Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7116

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
16/711498-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag. Verdachte en zijn medeverdachte zijn de woning van een bejaarde man binnengedrongen met de bedoeling om geld uit die woning weg te nemen. Daarbij hebben zij niet geschroomd om het risico op de koop toe nemen dat een ander hierbij zou komen te overlijden.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711498-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1981] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in P.I. Utrecht – Huis van Bewaring locatie Nieuwegein, Nieuwegein,

raadsman mr. W.J. Ausma, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 21 november 2012 en 10 december 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

feit 1: samen met een ander een (gekwalificeerde) doodslag heeft gepleegd dan wel dat verdachte samen met een ander heeft ingebroken in de woning van [slachtoffer] waarbij geweld is gebruik tegen [slachtoffer] waarna [slachtoffer] is overleden (in diverse varianten aan verdachte ten laste gelegd);

feit 2: een revolver en scherpe munitie voorhanden heeft gehad.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de feiten onder 1 subsidiair (medeplegen van gekwalificeerde doodslag) en 2 heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van het eerste feit op de tenlastelegging heeft de verdediging een primair en een subsidiair standpunt ingenomen. Primair heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Daartoe heeft de raadsman aangevoerd dat bij het aangetroffen DNA-mengprofiel sprake kan zijn van secundaire overdracht waardoor het aantreffen van het DNA-mengprofiel niet veelzeggend is. Daarnaast heeft de raadsman – ter onderbouwing van zijn primair ingenomen standpunt – enkele opmerkingen gemaakt over de bewijswaarde van een DNA-mengprofiel zodat, naar de mening van de raadsman, niet kan worden geconcludeerd dat de donor van het celmateriaal bij het onderzochte feit is betrokken. Zelfs indien ervan wordt uitgegaan dat het gevonden DNA-materiaal met zekerheid van verdachte is, dan nog zou dit niet bewijzen dat verdachte in de woning van slachtoffer [slachtoffer] aanwezig is geweest, aldus de raadsman. Voorts is de raadsman van mening dat directe betrokkenheid van verdachte bij het feit evenmin is af te leiden uit de door de officier van justitie naar voren gebrachte bewijsmiddelen, zoals (ondermeer) de OVC-gesprekken met medeverdachte [medeverdachte 1]. Volgens de raadsman heeft verdachte de door de officier van justitie genoemde bewijsmiddelen op een aannemelijke manier weerlegd.

De raadsman stelt zich daarom primair op het standpunt dat verdachte ten aanzien van alle ten laste gelegde varianten dient te worden vrijgesproken nu verdachte op de bewuste avond geen enkele rol heeft vervuld. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat hooguit sprake kan zijn van een bewezenverklaring van poging tot gekwalificeerde diefstal de dood ten gevolge hebbend. Ter onderbouwing van zijn standpunt heeft de raadsman gewezen op de uitspraak van het gerechtshof te Arnhem van 8 juni 2012 (LJN BW8640).

De raadsman heeft geen inhoudelijke opmerkingen gemaakt ten aanzien van feit 2.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

4.3.1 Ten aanzien van feit 1:

Inleiding

Het aantreffen van [slachtoffer]

Op 19 juni 2011 is de 80-jarige [slachtoffer] (verder: [slachtoffer] op de grond in de slaapkamer van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] aangetroffen. De beide polsen van [slachtoffer] waren met tierips (kabelbinders) aan elkaar gebonden. Deze tierips waren ook onderling kruislings aan elkaar verbonden door de tierips door elkaar te steken. De enkels van [slachtoffer] waren met duct tape gebonden. De duct tape was om de enkels en ook tussen de benen door gewikkeld. Over de mond van [slachtoffer] waren stroken duct tape geplakt. Deze stroken hebben de neusgaten van [slachtoffer] niet geblokkeerd. Uit de neusgaten van [slachtoffer] was bloed gelopen. Ook was er schuim zichtbaar in beide neusgaten. Het overlijden van [slachtoffer] werd vastgesteld.

Tegen de zijgevel van de woning van [slachtoffer] is een aluminium ladder aangetroffen die reikte tot het geopende slaapkamerraam van [slachtoffer].

