Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY7078

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
20-12-2012
Datum publicatie
21-12-2012
Zaaknummer
SBR 12/3518, SBR 12/3519 en SBR 12/4273
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:RVS:2014:821, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Intrekking toestemming als bedoeld in artikel 7 van de Wpbr. Proces-verbaal van tweede incident is ten onrechte niet bij de voorbereiding van het besluit betrokken. Voldoende aannemelijk dat eiser zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van twee personen. Vernietiging met in stand laten van de rechtsgevolgen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummers: SBR 12/3518, SBR 12/3519 en SBR 12/4273

uitspraak van de voorzieningenrechter van 20 december 2012

op het beroep en het verzoek om voorlopige voorziening

in de zaak tussen

[eiser], handelend onder de naam [bedrijf 1], wonende te [woonplaats], eiser,

gemachtigde: mr. L. de Leon, advocaat te Utrecht,

en

de korpschef van de politieregio Utrecht, verweerder,

gemachtigde: mr. G.B.A. van der Wulp, werkzaam bij de politieregio Utrecht.

Procesverloop

Bij besluiten van 30 augustus 2012, verzonden 4 september 2012, heeft verweerder de aan eiser verleende toestemming als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wet particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus (Wpbr) voor het verrichten van werkzaamheden bij respectievelijk [bedrijf 2] en [bedrijf 1] ingetrokken.

Tegen deze besluiten heeft eiser op 9 oktober 2012 bezwaar gemaakt. Op 18 oktober 2012 heeft hij de voorzieningenrechter van deze rechtbank verzocht een voorlopige voorziening tegen deze besluiten te treffen. Deze verzoeken zijn geregistreerd onder de nummers SBR 12/3518 en SBR 12/3519.

Bij besluit van 6 november 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder de bezwaren van eiser gericht tegen de besluiten van 30 augustus 2012 ongegrond verklaard. Tegen dit besluit heeft eiser beroep bij deze rechtbank ingesteld. Dit beroep is geregistreerd onder nummer SBR 12/4273.

De voorzieningenrechter heeft eisers verzoek om voorlopige voorziening, gelet op het bepaalde in artikel 8:81, vijfde lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb), gelijk gesteld met een verzoek dat wordt gedaan hangende het beroep bij de rechtbank.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 30 november 2012. Eiser is in persoon verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Na de behandeling ter zitting is de voorzieningenrechter gebleken dat het onderzoek ter zitting niet volledig is geweest. In verband daarmee heeft de voorzieningenrechter het onderzoek heropend. In dit kader is verweerder bij brief van 3 december 2012 verzocht de processen-verbaal van een tweetal incidenten bij café [café 1] in de nacht van 29 mei 2012 in ongeanonimiseerde vorm over te leggen, zonodig met een beroep op artikel 8:29 van de Awb. Verweerder heeft bij brief van 5 december 2012 aan dit verzoek voldaan.

Nadat de partijen toestemming hebben verleend om uitspraak te doen zonder nader onderzoek ter zitting, heeft de voorzieningenrechter het onderzoek heden gesloten.

Overwegingen

1. Ingevolge artikel 8:81 van de Awb kan, indien tegen een besluit bij de rechtbank beroep is ingesteld dan wel, voorafgaand aan een mogelijk beroep bij de rechtbank, bezwaar is gemaakt of administratief beroep is ingesteld, de voorzieningenrechter van de rechtbank die bevoegd is of kan worden in de hoofdzaak, op verzoek een voorlopige voorziening treffen indien onverwijlde spoed, gelet op de betrokken belangen, dat vereist.

2. In artikel 8:86, eerste lid, van de Awb is voorts bepaald dat, indien het verzoek om een voorlopige voorziening wordt gedaan indien beroep bij de rechtbank is ingesteld en de voorzieningenrechter van oordeel is dat na de zitting nader onderzoek redelijkerwijs niet kan bijdragen aan de beoordeling van de zaak, de voorzieningenrechter onmiddellijk uitspraak kan doen in de hoofdzaak.

3. Deze situatie doet zich hier voor. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat het, gelet op de hierna volgende overwegingen, voldoende aannemelijk is geworden dat eiser zich in de nacht van 29 mei 2012 schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van twee personen. Zij acht het niet aannemelijk dat hetgeen aan belastend materiaal in het dossier aanwezig is, door aanvullend materiaal of het horen van getuigen zal worden weerlegd. Ter zitting hebben beide partijen te kennen gegeven zich er niet tegen te verzetten dat de voorzieningenrechter ook uitspraak doet in de hoofdzaak.

