Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7146

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
16-600964-11 [P] en 16-657254-12 [P] (ter terechtzitting gevoegd)
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek 09Mango: mensenhandel en verkrachting. Verklaringen van aangeefster worden betrouwbaar geacht, nu die op belangrijke onderdelen consistent zijn en op een groot aantal onderdelen ondersteund worden door verklaringen van anderen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/600964-11 [P] en 16/657254-12 [P] (ter terechtzitting gevoegd)

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1984] te [geboorteplaats],

ingeschreven in de gemeentelijke basisadministratie op het adres [woonplaats], [adres],

thans gedetineerd in de P.I. Utrecht, Huis van Bewaring, locatie Nieuwegein,

raadsman mr. A.S. van der Biezen, advocaat te ’s-Hertogenbosch.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is laatstelijk (en inhoudelijk) behandeld op de terechtzitting van 7 december 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. Op de terechtzitting van 13 januari 2012 zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd. Deze zaken worden hierna als respectievelijk ‘de verkrachtingszaak’ (parketnummer: 16/600964-11) en ‘de mensenhandelzaak’ (parketnummer: 16/657254-12) aangeduid.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. De tenlastelegging is ter terechtzitting van 7 december 2012 gewijzigd overeenkomstig artikel 313 van het Wetboek van Strafvordering.

De verdenking in de verkrachtingszaak komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte op 2 oktober 2011 te [woonplaats]:

- [slachtoffer] heeft verkracht (A) en/of

- heeft geprobeerd [slachtoffer] ernstig letsel toe te brengen door haar keel dicht te knijpen en haar hard te slaan (B primair) dan wel

- [slachtoffer] heeft mishandeld (B subsidiair).

De verdenking in de mensenhandelzaak komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feiten 1 en 2: zich in de periode van 9 maart 2007 tot en met 1 oktober 2009 in zowel Nederland als in België ten aanzien van [slachtoffer] schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel door haar, met gebruikmaking van dwangmiddelen, in de prostitutie te brengen en/of te houden en daarvan financieel te profiteren;

feit 3: zich in de periode van 9 maart 2007 tot en met 1 oktober 2009 schuldig heeft gemaakt aan mensenhandel door [slachtoffer] naar een ander land te vervoeren, om haar daar in de prostitutie te laten werken;

feit 4: primair in de periode van 9 maart 2007 tot en met 15 juni 2011 in zowel Nederland als in België geprobeerd heeft [slachtoffer] ernstig te verwonden, subsidiair haar heeft mishandeld door haar te slaan, tegen het lichaam te schoppen, haar bij hoofd en nek vast te pakken, haar aan de haren mee te sleuren, haar hoofd tegen de muur te slaan en met zijn elleboog op haar hoofd te slaan;

feit 5: zich in de periode van 9 maart 2007 tot en met 15 juni 2011 in zowel Nederland als in België schuldig heeft gemaakt aan mishandeling van [slachtoffer], door haar te slaan, stompen of schoppen tegen haar hoofd, gezicht, armen en benen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaardingen geldig zijn, dat de rechtbank bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging is en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 Vrijspraak

Ten aanzien van

het in de verkrachtingszaak onder B primair en

het in de mensenhandelzaak, onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde:

De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsman - van oordeel dat het dossier en het verhandelde ter terechtzitting onvoldoende aanknopingspunten bieden voor een veroordeling voor de in de verkrachtingszaak onder B primair en de in de mensenhandelzaak onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde feiten.

Met betrekking tot de in de verkrachtingszaak onder B primair ten laste gelegde poging zware mishandeling geldt dat jegens het slachtoffer weliswaar zeer frequent en ernstig geweld is gebruikt, maar dat niet is vast komen te staan dat dit geweld tot zwaar lichamelijk letsel in de zin van artikel 82 van het Wetboek van Strafrecht heeft geleid of had kunnen leiden.

Ten aanzien van de in de mensenhandelzaak onder 4 primair en subsidiair ten laste gelegde poging (zware) mishandeling geldt dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] over de specifieke incidenten waarop het ten laste gelegde zou zien in onvoldoende mate worden onderbouwd door andere bewijsmiddelen terzake.

Verdachte wordt dan ook van al deze feiten vrijgesproken.

5 De beoordeling van het bewijs

Ten aanzien van het in de verkrachtingszaak onder A en B subsidiair en in de mensenhandelzaak onder 1, 2, 3 en 5 ten laste gelegde:

5.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft zich, op nader in het schriftelijke requisitoir omschreven gronden, op het standpunt gesteld dat in de verkrachtingszaak wettig en overtuigend bewezen kunnen worden de onderdelen A en B subsidiair en in de mensenhandelzaak de feiten 1, 2 (telkens alle ten laste gelegde categorieën), 3 en 5.

5.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank in zowel de verkrachtingszaak als de mensenhandelzaak niet tot een bewezenverklaring kan komen. De kern van het verweer van de verdediging betreft de stelling dat de verklaringen van aangeefster [slachtoffer] onbetrouwbaar zijn. Die onbetrouwbaarheid baseert de verdediging op haar stelling dat haar verklaringen tegenstrijdigheden bevatten, niet stroken met camerabeelden en dus op die punten aantoonbaar leugenachtig zijn. Als voorbeeld van een tegenstrijdigheid heeft de verdediging erop gewezen dat aangeefster tegenover de Antwerpse politie stellig en gemotiveerd meermalen heeft verklaard dat zij zelf heeft besloten in de prostitutie te gaan werken. Van de later beweerde onvrijwilligheid is dan ook geen sprake geweest. Evenmin bestond ruimte voor dwang, geweld, misleiding of misbruik, gelet op de professionele organisatie van Villa Tinto (het bordeel in Antwerpen waar aangeefster gewerkt heeft).

Daarnaast heeft de verdediging aangevoerd dat de verklaringen van aangeefster niet of onvoldoende steun vinden in ander bewijsmateriaal dat niet op aangeefster zelf terug te herleiden is. Zo zijn in de woning waar aangeefster zou zijn verkracht geen sporen van geweld aangetroffen die niet uit de door verdachte hieromtrent afgelegde verklaring kunnen worden verklaard, noch bevindt zich ander steunbewijs in het dossier. Nu verdachte ontkent, blijft er onvoldoende over om tot een bewezenverklaring van de beide feiten te komen, hetgeen tot een integrale vrijspraak moet leiden.

5.3 Het oordeel van de rechtbank

5.3.1 Betrouwbaarheid verklaringen aangeefster

In zaken betreffende verkrachting en zaken betreffende mensenhandel waarin verdachte de feiten ontkent is met name de verklaring van het slachtoffer veelal een belangrijk bewijsmiddel. Zo ook in de onderhavige zaken. De eerste vraag die de rechtbank dan ook dient te beantwoorden is die van de betrouwbaarheid van de verklaringen van aangeefster en daarmee de bewijswaarde van die verklaringen.

De verklaringen van aangeefster worden door de rechtbank als betrouwbaar aangemerkt. Haar verklaringen zijn op belangrijke onderdelen consistent en worden op een groot aantal wezenlijke onderdelen ondersteund door verklaringen van anderen, alsmede door objectief bepaalde en verifieerbare gegevens. Dat er op detailniveau verschillen in haar diverse verklaringen zijn doet aan de geloofwaardigheid van het geheel niet af. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen deze inconsistenties grotendeels verklaard worden uit het feit dat haar verklaringen betrekking hebben op een lange periode, waarin herinneringen aan details kunnen vervagen en elkaar beïnvloeden. Ook acht de rechtbank het aannemelijk dat de sterke affectieve gevoelens die aangeefster voor verdachte had verklaren waarom aangeefster aanvankelijk niet of minder belastend over haar toenmalige vriend heeft willen of kunnen verklaren voor wat betreft de mensenhandel.