De doodsoorzaak

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] zijn bevindingen vastgesteld die passen bij een overlijden door verstikking door het afplakken van de mond (‘belemmering van de luchtwegen’) hetgeen heeft geleid tot algehele weefselschade door zuurstofgebrek. Daarnaast zijn bevindingen vastgesteld die passen bij het uitoefenen van geweld op de mond. Er zijn letsels aan tong en lippen gezien die bij leven zijn ontstaan door de inwerking van uitwendig mechanisch botsend, al dan niet gecombineerd met samendrukkend geweld op de mond zoals bij belemmeren of smoren met structuren zoals tape. Bij de sectie is geen andere oorzaak voor het overlijden gevonden. Uit de uitkomsten van het toxicologisch onderzoek kan het overlijden van [slachtoffer] niet worden verklaard.

4.3.2 Forensisch onderzoek

Onderzoek op de plaats delict (PD)

Onderzoek in en om de woning

Tijdens het forensisch onderzoek in en om de woning van [slachtoffer] zijn geen sporen van braak aangetroffen. De benedenverdieping van de woning is onverstoord gebleken. Op de binnen- en buitenzijde van de raamkozijnen van de slaapkamer waarin [slachtoffer] is aangetroffen, zijn handschoensporen gevonden. Deze sporen worden verklaard door het in- en uitklimmen via dit raam. Een aantal kamers op de bovenverdieping is doorzocht. In deze ruimten zijn eveneens handschoensporen gevonden. Deze sporen lijken terug te brengen tot de afdrukken van minimaal twee verschillende soorten handschoenen. Uit de woning zijn geen goederen of geldbedragen ontvreemd.

De ladder

De zoon van [slachtoffer], getuige [slachtoffer], heeft hierover verklaard dat hij een vreemde ladder zag staan toen hij bij de woning van zijn vader aankwam op 19 juni 2011. Op 18 juni 2011 om 22.30 stond deze ladder er nog niet. Een buurvrouw, getuige [getuige 1], heeft verklaard dat zij de ladder voor het eerst zag staan op 19 juni 2011 om 07.30 uur.

DNA-onderzoek

De ladder is veiliggesteld voor nader onderzoek. De ladder is eerst in zijn geheel binnen in de woning geplaatst, de twee uiteinden van de ladder zijn verwijderd en ingezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut.

Op de beide uiteinden van de ladder zijn microvezeldoekjes aangetroffen, die waren omwikkeld (vastgezet) met duct tape. Deze doekjes zijn eerst bemonsterd terwijl deze nog om de uiteinden van de ladder waren bevestigd. Van de beide uiteinden van de ladder zijn aanvankelijk de delen van de stukken textiel die niet door tape zijn bedekt, bemonsterd.

In van deze bemonsteringen, voorzien van de kenmerken AADO1068NL#01 (linkeruiteinde van de ladder) en AADO1069NL#01 (rechteruiteinde van de ladder), is respectievelijk een onvolledig DNA-mengprofiel en een complex DNA-mengprofiel gevonden. .

Na verwijdering van de duct tape zijn de microvezeldoekjes in zijn geheel aan beide zijden bemonsterd (de sporen met kenmerken AADO1068NL# 04 en AADO1068NL#05 en AADO1069NL# 04 en AADO1069NL#05).

De bemonstering AADO1068NL#05 bevat een afgeleid DNA-hoofdprofiel van één persoon en zwak aanwezige DNA-kenmerken van minimaal één andere persoon. Uit de relatief hoge pieken in dit profiel kan op basis van het verschil in piekhoogte, een combinatie van DNA-kenmerken worden afgeleid die naar verwachting afkomstig is van één mannelijke donor, van wie relatief veel celmateriaal in de bemonstering aanwezig is. Het DNA-profiel van [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1]) matcht met dit afgeleide DNA-hoofdprofiel. Dit betekent dat hij donor kan zijn van het celmateriaal in deze bemonstering met een berekende frequentie van één op één miljard.