Ten aanzien van het beroep (SBR 12/4273):

4. Ingevolge artikel 7, tweede lid, van de Wpbr, voor zover hier van belang, stelt een beveiligingsorganisatie geen personen te werk die belast zullen worden met werkzaamheden, dan nadat voor hen toestemming is verkregen van de korpschef in de regio waar de beveiligingsorganisatie dan wel een onderdeel daarvan is gevestigd.

Ingevolge artikel 7, vijfde lid, eerste volzin, van de Wpbr, voor zover hier van belang, wordt de toestemming, bedoeld in het tweede lid, onthouden indien de desbetreffende persoon niet beschikt over de bekwaamheid en betrouwbaarheid die nodig zijn voor het te verrichten werk.

Ingevolge artikel 7, zesde lid, van de Wpbr kan verweerder de toestemming intrekken, indien zich omstandigheden voordoen of feiten bekend worden op grond waarvan de toestemming niet verleend zou zijn, indien zij zich hadden voorgedaan of bekend waren geweest op het tijdstip waarop de toestemming werd verleend.

5. De Minister van Justitie heeft criteria voor het beoordelen van bekwaamheid en betrouwbaarheid, als bedoeld in artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr, neergelegd in de Circulaire particuliere beveiligingsorganisaties en recherchebureaus, Stcrt. 1999, nr. 60, p. 28 (hierna: de Circulaire).

Volgens paragraaf 2.1, getiteld “Betrouwbaarheid”, aanhef en onder c, van de Circulaire wordt toestemming als bedoeld in artikel 7, eerste en tweede lid, van de Wpbr onthouden indien op grond van andere omtrent betrokkene bekende en relevante feiten kan worden aangenomen dat deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is voor een beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten of deze niet voldoende betrouwbaar of geschikt is de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet te schaden.

In paragraaf 2.1 wordt verder vermeld dat het er daarbij om gaat dat de tewerkstelling van de betrokkene de belangen van de veiligheidszorg of de goede naam van de bedrijfstak niet mag schaden. Daarvan zal volgens deze passage slechts sprake zijn indien de betrokkene er blijk van heeft gegeven de rechtsregels naast zich neer te leggen waarvan de overtreding beschouwd kan worden als een tamelijk ernstige aantasting van de rechtsorde. Volgens deze passage kunnen voorts tegen betrokkene opgemaakte processen-verbaal of (dag)rapporten ertoe leiden dat betrokkene niet voldoende betrouwbaar of geschikt wordt geacht om voor een beveiligingsorganisatie of recherchebureau te werken, waarbij het van belang is dat tegen betrokkene nog een serieuze verdenking bestaat.

Op grond van paragraaf 2.1.1 van de Circulaire, getiteld ‘Hardheidsclausule’, kan de korpschef van de betreffende regio van het vorenstaande afwijken indien, gelet op de aard van het strafbare feit, de omstandigheden waaronder het feit is gepleegd, de geringe kans op recidive en recente persoonlijke ontwikkelingen, toepassing daarvan voor de betrokkene een onevenredig nadeel zou meebrengen ten opzichte van het daarmee te dienen belang.

6. Bij besluit van 18 augustus 2010 is aan [bedrijf 2] voor eiser voor drie jaar toestemming verleend als bedoeld in artikel 7, tweede lid, van de Wbpr, voor het verrichten van werkzaamheden in het bedrijf.

Bij besluit van 1 augustus 2011 is eenzelfde toestemming verleend aan [bedrijf 1].

7. Bij brief van 31 juli 2012 heeft verweerder eiser op de hoogte gesteld van zijn voornemen de verleende toestemmingen in te trekken. Aanleiding hiervoor is dat uit een politieregistratie blijkt dat eiser op dinsdag 29 mei 2012 omstreeks 3.00 uur op de [straat] in Utrecht betrokken is geweest bij een vechtpartij met bezoekers van café [café 1], [adres]. Eiser is als verdachte gehoord en er is proces-verbaal tegen hem opgemaakt ter zake van mishandeling. Tijdens een hoorzitting op 14 augustus 2012 heeft eiser zijn zienswijze tegen dit voornemen kenbaar gemaakt.

8. Door middel van een tweetal besluiten van 30 augustus 2012 heeft verweerder de ten name van eiser gestelde toestemmingen ingetrokken. Bij het besteden besluit zijn de tegen deze besluiten gemaakte bezwaren ongegrond verklaard.

9. Aan het bestreden besluit ligt ten grondslag dat aan de hand van de afgelegde verklaringen in het proces-verbaal met registratienummer PL0910 2012165073, dat tegen eiser is opgemaakt en op 25 juli 2012 is gesloten, is komen vast te staan dat eiser zich op de genoemde plaats en het genoemde tijdstip schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van twee mannen.