Voor wat betreft de constatering dat de verklaringen van aangeefster op wezenlijke punten worden geschraagd door ander bewijsmateriaal merkt de rechtbank het volgende op. Aangeefster heeft verklaard dat zij verdachte op 9 maart 2007, precies op haar achttiende verjaardag, leerde kennen en dat zij drie maanden later in de prostitutie in Antwerpen is gaan werken. Dat zij drie maanden later in de prostitutie werkte wordt ondersteund door uit België verkregen informatie. Zo hebben diverse (Belgische) verbalisanten haar in Villa Tinto in Antwerpen zien werken. Zij werd voor het eerst gesignaleerd op 15 juli 2007 (aangeefster is op dat moment net iets meer dan 18 jaar en 3 maanden oud), na 1 oktober 2009 is zij niet meer gezien.

Aangeefster heeft verklaard dat het niet haar keuze was zich te gaan prostitueren, maar dat zij dit onder druk van verdachte heeft gedaan. Ook dit lijkt bevestiging te vinden in andere bronnen. De Belgische verbalisanten hebben verklaard dat zij bij hun reguliere controles vanaf het begin het idee hadden dat er iets mis was met haar. Aangeefster viel op omdat ze erg jong was. Ze had een matte uitstraling en stond niet ‘wervend’ voor de ramen.

Aangeefster heeft verklaard over jegens haar gebruikt geweld. Ook dit wordt ondersteund. Allereerst door verdachte zelf. Hij heeft verklaard dat hij geweld jegens haar heeft gebruikt tijdens de relatie. Daarnaast hebben zowel de broer als de moeder van aangeefster verklaard over blauwe plekken die zij in de periode maart 2007 – juni 2011 bij verschillende gelegenheden heeft opgelopen.

In zowel het mensenhandeldossier als in het verkrachtingsdossier bevinden zich bovendien foto’s van aangeefster, waarop overduidelijk letsel waar te nemen is. Ook [getuige 1], de begeleidster van aangeefster vanuit ‘Pretty Woman’ , heeft verklaard over de door haar waargenomen blauwe plekken bij aangeefster. Ook heeft zij verklaard over de gemoedstoestand van aangeefster toen zij over de verkrachting verklaarde: zij had aangeefster nog nooit zo emotioneel en paniekerig meegemaakt. Soortgelijk verklaart haar broer, [broer]: aangeefster vertelde hem dat hij niet wist wat zij allemaal had meegemaakt. Zij moest altijd huilen wanneer zij er over sprak.

In de verkrachtingszaak komt daar nog bij dat diverse door aangeefster genoemde details geverifieerd kunnen worden aan de hand van enerzijds de in de woning aangetroffen sporen, zoals de diverse plukken haar in de slaapkamer, badkamer en in de woonkamer en de (gebruikte) tampon in de prullenbak en anderzijds de sms-berichten die in de telefoon van haar vader zijn aangetroffen. Die berichten zijn weliswaar door aangeefster zelf verstuurd en komen dus uit dezelfde bron, maar zijn tegelijkertijd een indicatie van hoe zij de situatie op dat moment beleefde. Ook de verklaringen die aangeefster heeft afgelegd over hetgeen zich – voorafgaand aan de verkrachting – in het centrum van Utrecht afspeelde en haar omschrijving van het gedrag toen van verdachte en zichzelf, komen overeen met de ter terechtzitting getoonde beelden. Weliswaar zijn die beelden iets minder stellig dan de verklaringen van aangeefster, duidelijk is wel dat er sprake is van mogelijke dronkenschap bij aangeefster (een mogelijke verklaring voor het niet exact kunnen reproduceren van alle gebeurtenissen) en van een situatie waarbij verdachte aangeefster duidelijk en dwingend een bepaalde kant op dirigeert. Duidelijk is dat zij door hem wordt meegevoerd en dat zij dat op dat moment niet wil. Dat zij uiteindelijk zelf in de taxi is gestapt – en daar niet in is geduwd, zoals zij ook wel heeft verklaard – doet daar niet aan af, nu zij zich naar het oordeel van de rechtbank door de voorgaande momenten gedwongen kon en mocht voelen in die taxi plaats te nemen en ze kort daarvoor wel een duw van verdachte richting taxi heeft gekregen. Geoordeeld wordt dat de beelden de versie van aangeefster in belangrijke mate ondersteunen. De bedoeling van verdachte met zijn handelen – naar eigen zeggen goede bedoelingen – is op de beelden niet te zien maar zijn ook niet van belang. Het belang van de verificatie van deze verklaring van aangeefster aan de hand van de genoemde beelden is de toetsing van de betrouwbaarheid van haar verbale weergave van de deels op beelden vastgelegde gebeurtenissen.

Voorts bevinden zich in het dossier foto’s van het letsel dat aangeefster op 2 oktober 2011 heeft opgelopen. De door de verdachte gegeven verklaring voor dit letsel – vrijwillige maar heftige seks tussen hen beiden – past niet bij dit letsel en past ook niet in de overige bewijsmiddelen. Ook de door verdachte genoemde verklaring als zou dit letsel veroorzaakt zijn door een epileptische aanval bij aangeefster, wordt terzijde geschoven. Het geconstateerde letsel – in het bijzonder de aangetroffen plukken haar en het letsel rond de hals – past niet bij een epileptische aanval, ook niet indien die gekenmerkt wordt door ongecontroleerde handelingen. Al helemaal niet past het letsel bij de omschrijving die aangeefster geeft van wat haar eigen eerdere ervaringen met een epileptische aanval zijn, te weten dat zij tijdens zo’n aanval voor- of achterover kan vallen en dan letsel aan haar voor- en achterhoofd kan oplopen en dat zij tijdens zo’n aanval aan haar rechteroor krabt.

Verdachte heeft grote delen van de gebeurtenissen op en rondom de Neude overigens ook ter terechtzitting bevestigd. In het bijzonder heeft hij verklaard dat hij aangeefster mee naar haar huis heeft gevoerd en dat zij dat op dat moment niet wilde.

Conclusie:

De rechtbank zal de verklaringen van aangeefster voor het bewijs gebruiken. Daarbij zal tevens steeds worden aangegeven op welk punt die verklaring door andere bewijsmiddelen wordt ondersteund.

5.3.2. De feiten in de verkrachtingszaak

Op 2 oktober 2011 bevond [slachtoffer] (hierna: aangeefster) zich voor de deur van haar woning te [woonplaats]. Bij haar was haar ex-vriend, [verdachte] (hierna: verdachte).

De verdachte was op dat moment agressief richting aangeefster. Zij wilde eerst niet dat verdachte haar woning binnen zou gaan, maar verdachte sprak met stemverheffing ‘je gaat nu de deur opendoen’, hij sloeg haar en trok haar aan haar haren, waardoor aangeefster op de grond viel. Aangeefster schreeuwde van de pijn. Verdachte hield met zijn hand haar mond dicht. Ook heeft hij de hals van aangeefster dichtgeknepen. Eenmaal binnen in de woning heeft hij haar opnieuw aan de haren getrokken, haar op de grond gegooid, met de vlakke hand en met zijn vuist op haar lippen, op haar wang en tegen haar neus geslagen en heeft hij geprobeerd haar te wurgen, door met zijn vingers en nagels in haar keel te drukken, zo stevig dat zij haast niet meer kon ademen. Dit deed erg veel pijn. Op een gegeven moment moest zij mee naar de slaapkamer, waar zij haar jurk uit moest doen. Aangeefster verzette zich en huilde, waarna verdachte nog bozer werd en zij nog meer klappen kreeg van verdachte. Verdachte heeft haar toen hard op haar neus geslagen en weer geprobeerd haar te wurgen. Ook kneep hij in haar armen. Nadat verdachte aangeefster hard op haar gezicht had geslagen, viel zij voorover en kon zij haar lichaam niet meer bewegen. Wel hoorde en ervoer zij alles nog. Verdachte spuugde haar in het gezicht , tilde haar van de grond en gooide haar op bed. Ze hoorde verdachte zeggen ‘weet je wat, ik ga je nu verkrachten’, hij trok haar onderbroek uit, trok de tampon uit haar vagina en legde deze op haar lippen. Aangeefster kon zich nog altijd niet bewegen. Daarna duwde hij zijn penis in haar vagina, vanaf welk moment aangeefster zich weer kon bewegen. Ze begon te huilen en verzette zich. Ook heeft ze meerdere keren ‘nee, nee, nee’ geroepen. Verdachte hield haar vast bij haar armen en bij haar keel en zorgde er zo voor dat ze zich niet kon bewegen. Aangeefster voelde ten tijde van het doen van aangifte (op 4 oktober 2011) nog pijn in haar knieën en rug, aan haar armen, aan haar linker- en rechterpink, haar stuitje, rechterscheenbeen, linkerkaak, lip, linkeroor, heel veel pijn aan haar rechteroor, meer in het bijzonder aan het kraakbeen boven haar oorlel en ze had een schaafplek op haar rechterhand. Haar lange haar had ze noodgedwongen af moeten knippen.