De bemonstering AADO1069NL#01 bevat een relatief grote hoeveelheid celmateriaal van minimaal twee en maximaal vier personen daarnaast mogelijk een geringe hoeveelheid celmateriaal van minimaal één andere persoon. Uit het DNA-profiel kunnen geen DNA-profielen van individuele celdonoren worden afgeleid. Wel zijn alle kenmerken uit de DNA-profielen van het slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [verdachte] (verder: verdachte) ook waargenomen in dit DNA-mengprofiel. Hieruit wordt geconcludeerd dat [slachtoffer] en verdachte donoren kunnen zijn van een deel van het celmateriaal in deze bemonstering. De kans dat een willekeurig gekozen persoon matcht met de reproduceerbare DNA-kenmerken in dit DNA-mengprofiel is ongeveer één op drie miljoen.

Ter terechtzitting heeft deskundige J.Klaver verklaard dat dit inhoudt dat bij een vergelijking van drie miljoen willekeurige personen met dit profiel, het één persoon zou overkomen dat diens DNA-profiel overeenkomt met dit mengprofiel.

De bemonstering AADO1069NL#04 bevat een DNA-mengprofiel waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal drie personen. Uit dit DNA-profiel kunnen evenmin DNA-profielen van individuele celdonoren worden afgeleid omdat er geen pieken zijn die op basis van hun hoogte één duidelijke afzonderlijke groep vormen die aan één of twee personen toewijsbaar zijn. Op basis van piekhoogte is het voor de deskundige mogelijk gebleken om een onderscheid te maken tussen DNA-kenmerken die mogelijk afkomstig kunnen zijn van prominente celdonoren (de hoge pieken) en DNA-kenmerken die in ieder geval niet afkomstig kunnen zijn van prominente celdonoren (de lage pieken). Naar verwachting bevat deze selectie in ieder geval alle DNA-kenmerken van de persoon die relatief het meeste celmateriaal aan de bemonstering heeft bijgedragen.

De DNA-profielen van verdachte en [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 2]) matchen met de prominente DNA-kenmerken in dit DNA-mengprofiel. De kans dat een willekeurig gekozen persoon matcht met de reproduceerbare DNA-kenmerken uit het DNA-mengprofiel met kenmerk AADO1069NL#04 is ongeveer één op dertig miljoen.

Deskundige J. Klaver heeft ter terechtzitting verklaard dat alle DNA-kenmerken van verdachte en [medeverdachte 2] matchen met de prominente pieken. Dat betekent dat alle DNA-kenmerken van verdachte en [medeverdachte 2] zichtbaar zijn in dit DNA-mengprofiel. De kans dat dit zich voordoet is ongeveer één op dertig miljoen, waarmee uitdrukking wordt gegeven aan de bijzonderheid van het voorkomen van een specifieke combinatie van DNA-kenmerken.

Niet is gebleken dat het slachtoffer de ladder zelf heeft aangeraakt. De rechtbank beschouwt deze resultaten van de DNA-onderzoeken, met de kans dat het slachtoffer donor is van het celmateriaal van één op drie miljoen, daarom als belangrijke aanwijzing dat DNA-materiaal van het slachtoffer van binnen naar buiten is gebracht. In hetzelfde mengprofiel AADO1069NL#01 zijn alle dna-kenmerken aangetroffen die overeenkomen met die van verdachte [verdachte] met matchkans van één op drie miljoen.

4.3.3 Afgeluisterde gesprekken

De rechtbank heeft voorts acht geslagen op onderstaande afgeluisterde gesprekken.

Bureau Hengeveld

Op 31 augustus 2011 is om 18.30 uur tijdens een uitzending van Bureau Hengeveld, het opsporingsprogramma van de regionale televisiezender RTV Utrecht, aandacht besteed aan het overlijden van [slachtoffer] op 19 juni 2011. Voor aanvang van deze uitzending hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] onderstaand afgeluisterd telefoongesprek gevoerd.

[medeverdachte 1]: Oké….nee want ik ben onderweg, je weet toch. Ik had effe wat dingen…wat andere….weet je. Maar ik ben onderweg.

[verdachte]: Hoe bedoel je? Wat is belangrijker, wat is belangrijker? Dit toch!

(….)

[medeverdachte 1]: Nee, nee, nee ik ben onderweg man.

(.…)

[verdachte]: Kom op man bretta man. Half zeven is die ding man. Je maakt grapje jongen. Je doet alsof het niks is ….. hallo!

(….)

[verdachte]: Die ding is half zeven. Daarom ben ik hier gekomen toch! Ik stress me de kanker.

