Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7103

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
16/711406-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag. Verdachte en zijn medeverdachte zijn de woning van een bejaarde man binnengedrongen met de bedoeling om geld uit die woning weg te nemen. Daarbij hebben zij niet geschroomd om het risico op de koop toe nemen dat een ander hierbij zou komen te overlijden.

De rechtbank veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/711406-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

thans gedetineerd in P.I. Flevoland – Huis van Bewaring Almere Binnen te Almere,

raadslieden mrs. V.C. van der Velde en M.J. van Weerden, beiden advocaat te Almere.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 21 november 2012 en 10 december 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

samen met een ander een (gekwalificeerde) doodslag heeft gepleegd dan wel dat verdachte samen met een ander heeft ingebroken in de de woning van [slachtoffer] waarbij geweld is gebruik tegen [slachtoffer] waarna [slachtoffer] is overleden (in diverse varianten aan verdachte ten laste gelegd).

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair aan hem ten laste gelegde feit, (medeplegen van gekwalificeerde doodslag), heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Naar de mening van de verdediging dient verdachte te worden vrijgesproken. Daarnaast heeft de verdediging zich op het standpunt gesteld dat hooguit sprake is van poging tot diefstal met geweld. Dit is echter niet aan verdachte ten laste gelegd.

Ter onderbouwing van deze standpunten heeft de verdediging ondermeer aangevoerd dat het scenario zoals dat door verdachte in zijn verklaringen is geschetst – het leveren van de ladder en de doekjes – een aannemelijke is, die bovendien niet wordt weerlegd door de inhoud van het dossier. De verdediging heeft erop gewezen dat de telecomgegevens, de tapgesprekken, de OVC-gesprekken en het aangetroffen DNA-materiaal geen bewijs leveren voor de betrokkenheid van verdachte. Ten aanzien van de verklaringen van de getuigen heeft de verdediging gesteld dat geen sprake is van ooggetuigen en dat het enkel gaat om de auditu-verklaringen waarmee omzichtig moet worden omgegaan. Ten aanzien van de verklaringen van de getuigen [getuige 1], [getuige 2] en [getuige 3] heeft de verdediging bovendien aangevoerd dat deze verklaringen niet voor het bewijs mogen worden gebruikt omdat deze onbetrouwbaar zijn dan wel dat de verdediging haar ondervragingsrecht niet ten volle heeft kunnen benutten.

Subsidiair heeft de verdediging aangevoerd dat geen sprake is van doodslag vanwege het ontbreken van het causale verband tussen het handelen van de verdachten en het overlijden van [slachtoffer]. Evenmin is sprake van voorwaardelijk opzet. Hiervan uitgaand stelt de verdediging dat hooguit sprake is van poging tot diefstal met geweld.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Inleiding

Het aantreffen van [slachtoffer]

Op 19 juni 2011 is de 80-jarige [slachtoffer](verder: [slachtoffer]) op de grond in de slaapkamer van zijn woning aan de [adres] te [woonplaats] aangetroffen. De beide polsen van [slachtoffer] waren met tierips (kabelbinders) aan elkaar gebonden. Deze tierips waren ook onderling kruislings aan elkaar verbonden door de tierips door elkaar te steken. De enkels van [slachtoffer] waren met duct tape gebonden. De duct tape was om de enkels en ook tussen de benen door gewikkeld. Over de mond van [slachtoffer] waren stroken duct tape geplakt. Deze stroken hebben de neusgaten van [slachtoffer] niet geblokkeerd. Uit de neusgaten van [slachtoffer] was bloed gelopen. Ook was er schuim zichtbaar in beide neusgaten. Het overlijden van [slachtoffer] werd vastgesteld.

Tegen de zijgevel van de woning van [slachtoffer] is een aluminium ladder aangetroffen die reikte tot het geopende slaapkamerraam van [slachtoffer].