Na de verkrachtng, toen verdachte eenmaal in slaap was gevallen, heeft aangeefster haar vader, [vader], twee sms-berichten gestuurd, inhoudende “papa! Bel de politie! [verdachte] ligt hier naast me, heeft me in elkaar getimmerd en verkracht. A.u.b! Help me me ik kan niks doen! A.u.b!! Help!” en “Onderslot zit erop. A.u.b. Ik kan geen kant op! A.u.b! Ik kan nu niet meer smsen, te riskant”. Haar vader is toen naar de woning van aangeefster gereden en belde, eenmaal daar aangekomen, de politie. Enige minuten later belde de politie aan bij de woning. Aangeefster deed open en verbalisanten constateerden dat er ter hoogte van haar strottenhoofd lichte schaafplekjes/bloeduitstortingen te zien waren. Verdachte werd aangehouden. Verbalisanten die onderzoek in de woning verrichtten constateerden dat er op de vloer in de slaapkamer plukken haar lagen, alsmede een gebruikt verbandje. Ook in de woonkamer lagen enkele plukken haar. In de douche lag op het afvoerputje een bos haar. In de keuken werd een prullenbak aangetroffen, waarin een gebruikte tampon lag. Een forensisch arts die Aangeefster heeft onderzocht constateerde – onder meer – dat zij laesies (de rechtbank begrijpt: blauwe plekken) had op haar bovenlip (zeven stuks), in de rechtermondhoek, op de behaarde hoofdhuid (vijf stuks), in het halsgebied (twee stuks) en op de rug (een, van vijf bij drie centimeter), waarbij sprake is van pijn bij bewegen, aanraken en zelfs gedurende stilzitten. Die letsels kunnen zijn veroorzaakt door het toedienen van geweld op de mond, extern geweld op het hoofd en de rug, het hardhandig trekken aan haren en het plaatsen van een rechterhand in de halsstreek.

Verdachte heeft verklaard dat hij die dag seks met aangeefster heeft gehad. Verdachte had ten tijde van zijn aanhouding twee krasjes in zijn gezicht.

5.3.3 De feiten in de mensenhandelzaak

Op 9 maart 2007 ontmoette [slachtoffer] (hierna: aangeefster of [slachtoffer]) [verdachte] (hierna: verdachte) in café ‘[X]’ te Utrecht. Zij was die dag 18 jaar geworden. Ze vond hem leuk, heeft met hem gezoend en nam hem uiteindelijk mee naar haar ouderlijk huis te [woonplaats] waar hij vanaf dat moment regelmatig was en ook bleef slapen. Vanaf dat moment veranderde aangeefster, zo verklaarde haar schoonzus: ze stopte met school en de relatie tussen aangeefster en haar moeder werd heel slecht. Het viel haar schoonzus ook op dat [slachtoffer] ineens over geld beschikte, iets wat daarvoor nooit het geval was. Nadat verdachte daar ongeveer zes weken had gewoond zette [slachtoffer]’s moeder verdachte uit de woning. [slachtoffer] vond dat heel erg, wilde daardoor nog meer met hem omgaan en was zo min mogelijk thuis. Ze kreeg steeds meer ruzie met haar moeder en ging toen bij haar oma wonen. Verdachte vertelde aangeefster dat hij graag een huisje wilde met haar, om samen in te wonen. Daar moesten ze dan wel geld voor hebben. Verdachte zei dat hij wel een manier wist om geld te verdienen: wanneer aangeefster in de prostitutie zou gaan werken. Aangeefster wilde dat niet, maar verdachte bleef constant op aangeefster inpraten en vertelde haar dat dit de snelste manier was om geld te verdienen, zodat zij zo snel mogelijk elke dag bij elkaar konden zijn. Aangeefster had op dat moment ruzie met haar moeder, had daar geen contact meer mee en woonde bij haar oma . Zij had sterke gevoelens voor verdachte, omdat hij er elke dag voor haar was. Aangeefster vond verdachte erg lief. Ze heeft verdachte verteld over haar onzekerheid en over het gemis van een vaderfiguur in haar leven. Verdachte gaf haar liefde, liet haar zich mooi voelen, verklaarde aangeefster. Verdachte zelf heeft nooit toekomst gezien in de relatie met aangeefster. Omdat hij het vroeg, gaf [slachtoffer] verdachte toen al steeds (in een restaurant door haar verdiend) geld aan verdachte.

Op een gegeven moment gingen verdachte en aangeefster per trein naar Antwerpen (België). Aangeefster deed alles wat verdachte haar vroeg, ze had zich helemaal aan hem overgegeven, omdat hij de ware voor haar was en zij bang was dat verdachte haar in de steek zou laten. Aangeefster gaf uiteindelijk toe, zodat ze samen konden zijn. Het was een soort verslaving, een verslaving aan de nabijheid van verdachte. Ze kon ook niet meer terug: ze had al “ja” gezegd en zowel verdachte als zijzelf hadden al geld geleend om naar Antwerpen te gaan. Dit laatste wordt bevestigd door haar oma.

In Antwerpen gaf verdachte aangeefster een paar telefoonnummers. Zij moest die nummers bellen en dan vragen hoe zij een kamer kon huren. Zij moest het telefoongesprek zelf voeren, verdachte zat ondertussen naast haar en praatte op haar in. Verdachte heeft haar naar het [adres] in Antwerpen gebracht. Aangeefster was bang om verdachte teleur te stellen, omdat hij dan boos kon worden. Wanneer hij boos werd, dreigde hij haar te slaan. Hij had haar al een keer geslagen. Aangeefster was heel erg verliefd op verdachte en was bang dat verdachte haar in de steek zou laten. Hij haalde haar naar beneden, zei dat ze zwak was en dat ze zich niet moest aanstellen. Toen aangeefster voor het eerst in een kamertje stond, was ze erg emotioneel. Hij steunde haar en zei dat het haar wel zou lukken en dat het zo voorbij zou zijn. Zij moest erg huilen en heeft tegen verdachte gezegd dat ze het werk niet wilde doen. Ze was heel erg bang en zenuwachtig. Van hem moest zij toch beginnen; hij was haar aan het pushen door te zeggen dat ze het wel kon en dat ze een beetje op moest schieten. Verdachte vertelde haar dat ze toch voor het raam moest gaan staan, vertelde dat zij vijftig euro per klant moest vragen, per kwartier of twintig minuten, dat zij altijd een condoom moest gebruiken en dat ze niet te intiem mocht worden met de klanten. Verdachte kocht de eerste keer de condooms, later deden ze dat ook samen. Ook moest ze uiteindelijk glijmiddel kopen, omdat het pijn deed en niet meer ging.

De eerste klanten vond aangeefster erg moeilijk, ze heeft daarna overgegeven en heel erg gehuild maar verdachte heeft haar getroost en moed ingepraat. Hij zei dat het wel zou lukken en dat ze even sterk moest zijn, dat het altijd even moeilijk is en dat hij van haar hield. Toen is ze gewoon verder gegaan. Ze verdiende meteen 1.400 tot 1.500 euro, die eerste nacht. Zij heeft al het geld aan verdachte geven. Daar hadden ze geen afspraken over gemaakt: hij zei haar dat het geld bij hem veiliger was en dat hij het zou bewaren. Ze wilde een huis met verdachte inrichten en een auto kopen. Ze moest van verdachte per avond werken tot ze ongeveer 1000 euro had verdiend, eerder gingen ze niet naar huis. Verdachte kwam steeds in haar kamer, om te kijken hoeveel zij had verdiend en om het geld weg te halen. Zij werkte op dat moment (in het jaar 2007 en in elk geval ook in 2008) ook nog in een restaurant in Utrecht. Ook al was aangeefster heel erg moe of protesteerde ze, ze moest met verdachte mee naar Antwerpen. Aangeefster wilde niet naar de politie gaan omdat ze als het er op aan kwam verdachte niets wilde aandoen, ze hield van hem wilde beschermen. Ze durfde ook niet naar de politie te gaan, omdat verdachte dan had gedreigd haar leven nog zuurder te maken. Ook uitte hij bedreigingen richting haar familie: zo zou hij bijvoorbeeld het huis van haar familie in de fik steken.