Eiser heeft daarbij meerdere malen, als eerste, geweld toegepast.

Aan het bestreden besluit is verder ten grondslag gelegd dat uit een proces-verbaal van 14 september 2012 blijkt dat in de nacht van 11 september 2012 op woensdag 12 september 2012 is geconstateerd dat eiser, ondanks de bekendmaking dat de verleende toestemming was ingetrokken, toch beveiligingswerkzaamheden bij café [café 1] heeft verricht.

Verweerder acht de verweten feiten ernstig van aard en schadelijk voor de belangen van de veiligheidszorg en de goede naam van de bedrijfstak. De verweten feiten leiden tot de conclusie dat eiser onvoldoende betrouwbaar is, zodat de toestemming op grond van artikel 7, vijfde lid, van de Wbpr moet worden ingetrokken en aan de hardheidsclausule geen toepassing kan worden gegeven.

10. Eiser heeft betoogd dat hij zich in de nacht van 29 mei 2012 niet aan mishandeling schuldig heeft gemaakt. Hij heeft gesteld dat verweerder ten onrechte is afgegaan op de verklaringen die door de aangevers, de getuigen en zijn collega [collega] zijn afgelegd.

Er is volgens eiser geen sprake van geweest dat hij, zoals verweerder stelt, als eerste geweld heeft toegepast. Eiser is, naar hij stelt, de-escalerend opgetreden door één van de mannen naar de overkant van de straat te duwen, uit de drukte voor café [café 1]. Eiser heeft betoogd dat van een tweede incident in de nacht van 29 mei 2012 bij café [café 1] processen-verbaal met registratienummer PL0910 2012119140 zijn opgemaakt tegen [collega]. Deze processen-verbaal bevatten volgens eiser voor hem ontlastende gegevens, ze kunnen niet los worden gezien van de jegens hem opgemaakte processen-verbaal die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd. Eiser heeft betoogd dat verweerder de processen-verbaal tegen [collega], waarvan hij in bezwaar een geanonimiseerde versie heeft overgelegd, ten onrechte en bewust ten nadele van hem niet bij het bestreden besluit heeft betrokken. Eiser heeft gesteld dat hij in zijn verdediging is geschaad doordat de processen-verbaal die verweerder aan het bestreden besluit ten grondslag heeft gelegd, zijn geanonimiseerd. Daardoor is het voor eiser niet mogelijk om aangevers, getuigen en verbalisanten als getuige op te roepen.

Eiser heeft verder gesteld dat verweerder ten onrechte een bij besluit van 13 februari 2012 aan hem gegeven waarschuwing en het proces-verbaal van 14 september 2012 bij het bestreden besluit heeft betrokken aangezien deze eerst daags voor de hoorzitting in bezwaar aan het dossier zijn toegevoegd.

Door eiser is verder betoogd dat verweerder, ondanks een reeds op 30 mei 2012 gedane toezegging, bewust heeft nagelaten om de camerabeelden van de beveiligingscamera bij café [café 1] op te vragen. Ook daarmee heeft verweerder, volgens eiser, bewust mogelijk ontlastend materiaal buiten het dossier gelaten.

11. De voorzieningenrechter ziet zich, gelet op het betoog van eiser, in de eerste plaats gesteld voor de vraag of verweerder bij de voorbereiding van het bestreden besluit voldoende zorgvuldigheid in acht heeft genomen.

12. De voorzieningenrechter volgt eiser niet in zijn betoog dat verweerder bewust bepaalde gegevens heeft achtergehouden om de aan eiser verleende toestemmingen in te trekken. Verweerder heeft toegelicht dat het hem niet te doen is om de persoon van eiser, zijn belang is er in gelegen dat de rust in het uitgaansleven wordt gewaarborgd en dat hij kan rekenen op portiers als onderdeel van de veiligheidszorg. Verweerder heeft ter zitting toegelicht dat hij het proces-verbaal met registratienummer PL0910 2012119140 buiten beschouwing heeft gelaten omdat het, ook strafrechtelijk gezien, gaat om twee verschillende incidenten die zich in de nacht van 29 mei 2012 bij café [café 1] hebben voorgedaan. Verweerder heeft verder toegelicht dat hij de processen-verbaal die aan het bestreden besluit ten grondslag zijn gelegd in geanonimiseerde vorm heeft overgelegd vanwege het bepaalde in de Wet politiegegevens en om de privacy van de aangevers, de getuigen en de verbalisanten te waarborgen.