OVC-gesprekken in de auto van medeverdachte [medeverdachte 1]

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben gesprekken gevoerd in de auto van [medeverdachte 1]. Deze gesprekken zijn in de periode van 9 tot en met 30 september 2011 afgeluisterd. De rechtbank wijst op onderstaande passages uit deze gesprekken.

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben gesproken over een ladder.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft hierover gezegd: ‘Nee maar daarom moet die ladder dan dat stukje moet je gewoon mij laten’, waarop verdachte heeft geantwoord: ‘Maar ik kan het niet aan jou laten. Is mijn fucking leven vriend. Ja’.

Ook is gesproken over het ‘voor de spiegel zetten’.

[verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte): Als we achter die spiegel moeten gaan staan.

[medeverdachte 1]: Ja maar weet je wat het is, dan nog, je moet één ding onthouden. Je moet niet denken van: ok ik zag die (ntv) nou ben ik de lul.

[verdachte]: Maar

[medeverdachte 1]: Nee hoe kan (ntv) vriend. Niemand heeft jou gezien daar naar binnen.

En over het artikel dat wordt ten laste gelegd.

[verdachte]: Advocaat ook gewoon bek dicht je weet toch.

[medeverdachte 1]: Maar de advocaat zit helemaal zo: Wat voor artikel? Wat? En dan is het net om die show van dat ze zeggen (ntv)

(…)

[medeverdachte 1]: Want kijk dat is het ook nog eens een keer he. Wat gaan ze jou ten laste leggen? Dat gaat sowieso over die roofmoord dit en dat van alles gaan ze zetten je weet toch (…) Niet het gevoel krijgt van want weet je wat het is er is altijd een twijfel zolang er niemand praat is er altijd een twijfel. En twijfel daar wil ik duizend procent gebruik van maken.

Later is gesproken over hetgeen de advocaat zal zeggen.

[medeverdachte 1]: Maar nee man dood door schuld wat al betekent dat een hele (ntv) misschien max max 8-9. Snap je? Max. Wat er max op staat, je weet toch? En dan kunnen ze….of misschien laat zeggen max 12, max 12 op je weet toch. Dat is nou gevolg want je weet van oké (ntv) en dan ga je gewoon vechten. Nee ik ga voor vrij vriend.

[verdachte]: Nee jongen gewoon dood door schuld.

[medeverdachte 1]: Ik ga voor vrij.

[verdachte]: Dood door schuld ja.

[medeverdachte 1]: Nee ik ga voor vrij. Maar ik bedoel, dan weet je nog niet van, want dat is wat je had verklaard, was is (ntv) hij gaat nu die punt gaat ‘ie proberen aan te vechten. En daarna gaat ‘ie komen met: Oké jullie zeggen dit jullie dit jullie zeggen waar is het bewijs dat dit oké 20 al kom je met 100 mensen die mij hebben gezien?

(…)

[medeverdachte 1]: Op het moment dat ik daar naar binnen ben gekropen was er geen omschrijving (…) Ja een hele dag erover heen. Een hele dag later pas. Dus dat betekent niet één iemand heeft ook maar eens gezien van ons toen we weggingen of….Waarom? Anders waren ze al daar bij dinges eerlijk is eerlijk. Ze zien mensen wegrennen, ze zien een trap daar dan direct al schakelen (ntv) of ze gaan bellen of iets.

Op 13 september 2011 hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] met elkaar gesproken over het leven in de gevangenis.

[verdachte]: dat is het kijk als het nou nog voor een torie was van d’r zijn een paar boys kapot gemaakt dan zou het anders zijn maar dan denken ze van hé het zijn echte.

[medeverdachte 1]: Ja.

[verdachte]: Het zijn echte criminelen die zijn echt voor gegaan.

[medeverdachte 1]: Nee het zijn gewoon van die flikkers, die eh durf je wel, durf jij maatje wat bedoel je durf je wel.

[verdachte]: Jongen die is wat je op tv kijkt je bent een laffe kankerflikker wat is dat voor aktie man.

