. Verdachte heeft niet deelgenomen aan voorverkenningen bij de woning van het slachtoffer. Uit het dossier kan bovendien worden afgeleid dat verdachte er pas op een laat moment bij is betrokken omdat medeverdachte [medeverdachte 1] eerst op andere manieren heeft geprobeerd om aan een ladder te komen. De rechtbank is, gelet op het vorenstaande, daarom van oordeel dat de rol van verdachte kan worden gekwalificeerd als die van medeplichtige.

Opzet

Uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting is niet gebleken dat verdachte wist of had kunnen weten dat zijn medeverdachten de woning van slachtoffer [slachtoffer ] zijn binnengegaan met duct tape en tierips. Bovendien is ook niet gebleken dat verdachte op enige manier van tevoren ervan op de hoogte was dat zijn medeverdachten van plan waren om slachtoffer [slachtoffer ] op deze manier te boeien en de mond af te plakken of dat verdachte bekend was met de hoge leeftijd van het slachtoffer. Ten slotte is evenmin gebleken of verdachte ervan op de hoogte was op welke wijze en in welke toestand zijn medeverdachten slachtoffer [slachtoffer ] in zijn woning hebben achtergelaten. Om die reden acht de rechtbank het aannemelijk dat bij verdachte sprake is geweest van een minder vergaand opzet dan het opzet van medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], die de woning van slachtoffer [slachtoffer ] daadwerkelijk zijn binnengegaan.

Ingevolge vaste jurisprudentie van de Hoge Raad zal de rechtbank echter ten aanzien van de bewezenverklaring en de kwalificatie uitgaan van alle door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] verrichte handelingen, ook nu het opzet van verdachte als medeplichtige slechts was gericht op een deel van die handelingen.

De rechtbank heeft derhalve uit het onderzoek ter terechtzitting niet door de inhoud van wettige bewijsmiddelen de overtuiging bekomen dat verdachte het onder primair, subsidiair, meer subsidiair en meest subsidiair ten laste gelegde heeft begaan, zodat verdachte daarvan behoort te worden vrijgesproken. De rechtbank zal verdachte veroordelen voor hetgeen hem onder 1 subsidiair ten laste is gelegd (medeplichtigheid aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag).

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat:

[medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] op 19 juni 2011 te Zeist tezamen en in vereniging opzettelijk [slachtoffer ] van het leven hebben beroofd, immers hebben voornoemde [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] opzettelijk voornoemde [slachtoffer ] vastgebonden en gekneveld en de mond gesnoerd, door

- de handen van voornoemde [slachtoffer ] vast te binden met tieraps en

- de voeten van voornoemde [slachtoffer ] vast te binden met duct tape en

- de mond van voornoemde [slachtoffer ] dicht te plakken met duct tape

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer ] geen/onvoldoende lucht en/of zuurstof heeft

kunnen krijgen en dientengevolge is overleden,

welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en / of vergezeld en / of

voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

het tezamen en in vereniging ter uitvoering van het door voornoemde [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] voorgenomen misdrijf met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een hoeveelheid geld en/of goederen geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer ]

- met een ladder door een openstaand slaapkamerraam inklimmen in de woning

van voornoemde [slachtoffer ] en

- meerdere ruimtes in voornoemde woning doorzoeken

zijnde de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet voltooid, en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die voorgenomen diefstal voor te bereiden en/of gemakkelijk te maken en/of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en/of aan de andere deelnemers straffeloosheid en/of het bezit van het wederrechtelijk

verkregene te verzekeren

tot het plegen van welk misdrijf hij, verdachte, op 19 juni 2011 in Nederland opzettelijk middelen heeft verschaft door

- voornoemde [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1] te vergezellen met de auto naar de woning van [slachtoffer ] en

- tezamen en in vereniging met voornoemde [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 1], althans

alleen, een ladder te transporteren en vast te houden naar/tot de woning van [slachtoffer ].

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 8 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft, onder verwijzing naar verschillende uitspraken van gerechtshoven en een rechtbank, aangevoerd dat kan worden volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijk gevangenisstraf van kortere duur dan door de officier van justitie is gevorderd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan medeplichtigheid aan gekwalificeerde doodslag. Verdachte heeft geholpen met het vervoeren van een ladder en verdachte heeft deze ladder vastgehouden terwijl [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] de woning van een oude man binnengingen. Tengevolge van het op de man toegepaste geweld is hij overleden. Verdachte heeft met zijn handelen zijn mededaders in de gelegenheid gesteld dit feit te plegen. De rechtbank neemt dit verdachte zeer kwalijk.

Het overlijden van slachtoffer [slachtoffer ] heeft voor de nabestaanden van [slachtoffer ] onherstelbaar leed en verdriet gebracht. Voor de samenleving is het een schokkend en zeer ernstig feit.

Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigt het handelen van verdachte het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van enkele jaren. De rechtbank heeft acht geslagen op het bepaalde in artikel 49, vierde lid, van het Wetboek van Strafrecht. De rechtbank legt derhalve een straf op voor de handelingen die verdachte opzettelijk heeft bevorderd, zijnde het verlenen van hulp bij het vervoeren van de ladder en het vasthouden van de ladder ten behoeve van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. Naar het oordeel van de rechtbank vormt deze straf een afdoende passende reactie op het bewezen verklaarde feit.

7 De benadeelde partij

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van benadeelde partij [slachtoffer ] geheel hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedings¬maatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft geen standpunt ingenomen ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer ] vordert een schadevergoeding van € 8.489,05.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de rechtbank de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 48, 63, 287, 288 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

-spreekt verdachte vrij van hetgeen onder 1 primair is ten laste gelegd;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplichtigheid aan medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van onderstaande in beslag genomen voorwerpen, te weten:

1. fototoestel (Canon Ixus V2) (599822);

2. handschoen (zwart) (sin: D.05.02.001) (526145);

3. handschoen (zwart) (sin: AADE3671NL (D.07.01.002) (526148);

4. handschoen (zwart) (sin: AADE3672NL (D.09.02.006) (526149);

5. handschoen (sin: AADE3673NL (D.07.02.002);

6. handschoen (grijs) (sin: AADE3674NL (D.07.02.006) (526160);

7. handschoen (groen) (sin: AADE3675NL (D.09.02.005) (526171);

8. handschoen (sin:AADE3676NL (D.01.01.001) (526181);

9. handschoen (rood) (sin: AADE3677NL (D.09.02.007) (526186).

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer ] van € 8.489,05 waarvan ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer ], € 8.489,05 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 77 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. N.E.M. Kranenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 december 2012.