De doodsoorzaak

Bij sectie op het lichaam van [slachtoffer] zijn bevindingen vastgesteld die passen bij een overlijden door verstikking door het afplakken van de mond (‘belemmering van de luchtwegen’) en door het uitoefenen van geweld op de mond, hetgeen heeft geleid tot algehele weefselschade door zuurstofgebrek. Er zijn letsels aan tong en lippen gezien die bij leven zijn ontstaan door de inwerking van uitwendig mechanisch botsend, al dan niet gecombineerd met samendrukkend geweld op de mond zoals bij belemmeren of smoren met structuren zoals tape. Bij de sectie is geen andere oorzaak voor het overlijden gevonden. Uit de uitkomsten van het toxicologisch onderzoek kan het overlijden van [slachtoffer] niet worden verklaard.

4.3.1 Forensisch onderzoek

Onderzoek op de plaats delict (PD)

Onderzoek in en om de woning

Tijdens het forensisch onderzoek in en om de woning van [slachtoffer] zijn geen sporen van braak aangetroffen. De benedenverdieping van de woning is onverstoord gebleken. Op de binnen- en buitenzijde van de raamkozijnen van de slaapkamer waarin [slachtoffer] is aangetroffen, zijn handschoensporen gevonden. Deze sporen worden verklaard door het in- en uitklimmen via dit raam. Een aantal kamers op de bovenverdieping is doorzocht. In deze ruimten zijn eveneens handschoensporen gevonden. Deze sporen lijken terug te brengen tot de afdrukken van minimaal twee verschillende soorten handschoenen. Uit de woning zijn geen goederen of geldbedragen ontvreemd.

De ladder

De zoon van [slachtoffer], getuige [slachtoffer], heeft hierover verklaard dat hij een vreemde ladder zag staan toen hij bij de woning van zijn vader aankwam op 19 juni 2011. Op 18 juni 2011 om 22.30 stond deze ladder er nog niet. Een buurvrouw, getuige [getuige 4], heeft verklaard dat zij de ladder voor het eerst zag staan op 19 juni 2011 om 07.30 uur.

DNA-onderzoek

De ladder is veiliggesteld voor nader onderzoek. De ladder is eerst in zijn geheel binnen in de woning geplaatst, de twee uiteinden van de ladder zijn verwijderd en ingezonden naar het Nederlands Forensisch Instituut. Op de beide uiteinden van de ladder zijn microvezeldoekjes aangetroffen, die waren omwikkeld (vastgezet) met duct tape. Deze doekjes zijn eerst bemonsterd terwijl deze nog om de uiteinden van de ladder waren bevestigd. Van de beide uiteinden van de ladder zijn aanvankelijk de delen van de stukken textiel die niet door tape zijn bedekt, bemonsterd.

In van deze bemonsteringen, voorzien van de kenmerken AADO1068NL#01 (linkeruiteinde van de ladder) en AADO1069NL#01 (rechteruiteinde van de ladder), is respectievelijk een onvolledig DNA-mengprofiel en een complex DNA-mengprofiel gevonden. .

Na verwijdering van de duct tape zijn de microvezeldoekjes in zijn geheel aan beide zijden bemonsterd (de sporen met kenmerken AADO1068NL# 04 en AADO1068NL#05 en AADO1069NL# 04 en AADO1069NL#05).

De bemonstering AADO1068NL#05 bevat een afgeleid DNA-hoofdprofiel van één persoon en zwak aanwezige DNA-kenmerken van minimaal één andere persoon. Uit de relatief hoge pieken in dit profiel kan op basis van het verschil in piekhoogte, een combinatie van DNA-kenmerken worden afgeleid die naar verwachting afkomstig is van één mannelijke donor, van wie relatief veel celmateriaal in de bemonstering aanwezig is. Het DNA-profiel van [verdachte] (verder: verdachte) matcht met dit afgeleide DNA-hoofdprofiel. Dit betekent dat hij donor kan zijn van het celmateriaal in deze bemonstering met een berekende frequentie van één op één miljard.

