Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7099

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
16/655439-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Carnavalsmoord.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655439-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 21 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1989] te [woonplaats]

wonende te [woonplaats]

gedetineerd in PI Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein

raadsman mr. E.H. Bokhorst, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is laatstelijk inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 13 december 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte, samen met een ander of alleen:

Primair: opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd;

Subsidiair: opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade zwaar lichamelijk letsel aan [slachtoffer] heeft toegebracht, waardoor die [slachtoffer] is overleden;

Meer subsidiair: opzettelijk en al dan niet met voorbedachten rade [slachtoffer] heeft mishandeld, waardoor die [slachtoffer] is overleden.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is en dat de rechtbank bevoegd is.

Ontvankelijkheid van de officier van justitie

De raadsman heeft ter terechtzitting aangevoerd dat het onderzoek in de onderhavige zaak niet gericht is geweest op waarheidsvinding, maar uitsluitend op het verkrijgen van een veroordeling van zijn cliënt. Naar de mening van de raadsman zijn daardoor en daarbij de grenzen van het toelaatbare overschreden, omdat de politie de getuigen in de verhoren door het maken van opmerkingen en het stellen van bijzonder gerichte vragen heeft gestuurd. De raadsman heeft dit nader omschreven in het ter zitting overgelegde schriftelijke pleidooi.

De rechtbank ziet geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat het door de politie uitgevoerde onderzoek sturend (zoals bedoeld door de verdediging) is geweest en daarmee puur gericht is geweest op verdachte en op de wens om verdachte veroordeeld te krijgen. Het opsporingsonderzoek in deze zaak kenmerkt zich onder meer door de grote omvang en de grote hoeveelheid, soms meermalen, gehoorde getuigen. De rechtbank is van oordeel dat het onderzoek door de politie breed is opgezet en uitgevoerd. Ook het uitgezette en verrichte forensische onderzoek is naar het oordeel van de rechtbank gericht geweest op waarheidsvinding en getuigt niet van de door de raadsman gestelde tunnelvisie. Dat het onderzoek zich al snel toespitste op twee verdachten die kort voor het steekincident een conflict met het slachtoffer hadden is het begrijpelijke gevolg van de onderzoeksresultaten. Ook het gegeven dat het onderzoek, nadat één van hen niet langer als verdachte kon worden aangemerkt, zich toespitste op de andere verdachte, te weten verdachte, is het vanzelfsprekende gevolg van de onderzoeksresultaten. Er is geen enkele concrete aanknoping te vinden in het dossier dat onderzoek in een andere richting dan de reeds onderzochte richtingen had kunnen en moeten plaatsvinden. De raadsman, vanaf het begin als raadsman van verdachte bij het (langlopende) onderzoek betrokken, heeft geen onderzoekssuggesties gedaan, anders dan de ten overstaan van de rechtbank geuite (en voor het merendeel gehonoreerde) wens om een aantal getuigen (nogmaals) te horen.

Er is naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake van een onherstelbaar verzuim van vormen in het voorbereidend onderzoek en (derhalve) evenmin van een schending van de beginselen van een behoorlijke procesorde. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsman en acht de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging. Strafuitsluiting of bewijsuitsluiting wegens onherstelbaar vormverzuim is om dezelfde reden evenmin aan de orde.

De rechtbank heeft tot slot geconstateerd dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht op basis van de inhoud van het dossier niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft gehandeld met voorbedachten rade. De officier van justitie vordert daarom om verdachte van de onder feit 1 aan hem ten laste gelegde moord vrij te spreken.

De officier van justitie acht op basis van de inhoud van het dossier wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het opzet heeft gehad om [slachtoffer] van het leven te beroven. Zij heeft daarbij gevorderd om verdachte van het in vereniging plegen van dit feit met een ander wegens gebrek aan bewijs vrij te spreken.

De officier van justitie heeft zich bij het voornoemde gebaseerd op de nader in het ter zitting overgelegde schriftelijk requisitoir omschreven gronden.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte onder primair, subsidiair en meer subsidiair ten laste gelegde feiten. De verdediging heeft daarbij gewezen op de in het ter zitting overgelegde schriftelijk pleidooi omschreven gronden.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Karakter van het onderzoek

Het slachtoffer, [slachtoffer], en de beide aanvankelijke verdachten, [verdachte] en [medeverdachte 1], waren alle drie woonachtig in [woonplaats]. Ieder maakte voor zich deel uit van een netwerk van kennissen, vrienden en familie in [woonplaats] waarbij veel mensen elkaar ook onderling weer kenden. Zo waren [medeverdachte 1] en [verdachte] vrienden en was het slachtoffer onder meer bevriend met de broer van [medeverdachte 1]. Nog voordat het slachtoffer in het ziekenhuis was aangekomen deden er in deze netwerken al geruchten de ronde en werd er onderling over het incident gesproken. Daarbij viel meteen de naam van [medeverdachte 1] als mogelijke dader. Ook in de sociale en locale media werd er direct veel over het incident en de geruchten eromheen gecommuniceerd en geschreven. Veel getuigen verklaren in het dossier van horen zeggen, meerdere getuigen verklaren wisselend, sommige getuigen liegen of verzwijgen zaken. Het is niet altijd duidelijk wat getuigen uit eigen wetenschap verklaren en wat ze hebben gehoord of gelezen. Het valt daarom niet uit te sluiten dat verklaringen bewust dan wel onbewust (over en weer) beïnvloed zijn en dat naarmate een getuige later in de tijd is gehoord de kans op beïnvloeding groter is geweest. Ten slotte is een belangrijke omstandigheid in het onderzoek dat op 18 februari 2012 in [woonplaats] door de betrokkenen en door de meeste getuigen carnaval werd gevierd en dat er bij velen van hen sprake was van overmatig alcoholgebruik en soms tevens drugsgebruik. Het is een feit van algemene bekendheid dat alcohol en drugs onder meer het waarnemingsvermogen, het geheugen en de herinnering beïnvloeden.