[medeverdachte 1]: (….) Nee natuurlijk ga je denken wat een laffe aktie want ze praten over een ….niet niet per ongeluk…..Nee je hebt gewoon die man letterlijk bij zijn neus gepakt en gewoon euuhhhh

[verdachte]: (zucht) en afgemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de aard en de inhoud van deze afgeluisterde gesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] dat zij uit eigen wetenschap met elkaar spreken over hetgeen zich op 19 juni 2011 in en om de woning van slachtoffer [slachtoffer] heeft afgespeeld.

4.3.4 Getuigenverklaringen

De verklaring van getuige [getuige 2]

De getuige [getuige 2] (de moeder van medeverdachte [medeverdachte 2]) heeft verklaard dat [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) door [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]) is opgehaald en dat [medeverdachte 2] heeft verteld dat hij alleen de trap heeft vastgehouden. [medeverdachte 2] is beneden gebleven en ‘ze’ zijn naar boven gegaan via het raam. Toen ze klaar waren zijn ze naar beneden gekomen en ze hadden niets. [medeverdachte 2] stond beneden. Getuige [getuige 2] vond dit dom van [medeverdachte 2]. Degenen die naar boven zijn geklommen hebben een doekje op het gezicht van die man gezet. Ze hadden handschoenen aan. Familie van de man zelf zou de tip hebben gegeven, maar niet aan [medeverdachte 2]. Ze dachten dat zij geld konden vinden. Volgens getuige [getuige 2] heeft [medeverdachte 2] het ook aan zijn vader verteld. Toen [getuige 2] nogmaals als getuige is gehoord heeft zij wederom verklaard dat [medeverdachte 2] heeft gezegd dat ‘ze’ maskers en handschoenen aanhadden. De twee die naar boven zijn gegaan zijn via het raam naar binnen gegaan. Toen zij naar buiten kwamen zeiden zij dat ze niets hadden gevonden.

In een afgeluisterd telefoongesprek heeft getuige [getuige 2] aan een derde verteld dat zij ‘alles heeft verteld zoals het is’ tijdens het verhoor.

De verklaring van getuige [getuige 3]

De vader van medeverdachte [medeverdachte 1], getuige [getuige 3] heeft verklaard dat [medeverdachte 2] is komen zeggen dat hij daar was om mee te gaan. Zij zijn in dat huis gegaan met z’n tweeën. [medeverdachte 2] heeft de trap in de auto vastgehouden tot in Zeist, waarna ze de trap hebben uitgeladen. [medeverdachte 2] is niet in het huis gegaan, dat waren [medeverdachte 1] en die andere jongen. [medeverdachte 1] is daar gebleven met zijn kale compagnon. Getuige [medeverdachte 1] heeft ook verklaard dat hij ‘via via’ heeft gehoord dat ze bij die man terecht zijn gekomen via familie van die man zelf. De man van die familieleden is nog niet gepakt. Volgens getuige [medeverdachte 1] heeft hij alles van [medeverdachte 2] gehoord nadat [medeverdachte 1] was aangehouden.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft in een gesprek met zijn moeder en zijn broer gezegd dat hij niet had gedacht dat zijn vader zou gaan praten en dat hij had gedacht dat zijn vader ‘gewoon’ zijn mond zou dichthouden.

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van deze getuigen.

Getuige [getuige 3] is overleden, nog voordat hij bij de rechter-commissaris (nader) kon worden verhoord in het bijzijn van de verdediging. De verdediging heeft ten aanzien van de verklaring van getuige [getuige 3] aangevoerd dat deze verklaring om die reden niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

De rechtbank overweegt hierover dat er geen sprake is van een situatie waarin het ondervragingsrecht van de verdediging zodanig is beperkt dat gebruik van deze verklaring in strijd zou zijn met de waarborgen voor een eerlijk proces. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van getuige [getuige 3] voldoende steun in andere bewijsmiddelen.

De verklaring van verdachte

Verdachte heeft ter terechtzitting toegegeven dat hij van [A] (de rechtbank begrijpt: de neef van slachtoffer [A] heeft gehoord over een man uit de familie van [A] met een eigen slagerij. Deze man zou over geld beschikken. Verdachte heeft ook verklaard dat hij, nadat hij dit van [A] had gehoord, heeft gepost bij de slagerij aan het [plein] te [woonplaats] en later ook bij de woning van slachtoffer [slachtoffer] omdat hij, na het horen van het verhaal van [A], het plan had opgevat om de woning van [slachtoffer] binnen te gaan om er geld te halen. Over het posten bij de woning en de slagerij heeft verdachte verklaard dat hij dit samen met medeverdachte [medeverdachte 1] heeft gedaan.