De bemonstering AADO1069NL#01 bevat een relatief grote hoeveelheid celmateriaal van minimaal twee en maximaal vier personen daarnaast mogelijk een geringe hoeveelheid celmateriaal van minimaal één andere persoon. Uit het DNA-profiel kunnen geen DNA-profielen van individuele celdonoren worden afgeleid. Wel zijn alle kenmerken uit de DNA-profielen van het slachtoffer [slachtoffer] en verdachte [medeverdachte 1] (verder: [medeverdachte 1]) waargenomen in dit DNA-mengprofiel. Hieruit wordt geconcludeerd dat [slachtoffer] en [medeverdachte 1] donoren kunnen zijn van een deel van het celmateriaal in deze bemonstering. De kans dat een willekeurig gekozen persoon matcht met de reproduceerbare DNA-kenmerken in dit DNA-mengprofiel is ongeveer één op drie miljoen.

Ter terechtzitting heeft deskundige J.Klaver verklaard dat dit inhoudt dat bij een vergelijking van drie miljoen willekeurige personen met dit profiel, het één persoon zou overkomen dat diens DNA-profiel overeenkomt met dit mengprofiel.

De bemonstering AADO1069NL#04 bevat een DNA-mengprofiel waarin DNA-kenmerken zichtbaar zijn van minimaal drie personen. Uit dit DNA-profiel kunnen evenmin DNA-profielen van individuele celdonoren worden afgeleid omdat er geen pieken zijn die op basis van hun hoogte één duidelijke afzonderlijke groep vormen die aan één of twee personen toewijsbaar zijn. Op basis van piekhoogte is het voor de deskundige mogelijk gebleken om een onderscheid te maken tussen DNA-kenmerken die mogelijk afkomstig kunnen zijn van prominente celdonoren (de hoge pieken) en DNA-kenmerken die in ieder geval niet afkomstig kunnen zijn van prominente celdonoren (de lage pieken). Naar verwachting bevat deze selectie in ieder geval alle DNA-kenmerken van de persoon die relatief het meeste celmateriaal aan de bemonstering heeft bijgedragen.

De DNA-profielen van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] (verder: [medeverdachte 2]) matchen met de prominente DNA-kenmerken in dit DNA-mengprofiel. De kans dat een willekeurig gekozen persoon matcht met de reproduceerbare DNA-kenmerken uit het DNA-mengprofiel met kenmerk AADO1069NL#04 is ongeveer één op dertig miljoen.

Deskundige J. Klaver heeft ter terechtzitting verklaard dat alle DNA-kenmerken van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] matchen met de prominente pieken. Dat betekent dat alle DNA-kenmerken van [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] zichtbaar zijn in dit DNA-mengprofiel. De kans dat dit zich voordoet is ongeveer één op dertig miljoen, waarmee uitdrukking wordt gegeven aan de bijzonderheid van het voorkomen van een specifieke combinatie van DNA-kenmerken.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van de DNA-onderzoeken

De rechtbank acht voor de belastende bewijswaarde van de hierboven aangehaalde deskundigenverslagen van belang dat het onderscheidend vermogen van de gevonden DNA-kenmerken van verdachte in het DNA-mengprofiel is berekend op de kans van 1 op één miljard (AADO1068NL#05) dat een toevallige niet aan verdachte verwante persoon op dezelfde wijze als verdachte matcht met de aangetroffen kenmerken. De rechtbank is daarom van oordeel dat het onderzochte DNA-mengprofiel substantiële belastende bewijswaarde heeft.

De verklaring van verdachte, inhoudende dat hij de ladder samen met medeverdachte [medeverdachte 2] enkel heeft vervoerd en dat hij die ladder samen met de doekjes heeft afgegeven, is op geen enkele manier aannemelijk geworden. De rechtbank heeft daarbij mede in aanmerking genomen dat verdachte geen enkele controleerbare verklaring heeft afgelegd over de herkomst van de ladder of de personen aan wie hij deze ladder zou hebben geleverd.

4.3.2 Afgeluisterde gesprekken

Het voorgaande oordeel van de rechtbank wordt nog versterkt door de inhoud van onderstaande afgeluisterde gesprekken.

Bureau Hengeveld

Op 31 augustus 2011 is om 18.30 uur tijdens een uitzending van Bureau Hengeveld, het opsporingsprogramma van de regionale televisiezender RTV Utrecht, aandacht besteed aan het overlijden van [slachtoffer] op 19 juni 2011. Voor aanvang van deze uitzending hebben [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 1] onderstaand afgeluisterd telefoongesprek gevoerd.