Ten aanzien van de camerabeelden heeft verweerder in het bestreden besluit erkend dat het zorgvuldiger was geweest als hij deze had opgevraagd bij café [café 1]. In beroep heeft verweerder een proces-verbaal van bevindingen overgelegd van 14 november 2012, waaruit blijkt dat [eigenaresse], de eigenaresse van café [café 1], telefonisch aan een politiefunctionaris heeft verklaard dat zij de beelden van de camera heeft uitgekeken maar dat er niets op was te zien. Ze heeft verklaard dat deze beelden eigenlijk alleen het gedeelte voor de toegangsdeur bestrijken en dat de overkant niet/wazig is te zien. De beelden van de nacht van 29 mei 2012 zijn niet bewaard.

13. De voorzieningenrechter is van oordeel dat het proces-verbaal met registratienummer PL0910 2012119140, dat is opgemaakt tegen [collega], relevant is voor de beoordeling van de feiten die ten grondslag liggen aan het bestreden besluit. Zij overweegt daartoe dat met name relevant zijn de door eiser genoemde processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse in de nacht van 29 mei 2012 in de [straat] hebben gerelateerd over wat er zich tussen uitgaand publiek en één of meer portiers van café [café 1] heeft voorgedaan en waaruit blijkt dat aanvankelijk [collega] als verdachte voor beide incidenten is aangehouden. Door deze processen-verbaal niet bij de voorbereiding van het bestreden besluit te betrekken, heeft verweerder het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig voorbereid. Daarbij is van belang dat eiser reeds in de bezwaarfase een geanonimiseerde versie van dit dossier heeft overgelegd en zich nadrukkelijk heeft beroepen op de ontlastende verklaringen zich daarin voor eiser bevinden. Het had daarom in de rede gelegen dat verweerder zich in ieder geval bij de volledige heroverweging in bezwaar had beraden op de samenloop van beide incidenten en vervolgens gemotiveerd had waarom hij ondanks de aanvankelijke aanhouding van [collega] voor beide incidenten uiteindelijk toch eiser voor één ervan aansprakelijk houdt. Het bestreden besluit is gelet hierop in strijd met de artikelen 3:2, 7:11 en 7:12 van de Awb. De voorzieningenrechter zal het bestreden besluit vernietigen.

Nu in de beroepsfase alsnog de betreffende stukken zijn overgelegd en door verweerder een nadere toelichting is gegeven, ziet zij zich vervolgens gesteld voor de vraag of er aanleiding is om de rechtsgevolgen van het bestreden besluit met toepassing van artikel 8:72, derde lid, van de Awb in stand te laten. Zij zal daartoe de overige beroepsgronden van eiser beoordelen.

14. De voorzieningenrechter volgt eiser niet in zijn betoog dat hij in zijn verdediging is geschaad doordat verweerder niet reeds in de bezwaarfase de ongeanonimiseerde versie van de beide dossiers die betrekking hebben op de incidenten in de nacht van 29 mei 2012 heeft overgelegd. Zij constateert dat eiser in de bezwaarfase feitelijk wel al de beschikking had over de geanonimiseerde versie van deze beide dossiers. Eiser heeft zich, zoals ook blijkt uit het door hem in bezwaar en beroep gehouden betoog, op basis van deze stukken een voldoende beeld kunnen vormen van de feitelijke situatie en vervolgens zijn visie op de feiten ter verdediging naar voren gebracht. Voorts heeft verweerder de beide ongeanonimiseerde dossiers in de beroepsfase na de behandeling ter zitting alsnog overgelegd. Dit heeft niet tot gevolg gehad dat eiser zijn verdediging heeft aangepast.

15. De voorzieningenrechter ziet zich vervolgens gesteld voor de vraag of verweerder in de door hem overgelegde gegevens voldoende aanknopingspunten heeft kunnen zien voor zijn stelling dat eiser zich in de nacht van 29 mei 2012 schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van twee mannen. Niet in geschil is dat er zich die nacht bij café [café 1] rond 03.00 uur twee incidenten hebben voorgedaan, waarbij uiteindelijk drie personen pijn en/of letsel hebben opgelopen door toedoen van een portier. Evenmin is in geschil dat eiser en zijn collega [collega] in die bewuste nacht ter plaatse portiersdiensten hebben verricht.

16. De voorzieningenrechter stelt vast dat uit het door verweerder overgelegde proces-verbaal met registratienummer PL0910 2012119140-3 blijkt dat verbalisant [verbalisant 1] op 29 mei 2012 omstreeks 3.20 uur als eerste verbalisant ter plaatse van de incidenten is gearriveerd.

Uit het door hem op 29 mei 2012 opgemaakte proces-verbaal blijkt dat hij ter plaatse gezien de feiten en omstandigheden in eerste instantie [collega] heeft gekwalificeerd als verdachte voor beide incidenten en heeft besloten hem aan te houden ter zake twee keer mishandeling en één keer zware mishandeling.