Uit onderzoek is gebleken dat verdachte de telefoonnummers van ‘[A]’ en ‘[A]’ uit zijn telefoon heeft gewist. Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben dit samen besproken. De rechtbank wijst op onderstaand afgeluisterd gesprek.

[verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte): En de volgende stap is bruikbare tip. Dus dan moet zeg maar. Ze willen die vuur aandraaien snap je van dan die persoon gaat denken van hé daarom moet ik misschien toch een keer. Én ik heb niets gepakt. Kankerlijer. Fucker. Je weet toch. Ik ga echt niet zitten voor hun. Dat is die shit.

[medeverdachte 1]: Ja precies.

[verdachte]: Snap je. Dikke lul man. Ik heb die nummer van die man alles net meteen uit mijn telefoon gewist alles.

Hierover heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat dit gesprek betrekking heeft op [A] wiens telefoonnummers hij heeft gewist.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van de verklaring van verdachte

Verdachte heeft voorts ook verklaard dat hij niet aan de uitvoering van zijn plan is toegekomen omdat een ander hem voor is geweest. Volgens verdachte is hij vaak in de omgeving van de woning van [slachtoffer] geweest en was hij om die reden bang voor herkenning nadat hem duidelijk was geworden wat er in de woning van [slachtoffer] was voorgevallen op 19 juni 2011. Ten aanzien van de gesprekken die verdachte met medeverdachte [medeverdachte 1] in diens voertuig heeft gevoerd, heeft verdachte verklaard dat die gesprekken neerkomen op speculeren over de mogelijke gebeurtenissen in de woning van [slachtoffer] op 19 juni 2011.

Naar het oordeel van de rechtbank is deze verklaring van verdachte, gelet op de hierboven aangehaalde inhoud van het dossier, niet aannemelijk geworden. Ten aanzien van de afgeluisterde gesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] in diens auto heeft de rechtbank voorts van belang geacht dat deze gesprekken in de beslotenheid van een voertuig zijn gevoerd terwijl verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zich onbespied waanden. Verdachte en zijn medeverdachte hebben, naar het oordeel van de rechtbank, vrijelijk en in alle openheid over hun aandeel in het gebeurde op 19 juni 2011 gesproken. De verklaring van verdachte inhoudende dat zij bespraken wat er gebeurd zou kunnen zijn, acht de rechtbank om die reden niet aannemelijk geworden.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van de resultaten van het DNA-onderzoek

De raadsman heeft aangevoerd dat het DNA-materiaal van verdachte door secundaire overdracht op de microvezeldoekjes die op de uiteinden van de ladder waren bevestigd, terecht kan zijn gekomen door een niet nader aangeduide medeverdachte. De raadsman heeft daarbij niet aangegeven over welke van de twee aangetroffen mengprofielen waarvan verdachte de donor kan zijn, hij spreekt. Zoals hiervoor aangegeven zijn er op de uiteinden van de ladder twee verschillende DNA-mengprofielen aangetroffen waarin alle DNA-kenmerken van verdachte zijn aangetroffen.

De rechtbank acht ten aanzien van de aangetroffen DNA-mengprofielen van belang dat het onderscheidend vermogen van de gevonden DNA-kenmerken in de DNA-mengprofielen is berekend op de kans van 1 op drie miljoen (AADO1069NL#01) en op de kans van 1 op dertig miljoen (AADO1069NL#04) dat een toevallige onbekende niet aan verdachte verwante persoon op dezelfde wijze als verdachte matcht met de aangetroffen kenmerken. De rechtbank is daarom van oordeel dat de onderzochte DNA-mengprofielen, in onderling verband en samenhang bezien met de inhoud van de overige aangehaalde bewijsmiddelen, belastende bewijswaarde hebben.