[verdachte]: Oké….nee want ik ben onderweg, je weet toch. Ik had effe wat dingen…wat andere….weet je. Maar ik ben onderweg.

[medeverdachte 1]: Hoe bedoel je? Wat is belangrijker, wat is belangrijker? Dit toch!

(….)

[verdachte]: Nee, nee, nee ik ben onderweg man.

(.…)

[medeverdachte 1]: Kom op man bretta man. Half zeven is die ding man. Je maakt grapje jongen. Je doet alsof het niks is ….. hallo!

(….)

Vervolgens heeft verdachte om 18.17 uur contact gezocht met medeverdachte [medeverdachte 2]. Verdachte heeft in dit telefoongesprek het volgende tegen medeverdachte [medeverdachte 2] gezegd:

‘Luister eens zet dat ding er voorlopig op dan kan jij zien wat er aan de hand is ik ben onderweg ik kom eraan (…) Het begint om half zeven (….) Je moet voor mij ernaar kijken ik kom zo naar jou toe. Maar druk gelijk op de knop wanneer ik er ben zodat ik gelijk naar boven kan komen (…) Zet het gelijk op de zender zodat ik het gelijk kan zien wanneer ik er ben’.

OVC-gesprekken in de auto

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben gesprekken gevoerd in de auto van verdachte. Deze gesprekken zijn in de periode van 9 tot en met 30 september 2011 afgeluisterd. De rechtbank wijst op onderstaande passages uit deze gesprekken.

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] hebben gesproken over een ladder. Verdachte heeft hierover gezegd ‘Nee maar daarom moet die ladder dan dat stukje moet je gewoon mij laten’, waarop medeverdachte [medeverdachte 1] heeft geantwoord: ‘Maar ik kan het niet aan jou laten. Is mijn fucking leven vriend. Ja’.

Ook is gesproken over het ‘voor de spiegel zetten’.

[medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 1]): Als we achter die spiegel moeten gaan staan.

[verdachte]: Ja maar weet je wat het is, dan nog, je moet één ding onthouden. Je moet niet denken van: ok ik zag die (ntv) nou ben ik de lul.

[medeverdachte 2]: Maar [verdachte]: Nee hoe kan (ntv) vriend. Niemand heeft jou gezien daar naar binnen.

En over het artikel dat wordt ten laste gelegd.

[verdachte]: Want kijk dat is het ook nog eens een keer he. Wat gaan ze jou ten laste leggen? Dat gaat sowieso over die roofmoord dit en dat van alles gaan ze zetten je weet toch (…) Niet het gevoel krijgt van want weet je wat het is er is altijd een twijfel zolang er niemand praat is er altijd een twijfel. En twijfel daar wil ik duizend procent gebruik van maken.

Later is gesproken over hetgeen de advocaat zal zeggen.

[verdachte]: Maar nee man dood door schuld wat al betekent dat een hele (ntv) misschien max max 8-9. Snap je? Max. Wat er max op staat, je weet toch? En dan kunnen ze….of misschien laat zeggen max 12, max 12 op je weet toch. Dat is nou gevolg want je weet van oké (ntv) en dan ga je gewoon vechten. Nee ik ga voor vrij vriend.

[medeverdachte 2]: Nee jongen gewoon dood door schuld.

[verdachte]: Ik ga voor vrij.

[medeverdachte 2]: Dood door schuld ja.

[verdachte]: Nee ik ga voor vrij. Maar ik bedoel, dan weet je nog niet van, want dat is wat je had verklaard, was is (ntv) hij gaat nu die punt gaat ‘ie proberen aan te vechten. En daarna gaat ‘ie komen met: Oké jullie zeggen dit jullie dit jullie zeggen waar is het bewijs dat dit oké 20 al kom je met 100 mensen die mij hebben gezien?