[verbalisant 1] verklaart dat toen hij ter plaatse arriveerde, werd aangesproken door een man die later [slachtoffer 1] bleek te zijn. Deze wilde aangifte doen van mishandeling door een portier en wees daarbij de betreffende portier aan [verbalisant 1] aan. [verbalisant 1] heeft verklaard dat hij zag dat [slachtoffer 1] naar een man wees met een kaal hoofd, zeer licht getint, ongeveer 1.80 m, fors postuur en zwarte kleding met een beveiligingsinsigne. [verbalisant 1] herkende de portier niet, maar zag dat deze naast de [verbalisant 1] wel bekende portier, [eiser], stond. [verbalisant 1] relateert dat hij, toen hij door meer personen werd aangesproken, de centrale om extra personeel heeft gevraagd. Toen vervolgens zijn collega’s arriveerden heeft hij hen gevraagd het verhaal van de andere mensen te horen. [verbalisant 1] zag dat zijn collega [verbalisant 3] naar een man met ontbloot bovenlichaam liep, welke later [slachtoffer 2] bleek te zijn. Zijn collega [verbalisant 2] is naar een andere man in een geruite blouse gelopen, dat bleek later [getuige 1] te zijn.

[verbalisant 1] schrijft aan het slot van dit proces-verbaal onder het kopje ‘Beoordeling verklaringen/aangiftes’ het volgende:

‘Nadat door de genoemde betrokkenen aangifte was gedaan, dan wel een verklaring was afgelegd, bestaat bij mij het vermoeden dat de portier welke [getuige 1] en [slachtoffer 2] heeft mishandeld niet portier [collega] is, maar portier [eiser].

Ik baseer deze bevindingen op de omschreven signalementen in zowel de aangifte van [slachtoffer 2] en de getuige verklaring van [getuige 3]. Tevens verklaren [slachtoffer 2], [getuige 1] en [getuige 3] dat de portier die de mishandeling heeft gepleegd het constant over zijn zoon had. Die zoon zou betrokken zijn geweest bij een eerder incident en een afrokapsel hebben. Het is mij bekend dat [eiser] een zoon heeft welke een afrokapsel heeft, dit heeft hij mij vroeger wel eens verklaard. Indien dit mij bekend was geweest voordat [eiser] een verklaring had afgelegd, zou ik hem de cautie hebben medegedeeld.’

Het proces-verbaal PL0910 2012119140-6 is opgesteld door verbalisant [verbalisant 2]. [verbalisant 2] is op 29 mei 2012 omstreeks 3.30 uur met zijn collega [verbalisant 3] ter plaatse gearriveerd.

Uit dit proces-verbaal blijkt dat [verbalisant 2] ter plaatse van zijn collega [verbalisant 1] heeft gehoord dat een portier van café [café 1] een drietal personen zou hebben mishandeld, waarbij [verbalisant 1] gewezen heeft op een geheel in het zwart geklede man met een kaal hoofd en een beveiligingsinsigne op zijn jas. [verbalisant 1] vroeg of [verbalisant 2] het verhaal van een slachtoffer, een manspersoon gekleed in een spijkerbroek en geruite blouse wilde horen.

Uit het proces-verbaal van bevindingen blijkt dat de man in de geruite blouse [getuige 1] was. [getuige 1] heeft ter plaatse aan [verbalisant 2] verklaard dat hij op zijn achterhoofd is geslagen, heeft daarbij gewezen in de richting van de eerder genoemde man gekleed in het zwart.

[getuige 1] heeft verder verklaard dat ze met vrienden in [café 3] waren geweest. Nadat ze daar weg waren gegaan liepen ze over de [straat] en kwamen daar mensen tegen die ze eerder die nacht ook al hadden gezien. Voor café [café 1] werden zij aangesproken door de portier die riep: ‘Wat moet je met mijn zoon en waarom doe je zo tegen hem’ of woorden van gelijke strekking. De portier liep met hem mee en duwde hem ter hoogte van het Lucas Bolwerk een portiek in, daar werd hij aan zijn haren getrokken en op zijn achterhoofd gestompt. [getuige 1] heeft verder verklaard dat hij ook heeft gezien dat de portier een kopstoot heeft uitgedeeld aan een ander persoon. Daarbij wees hij in de richting van een man met een baseballpet op. [getuige 1] heeft verder verklaard dat zijn vriend [getuige 2] ([slachtoffer 2]) ook is geslagen door de portier.