Aangeefster heeft vanaf 15 juli 2007 tot en met de zomer van 2009 in Antwerpen gewerkt en moest dit ook doen tijdens perioden van ongesteldheid. Uit informatie van de Antwerpse politie blijkt dat aangeefster op 15 juli 2007 voor het eerst als raamprostituee werd gecontroleerd. Voorts dat verdachte op 22 december 2007 in het bezit was van € 590, zijnde de verdiensten van aangeefster en dat verdachte voorts op 28 juli 2007, 22 februari 2008, 8 juni 2008, 14 juni 2008, 20 augustus 2008, 19 oktober 2008 en 27 november 2008 in Antwerpen werd gesignaleerd. Uit die informatie blijkt ook dat aangeefster tegen de Antwerpse politie heeft verklaard dat verdachte haar naar haar werkplek bracht.

In het dossier bevindt zich een uitdraai van de kamerhuuradministratie van het bordeel waar aangeefster werkte, genaamd Villa Tinto. Uit die administratie blijkt dat de eerste registratie was op 31 juli 2007 en de laatste registratie op 20 augustus 2009. In totaal, zo blijkt uit de uitdraai, heeft zij in die periode € 12.859,98 aan huurpenningen betaald.

Bij haar verhoor bij de rechter-commissaris herhaalde aangeefster dat zij ongeveer 800 euro per dag moest verdienen, dat verdachte heel agressief werd als zij het geld niet aan hem gaf, dat ze op een gegeven moment echt wilde stoppen, maar dat verdachte haar toen vroeg nog wat geld bij elkaar te verdienen voor een vakantie naar Marokko en om een aangeschafte Mercedes af te betalen, dat zij heel bang was voor verdachte en dat hij haar instructies had gegeven voor het geval de politie haar vragen zou stellen.

De heer [A], ten tijde van het delict teamleider van het prostitutieteam van de Politie Antwerpen, herkende aangeefster van een foto en verklaarde vanaf het begin het idee te hebben gehad dat er iets niet klopte, omdat aangeefster stil stond, weinig oogcontact maakte en niet wervend was. Aangeefster werkte drie tot vier dagen per week in Antwerpen. Ook verdachte herkende hij van foto’s: hij kwam in beeld omdat hij veelvuldig in het prostitutiegebied van Antwerpen rondhing, in het bijzonder in de buurt van de werkplek van aangeefster. Hij, verdachte, hield die werkplek in de gaten.

Getuige [getuige 1] verklaarde dat zij met aangeefster heeft gesproken over haar werk in de prostitutie, dat aangeefster haar aangaf dat zij er van walgde, dat verdachte haar tot dat werk had aangezet, dat zij zowel psychisch als lichamelijk zwaar onder druk stond van hem, dat zij in een afhankelijkheidsrelatie zat.

Mishandelingen

Verdachte kon erg snel boos worden: toen aangeefster eens klaar was met werken en op verdachte aan het wachten was, zag zij hem aan de overkant bij een meisje (de rechtbank begrijpt: een prostituee) naar binnen gaan. Pas een klein uur later kwam hij weer naar buiten. Toen aangeefster hem daarop aansprak, ontkende hij dit bezoek, waarop zij tegen hem zei dat hij dan alleen naar huis kon vertrekken. Verdachte sleurde haar toen door de kamer, duwde haar op een stoel, pakte haar bij de hals vast en heeft haar met haar hoofd constant tegen de muur gebonkt, waarna hij haar naar de auto meesleurde, waar zij met haar hoofd op zijn schoot moest liggen, terwijl verdachte ondertussen met zijn elleboog op haar hoofd aan het beuken was. Dit gebeurde terwijl zij onderweg waren van België naar Nederland. Het bloed van aangeefster zat op het dashboard en op de zijkant van de auto.

Zij moest daarna een week thuisblijven, omdat haar gezicht helemaal dik en blauw was. Dit incident is ook beschreven door de getuige [getuige 1], die verklaarde van aangeefster te hebben gehoord dat aangeefster hier zo angstig van was geworden dat de enige uitweg die zij nog zag inhield dat zij uit de rijdende auto moest springen, en dat zij dit ook heeft gedaan.

Aangeefster kreeg ongeveer een keer in de twee maanden klappen van verdachte.

Verdachte heeft haar ook eens aangevallen in een café in Antwerpen, waar hij haar op de grond heeft geslagen en geschopt. Als hij had gegokt of had gedronken werd aangeefster vaak emotioneel, waar verdachte dan weer emotioneel op reageerde. Hij sloeg haar dan.

Dat gebeurde een keer per vier tot acht weken. Flinke blauwe plekken liep aangeefster eens per drie tot vier maanden op. Dan werd zij echt in elkaar geslagen. Ook in Nederland, in de woning in [woonplaats] en ook in haar woning in [woonplaats] is zij door verdachte in elkaar geslagen. Hij deed dat meestal met zijn vuisten en op plekken waar je het niet makkelijk kon zien. De mishandelingen gingen door tot en met maart 2011 , toen verdachte haar een aantal keer heeft geslagen, heel stevig bij haar nek heeft beetgepakt, haar op haar been heeft geschopt, met zijn beide handen haar nek vastpakte en met zijn hand haar mond dicht heeft geduwd, waardoor zij pijn voelde en een grote blauwe plek op haar rechter bovenarm kreeg. Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij haar wel eens heeft geslagen.

Getuige [getuige 2], de moeder van aangeefster, verklaarde dat aangeefster contact opnam als zij weer was geslagen of klappen had gehad van verdachte. Hoewel zij die mishandelingen nooit heeft gezien, nam zij wel waar dat aangeefster dikke, gezwollen ogen had en blauwe plekken op haar lichaam had. Zij zag eens dat aangeefster zodanig hard tegen haar heup was geschopt, dat haar hele bovenbeen blauw was. Dat was in Antwerpen geweest. Ook heeft aangeefster eens gevraagd of zij haar op kon komen halen, omdat zij erg bang was voor verdachte. Zij is toen direct een week met aangeefster naar het buitenland vertrokken. Gedurende deze vakantie had aangeefster toch weer dagelijks telefonisch contact met verdachte en direct na terugkeer in Nederland trok ze weer bij hem in. In totaal heeft [getuige 2] zes of zeven keer blauwe plekken bij aangeefster gezien.

De getuige [getuige 1] verklaarde dat zij op 30 november 2010 een gesprek met aangeefster had waarbij aangeefster verklaarde dat zij was mishandeld door verdachte: hij had haar kopstoten gegeven en had haar getrapt. [getuige 1] heeft toen verwondingen aan [slachtoffer]’s been, voet en voorhoofd geconstateerd. Van deze letsels bevinden zich foto’s in het dossier.

Op een oudere mobiele telefoon van aangeefster werden door de politie foto’s aangetroffen, waarop de door de verbalisant ambtshalve herkende aangeefster stond afgebeeld met diverse verwondingen en blauwe plekken. De foto’s waren gemaakt op zowel 7 mei 2011 als op 10 mei 2011. Voorts bleek dat Aangeefster zich op 18 mei 2011 bij de politie Utrecht had gemeld ter zake huiselijk geweld, gepleegd door verdachte jegens haar.