(…)

[verdachte]: Op het moment dat ik daar naar binnen ben gekropen was er geen omschrijving (…) Ja een hele dag erover heen. Een hele dag later pas. Dus dat betekent niet één iemand heeft ook maar eens gezien van ons toen we weggingen of….Waarom? Anders waren ze al daar bij dinges eerlijk is eerlijk. Ze zien mensen wegrennen, ze zien een trap daar dan direct al schakelen (ntv) of ze gaan bellen of iets.

Op 13 september 2011 hebben verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] met elkaar gesproken over het leven in de gevangenis.

[medeverdachte 1]: dat is het kijk als het nou nog voor een torie was van d’r zijn een paar boys kapot gemaakt dan zou het anders zijn maar dan denken ze van hé het zijn echte.

[verdachte]: Ja.

[medeverdachte 1]: Het zijn echte criminelen die zijn echt voor gegaan.

[verdachte]: Nee het zijn gewoon van die flikkers, die eh durf je wel, durf jij maatje wat bedoel je durf je wel.

[medeverdachte 1]: Jongen die is wat je op tv kijkt je bent een laffe kankerflikker wat is dat voor aktie man.

[verdachte]: (….) Nee natuurlijk ga je denken wat een laffe aktie want ze praten over een ….niet niet per ongeluk…..Nee je hebt gewoon die man letterlijk bij zijn neus gepakt en gewoon euuhhhh

[medeverdachte 1]: (zucht) en afgemaakt.

Naar het oordeel van de rechtbank volgt uit de inhoud van deze afgeluisterde gesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] dat zij uit eigen wetenschap met elkaar hebben gesproken over hetgeen zich op 19 juni 2011 in en om de woning van slachtoffer [slachtoffer] heeft afgespeeld.

Nadere bewijsoverweging ten aanzien van de afgeluisterde gesprekken

Ten aanzien van de afgeluisterde gesprekken tussen verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] in verdachtes auto acht de rechtbank voorts ook van belang dat deze gesprekken in de beslotenheid van een voertuig zijn gevoerd terwijl verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] zich onbespied waanden. Verdachte en zijn medeverdachte hebben, naar het oordeel van de rechtbank, vrijelijk en in alle openheid over hun aandeel in het gebeurde op 19 juni 2011 gesproken. De verklaring van verdachte inhoudende dat zij speculeerden en bespraken wat er gebeurd zou kunnen zijn in overdrachtelijk zin, acht de rechtbank om die reden niet aannemelijk geworden.

De verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1]

Medeverdachte [medeverdachte 1] is ter terechtzitting als getuige gehoord in de zaak tegen verdachte. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat hij van een familielid van slachtoffer [slachtoffer] heeft gehoord dat [slachtoffer] over geld beschikte. Bij medeverdachte [medeverdachte 1] is hierdoor het idee ontstaan om de woning van [slachtoffer] binnen te gaan en om diens geld weg te nemen. Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft voorts ook verklaard dat hij, naar aanleiding van de gesprekken met het familielid van slachtoffer [slachtoffer], bij diens slagerij en later ook diens woning is gaan posten samen met verdachte.

4.3.3 Getuigenverklaringen

De verklaring van getuige [getuige 1]

De getuige [getuige 1] (de moeder van medeverdachte [medeverdachte 2]) heeft verklaard dat [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt: medeverdachte [medeverdachte 2]) door [medeverdachte 1] (de rechtbank begrijpt: verdachte) is opgehaald en dat [medeverdachte 2] heeft verteld dat hij alleen de trap heeft vastgehouden. [medeverdachte 2] is beneden gebleven en ‘ze’ zijn naar boven gegaan via het raam. Toen ze klaar waren zijn ze naar beneden gekomen en ze hadden niets. [medeverdachte 2] stond beneden. Getuige [getuige 1] vond dit dom van [medeverdachte 2]. Degenen die naar boven zijn geklommen hebben een doekje op het gezicht van die man gezet. Ze hadden handschoenen aan. Familie van de man zelf zou de tip hebben gegeven, maar niet aan [medeverdachte 2]. Ze dachten dat zij geld konden vinden. Volgens getuige [getuige 1] heeft [medeverdachte 2] het ook aan zijn vader verteld. Toen [getuige 1] nogmaals als getuige is gehoord heeft zij wederom verklaard dat [medeverdachte 2] heeft gezegd dat ‘ze’ maskers en handschoenen aanhadden. De twee die naar boven zijn gegaan zijn via het raam naar binnen gegaan. Toen zij naar buiten kwamen zeiden zij dat ze niets hadden gevonden.