Het proces-verbaal PL0910 2012119140-7 is opgesteld door verbalisant [verbalisant 3].

Uit dit proces-verbaal van bevindingen blijkt dat [verbalisant 3] ter plaatse van zijn collega [verbalisant 1] heeft gehoord dat een portier van café [café 1] een drietal personen zou hebben mishandeld. [verbalisant 1] wees daarbij in de richting van een man welke volledig in het zwart gekleed was. Deze persoon had een kaal hoofd dan wel gemillimeterd haar en een beveiligingsteken op de linkerzijde van zijn jas. [verbalisant 3] heeft op verzoek van [verbalisant 1] een slachtoffer ([slachtoffer 2]) gehoord.

[slachtoffer 2] heeft ter plaatse aan [verbalisant 3] verklaard dat hij vanaf [café 3] met een vriend en een vriendin naar café [café 1] fietste. Onderweg kreeg hij ruzie met drie personen die hem onbekend waren. Het was een groepje van twee meisjes en één jongen met een afrokapsel. Voor café [café 1] kreeg [slachtoffer 2] wederom een woordenwisseling met de jongen met het afrokapsel. Vervolgens kwam de portier van café [café 1] op hem aflopen. Deze pakte hem vast en sloeg hem vijf keer op zijn hoofd. Ook werd zijn overhemd kapot getrokken. Toen hij werd geslagen door de portier hoorde hij de portier zeggen: ‘Je moet van mijn familie afblijven. Dat is mijn zoon.’ Verbalisant [verbalisant 3] verklaart dat hij zag dat [slachtoffer 2] daarbij wees in de richting van de portier welke later bleek te zijn [collega].

Het proces-verbaal PL0910 2012119141-1 bevat de op 29 mei 2012 rond 4.23 uur door [slachtoffer 2] op het politiebureau gedane aangifte van eenvoudige mishandeling.

[slachtoffer 2] heeft verklaard dat hij op 29 mei 2012 omstreeks 3.12 uur in de buurt van café [café 1] was. Hij was bij [café 3] geweest en was samen met een vriendin [getuige 3] en een vriend [getuige 1]. Zij wilden naar café [café 1] gaan. [getuige 3] en [getuige 1] waren op de fiets, [slachtoffer 2] zat bij één van hen achterop. Op de [straat], ongeveer 500 meter voor café [café 1] zag hij een groepje van vier personen staan, twee mannen en twee vrouwen, één van de mannen (man 1) was licht getint, tussen de 20 en 25 jaar oud en had onder meer donker haar en een soort afrokapsel. Zij reden met de fiets voorbij en [slachtoffer 2] riep naar één van de vrouwen ‘Heey schat’ of woorden van gelijke strekking. Dit was als een grap bedoeld. Voor café [café 1] parkeerden [getuige 3] en [getuige 1] hun fietsen. Een aantal minuten later kwam het eerder genoemde groepje ook aan bij de ingang van café [café 1]. Ze stonden ineens voor onze neus, aldus de aangifte. [slachtoffer 2] zag dat er twee portiers voor de ingang van café [café 1] stonden. Een was een negroïde man en de ander was een blanke man. Hij zag dat man 1 voor [getuige 1] ging staan. Hij hoorde dat man 1 tegen [getuige 1] zei: ‘Wat zei je tegen haar’ of woorden van gelijke strekking. Hij zag dat één van de portiers achter [getuige 1] vandaan kwam en [getuige 1] van achteren bij zijn haar vastgreep. Hij zag dat de portier een negroïde man was, hij denkt tussen de 30-40 jaar oud was. Hij zag dat de man een stevig postuur had. Hij denkt dat de man 1,80 meter lang was. De man had kort gemillimeterd haar.

Vervolgens trok deze portier [getuige 1] een stukje over de straat mee. Daarna gaf hij hem drie klappen op zijn achterhoofd.

[slachtoffer 2] zei toen tegen man 1: ‘Je moet mij hebben, ik heb dat gezegd’, of woorden van gelijke strekking. Vervolgens werd hij zelf door iemand in zijn nek gegrepen en kreeg hij klappen op zijn voor- en achterhoofd. [slachtoffer 2] zag dat het de portier was die dit deed. Hij hoorde dat de portier tijdens het voorval tegen hem zei ‘Wat doe je met mijn zoon’, of woorden van gelijke strekking. Volgens [slachtoffer 2] zou de portier best wel eens de vader van man 1 kunnen zijn, gezien de leeftijd en de donkere huidskleur.

Het proces-verbaal PL0910 2012119138-1 bevat de op 29 mei 2012 rond 4.15 uur door [getuige 1] op het politiebureau gedane aangifte van eenvoudige mishandeling.