De rechtbank heeft daarom zeer kritisch gekeken naar de verklaringen in het dossier en, gelet op de mogelijke invloed van informatie uit media of van geruchten, naar de tijdstippen waarop de verklaringen zijn afgelegd. Voor de bewezenverklaring heeft de rechtbank met name die verklaringen gebruikt die door andere verklaringen worden ondersteund en/of die zijn verankerd in objectief vastgestelde feiten en omstandigheden.

Voor wat betreft de verklaring van [medeverdachte 1] zal de rechtbank alleen de letterlijke uitwerking van de eerste verklaring die door hem is afgelegd (op 19 februari 2012 om 15.00 uur) gebruiken voor het bewijs, omdat [medeverdachte 1] deze verklaring heeft afgelegd terwijl hij in de beperkingen zat, nog geen kennis had kunnen nemen van de inhoud van het (op dat moment nog niet bestaande) dossier, en hij drie uur na het steekincident reeds aangehouden was. Van latere verklaringen is, ook voor [medeverdachte 1] zelf, onduidelijk wat hij, al dan niet via zijn advocaat, uit het dossier of op andere wijze heeft vernomen waardoor zijn herinnering mogelijk gekleurd is.

Bewezenverklaring primair ten laste gelegde feit

In het navolgende gaat de rechtbank mede uit van de door de politie in het onderzoek 096Maria opgestelde tijdlijn. De rechtbank heeft op basis van de inhoud van het dossier en de daarin opgenomen individuele processen-verbaal, vastgesteld dat deze tijdlijn een correcte weergave vormt van de daarin opgenomen gebeurtenissen en omstandigheden, afgezet ook tegen de tijdstippen waarop daarvan sprake is geweest.

De rechtbank heeft op grond daarvan, van de overige inhoud van het dossier en van het verhandelde ter terechtzitting de volgende feiten en omstandigheden vastgesteld:

Op 18 februari 2012 werd in het centrum van [woonplaats] carnaval gevierd. Ook verdachte [verdachte] en zijn vrienden en het latere slachtoffer [slachtoffer] (hierna: het slachtoffer) en zijn vrienden vierden daar carnaval. Het centrum van [woonplaats] is kleinschalig, de meeste kroegen zijn gesitueerd in de [adres]. Omstreeks half acht die avond ontstond in de [adres] een conflict tussen [medeverdachte 1] en een vriend van het slachtoffer, [X]. [medeverdachte 1] heeft daarbij een klap gegeven aan die [X]. Het slachtoffer zag dat en is er op af gegaan. Er volgde een worsteling tussen [medeverdachte 1] en het slachtoffer waarbij [medeverdachte 1] (hevig bloedend) letsel aan zijn neus opliep en waarbij zijn shirt werd uitgetrokken. [medeverdachte 1] ging er vandoor, gevolgd door het slachtoffer en diens broer [slachtoffer 2]. Verdachte liep daar weer achter aan. [medeverdachte 1] rende naar de hoek van de [adres] en de [adres]. Daar stond een geparkeerde auto waar [medeverdachte 1] en het slachtoffer meerdere keren omheen renden. Verdachte stond op de hoek van de [adres]. Hij riep tegen [medeverdachte 1] “rennen”.

[medeverdachte 1] is daarop weggerend, via de [adres] in de richting van de molen. Het slachtoffer en zijn broer [slachtoffer 2] raakten [medeverdachte 1] kwijt. [medeverdachte 1] heeft halverwege de [adres], toen hij zijn achtervolgers niet meer zag, [getuige 1] gebeld om hulp. Hij vertelde dat hij was geslagen en vroeg of [getuige 1] hem misschien kon helpen. [getuige 1] is na dat telefoontje naar [medeverdachte 1] gerend, samen met [A]. Ze hebben [medeverdachte 1] bij de molen getroffen. Vanaf de molen zijn ze teruggelopen naar de [adres]. [medeverdachte 1] was nog steeds boos en hij wilde het slachtoffer en [slachtoffer 2] opzoeken, maar dat is er niet van gekomen, omdat ze hen niet meer zagen.

Nadat [medeverdachte 1] was weggerend richtte de aandacht van het slachtoffer zich op de achtergebleven vriend van [medeverdachte 1]: verdachte. Kennelijk wilde het slachtoffer via verdachte weer in contact proberen te komen met de ontkomen [medeverdachte 1].

Het slachtoffer pakte verdachte beet en wilde dat deze [medeverdachte 1] belde. Verdachte werd geslagen, beroofd van zijn mobiele telefoon en wat geld en kwam ten val. Verdachte kreeg te horen dat hij zijn telefoon terug zou krijgen als hij zorgde dat [medeverdachte 1] weer terug kwam. Verdachte is vervolgens naar zijn huis aan de [adres] gegaan, niet ver gelegen van de [adres]. Niemand kwam achter hem aan. Toen verdachte thuis kwam bedacht hij zich dat hij zijn mobiele telefoon terug wilde hebben. Verdachte is daarop direct teruggegaan naar de [adres].