In een afgeluisterd telefoongesprek heeft getuige [getuige 1] aan een derde verteld dat zij ‘alles heeft verteld zoals het is’ tijdens het verhoor.

De verklaring van getuige [getuige 2]

De vader van [medeverdachte 2], getuige [getuige 2], heeft verklaard dat [medeverdachte 2] is komen zeggen dat hij daar was om mee te gaan. Zij zijn in dat huis gegaan met z’n tweeën. [medeverdachte 2] heeft de trap in de auto vastgehouden tot in Zeist, waarna ze de trap hebben uitgeladen. [medeverdachte 2] is niet in het huis gegaan, dat waren [medeverdachte 1] en die andere jongen. [medeverdachte 1] is daar gebleven met zijn kale compagnon. Getuige [verdachte] heeft ook verklaard dat hij ‘via via’ heeft gehoord dat ze bij die man terecht zijn gekomen via familie van die man zelf. De man van die familieleden is nog niet gepakt. Volgens de getuige [verdachte] heeft hij alles van [medeverdachte 2] gehoord nadat [medeverdachte 1] was aangehouden.

Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft in een gesprek met zijn moeder en zijn broer gezegd dat hij niet had gedacht dat zijn vader zou gaan praten en dat hij had gedacht dat zijn vader ‘gewoon’ zijn mond zou dichthouden.

Nadere bewijsoverwegingen ten aanzien van de getuigenverklaringen

De rechtbank heeft geen reden om te twijfelen aan de betrouwbaarheid van de verklaringen van de getuigen [getuige 1] en [getuige 2]. Daartoe overweegt de rechtbank dat beide getuigen belastende verklaringen hebben afgelegd over hun zoon. De rechtbank acht het niet geloofwaardig dat deze getuigen leugenachtig belastend zouden verklaren over het aandeel van hun zoon. Hierbij heeft de rechtbank mede in aanmerking genomen dat de getuigen [getuige 1] en [getuige 2] over daderwetenschap beschikken. Zij verklaren immers over zaken, zoals het gebruik van handschoenen en de betrokkenheid van een familielid van het slachtoffer, toen dit nog op geen enkele manier naar buiten was gebracht. De aangehaalde gesprekken (telefoongesprek en OVC-gesprek) bevestigen dit betrouwbaarheidsoordeel ten aanzien van de verklaringen van deze getuigen.

[getuige 2] is overleden, nog voordat hij bij de rechter-commissaris (nader) kon worden verhoord in het bijzijn van de verdediging. De verdediging heeft ten aanzien van de verklaring van getuige [verdachte] aangevoerd dat deze verklaring om die reden niet voor het bewijs kan worden gebruikt.

De rechtbank overweegt hierover dat er geen sprake is van een situatie waarin het ondervragingsrecht van de verdediging zodanig is beperkt dat gebruik van deze verklaring in strijd zou zijn met de waarborgen voor een eerlijk proces. Naar het oordeel van de rechtbank vindt de verklaring van getuige [getuige 2] voldoende steun in andere bewijsmiddelen. Hetzelfde heeft te gelden ten aanzien van de bezwaren die de verdediging heeft gemaakt tegen het gebruik maken van verklaringen de auditu, in dit geval de verklaringen van de hiervoor genoemde getuigen, voor de bewezenverklaring.

Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank komt op grond van het voorgaande, te weten de resultaten van het DNA-onderzoek, de afgeluisterde gesprekken, de verklaring van medeverdachte [medeverdachte 1] als getuige ter terechtzitting en de verklaringen van de getuigen, in onderlinge samenhang en verband beschouwd, tot het oordeel dat verdachte samen met een ander door gebruik te maken van een ladder via een raam de woning van slachtoffer [slachtoffer] is binnengegaan.