[getuige 1] heeft verklaard dat hij op dinsdag 29 mei 2012 samen was met [slachtoffer 2], [getuige 3] en nog twee personen waarvan hij de naam vergeten is. Ze zijn deze nacht in [café 3] geweest. In [café 3] was er een klein incidentje tussen [getuige 2] en een meisje. [getuige 2] stond, gelooft [getuige 1], op de schoenen van dat meisje, waarop het meisje agressief reageerde. Direct daarna kwam er een licht getinte jongen naar [getuige 2]. Deze jongen zei op een dreigende toon dat [getuige 2] zijn excuses moest aanbieden. Dit incident is met een sisser afgelopen.

Toen ze [café 3] verlieten zijn ze naar café [café 1] gelopen. Om 3.00 uur stond [getuige 1] met [getuige 2] en [getuige 3] voor de ingang, ze moesten even wachten voordat ze naar binnen konden. Ineens stond een jongen voor zijn neus. Hij zag dat deze jongen met de twee meiden liep waar [getuige 2] in [café 3] een klein conflict mee had gehad. Deze jongen zei tegen [getuige 1]: ‘Wat zei je tegen haar’, of woorden van gelijke strekking. Hij vermoedde dat de jongen met ‘haar’ zijn vriendin bedoelde. [getuige 1] antwoordde dat hij helemaal niets tegen zijn vriendin had gezegd. Hij hoorde dat de jongen vervolgens nog enkele keren vroeg wat hij tegen haar gezegd had. Hij hoorde en zag dat de jongen dit op een harde en agressieve manier zei. Terwijl hij min of meer in gesprek was met de jongen, voelde hij dat iemand met kracht aan zijn haren op zijn achterhoofd trok. Hij zag dat de portier degene was die hem aan zijn haren vasthield en voelde dat hij werd meegetrokken naar de overkant van de straat. Daar kreeg hij van de portier een harde klap tegen zijn achterhoofd. Hij hoorde de portier op harde en luide toon tegen hem zeggen: ‘Blijf van mijn zoon af of ik maak je kapot’, of woorden van gelijke strekking.

[getuige 1] heeft verder verklaard dat terwijl hijzelf door de portier werd mishandeld, [getuige 2] was meegelopen naar de andere kant van de straat om het voor hem op te nemen. [getuige 1] zag dat de portier zich na hem direct op [getuige 2] richtte. Hij zag dat de portier [getuige 2] aan zijn blouse een portiek in trok en hem vervolgens drie keer sloeg. Terwijl de portier [getuige 2] mishandelde riep hij op luide toon: ‘als je aan mijn zoon zit, maak ik je kapot, ik weet je te vinden’, of woorden van gelijke strekking.

De andere portier van café [café 1] probeerde het incident te sussen. [getuige 1] zag dat beide portiers vervolgens de straat weer overstaken.

[getuige 1] heeft verklaard dat bij café [café 1] twee portiers stonden. De portier die [getuige 2] en hem mishandeld heeft en die vervolgens [slachtoffer 3] (het slachtoffer van het tweede incident) een kopstoot gaf, heeft hij bij zijn aangifte als volgt omschreven: man, licht getinte huidskleur (zoals bijvoorbeeld een Turk of een Iranees), fors/gezet postuur, 1,80 tot 1,85 meter lang, 40 à 45 jaar, zwart kort gemillimeterd haar. De andere portier had volgens zijn verklaring een blanke huidskleur, was gespierd, 1,80 tot 1,85 meter lang, ongeveer 35 jaar en had kort donker blond haar.

Het proces-verbaal PL0910 2012119141-2 bevat de op 29 mei 2012 rond 5.00 uur door [getuige 3] als getuige afgelegde verklaring.

Zij heeft verklaard dat zij op 29 mei 2012 omstreeks 2.55 uur met twee vrienden, [getuige 1] en [slachtoffer 2], voor [café 1] stond bij twee uitsmijters. Op aanwijzing van één van de uitsmijters ging zij binnen haar jas ophangen in de garderobe. De garderobe bevindt zich buiten [café 1], op een binnenplaatsje. Zij omschrijft de portiers als volgt:

portier 1: man, rond de 35 jaar, getinte huidskleur, breed postuur, kort gemillimeterd haar;

portier 2: man, rond de 30 jaar, blanke huidskleur, vermoedelijk Nederlandse afkomst, breed postuur, kort gemillimeterd haar.