Verdachte heeft vervolgens in de richting van een groep mensen die in de [adres] stond geroepen dat hij zijn telefoon terug wilde. Drie mannen reageerden hierop en maakten aanstalten om achter verdachte aan te gaan. Verdachte schrok en heeft het gelijk op een rennen gezet. Verdachte werd daarop achterna gerend door het slachtoffer, [X] en [slachtoffer 2]. [benadeelde] rende ook mee, evenals [K]. Uit de camerabeelden en verklaringen maakt de rechtbank op dat van de achtervolgers het slachtoffer voorop rende, daar achteraan [X], daarachter [slachtoffer 2] en daar weer achteraan [benadeelde] en [K].

Van het dossier maken bewegende beelden deel uit, onder meer afkomstig van de bewakingscamera’s gericht op de Voorstraat, met zicht vanaf de zijde van de Schuttersgracht. In het dossier is een omschrijving van deze (bewegende) beelden opgenomen. De rechtbank heeft (onder meer) ter terechtzitting van 13 december 2012 ook zelf kennis genomen van deze beelden.

Op de beelden is onder meer te zien dat het latere slachtoffer om 19.39.57 uur in beeld verschijnt en om 19.41.36 uur uit beeld verdwijnt. Te zien is dat het slachtoffer en [slachtoffer 2] vanuit de Doelenstraat de Voorstraat in lopen, dat zij zich in de Voorstraat direct omdraaien en dat zij aanzetten tot rennen, terug richting de [adres]. [benadeelde] rent daarop achter het slachtoffer en [slachtoffer 2] aan.

De politie relateert dat het slachtoffer en [slachtoffer 2] zich op dat moment vermoedelijk omdraaiden om achter verdachte, die roept om zijn telefoon, aan te gaan. Het slachtoffer is na dit moment niet meer op beelden te zien.

De patholoog B. Kubat heeft op daartoe gestelde vragen gerapporteerd dat de genoemde camerabeelden (van 19.39.57 uur tot 19.41.36 uur) een rustige situatie tonen, waarbij het latere slachtoffer met een aantal andere personen normaal en vrij langzaam op straat loopt. De lichaamshouding en het bewegings- en looppatroon zijn normaal. De patholoog concludeert dat het onwaarschijnlijk is dat het slachtoffer zich op dat moment niet bewust zou zijn geweest van de later aangetroffen steekverwondingen. In de laatste scène drukt het slachtoffer een andere persoon tegen de voorzijde van zijn eigen romp aan. Na deze handeling worden er geen verkleuringen van het door hem gedragen witte kledingstuk zichtbaar, hetgeen tegen een bloedend letsel pleit.

De rechtbank concludeert hieruit dat het slachtoffer kennelijk nog niet gestoken was op het moment dat hij voor het laatst in beeld van de camera is, derhalve om 19.41.36 uur.

Om 19.43.22 uur kwam de eerste melding van de steekpartij bij de alarmlijn 112 binnen. Naar aanleiding van de melding gaan politieagenten ter plaatse, naar de [adres]. Daar troffen zij in het zogenoemde poortje tussen de perceelnummers drie en vijf, half liggend tegen de gevel, een man aan. Dit was het slachtoffer, [slachtoffer]. Hij bleek te zijn gestoken.

Arts en patholoog B. Kubat en arts en patholoog M. Buiskool hebben tijdens de sectie bij het slachtoffer twee steekwonden geconstateerd. Eén steekwond zat hoog aan het linkerbovenbeen. Het steekkanaal had een lengte van twee centimeter en was circa vijf centimeter diep en verliep vrijwel recht hoofdwaarts en iets rugwaarts. Om het steekkanaal zat een uitgebreide bloeduitstorting. Er was sprake van perforatie van zowel de grote linkerbeenslagader als van de grote linkerbeenader. De andere steekwond zat in de linkeronderbuik. Deze perforatie had een lengte van circa 1,5 centimeter en het steekkanaal bedroeg minimaal 6,5 centimeter. De richting van het steekkanaal was hoofdwaarts, rugwaarts en iets naar rechts. Beide letsels waren bij leven ontstaan door inwerking van uitwendig mechanisch scherprandig perforerend geweld. Het eerstgenoemde letsel ging gepaard met onder andere perforatie van de grote linkerbeenslagader en beenader met tekenen van verbloeding waarmee het overlijden werd verklaard.

De deskundigen komen tot de conclusie dat het overlijden van [slachtoffer] wordt verklaard door verbloeding opgetreden ten gevolge van steekletsel ter plaatse van het linkerbovenbeen. Blijkens het eerste schouwrapport heeft verdachte drie tot vier liter bloed verloren.

Wanneer en op welke locatie in IJsselstein is het slachtoffer gestoken?

De rechtbank ziet, gelet op de camerabeelden en de bevindingen van de patholoog Kubat, geen enkele aanleiding om te veronderstellen dat het slachtoffer al was gestoken op het moment dat hij voor het laatst op de camerabeelden is te zien. Dat het op zichzelf theoretisch niet uitgesloten is dat een persoon met een perforatie van de liesslagader in twee minuten tijd lopend een afstand van 134 meter overbrugt, zoals de forensisch geneeskundige deskundige C. Das in zijn rapport van 10 december 2012 opmerkt, maakt nog niet dat die theoretische mogelijkheid als een aannemelijk alternatief scenario moet worden beschouwd. Geen enkele persoon in het hele dossier verklaart dat hij/zij een persoon met een slagaderlijke bloeding heeft zien lopen/strompelen van de Voorstraat naar de poort. Ook duidt niets erop dat er sprake is geweest van twee incidenten die elk apart tot (telkens) één steekwond hebben geleid. Dat betekent dat er één steekincident was dat moet hebben plaatsgevonden in de tijd die is verstreken tussen het laatste beeld waarop het slachtoffer is te zien en de eerste melding bij de alarmlijn 112. In totaal zijn dit 106 seconden geweest.