De rechtbank overweegt dat uit hetgeen de verdediging heeft aangevoerd noch uit het dossier aannemelijk is geworden dat er sprake is geweest van secundaire overdacht. De rechtbank acht het door de raadsman aangevoerde scenario dan ook niet aannemelijk en verwerpt het verweer.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van het voorgaande, te weten de resultaten van het DNA-onderzoek, de afgeluisterde gesprekken, de verklaring van verdachte ter terechtzitting en de verklaringen van de getuigen, in onderling verband en samenhang beschouwd, tot het oordeel dat verdachte samen met een ander door gebruik te maken van een ladder via een raam de woning van slachtoffer [slachtoffer] is binnengegaan. [slachtoffer] is in zijn slaapkamer aan de handen en voeten geboeid met tierips en duct tape. De mond van [slachtoffer] is afgeplakt met duct tape. Uit het sectieverslag kan bovendien worden afgeleid dat er geweld is toegepast op de mond van slachtoffer [slachtoffer]. [slachtoffer] is als gevolg van zuurstofgebrek, opgelopen door belemmering van de luchtwegen door geweld/ het afplakken van zijn mond, door verstikking overleden.

De bovenverdieping van de woning van [slachtoffer] is doorzocht. Hierbij zijn de sporen van tenminste twee verschillende soorten handschoenen aangetroffen. Uit de woning van [slachtoffer] zijn geen goederen weggenomen.

Medeplegen

Bij het vorenomschreven handelen van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1]. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] hebben in gezamenlijkheid uitvoering gegeven aan een tevoren bedacht plan, waarbij de rechtbank betekenis heeft toegekend aan de gezamenlijk uitgevoerde voorverkenningen, het regelen van een ladder en het meenemen van duct tape, tierips, mutsen en handschoenen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de rol van verdachte kan worden aangeduid als medeplegen.

Voorwaardelijk opzet

Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] moeten, naar het oordeel van de rechtbank hebben beseft dat het brengen van een (bejaard) slachtoffer in de toestand waarin hij is aangetroffen– met gebonden handen en voeten en afgeplakte mond – kan leiden tot diens dood. Door aldus te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou overlijden en heeft hij die kans blijkens de wijze van handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toe genomen.

Gekwalificeerde doodslag

Nu het gebruikte geweld voor of tijdens de poging tot diefstal zodanig ernstig is geweest dat de rechtbank de conclusie heeft getrokken dat sprake is geweest van het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer], is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer]. Deze doodslag is - blijkens de bewijsmiddelen - immers gepaard gegaan met de poging tot het stelen van geld of goederen uit de woning van [slachtoffer]. De rechtbank zal verdachte derhalve voor dit feit (1 subsidiair) veroordelen.

4.3.5 Ten aanzien van feit 2:

Verdachte heeft het onder 2 ten laste gelegde feit bekend en de verdediging heeft geen vrijspraak bepleit. Onder deze omstandigheden zal de rechtbank met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin, van het Wetboek van Strafvordering volstaan met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht feit 2 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte;

- het proces-verbaal van sporenonderzoek inhoudende de categoriestelling van de aangetroffen munitie en het vuurwapen;

- het proces-verbaal van bevindingen inhoudende de bevindingen van een nader onderzoek aan de munitie en het vuurwapen.

De rechtbank acht derhalve bewezen dat verdachte feit 2 op de tenlastelegging heeft begaan en zij zal hem hiervoor veroordelen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

1.

Subsidiair

op 19 juni 2011 te Zeist tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer 1] van het leven heeft beroofd immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk voornoemde [slachtoffer 1] vastgebonden en gekneveld en de mond gesnoerd, door

- de handen van voornoemde [slachtoffer] vast te binden met tieraps en

- de voeten van voornoemde [slachtoffer] vast te binden met duct tape en

- de mond van voornoemde [slachtoffer] dicht te plakken met duct tape

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] geen/onvoldoende lucht en/of zuurstof heeft

kunnen krijgen en dientengevolge is overleden welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en / of vergezeld en / of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

het tezamen en in vereniging met een ander of anderen ter uitvoering van het door hem verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een

hoeveelheid geld en/of goederen geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer]

- met een ladder door een openstaand slaapkamerraam inklimmen in de woning

van voornoemde [slachtoffer] en

- meerdere ruimtes in voornoemde woning doorzoeken

zijnde de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet voltooid,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die voorgenomen diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en / of aan de andere deelnemers straffeloosheid en / of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