5.4 De mensenhandelzaak: juridische inkadering.

5.4.1. Algemeen kader mensenhandel

Onvrijwillige prostitutie is mensenhandel. Wezenlijk bestanddeel van diverse varianten van het delict mensenhandel is dat sprake is van uitbuiting en/of dat het oogmerk van de verdachte daarop is gericht. Conform het bepaalde in de jurisprudentie kan van een dergelijke uitbuitingssituatie worden gesproken wanneer de betrokkene in een situatie verkeert die niet gelijk is aan de omstandigheden waarin een mondige prostituee in Nederland pleegt te verkeren. Het bestaan van een uitbuitingssituatie veronderstelt het ontbreken van vrijwilligheid, hetgeen inhoudt dat degene die de prostitutiewerkzaamheden verricht niet of slechts in verminderde mate de mogelijkheid heeft een bewuste keuze te maken met betrekking tot het al dan niet voortzetten van zijn of haar relatie met degene die hem/haar tot die prostitutiewerkzaamheden heeft aangezet. Dit is niet anders indien deze relatie aanvankelijk op vrijwillige basis werd aangegaan.

Een bewezenverklaring van mensenhandel kan dus volgen indien verdachte aangeefster met het oogmerk van uitbuiting door gebruik van dwangmiddelen heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest of opgenomen (te weten: gedragingen) (artikel 273f lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht), dan wel indien verdachte door het hanteren van dergelijke dwangmiddelen aangeefster in de prostitutie heeft gebracht dan wel gehouden (artikel 273f lid 1 sub 4 van het Wetboek van Strafrecht ).

In de hieronder opgenomen bewijsmotivering zal op deze onderdelen worden ingegaan. Hierbij dient te worden opgemerkt dat niet ieder onderdeel van de tenlastelegging ‘dubbel belegd’ hoeft te zijn met bewijsmiddelen.

5.4.2 Juridische duiding van het bewijsmateriaal

In het hierna volgende zal de rechtbank, met inachtneming van het zojuist geschetste juridisch kader, de uit de hierboven opgesomde bewijsmiddelen blijkende feiten duiden.

Middelen

Allereerst dient vastgesteld te worden of verdachte gebruik heeft gemaakt van middelen in de zin van artikel 273f lid 1 sub 1 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: WvSr). Daarbij is het van belang dat, zodra het hanteren van een van deze middelen bewezen verklaard wordt, de (eventuele, beweerdelijke) instemming van aangeefster met de uitbuitingssituatie niet meer relevant is. De rechtbank acht de middelen ‘dwang, geweld, dreiging met geweld of een of meer andere feitelijkheden, misleiding en misbruik van uit feitelijke omstandigheden voortvloeiend overwicht en misbruik van een kwetsbare positie’ bewezen.

Angeefster verklaarde dat verdachte haar dwong in de prostitutie te gaan. Dit deed hij door, wetende dat zij van hem hield en verliefd op hem was, haar te pushen het werk te gaan doen, haar telkens naar Antwerpen te brengen, te dreigen bij haar weg te gaan als zij niet zou werken en haar telkens te controleren: verdachte hield zich vaak op in de directe omgeving van haar werkplek.

Verdachte heeft ook gebruik gemaakt van geweld. Hij heeft aangeefster, onder meer wanneer zij al te zeer tegensputterde, mishandeld door haar aan de haren door de kamer te sleuren, haar hoofd tegen de muur te bonken en met zijn elleboog op haar hoofd in te beuken.

Ook heeft hij gedreigd met (verder) geweld: zo zou hij, wanneer aangeefster zijn leven zuur zou maken (wanneer zij aangifte zou doen) haar leven nog zuurder maken, bijvoorbeeld door het huis van haar familie in de fik te steken.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij nooit toekomst in de relatie met aangeefster heeft gezien, een mededeling die in het geheel niet strookt met de mededelingen die hij aangeefster zelf heeft gedaan, inhoudende dat zij samen zouden gaan wonen. Die liefdesrelatie is dus geveinsd, wat ook wel blijkt uit het feit dat verdachte ter terechtzitting heeft verklaard ook regelmatig andere prostituees te hebben bezocht. Hij heeft aangeefster hiermee misleid.

Aangeefster heeft voorts verklaard dat zij alles aan verdachte vertelde, ook over haar onzekerheid en kwetsbaarheid, die door verschillende getuigen wordt onderschreven, waaronder [getuige 3], [getuige 2] en [broer]. Ze heeft verdachte verteld over het gemis van een vaderfiguur in haar leven. Op het moment dat verdachte aangeefster overhaalde naar Antwerpen te gaan, had zij ruzie met haar moeder en was alle contact verbroken. Verdachte wist dit: de ruzie was immers ontstaan vanwege zijn langdurig verblijf in de ouderlijke woning van aangeefster. Zodoende heeft zij zich in een jegens de verdachte afhankelijke positie geplaatst zien worden, welke positie verdachte vervolgens met gebruikmaking van de verliefdheid van aangeefster heeft uitgebuit. Toen zij eenmaal samen een woning in [woonplaats] hadden, heeft hij aangeefster ook in een financieel kwetsbare positie gebracht. De verdiensten van haar reguliere banen in Nederland (bij een restaurant en een afslankcentrum) waren onvoldoende om de huur van haar woning op te kunnen brengen. Toen zij eenmaal als prostituee aan het werk was, heeft verdachte een zeer groot gedeelte van haar inkomsten afgepakt dan wel haar deze laten afgeven. Die omstandigheden, maar ook de verklaringen van aangeefsters moeder, broer en schoonzus, dragen bij aan het oordeel van de rechtbank dat er in dit geval sprake is van misbruik van de feitelijke situatie (het feitelijke, financiële en emotionele overwicht van verdachte op aangeefster) door verdachte.

Handelingen

Vervolgens dient te worden vastgesteld welke handelingen als bedoeld in artikel 273f lid 1 sub 1 WvSr verdachte heeft verricht. De rechtbank acht bewezen dat de verdachte aangeefster heeft ‘geworven, vervoerd, overgebracht en gehuisvest’. Nadat verdachte en aangeefster elkaar hadden ontmoet, is hij (diezelfde avond) bij haar komen wonen, in haar ouderlijk huis. Dit riep spanningen op, waarna verdachte door de moeder van aangeefster de deur werd gewezen. Verdachte heeft aangeefster vervolgens voorgesteld te gaan samenwonen. Dit zou echter veel kosten met zich brengen, reden waarom hij haar voorstelde in de prostitutie te gaan werken. Aangeefster heeft hierover verklaard dat zij dit niet wilde. Verdachte bleef echter aandringen, waarop aangeefster een geldbedrag van haar oma heeft geleend om de reis en het eerste verblijf in Antwerpen te bekostigen.

Volgens aangeefster gingen zij en verdachte praktisch ieder weekend naar Antwerpen.

Soms vertrokken zij al op donderdag, meestal echter op vrijdagavond. Het vervoer ging afwisselend per auto of per trein. De verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij aangeefster heeft vergezeld op de ritten naar Antwerpen. Ook staat vast dat hij haar heeft gehuisvest in twee hotels in Antwerpen. Ook in dit opzicht heeft verdachte misbruik gemaakt van de kwetsbare positie van aangeefster. Nogmaals wijst de rechtbank er op dat een eventuele vrijwilligheid, vanwege de ingezette middelen, niet meer relevant is: door de scheve machtsverhouding was aangeefster in (veel) mindere mate vrij dan een andere, mondige prostituee, om alternatieven te kiezen.

(Oogmerk van) uitbuiting

Oogmerk veronderstelt tenminste een noodzakelijkheidsbewustzijn ten aanzien van het gevolg. Het oogmerk van uitbuiting is gelegen in het verkrijgen van financieel gewin. Vastgesteld wordt dat verdachte financieel gewin van de prostitutiewerkzaamheden van aangeefster heeft gehad. Aangeefster heeft verklaard dat verdachte vrijwel al het door haar verdiende geld heeft ontvangen en vervolgens heeft vergokt. Dit gokken vindt bevestiging in de overige zich in het dossier bevindende gegevens, zoals entree-overzichten van casino’s. Verdachte had, anders dan kortstondige baantjes en gedurende enige maanden een bijstandsuitkering, in de ten laste gelegde periode geen aantoonbaar legale inkomsten, zodat de conclusie kan worden getrokken dat hij zijn casinobezoek en de aanschaf van auto’s heeft gefinancierd van de prostitutie-opbrengsten van aangeefster. Ter terechtzitting heeft verdachte een andere (illegale) bron van inkomsten gesuggereerd, maar hieromtrent wordt geen (begin van) nadere uitleg verschaft. Verdachte is door de Antwerpse politie staande gehouden op een moment dat hij in het bezit was van een geldbedrag van 590 euro, waarvan hij zelf heeft verklaard dat dit van aangeefster afkomstig was. De moeder van aangeefster heeft eens gezien dat aangeefster bankbiljetten bewaarde in een snoepwikkel. Gevraagd naar de reden hiervoor gaf aangeefster aan dat zij niet wilde dat verdachte wist van die verdiensten: zij wilde deze zelf houden en zij wilde niet dat verdachte dit geld zou afpakken.