De politie heeft vastgesteld dat er hardlopend 37 seconden nodig zijn om de afstand vanaf de Voorstraat tot aan de poort, waar het slachtoffer bloedend werd aangetroffen, te kunnen overbruggen. Uit de verklaringen blijkt dat het slachtoffer (hard) rennend achter verdachte is aangegaan. Op het moment dat het slachtoffer door zijn broer [slachtoffer 2] aan het begin van de poort wordt aangetroffen is hij al gestoken. Er is op dat moment niemand anders in de poort aanwezig. Ook de dader is reeds uit beeld.

[slachtoffer 2] heeft zijn broer, het slachtoffer, niet voortdurend in beeld gehad toen hij achter hem aan rende. [slachtoffer 2] liep hoe dan ook op enige afstand achter het slachtoffer en was derhalve ook later dan het slachtoffer in de poort. Omdat niet meteen 112 werd gebeld toen het slachtoffer werd aangetroffen, maar het slachtoffer eerst nog vastgepakt, op de grond gelegd en gecontroleerd werd, en omdat gebeld werd met de telefoon van een ander, zijn tussen de aankomst van [slachtoffer 2] in de poort en het bellen minimaal enkele seconden verstreken.

De rechtbank gaat er vanuit dat na aftrek van de genoemde verstreken seconden circa één minuut overbleef waarin het steekincident moet hebben plaatsgevonden.

Omdat niemand van de personen die achter het slachtoffer aan renden het steekincident heeft gezien moet dit incident logischerwijs hebben plaatsgevonden nadat de voorop rennende verdachte en het daarachter rennende slachtoffer om de hoek vanaf de Doelenstraat de Maria van Henegouwenstraat in waren gerend. Daarna zijn verdachte en slachtoffer linksaf de poort in gegaan, waar korte tijd later het slachtoffer met steekletsel werd aangetroffen. De rechtbank gaat er vanuit dat de plaats delict dit kleine stukje straat of de poort is geweest.

De door de rechtbank te beantwoorden vraag is wie in die korte periode van maximaal zestig seconden op de plaats delict is geweest en wie de twee steekverwondingen bij het slachtoffer heeft toegebracht.

Er zijn verschillende scenario’s denkbaar. Niet elk theoretisch mogelijk alternatief scenario is echter voor een bewijsbeslissing een als reëel te beschouwen scenario. Dat geldt alleen voor een alternatief scenario waarvoor een begin van aannemelijkheid uit het dossier blijkt. Gelet hierop komt de rechtbank tot de volgende scenario’s, die hierna worden besproken.

Mogelijke scenario’s

Scenario a: de vrienden of familie van het slachtoffer die achter hem aan renden hebben hem gestoken

Het dossier biedt geen enkel handvat voor dit scenario. Dit scenario, dat de rechtbank overigens ook volstrekt onaannemelijk acht, behoeft dan ook verder geen bespreking.

Scenario b: een onbekend gebleven achtervolger heeft [slachtoffer] gestoken

Gelet op het letsel, te weten twee steekwonden met beide een steekrichting schuin omhoog aan de voorzijde van het lichaam, ter hoogte van het bovenbeen en de onderbuik, acht de rechtbank het onaannemelijk dat een andere, onbekend gebleven achtervolger, tijdens het rennen zou hebben gestoken.

De verwondingen duiden op een face-to-face treffen op het moment dat er daadwerkelijk werd gestoken. Een dergelijk treffen zou moeten zijn waargenomen in de Doelenstraat als dat daar tijdens de achtervolging had plaatsgevonden. Niemand verklaart daar echter over. Daarnaast ontbreekt een mogelijk motief van een onbekende. De rechtbank laat dit scenario, dat geen enkele steun vindt in het dossier, verder dan ook onbesproken.

Scenario c: [medeverdachte 1] heeft [slachtoffer] gestoken

De rechtbank acht het uitgesloten dat [medeverdachte 1] degene is geweest die [slachtoffer] heeft gestoken. [medeverdachte 1] was weliswaar boos en zat vol emotie nadat hij door het slachtoffer in zijn gezicht was geslagen, waardoor hij een bloedneus opliep, maar hij is op een eerder tijdstip al weggerend voor het slachtoffer en ontkomen richting de Walkade. Dit wordt bevestigd door de getuige [getuige 2]. Dit is een onafhankelijke getuige die [medeverdachte 1] niet kent en dus geen enkel motief kan hebben om hem de hand boven het hoofd te houden. Daarna, tussen 19.36.01 uur en 19.38.15 uur, vinden er vijf telefonische contacten plaats tussen [medeverdachte 1] en [getuige 1], waarover Regeling ook heeft verklaard. Rond 19.45/19.50 uur is [medeverdachte 1] bij de molen met twee getuigen, [getuige 1] en [A]. Als [medeverdachte 1] daarna weer terug wil gaan om [slachtoffer] en [slachtoffer 2] op te zoeken, lopen ze naar de Voorstraat maar treffen het slachtoffer daar niet. [medeverdachte 1] verblijft in het gezelschap van in ieder geval getuige [getuige 1] tot hij wordt gebeld dat er een steekpartij heeft plaatsgevonden. Niemand heeft [medeverdachte 1] gezien op of bij de plaats van het delict voor of kort na de steekpartij.