2.

op 30 september 2011 te Breukelen een wapen van categorie III, te weten een revolver en munitie van categorie III, te weten 5 (scherpe) patronen, 7.65 mm, voorhanden heeft gehad.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 1: medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

Feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft vrijspraak van verdachte bepleit. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd dat de rol van verdachte ‘hooguit’ gekwalificeerd zou kunnen worden als poging tot gekwalificeerde diefstal de dood ten gevolge hebbend. Hierbij heeft de raadsman tevens aangevoerd dat er in het geval van verdachte niet in gebleken dat er geweld is gebruikt. Ten slotte heeft de raadsman verzocht om bij het bepalen van de strafmaat rekening te houden met uitlatingen van verdachte in zijn laatste woord en de wijze waarop verdachte tegen de gevolgen van het overlijden van [slachtoffer 1] aankijkt.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag. Verdachte en zijn medeverdachte zijn de woning van een bejaarde man binnengedrongen met de bedoeling om geld uit die woning weg te nemen. Daarbij hebben zij niet geschroomd om het risico op de koop toe nemen dat een ander hierbij zou komen te overlijden. Een dergelijke woningoverval met dodelijke afloop schokt de rechtsorde zeer en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer angst en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben enkel gehandeld uit zelfzucht. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk. Het slachtoffer [slachtoffer 1] is het meest fundamentele recht dat een mens toekomt, het recht op leven ontnomen. De nabestaanden van het slachtoffer is een groot en onherstelbaar verlies en onnoemelijk veel verdriet toegebracht. Daarnaast heeft verdachte een vuurwapen en munitie voorhanden gehad. Ten tijde van zijn aanhouding had verdachte een geladen vuurwapen in zijn broekzak.

Uit de overige stukken in het dossier is voorts gebleken dat verdachte en zijn medeverdachte ook na 19 juni 2011 zijn doorgegaan met het beramen van overvallen. Dat hierbij mogelijk slachtoffers zouden kunnen vallen werd door verdachte bijzonder laconiek opgevat. Verdachte heeft hiermee de indruk gewekt dat het overlijden van [slachtoffer 1] geen enkele indruk op hem heeft gemaakt. Verdachte leek niet van plan zijn handelen en levenswijze aan te passen.

Naar het oordeel van de rechtbank vormt het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan ook de enige passende reactie op de bewezen verklaarde feiten. De rechtbank ziet geen aanleiding om over te gaan tot het opleggen van een andere straf of een vrijheidsstraf van kortere duur. Hierbij heeft de rechtbank mede acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken door deze en andere rechtbanken zijn opgelegd.

7 De benadeelde partij

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] geheel hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedings¬maatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft primair verzocht om de vordering van de benadeelde partij af te wijzen indien de rechtbank zijn betoog mocht volgen. Subsidiair heeft de raadsman zich ten aanzien van de vordering van de benadeelde partij gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 8.489,05 voor feit 1.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de rechtbank de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

8.2 De onttrekking aan het verkeer

De hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen acht de rechtbank vatbaar voor onttrekking aan het verkeer. Deze voorwerpen behoren aan verdachte toe en zijn van zodanige aard dat het ongecontroleerde bezit daarvan in strijd is met de wet en het algemeen belang.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36b, 36d, 36f, 45, 47, 57, 63, 288 van het Wetboek van Strafrecht en de artikelen 26 en 55 van de Wet Wapens en Munitie zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

-spreekt verdachte vrij van het onder 1 primair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

feit 2: handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en handelen in strijd met artikel 26, eerste lid, van de Wet wapens en munitie en het feit begaan met betrekking tot een vuurwapen van categorie III.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van onderstaande in beslag genomen voorwerpen, te weten:

1. telefoon, kleur zwart, LG Gd510 (763043);

2. telefoon, kleur wit, LG Gd510 (763045);

Beslag

- verklaart onttrokken aan het verkeer onderstaande in beslag genomen voorwerpen, te weten:

1. revolver;

2. vijf scherpe patronen (47600);

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van

€ 8.489,05 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 8.489,05 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 77 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. N.E.M. Kranenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 december 2012.