De rechtbank leidt uit deze feiten en omstandigheden af, dat verdachte niet alleen het oogmerk van uitbuiting had toen hij de bovengenoemde handelingen verrichtte, maar dat hij aangeefster daardoor ook feitelijk uitbuitte. Zij kon immers niet, zoals zelfstandige prostituees dat wel kunnen, zelfstandig over haar eigen verdiensten beschikken.

Verdachte heeft voorts, door voornoemde middelen te hanteren, [slachtoffer] daadwerkelijk tot prostitutie gebracht. Het was voor haar onmogelijk zich aan deze dwang te onttrekken, waardoor zij onvrijwillig in de prostitutie is geraakt en daar ook lange tijd in is blijven werken, omdat zij door de gebruikte middelen werd belet met die werkzaamheden te stoppen.

Uit het voorgaande volgt dan ook dat de onder feit 1 ten laste gelegde varianten van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f lid 1 sub 1 en sub 4 van het WvSr wettig en overtuigend bewezen kunnen worden verklaard.

Voordeel trekken en bevoordelen

Gelet op de zich in het dossier bevindende administratie van Villa Tinto staat vast dat aangeefster minimaal 214 maal een kamertje heeft gehuurd. De rechtbank stelt vast dat verdachte niet toestond dat aangeefster zou stoppen met werken vooraleer zij tenminste 800 euro per avond had verdiend. Er is door aangeefster dus een fors bedrag verdiend, dat bezwaarlijk onder de 150.000 euro kan worden geschat. Aangeefster heeft verklaard dat zij van deze inkomsten heeft ontvangen: één (1) lingeriesetje (ter waarde van 80 euro), een TV en een muziekinstallatie. Het restant van de verdiensten is naar verdachte gegaan. Vastgesteld kan aldus worden dat verdachte van aangeefster geldbedragen heeft ontvangen afkomstig van haar prostitutiewerkzaamheden, ook (en vooral) wanneer aangeefster dat niet wilde. Mede gelet op hetgeen hierboven omtrent (het oogmerk van) uitbuiting is overwogen, leidt een en ander tot de conclusie dat verdachte opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van aangeefster. Daarnaast kan uit het voorgaande worden afgeleid dat [slachtoffer] haar verdiensten uit de prostitutie onder druk aan verdachte heeft overgedragen. Die druk werd door verdachte gecreëerd door de hantering van voornoemde middelen.

Gelet hierop kunnen ook de onder feit 2 ten laste gelegde varianten van mensenhandel als bedoeld in artikel 273f lid 1 sub 6 en 9 WvSr wettig en overtuigend bewezen worden verklaard.

Grensoverschrijding

Met betrekking tot de onder feit 3 ten laste gelegde grensoverschrijdende mensenhandel als bedoeld in artikel 273f lid 1 sub 3 WvSr constateert de rechtbank uit de hierboven opgesomde bewijsmiddelen dat verdachte [slachtoffer] gedurende een periode van ruim 2 jaar telkens tewerk heeft gesteld in de prostitutie in Antwerpen. Daartoe heeft hij haar vrijwel wekelijks meegenomen om haar in België prostitutiewerkzaamheden te laten verrichten. Daarmee is het in dat subonderdeel bedoelde oogmerk gegeven, zodat de rechtbank ook tot een bewezenverklaring komt van deze variant van mensenhandel.

5.5 Conclusie

Gelet op voornoemde feiten, omstandigheden en overwegingen acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan alle ten laste gelegde varianten van mensenhandel. Voorts acht de rechtbank, met verwijzing naar hetgeen daaromtrent is opgenomen onder het hierboven vermelde kopje ‘Mishandelingen’, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer], zoals onder feit 5 ten laste is gelegd.

5.6 De overige verweren in de mensenhandelzaak en de beoordeling daarvan

Vrijwilligheid prostitutiewerkzaamheden

Namens de verdachte is aangevoerd dat [slachtoffer] vrijwillig met verdachte mee ging naar Antwerpen om daar prostitutiewerkzaamheden te verrichten. Zij heeft hierover stellig en meermalen bij de Antwerpse politie verklaard (bedoeld worden haar verklaringen van 22 december 2007 en 24 september 2008, afgelegd nadat haar moeder aangifte had gedaan van verkrachting en mensenhandel) en dit vindt steun in de omstandigheid dat zij op enig moment gelegen voor 1 oktober 2009 met haar prostitutiewerkzaamheden is gestopt, terwijl zij nog altijd omging met verdachte. Daarbij biedt de organisatie van Villa Tinto geen ruimte voor dwang, misleiding of misbruik, nu er geen mannen worden toegelaten in het kantoor waar het contract voor de kamers wordt getekend en de sleutels alleen door de meisjes zelf kunnen worden opgehaald.

Zoals hierboven reeds opgemerkt is het eventueel vrijwillig uitvoeren van prostitutie-werkzaamheden irrelevant voor de beoordeling of er sprake is (geweest) van mensenhandel, als er sprake is van het hanteren van (dwang)middelen door verdachte. Inderdaad wordt vastgesteld dat aangeefster [slachtoffer] op een gegeven moment geen kamers meer huurt bij Villa Tinto. Ook zijn er geen aanwijzingen dat [slachtoffer] zich vanaf dat moment elders heeft geprostitueerd. Dit kan de vraag oproepen hoe de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] op dat moment moet worden geduid, maar dit doet op zichzelf aan de omstandigheden waaronder zij zich eerder in Antwerpen heeft moeten prostitueren niet af, gelet op de door verdachte jegens haar gebruikte dwangmiddelen. Verdachte heeft geen redelijke verklaring gegeven voor het feit dat hij aangeefster altijd naar Antwerpen begeleidde, hij zich veelvuldig zich in de buurt van Villa Tinto ophield en de omstandigheid dat aangeefster heeft verklaard dat zij (een zeer groot deel van) haar geld aan verdachte moest afstaan.

In reactie op hetgeen de raadsman op dit punt heeft gesteld wordt nog – wellicht ten overvloede – overwogen dat het de rechtbank onduidelijk is gebleven hoe de relatie tussen verdachte en [slachtoffer] zich heeft ontwikkeld in de periode van (grofweg) 1 oktober 2009 tot en met eind mei 2011, wanneer [slachtoffer] voor het eerst aangifte doet van mensenhandel. In ieder geval kan worden vastgesteld dat dit een knipperlichtrelatie betrof. Dit doet echter niet af aan de bewezenverklaring maar duidt hoogstens op de hoge mate van ingewikkeldheid van de relatie.