Scenario d: verdachte heeft [slachtoffer] gestoken

Op basis van al het voorgaande is het meest voor de hand liggende, en enig overgebleven reële scenario dat verdachte, tegen wie de agressie van het slachtoffer zich had gekeerd nadat [medeverdachte 1] was weggerend en die door het slachtoffer en onder meer twee andere mannen werd achtervolgd, degene is geweest die vlakbij zijn huis, in of vlak voor de poort, het slachtoffer heeft gestoken.

Verdachte heeft dat echter steeds ontkend en er is geen enkele getuige die heeft verklaard het steken te hebben gezien. Het slachtoffer zelf is overleden.

In het kader van dit scenario acht de rechtbank het volgende van belang.

Op grond van diverse, hiervoor genoemde, getuigenverklaringen kan worden vastgesteld dat verdachte is weggerend voor [slachtoffer], dat [slachtoffer] als eerste achter hem aan is gerend, en dat daarachter in ieder geval zijn broer [slachtoffer 2], zijn vriendin [benadeelde] en [K] renden. Verdachte is via de poort naar de steeg achter zijn woning gerend, alwaar hij uiteindelijk is ingehaald door [X]. [D], de partner van verdachte, zag vanuit het einde van de achtertuin van de woning van verdachte haar vriend over de brug in de [adres] richting zijn huis rennen en zij is verdachte tegemoet gerend, vanuit de steeg de poort in. Via de andere kant van de steeg kwamen [B] en [C] over het voetgangersbruggetje verdachte tegemoet rennen om hem te helpen. Zij hebben de poort echter niet bereikt, maar hebben ingegrepen in het gevecht dat op dat moment plaatsvond in de steeg tussen [X] en verdachte.

Het slachtoffer is, zoals hiervoor overwogen, kennelijk gestoken in de [adres] of in de zogenoemde poort. Verdachte, het slachtoffer en [D] zijn in de poort geweest. Tegen de tijd dat anderen, waaronder de broer van het slachtoffer, in de poort kwamen was het slachtoffer al gestoken.

Diezelfde avond, kort na het steekincident en ook na afloop van het gevecht dat daarna in de steeg had plaatsgevonden, hebben vrienden van verdachte hem horen zeggen dat hij had gestoken. Dat betrof onder meer [medeverdachte 1], die dit direct na zijn aanhouding al verklaart. Ook [getuige 1] verklaart dit en wel al op 21 februari 2012, op een moment dat [medeverdachte 1] nog in beperkingen zit. [getuige 1] en [medeverdachte 1] zijn bij deze verklaring gebleven ook in de door hen later afgelegde verklaringen bij de politie en bij de rechter-commissaris. De rechtbank heeft ter terechtzitting de van dit eerste verhoor van [medeverdachte 1] opgenomen camerabeelden gezien. Die beelden waren voorzien van geluid. De rechtbank heeft aldus zelf waargenomen dat [medeverdachte 1] deze niet mis te verstane verklaring, inhoudende een de-auditu bekentenis van verdachte, heeft afgelegd.

De rechtbank heeft ook zelf geconstateerd dat [medeverdachte 1] dit uit eigen beweging en op authentieke wijze verklaart zonder dat hem dit in de mond wordt gelegd.

Ook heeft [medeverdachte 1] direct na zijn aanhouding al verklaard dat hij verdachte heeft horen zeggen dat hij het mes kwijt was. Ook dit heeft [medeverdachte 1] in zijn latere verklaringen herhaald.

Een goede vriend van verdachte, [B] heeft tijdens het onderzoek, kennelijk uit loyaliteit naar verdachte, lang volgehouden dat hij niets had gehoord maar uiteindelijk heeft ook hij bij de rechter-commissaris verklaard dat hij heeft gehoord dat [verdachte] heeft gezegd dat hij [medeverdachte 1] had gestoken. Na voorlezing van die verklaring bij de rechter-commissaris verklaart hij dat hij hetzij [verdachte] (verdachte) hetzij [medeverdachte 1] hoorde zeggen dat hij had gestoken. Daarmee bevestigt hij in wezen de verklaring van [medeverdachte 1] en [getuige 1] op dit punt. [B] heeft bovendien tegenover de rechter-commissaris verklaard dat hij en verdachte nog over het gebeuren gesproken hebben toen verdachte na de steekpartij de nacht bij [B] in [woonplaats] doorbracht: “[verdachte] zei dat hij niet meer wist of hij gestoken had, toen ik hem vroeg of hij wel of niet gestoken had”.

Daaruit blijkt op zijn minst dat verdachte toen de mogelijkheid dat hij gestoken had niet uitsloot tegenover zijn vriend [B]. Ook bevestigt [B] bij de rechter-commissaris de verklaring van [medeverdachte 1] dat verdachte het mes kwijt was: “hij zei: ik heb ergens het mes neergelegd, ik weet niet meer waar”. Dat verdachte een mes kwijt was wordt ook bevestigd door het feit dat hij de zondagochtend na de steekpartij in zijn woning heeft gezocht naar een mes, zoals hij uiteindelijk ter terechtzitting heeft toegeven, nadat zowel zijn vriendin [D], [B] en diens vriendin [E] hem daarin met veel tegenzin waren voorgegaan.