[slachtoffer] is in zijn slaapkamer aan handen en voeten geboeid met tierips en duct tape. De mond van [slachtoffer] is afgeplakt met duct tape. Uit het sectieverslag kan bovendien worden afgeleid dat er geweld is toegepast op de mond van slachtoffer [slachtoffer]. [slachtoffer] is als gevolg van zuurstofgebrek, opgelopen door belemmering van de luchtwegen door geweld/ het afplakken van zijn mond, door verstikking overleden.

De bovenverdieping van de woning van [slachtoffer] is doorzocht. Hierbij zijn de sporen van tenminste twee verschillende soorten handschoenen aangetroffen. Uit de woning van [slachtoffer] zijn geen goederen weggenomen.

Causaliteit

De verdediging heeft aangevoerd dat het causale verband ontbreekt tussen het handelen van de verdachten en het overlijden van slachtoffer [slachtoffer]. De rechtbank overweegt dat onvoldoende aannemelijk is gemaakt dat de dood is veroorzaakt door een andere oorzaak dan reeds hierboven (onder 4.3) is omschreven. Uit het sectierapport volgt bovendien dat geen andere oorzaak voor het overlijden van [slachtoffer] is gevonden.

Medeplegen

Bij het vorenomschreven handelen van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een nauwe en bewuste samenwerking en een gezamenlijke uitvoering van verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1]. Verdachte en zijn medeverdachte [medeverdachte 1] hebben in gezamenlijkheid uitvoering gegeven aan een tevoren bedacht plan, waarbij de rechtbank betekenis heeft toegekend aan de gezamenlijk uitgevoerde voorverkenningen, aan het regelen van een ladder en het meenemen van duct tape, tierips, mutsen en handschoenen. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de rol van verdachte kan worden aangeduid als medeplegen.

Voorwaardelijk opzet

Verdachte en medeverdachte [medeverdachte 1] moeten, naar het oordeel van de rechtbank hebben beseft dat het brengen van een (bejaard) slachtoffer in de toestand waarin hij is aangetroffen – met gebonden handen en voeten en afgeplakte mond – kan leiden tot diens dood. Door aldus te handelen heeft verdachte zich willens en wetens blootgesteld aan de aanmerkelijke kans dat het slachtoffer zou overlijden en heeft hij die kans blijkens de wijze van handelen ook welbewust aanvaard en op de koop toe genomen.

Gekwalificeerde doodslag

Nu het gebruikte geweld voor of tijdens de poging tot diefstal zodanig ernstig is geweest dat de rechtbank de conclusie heeft getrokken dat sprake is geweest van het opzettelijk van het leven beroven van [slachtoffer], is de rechtbank met de officier van justitie van oordeel dat wettig en overtuigend bewezen is dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gekwalificeerde doodslag op [slachtoffer]. Deze doodslag is - blijkens de bewijsmiddelen - immers gepaard gegaan met de poging tot het stelen van geld of goederen uit de woning van [slachtoffer]. De rechtbank zal verdachte derhalve voor dit feit (1 subsidiair) veroordelen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Subsidiair

op 19 juni 2011 te Zeist tezamen en in vereniging met een ander opzettelijk [slachtoffer] van het leven heeft beroofd immers hebben verdachte en zijn mededader opzettelijk voornoemde [slachtoffer] vastgebonden en gekneveld en de mond gesnoerd, door

- de handen van voornoemde [slachtoffer] vast te binden met tieraps en

- de voeten van voornoemde [slachtoffer] vast te binden met duct tape en

- de mond van voornoemde [slachtoffer] dicht te plakken met duct tape

tengevolge waarvan voornoemde [slachtoffer] geen/onvoldoende lucht en/of zuurstof heeft

kunnen krijgen en dientengevolge is overleden welke vorenomschreven doodslag werd gevolgd en / of vergezeld en / of voorafgegaan van enig strafbaar feit, te weten

het tezamen en in vereniging met een ander of anderen ter uitvoering van het door hem verdachte en zijn mededaders voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met een ander of anderen met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening weg te nemen een

hoeveelheid geld en/of goederen geheel of ten dele toebehorende aan [slachtoffer]

- met een ladder door een openstaand slaapkamerraam inklimmen in de woning

van voornoemde [slachtoffer] en

- meerdere ruimtes in voornoemde woning doorzoeken

zijnde de uitvoering van dit voorgenomen misdrijf niet voltooid,

en welke doodslag werd gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van die voorgenomen diefstal voor te bereiden en / of gemakkelijk te maken en / of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf en / of aan de andere deelnemers straffeloosheid en / of het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 15 jaren met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak van verdachte bepleit.