5.7 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

De mensenhandelzaak

1.

in de periode van 09 maart 2007 tot en met 01 oktober 2009 te Utrecht en te [woonplaats] (gemeente [woonplaats]) en te [woonplaats] en te Antwerpen, een ander, genaamd [slachtoffer],

door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden of door dreiging met geweld of een of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie

heeft geworven, vervoerd, overgebracht, gehuisvest,

met het oogmerk van uitbuiting van die ander,

en

met één van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273a Wetboek van Strafrecht

genoemde middelen (zie hierboven)

heeft bewogen zich beschikbaar te stellen tot het verrichten van arbeid of diensten

bestaande die dwang, dat geweld of die andere feitelijkheden, of die dreiging met geweld of die andere feitelijkheden, die misleiding, dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht, dat misbruik van een kwetsbare positie hieruit

dat verdachte (telkens) (meermalen)

- een (liefdes)relatie met die [slachtoffer] heeft onderhouden en

- op die [slachtoffer] is blijven inpraten dat werken in de prostitutie noodzakelijk was om hun gezamenlijke huishouding te kunnen bekostigen en

- die [slachtoffer] heeft mishandeld en

- die [slachtoffer] heeft bedreigd haar leven zuurder te maken en haar familie iets aan te doen (zoals het huis in de fik te steken)

hebbende verdachte (telkens) (meermalen)

- die [slachtoffer] (in Antwerpen) op een of meer verblijfadressen ondergebracht en

- die [slachtoffer] instructies gegeven hoe een prostitutiewerkplek te huren en/of hoe als prostituee te werken en

- die [slachtoffer] naar haar prostitutiewerkplek gebracht en

- die [slachtoffer] opdracht gegeven (naast haar reguliere baan) te werken als prostituee (in elk geval tot een door verdachte bepaalde minimumopbrengst per dag bereikt was) (ook op de dagen dat zij ongesteld was);

2.

in de periode van 09 maart 2007 tot en met 01 oktober 2009 te Utrecht en te [woonplaats] (gemeente [woonplaats]) en te [woonplaats], althans in het arrondissement Utrecht, en te Antwerpen,

opzettelijk voordeel heeft getrokken uit de uitbuiting van een ander, genaamd [slachtoffer],

en

een ander, genaamd [slachtoffer],

met één van de onder lid 1, sub 1° van artikel 273a Wetboek van Strafrecht genoemde middelen [te weten (lid 1 sub 1) door dwang, geweld of één of meer andere feitelijkheden

of door dreiging met geweld of een of meer andere feitelijkheden, door misleiding dan wel door misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht, door misbruik van een kwetsbare positie

bestaande die dwang, dat geweld of die andere feitelijkheden, of die dreiging met geweld of die andere feitelijkheden, die misleiding, dat misbruik van uit feitelijke omstandigheden voorvloeiend overwicht, dat misbruik van een kwetsbare positie hieruit

dat verdachte (telkens) (meermalen)

- een (liefdes)relatie met die [slachtoffer] heeft onderhouden en

- op die [slachtoffer] is blijven inpraten dat werken in de prostitutie noodzakelijk was om hun gezamenlijke huishouding te kunnen bekostigen en

- die [slachtoffer] heeft mishandeld en

- die [slachtoffer] heeft bedreigd "haar leven zuurder te maken" en "haar familie iets aan te doen (zoals het huis in de fik te steken)"

heeft bewogen hem, verdachte, te bevoordelen uit de opbrengst van de seksuele handelingen van die [slachtoffer] met of voor een derde,

hebbende verdachte (telkens) (meermalen)

- die [slachtoffer] naar haar prostitutiewerkplek gebracht en

- die [slachtoffer] opdracht gegeven (naast haar reguliere baan) te werken als prostituee (in elk geval tot een door verdachte bepaalde minimumopbrengst per dag bereikt was) (ook op de dagen dat zij ongesteld was) en vervolgens

- die [slachtoffer] een zeer groot deel van haar prostitutieverdiensten laten afgeven aan hem, verdachte;

3.

op tijdstippen gelegen in de periode van 09 maart 2007 tot en met 01 oktober 2009 te Utrecht en te [woonplaats] (gemeente [woonplaats]) en te [woonplaats], althans in het arrondissement Utrecht, en te Antwerpen,

een ander, genaamd [slachtoffer],

heeft aangeworven en medegenomen

door die [slachtoffer] (telkens) per trein en/of per auto van Nederland naar

België te vervoeren,

met het oogmerk die ander in een ander land ertoe te brengen zich beschikbaar te stellen

tot het verrichten van seksuele handelingen met of voor een derde tegen betaling;

5.

op tijdstippen gelegen in of omstreeks de periode van 09 maart 2007 tot en met 15 juni 2011

in Nederland, en/of in België, (telkens) opzettelijk mishandelend [slachtoffer] tegen en/of op het hoofd en/of het gezicht en/of de arm(en) en/of een been/de benen, in elk geval op en/of tegen het lichaam heeft geslagen en/of gestompt en/of geschopt, waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en/of pijn heeft ondervonden;

De verkrachtingszaak

(A)

op 02 oktober 2011 te [woonplaats] door geweld of andere feitelijkheiden en bedreiging met geweld of andere feitelijkheden [slachtoffer] heeft gedwongen tot het ondergaan van handelingen

die mede bestonden uit het seksueel binnendringen van het lichaam van die [slachtoffer],

hebbende verdachte die [slachtoffer] gedwongen te dulden dat verdachte zijn, verdachtes, penis in de vagina van die [slachtoffer] duwde/bracht,

en bestaande dat geweld of die andere feitelijkheden en die bedreiging met geweld of die andere feitelijkheden hierin

dat verdachte

- die [slachtoffer] (met kracht) (meermalen) tegen het hoofd althans het lichaam heeft geslagen, en/of die [slachtoffer] (hard) aan de haren heeft getrokken en

- de mond van die [slachtoffer] met zijn hand heeft dichtgehouden, en

- (met kracht) (meermalen) de keel van die [slachtoffer] dicht heeft geknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden, en/of (hard) (meermalen) in de keel van die [slachtoffer] heeft geknepen en/of

- die [slachtoffer] (met forse kracht) op de neus en de mond, heeft geslagen, en

- die [slachtoffer] op bed heeft gegooid, en

- tegen die [slachtoffer] heeft gezegd: "Weet je wat, ik ga je nu verkrachten", en

- die [slachtoffer] (hard) bij de armen heeft vastgehouden en ervoor heeft gezorgd dat die [slachtoffer] zich niet kon bewegen, en

- uit de vagina van die [slachtoffer] haar tampon heeft getrokken en die tampon (vervolgens) in de mond van die [slachtoffer] heeft gedaan,

en/of (aldus) voor die [slachtoffer] een bedreigende situatie heeft doen ontstaan;

EN

(B subsidiair)

op 02 oktober 2011 te [woonplaats], opzettelijk mishandelend

- de mond van die [slachtoffer] met zijn hand heeft dichtgehouden, en

- (met kracht) (meermalen) de keel van die [slachtoffer] dicht heeft geknepen en/of dichtgeknepen heeft gehouden, en/of (hard) (meermalen) in de keel van die [slachtoffer] heeft geknepen en

- die [slachtoffer] (met forse kracht) op de neus en/of de mond, althans op het hoofd, heeft geslagen, en

- die [slachtoffer] (hard) bij de armen heeft vastgehouden,

waardoor voornoemde [slachtoffer] letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal

daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten

voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in

zijn verdediging geschaad.

6 De strafbaarheid

6.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

De mensenhandelzaak

Feiten 1, 2 en 3: mensenhandel

Feit 5: mishandeling

De verkrachtingszaak

De eendaadse samenloop van

(A) verkrachting

en

(B subsidiair) mishandeling.

6.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

7 De strafoplegging

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van zes jaren, met aftrek van de tijd die verdachte in verzekering en in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft integrale vrijspraak bepleit. Er is geen strafmaatverweer gevoerd.

Wel heeft de raadsman ter terechtzitting verzocht de voorlopige hechtenis van verdachte op te heffen, waarbij aangetekend werd dat hier niet direct op behoefde te worden besloten.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich gedurende een lange periode schuldig gemaakt aan mensenhandel. Daarnaast heeft hij hetzelfde slachtoffer op brute en vernederende wijze verkracht. Dit zijn zeer ernstige delicten. Verdachte heeft door aldus te handelen een grote inbreuk gemaakt op de lichamelijke en geestelijke integriteit van het slachtoffer, die net achttien jaar was toen ze door verdachte in de prostitutie werd gebracht. Onder meer uit hetgeen in de schriftelijke slachtofferverklaring naar voren is gekomen, blijkt dat zij nog steeds ernstige psychische klachten ondervindt van hetgeen haar is overkomen. Uit medische gegevens blijkt voorts dat zij een depressieve stoornis heeft en een posttraumatische stressstoornis (slaapproblemen, verhoogde prikkelbaarheid, concentratieproblemen, herbelevingen tijdens dromen). Volledig herstel wordt door de GZ-psycholoog niet waarschijnlijk geacht.