Het bewuste gesprek tussen de vier vrienden heeft plaatsgevonden in de badkamer in de woning van verdachte. Verdachte en [medeverdachte 1] waren allebei emotioneel en huilden. Verdachte, die in zijn eerste verklaring dit gesprek geheel niet heeft genoemd, zelfs uitdrukkelijk heeft ontkend dat hij [medeverdachte 1] na de vechtpartij in de steeg achter zijn woning nog heeft gesproken en daarna tot aan de schouw niet meer inhoudelijk heeft willen verklaren, heeft tijdens de schouw, zes maanden na het carnaval, uiteindelijk bevestigd dat hij later op die avond met deze drie vrienden in/bij zijn badkamer heeft gestaan, en dat zij over het steekincident hebben gesproken. Ook heeft verdachte bevestigd dat hij en [medeverdachte 1] gehuild hadden. Over het huilen van verdachte verklaart ook zijn vriend [C].

[getuige 1] verklaart bovendien dat [verdachte], nadat hij zich door het slachtoffer [slachtoffer] in het nauw gedreven voelde, twee keer heeft gestoken. Dit verklaart [getuige 1] al op 21 februari 2012. Op dat moment zijn de resultaten van de lijkschouw en de sectie nog niet aan het dossier toegevoegd. Dit betreft dan ook daderinformatie. Ter terechtzitting heeft verdachte gesteld dat [getuige 1] die daderinformatie (wellicht) van [medeverdachte 1] moet hebben verkregen. De rechtbank sluit dit echter uit, op grond van hetgeen hierboven omtrent scenario c is overwogen. De desbetreffende daderinformatie moet dus van verdachte zijn gekomen. Dit volgt ook uit de verklaring van [Y], de vriendin van [C], die na de steekpartij met anderen in de woning van verdachte aanwezig was. Zij verklaart op 8 maart 2012 tegenover de politie: “[D] was heel verstrooid. Op een gegeven moment kreeg ik de indruk uit haar opmerkingen dat haar vriend [verdachte] degene was die had gestoken”.

De rechtbank sluit, tot slot, [D] als dader uit. Zij was niet aanwezig bij het gesprek tussen verdachte en zijn drie vrienden, tijdens welk gesprek door de dader over het steken is gesproken. Ook overigens komt het de rechtbank volstrekt onaannemelijk voor dat er sprake zou zijn geweest van een opzet om [D] als dader te verhullen door de schuld bij iemand anders te leggen. Daarbij speelt mede een rol dat er geen redelijkerwijs aannemelijk motief voor een dergelijk scenario valt te verzinnen.

Concluderend

Gelet op het feit dat verdachte aanwezig was op de plaats delict, hij kort daarvoor en op het moment dat hij werd achtervolgd door onder andere het slachtoffer ruzie had met het slachtoffer en daarmee een ‘motief’ (drijfveer) had, gelet voorts op het feit dat verdachte diezelfde avond tegenover drie vrienden een bekentenis met daderwetenschap heeft afgelegd, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte degene is geweest die het slachtoffer [slachtoffer] op 18 februari 2012 heeft gestoken.

Voorbedachten rade

De rechtbank overweegt dat het slachtoffer met een mes is gestoken. Op basis van verklaringen van getuigen stelt de rechtbank vast dat verdachte tegen vrienden op de avond van het steekincident heeft gezegd dat hij een/het mes kwijt was.

De rechtbank acht, zoals hierboven overwogen, bewezen dat verdachte de steekwonden bij het slachtoffer heeft toegebracht en overweegt dat verdachte derhalve op enig moment op de avond van 18 februari 2012 een mes bij zich moet hebben gehad. Of hij dit mes uit zijn woning heeft gehaald voordat hij naar de [adres] terugging om zijn telefoon terug te krijgen, of dat hij het mes al de hele avond bij zich droeg, maakt voor de vraag of zijn handelen gekwalificeerd kan worden als voorbedachten rade in de onderhavige zaak niet uit. Ook maakt voor beantwoording van die vraag niet uit of verdachte onder invloed van alcohol of verdovende middelen was.

De rechtbank is van oordeel dat er aanwijzingen zijn dat verdachte thuis een mes heeft opgehaald en dat op dat moment zijn vriendin [D] ook in de woning aanwezig was, dat hij daarna naar de [adres] terugging en de confrontatie met het slachtoffer zocht omdat hij zijn telefoon terug wilde hebben. Het slachtoffer, voor wie eerder [medeverdachte 1] en kort daarna ook verdachte zelf al was weggevlucht. [Y], vrijwel als enige nuchter die avond, heeft bij de politie verklaard dat zij na de steekpartij diezelfde avond tegen [D] heeft gezegd “hoe kom je erbij dat je je vriend met een mes over straat laat gaan”. Dit is een aanwijzing dat de getuige uit wat ze in de woning heeft gehoord heeft opgemaakt dat verdachte thuis een mes heeft opgehaald en dat zijn vriendin [D] toen thuis was en dat heeft gezien.