De verdediging heeft daarnaast, onder verwijzing naar verschillende uitspraken van gerechtshoven en rechtbanken, aangevoerd dat kan worden volstaan met het opleggen van een onvoorwaardelijke gevangenisstraf van kortere duur dan door de officier van justitie is gevorderd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan gekwalificeerde doodslag. Verdachte en zijn medeverdachte zijn de woning van een bejaarde man binnengedrongen met de bedoeling om geld uit die woning weg te nemen. Daarbij hebben zij niet geschroomd om het risico op de koop toe nemen dat een ander hierbij zou komen te overlijden.

Een dergelijke woningoverval met dodelijke afloop schokt de rechtsorde zeer en brengt ook buiten de directe omgeving van het slachtoffer angst en gevoelens van onveiligheid teweeg.

Verdachte en zijn medeverdachte hebben enkel gehandeld uit zelfzucht. De rechtbank neemt verdachte dit zeer kwalijk. Het slachtoffer [slachtoffer] is het meest fundamentele recht dat een mens toekomt, het recht op leven ontnomen. De nabestaanden van het slachtoffer is een groot en onherstelbaar verlies en onnoemelijk veel verdriet toegebracht.

Uit de overige stukken in het dossier is voorts gebleken dat verdachte en zijn medeverdachte ook na 19 juni 2011 zijn doorgegaan met het beramen van overvallen. Dat hierbij mogelijk slachtoffers zouden kunnen vallen werd door verdachte bijzonder laconiek opgevat. Verdachte heeft hiermee de indruk gewekt dat het overlijden van [slachtoffer] geen enkele indruk op hem heeft gemaakt. Verdachte leek niet van plan zijn handelen en levenswijze aan te passen.

Naar het oordeel van de rechtbank vormt het opleggen van een langdurige onvoorwaardelijke gevangenisstraf dan ook de enige passende reactie op het bewezen verklaarde feit. De rechtbank ziet geen aanleiding om over te gaan tot het opleggen van een andere straf of een vrijheidsstraf van kortere duur. Hierbij heeft de rechtbank mede acht geslagen op de straffen die in soortgelijke zaken door deze en andere rechtbanken zijn opgelegd.

7 De vordering van de benadeelde partij

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd om de vordering van benadeelde partij [slachtoffer] geheel hoofdelijk toe te wijzen met oplegging van de schadevergoedings¬maatregel.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft, gelet op het feit dat zij vrijspraak hebben bepleit, verzocht om de vordering van de benadeelde partij niet-ontvankelijk te verklaren dan wel om deze vordering af te wijzen.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 8.489,05.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de rechtbank de vordering tot dat bedrag hoofdelijk zal toewijzen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 Het beslag

8.1 De teruggave aan verdachte

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de hierna in de beslissing genoemde in beslag genomen voorwerpen aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f, 45, 47, 287, 288 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

-spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

medeplegen van doodslag, gevolgd, vergezeld of voorafgegaan van een strafbaar feit en gepleegd met het oogmerk om de uitvoering van dat feit voor te bereiden of gemakkelijk te maken, of om, bij betrapping op heterdaad, aan zichzelf of andere deelnemers aan dat feit hetzij straffeloosheid hetzij het bezit van het wederrechtelijk verkregene te verzekeren;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 13 jaren;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van onderstaande in beslag genomen voorwerpen, te weten: twee Black Berry telefoons (478946 en 478948)

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van

€ 8.489,05 ter zake van materiële schade;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 8.489,05 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 77 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. G. Perrick, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. N.E.M. Kranenbroek, rechters, in tegenwoordigheid van mr. L.J. Verborg, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 december 2012.