Verdachte heeft zich geen enkele rekenschap gegeven van de mogelijke gevolgen die het slachtoffer zou ondervinden als gevolg van zijn handelen: hij heeft zich louter laten leiden door zijn eigen financieel gewin. De rechtbank rekent hem dit zwaar aan.

Met betrekking tot de persoon van de verdachte heeft de rechtbank rekening gehouden met

- een de verdachte betreffend uittreksel uit het justitiële documentatieregister d.d. 25 november 2012, waaruit blijkt dat verdachte, al weer wat langer geleden, eerder is veroordeeld voor een geweldsdelict, belediging en een Opiumwetfeit. Ook is verdachte, aan het begin van de periode van de thans bewezen verklaarde feiten, veroordeeld door de kantonrechter;

- een de verdachte betreffend reclasseringsadvies van Reclassering Nederland d.d. 26 maart 2012, verwijzend naar een reclasseringsrapport d.d. 29 november 2011, opgesteld door

L. van den Heuvel;

- een de verdachte betreffend psychologisch rapport d.d. 18 november 2011, opgesteld door mw. M.H. Enklaar, psycholoog.

Uit de reclasseringsadviezen blijkt dat verdachte verschillende HBO-opleidingen heeft gevolgd, maar deze niet heeft afgemaakt. Hij raakte naar eigen zeggen gedemotiveerd, omdat mensen een verkeerd beeld van hem hebben. Hij heeft weinig werkervaring. Verdachte heeft schulden wegens onterecht ontvangen studiefinanciering. Hij komt uit een goed milieu: al zijn broers en zussen hebben een goede baan. Hij kan altijd bij hen terecht voor steun en onderdak. In zijn vriendengroep is hij de enige zonder afgeronde vervolgopleiding. Hij gebruikt maandelijks cocaïne en rookt af en toe een joint. Alcohol is geen probleemgebied, zo verklaart hij. Verdachte erkent zijn leven niet op orde te hebben, maar lijkt de schuld daarvan vooral bij de maatschappij te leggen. Hij zegt geen agressie te gebruiken, tenzij hij fysiek wordt uitgedaagd of geprovoceerd. Het recidiverisico kan niet worden ingeschat. De reclassering onthoudt zich van een strafadvies. Er zijn geen interventies, behandelingen of bijzondere voorwaarden geïndiceerd.

Uit het psychologisch onderzoek (opgemaakt in de verkrachtingszaak) blijkt dat verdachte niet wil meewerken aan het onderzoek. Wanneer wordt gevraagd naar de redenen geeft hij aan “ik denk niet dat er iets met mij aan de hand is”.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank een gevangenisstraf van aanzienlijke duur op zijn plaats. De rechtbank neemt het verdachte bijzonder kwalijk dat hij op geen enkele manier berouw heeft getoond. Eerder lijkt hij zich een slachtofferrol aan te meten. Mede vanwege het gebrek aan informatie over zijn persoonlijke omstandigheden die daartoe aanleiding zouden kunnen geven, ziet de rechtbank geen ruimte voor een andere of lichtere sanctie.

Alles afwegend komt de rechtbank tot het oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf voldoende recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. Het door de verdediging ter terechtzitting ingediende verzoek tot opheffing van de voorlopige hechtenis zal dan ook worden afgewezen.

8 De benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van in totaal € 232.214,31 voor alle ten laste gelegde feiten. De vordering bestaat uit medische kosten (€ 461,25), reiskosten (€ 197,06) en overige kosten zoals de algemene prostitutieopbrengsten

(€ 214.000), kapperskosten (€ 31) en telefoonkosten (€ 25) en een vordering wegens immateriële schade ter hoogte van € 17.500.

De materiële schade van de benadeelde partij [slachtoffer] is door de rechtbank als volgt vastgesteld.

Prostitutieopbrengsten

Verdiensten

Aangenomen kan worden dat [slachtoffer] ten minste 214 maal een kamer heeft gehuurd in Villa Tinto, alwaar zij per avond minimaal € 800 moest verdienen. Weliswaar mocht ze wel eens gedeeltelijk verdiensten zelf houden en heeft zij hiervan enkele goederen gekocht, maar ook heeft zij wel eens meer verdiend dan € 800 per avond. Die beide omstandigheden zijn in de vaststelling van € 800 per avond verdisconteerd. De totale verdiensten van [slachtoffer] kunnen dus in redelijkheid op € 171.200 worden vastgesteld.

Voor de prostitutie gemaakte kosten

De feitelijke (materiële) schade van de benadeelde partij is lager dan het verlies van de totale verdiensten. De navolgende kosten moeten van de totale verdiensten worden afgetrokken:

€12.860 - kosten voor kamerhuur bij Villa Tinto,

€ 2.140 - een schatting van de kosten voor voorbehoedmiddelen,

€4.975,50 - de kosten voor de hotelovernachtingen (214 dagen werken betekent minstens

107 overnachtingen, uit nota’s die zich in het dossier bevinden blijkt dat een

eenpersoonskamer € 46,50 per nacht kost),

€ 3.638 - de reiskosten (107 retourtjes à € 34 per retour)

Toegewezen zal derhalve worden een bedrag van € 147.586,50.

Overige posten

De overige posten, bestaande uit medische kosten (€ 5.461,25), reiskosten (€ 197,06) kapperskosten (€ 31) en telefoonkosten (€ 25), zijn niet door de verdediging betwist. De rechtbank zal deze posten dan ook, nu deze de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voorkomen toewijzen, voor een bedrag van in totaal € 714,31.

Immateriële schade

Voor wat betreft de immateriële schade is de rechtbank van oordeel dat het door [slachtoffer] gevorderde bedrag van € 17.500 naar algemene ervaringsregelen billijk is.

Conclusie

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 165.800,81 een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten, waarvan € 148.300,81 ter zake van materiële schade en € 17.500,- ter zake van immateriële schade en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 3 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

Bijkomende beslissingen

Voor het overige zal de rechtbank aangeefster niet ontvankelijk verklaren in haar vordering. Verdachte zal in de kosten van rechtsbijstand die [slachtoffer] heeft gemaakt worden veroordeeld, tot op heden begroot op nihil.

Schademaatregel

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen. Deze maatregel zal echter, gelet op het restitutierisico dat de Staat loopt bij oplegging van de schademaatregel over het gehele toegewezen bedrag, slechts worden toegewezen tot een bedrag van € 50.000,-. Bij deze beslissing heeft meegespeeld de overweging dat bij afzonderlijk vonnis de vordering tot ontneming van wederrechtelijk verkregen voordeel grotendeels zal worden toegewezen, zodat de Staat ook uit hoofde van dat vonnis voldoende dwangmiddelen ten dienste staan om het bedrag te incasseren. De rechtbank gaat er daarbij van uit dat voor zover het uit hoofde van dat ontnemingsvonnis geïncasseerde bedrag (het dan reeds uit de kas van het Schadefonds Geweldsmisdrijven uitgekeerde bedrag van) € 50.000,- overstijgt, dit aan [slachtoffer] zal worden uitgekeerd.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 55, 57, 63, 242, 273f en 300 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het in de zaak met parketnummer 16/657254-12, onder 4, primair en subsidiair ten laste gelegde;

- spreekt verdachte vrij van het in de zaak met parketnummer 16/600964-11, onder B primair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 5.7 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

in de zaak met parketnummer 16/600964-11

De eendaadse samenloop van

(A) verkrachting

en

(B subsidiair) mishandeling;

in de zaak met parketnummer 16/657254-12

Feiten 1, 2 en 3: mensenhandel

Feit 5: mishandeling

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 6 (ZES) JAREN;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partij

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 165.800,81, waarvan € 148.300,81 ter zake van materiële schade en € 17.500,- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 3 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening en verklaart aangeefster voor het overige niet ontvankelijk in haar vordering;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 50.000,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 285 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- wijst af het verzoek strekkende tot opheffing van de voorlopige hechtenis van verdachte.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en mr. M.A.E. Somsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. H.H. Balk, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 december 2012.