Verdachte heeft hoe dan ook met een mes op zak de confrontatie met het slachtoffer gezocht om zijn telefoon terug te krijgen terwijl een eerdere confrontatie -kort daarvoor- op klappen voor verdachte was uitgelopen. Het voorhanden hebben van een mes kan naar het oordeel van de rechtbank niet anders worden geduid dan dat dat mes ervoor dient om dit in een voorkomend geval te kunnen gebruiken. Het ligt in dit geval niet voor de hand om te veronderstellen dat dit gebruik een onschuldig, technisch, karakter heeft. Het was immers carnaval en tijdens een dergelijk feest plegen geen werkzaamheden van technische aard of iets dergelijks te worden verricht. Dit leidt tot de conclusie dat het dragen van een mes ervoor diende om dit in een voorkomend geval als wapen te kunnen gebruiken, waarin besloten ligt dat verdachte zijn handelen (hoe kort ook) heeft voorbereid. Reeds met het voorhanden hebben van een mes, al dan niet specifiek tijdens of naar aanleiding van een gewelddadig incident bij zich gestoken, het zich onttrekken aan een incident, maar het daarna weer opzoeken van de agressor, acht de rechtbank gegeven dat verdachte zich gedurende enige tijd heeft kunnen beraden op het door hem te nemen of genomen besluit. Uit het dossier en uit de proceshouding van verdachte valt voorts niet af te leiden dat verdachte wellicht heeft gehandeld in een ogenblikkelijke gemoedsopwelling. De rechtbank concludeert daaruit dat verdachte de gelegenheid heeft gehad en genomen om na te denken over de betekenis en de gevolgen van zijn voorgenomen daad en zich daarvan rekenschap heeft gegeven. De rechtbank acht hiermee de voorbedachten rade bewezen.

Voorwaardelijk opzet

De rechtbank heeft -ondanks het voorgaande- niet de indruk dat verdachte de intentie had het slachtoffer te doden en derhalve het blote opzet op diens dood heeft gehad. Er was die avond sprake van een hectische situatie, die erin heeft geresulteerd dat verdachte uit angst is gevlucht voor het slachtoffer maar tijdens zijn vlucht werd achtervolgd door het slachtoffer. Gelet op het feit dat er tweemaal is gestoken, gelet op de plekken waar het slachtoffer is gestoken, de diepte en de richting van de steekwonden en gelet op de verklaring van [getuige 1] dat hij [D] had horen zeggen dat zij [verdachte] onder [slachtoffer] vandaan had getrokken , acht de rechtbank aannemelijk dat verdachte en het slachtoffer samen op de grond zijn terecht gekomen en dat in die situatie door verdachte (minimaal) tweemaal krachtig is gestoken in de richting van de onderzijde van de romp van het slachtoffer. In de onderzijde van de romp bevinden zich diverse vitale organen. De rechtbank acht het een feit van algemene bekendheid dat het tweemaal met een mes, krachtig en van nabij in de richting van de voorzijde van een romp steken, de aanmerkelijke kans met zich brengt dat een persoon dodelijk verwond raakt. Verdachte moet zich van dit feit van algemene bekendheid bewust zijn geweest en heeft met zijn handelen derhalve bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat het slachtoffer dodelijk gewond zou raken en zou komen te overlijden. De rechtbank acht aldus het voorwaardelijk opzet op de dood van het slachtoffer bewezen.

Er is geen enkele aanwijzing voor de betrokkenheid van een medepleger, zodat verdachte van het medeplegen zal worden vrijgesproken.

Gelet op het voornoemde acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het slachtoffer [slachtoffer] opzettelijk en met voorbedachten rade van het leven heeft beroofd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op 18 februari 2012 te [woonplaats], opzettelijk en met voorbedachten rade [slachtoffer] van het leven heeft beroofd, immers heeft verdachte opzettelijk en met voorbedachten rade met een mes in het been en de buik van die [slachtoffer] gestoken, tengevolge waarvan die [slachtoffer] is overleden.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Primair:

Moord.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Geen sprake van noodweer(exces)

De rechtbank overweegt op basis van de inhoud van het dossier dat er eerder op de avond van 18 februari 2012 geweld door het slachtoffer was gebruikt tegen verdachte. De rechtbank heeft onder meer uit de verklaring van [medeverdachte 1], de verklaring van verdachte en uit de beschikbare beelden van het slachtoffer, begrepen dat het slachtoffer zich agressief en opgefokt gedroeg in de richting van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] voelde angst voor het slachtoffer en is voor hem weggerend. Hierna richtte het slachtoffer zich, samen met zijn broer en een vriend op verdachte. Nadat verdachte zelf opnieuw de confrontatie met zijn eerdere belager(s) had opgezocht vluchtte hij weg toen hij zag dat men naar hem toe kwam. Hij werd daarbij door het slachtoffer en onder meer diens broer en een vriend van het slachtoffer achtervolgd. In de situatie die daarop volgde en waarbij verdachte en het slachtoffer elkaar fysiek hebben getroffen zou mogelijk een situatie kunnen zijn ontstaan die in de buurt komt van noodweer(exces) voor verdachte. Er is door de verdediging echter geen beroep gedaan op noodweer dan wel noodweerexces, waardoor dit mogelijke verweer verder geen bespreking behoeft. Daarnaast leidt de ontkennende houding van verdachte en ook de aanwezigheid van een mes ertoe dat de rechtbank onvoldoende handvatten heeft om tot de feitelijke constructie van een noodweersituatie te kunnen komen.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft vrijspraak bepleit en geen subsidiair strafmaatverweer gevoerd.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Het vieren van carnaval is op 18 februari 2012 in [woonplaats] uitgelopen op een groot drama, doordat verdachte op enig moment het slachtoffer [slachtoffer] twee keer met een mes stak, waardoor die [slachtoffer] is overleden. Moord wordt in ons strafrechtstelsel beschouwd als één van de ernstigste misdrijven. Het overlijden van [slachtoffer] heeft voor zijn nabestaanden groot en onherstelbaar leed en verdriet gebracht. De enorme impact voor hen blijkt wel uit de door de vriendin van het slachtoffer, de broer van het slachtoffer en de vader van het slachtoffer ter zitting voorgelezen schriftelijke slachtofferverklaringen. Het nog jonge slachtoffer was vader van twee kinderen van nu twee jaar en vier jaar oud. Hij zat nog volop in de opbouw van zijn leven en werkte hard voor zijn gezin. De aanleiding voor de uiteindelijke confrontatie tussen verdachte en slachtoffer en de zeer korte duur waarin alles heeft plaatsgevonden, maken de dood van het slachtoffer extra moeilijk te begrijpen.

Een dergelijk gewelddadig optreden op straat heeft ook een grote schok in [woonplaats] veroorzaakt en versterkt de in de maatschappij levende gevoelens van onveiligheid. Verdachte heeft met zijn handelen geen enkel respect getoond voor het leven van een ander.

De rechtbank betreurt het, met name ook voor de nabestaanden, dat verdachte geen openheid van zaken heeft willen geven. Verdachte heeft tijdens het opsporingsonderzoek een mokkende, verwijtende en niet meewerkende houding aangenomen. Ter terechtzitting van 13 december 2012 heeft verdachte een zeer negatieve proceshouding laten zien, waarbij verdachte geen enkele spijt dan wel berouw heeft getoond, maar ook geen enkel medeleven met de nabestaanden of het slachtoffer. De rechtbank rekent het verdachte aan dat hij in plaats van zijn eigen verantwoordelijkheid te nemen concreet een ander beschuldigt van de door hem gepleegde daad.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 31 oktober 2012 blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor het plegen van geweldsdelicten. Verdachte heeft voornamelijk vermogensdelicten en alcoholgerelateerde delicten op zijn strafblad staan. Ook wat betreft het onderhavige bewezen verklaarde feit heeft het drinken van een zeer aanzienlijke hoeveelheid alcohol door verdachte, een rol van betekenis gespeeld.

Verdachte heeft niet willen meewerken aan onderzoeken door de psychiater en de psycholoog. De rechtbank heeft daarom geen inzicht verkregen in de persoonlijkheid van verdachte en kan daar dan ook geen rekening mee houden in strafmatigende zin.

Het nemen van het leven van een ander is een zo ernstig strafbaar feit dat in beginsel alleen een langdurige en onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend is. De officier van justitie heeft tien jaar onvoorwaardelijke gevangenisstraf geëist en heeft in haar motivering daarvan de ernst van de feitelijke situatie die door haar is gekwalificeerd als doodslag niet anders gewaardeerd dan de rechtbank. Zij hangt aan die feitelijke situatie alleen een andere kwalificatie dan de rechtbank heeft gedaan. Daarom zal de rechtbank, hoewel zij tot een zwaardere kwalificatie komt dan de officier van justitie, de door de officier van justitie gevorderde gevangenisstraf aan verdachte opleggen. De rechtbank is van oordeel dat deze straf passend en geboden is.

De rechtbank zal verdachte een gevangenisstraf voor de duur van tien jaar opleggen met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten.

7 De benadeelde partij

De officier van justitie heeft geconcludeerd tot gehele toewijzing van de door de benadeelde partij [benadeelde] ingediende vordering tot schadevergoeding tot een bedrag van

€ 102.529,95, met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De verdediging heeft de inhoud van de vordering niet betwist. De verdediging heeft echter bepleit dat de door de benadeelde partij [benadeelde] ingediende vordering tot schadevergoeding moet worden afgewezen omdat verdachte het feit niet heeft gepleegd.

De benadeelde partij [benadeelde] vordert een schadevergoeding voor gederfd levensonderhoud tot een bedrag van € 45.057,50. Namens haar minderjarige dochter [H]wordt een bedrag van € 30.653,75 voor gederfd levensonderhoud gevorderd en namens haar minderjarige zoon [J] een bedrag van € 26.818,70. Mr. S. de Lang, die de benadeelde partijen bijstaat, heeft in aanvulling op de schriftelijke onderbouwing van de vorderingen ter zitting toegelicht dat voor de berekening van de genoemde bedragen is uitgegaan van eenvoudige uitgangspunten en basisbedragen, gebaseerd op cijfers van het NIBUD, welke uitgangspunten en bedragen niet ter discussie staan. De gevorderde bedragen zijn door de gevolgde methodiek minimale bedragen, de werkelijk geleden schade ligt dus veel hoger. Daarom is gevorderd om het gevraagde bedrag aan geleden schade op dit moment als voorschot toe te wijzen, inclusief de wettelijke rente. Tevens is gevraagd de schadevergoedingsmaatregel op te leggen.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het is de rechtbank uit het verhandelde ter terechtzitting gebleken dat de voor de berekening gehanteerde berekeningsmethodiek standaard wordt gebruikt voor de berekening van de schade zoals in de onderhavige zaak. De verdediging heeft de hoogte van het door de benadeelde partij gevorderde schadebedrag niet betwist. Het gevorderde bedrag van € 102.529,95 is voldoende aannemelijk gemaakt, zodat deze vordering door de rechtbank zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 24c, 36f en 289 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Voorvragen

- verklaart de officier van justitie ontvankelijk in de vervolging van verdachte;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Primair: Moord;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 10 jaar;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde] van € 102.529,95, ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf de dag van het ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], € 102.529,95 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. M.A.E. Somsen en

mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 21 december 2012.