[getuige 3] liep vanaf de garderobe terug naar buiten en zag dat [getuige 2] samen met portier 1 stond. Om precies te zijn stonden ze aan de overkant van de weg bij de kapper, die gevestigd is tegenover [café 1]. Zij zag dat [getuige 1] iets verderop stond met portier 2. Zij zag en hoorde dat portier 1 erg agressief reageerde naar [getuige 2]. Zij hoorde hem zeggen: ‘Je moet niet aan mijn kind zitten’, of woorden van gelijke strekking. Zij hoorde dat portier 1 dit een aantal keren herhaalde en dat [getuige 2] daardoor beangstigd was. Zij zag dat de portier hem ook tegen het glas van de kapperszaak duwde. Zij hoorde [getuige 2] meerdere malen zeggen: ‘Ik doe je niks, ik raak je niet aan’, of woorden van gelijke strekking. Het leek er op dat [getuige 2] geen problemen met de portier wilde hebben en hem tot rust probeerde te krijgen. Het leek erop dat portier 1 aan het doordraaien was. De afstand tussen [getuige 3] en [getuige 2] en de portiers bedroeg minder dan twee meter. Zij zag dat de portier [getuige 2] vervolgens meerdere vuistslagen gaf. Zij kan, zo verklaart ze, met alle zekerheid zeggen dat de getinte portier [getuige 2] heeft geslagen. Zij zag dat vervolgens portier 2 zich met de situatie ging bemoeien en portier 1 tot rust probeerde te brengen.

Het proces-verbaal PL0910 2012119140-11 bevat de op 29 mei 2012 rond 11.05 uur door [collega] als verdachte afgelegde verklaring.

[collega] is geboren in 1983, hij heeft de Nederlandse en de Turkse Nationaliteit, hij omschrijft zijn uiterlijk als sportief postuur, blanke huidskleur, ongeveer 1,78 meter, kort gemillimeterd haar en een ringbaardje. Hij erkent dat hij heeft geduwd en getrokken aan een jongen met een petje. Op de vraag of hij heeft gezien of zijn collega portier iemand heeft mishandeld, heeft hij geantwoord dat hij wel heeft gezien dat hij slaande bewegingen heeft gemaakt naar twee jongens, waarbij een meisje was. Dat was ook afgelopen nacht bij [café 1]. Hij hoorde dat dit te maken had met zijn zoon die eerder problemen had gehad. Zijn collega portier is [eiser]. Hij heeft een Surinaams uiterlijk en is portier bij café [café 1] in Utrecht. [collega] werkt voor een ander portiersbedrijf.

Het proces-verbaal PL0910 2012119140-9 bevat de op 29 mei 2012 rond 05:47 uur door eiser als getuige afgelegde verklaring.

Eiser heeft verklaard dat hij op 29 mei 2012 omstreeks 03.00 werkzaam was als portier bij café [café 1], waarbij hij samenwerkte met de portier van het naastgelegen café, [café 2] ([collega]. Eiser heeft verklaard dat er op dat tijdstip een opstootje was op de [straat], vlak voor café [café 1]. Het opstootje was gaande tussen twee groepjes, bestaande uit twee jongens en een meisje en twee meisjes en een jongen. Uit de groep met de twee jongens droegen de jongens een geruite blouse en een grijze blouse. Deze twee jongens zouden bier over een meisje hebben gegooid en haar voor ‘stoephoer’ hebben uitgemaakt.

Eiser heeft verklaard dat hij zag dat zijn collega [collega] tussen de twee groepen kwam en de groepjes uit elkaar haalde. Hij heeft daar ook nog even bij geholpen. Eiser verklaart dat hij opeens hoorde dat de jongen met de geruite blouse schreeuwde dat hij op zijn achterhoofd was geslagen door [collega]. Eiser verklaart dat hij zijn collega aan het werk heeft gezien maar da thij hem geen slaande beweging heeft zien maken. Toen de jongens vervelend bezig bleven, heeft eiser de jongen met de grijze blouse naar de overkant van de staat geduwd. Eiser heeft gezien dat deze jongen een kapotte blouse had. Hij verklaart verder dat er zich op dat moment een ander voorval bij café [café 1] aandiende, waarbij drie andere jongens waren betrokken.

17. De voorzieningenrechter stelt vast dat er geen redenen zijn gesteld of gebleken waarom aan de verklaringen van [slachtoffer 2], [getuige 1] en [getuige 3] getwijfeld zou moeten worden. Deze verklaringen komen verder qua strekking met elkaar overeen en geven ook inzicht in de aanleiding tot het incident. De voorzieningenrechter acht het, gelet op het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] voldoende aannemelijk dat de door [slachtoffer 2] genoemde man met het afrokapsel de zoon van eiser is. Uit de verklaring van [slachtoffer 2] blijkt dat deze man ook aanwezig was bij het incident voor café [café 1].

Uit de verklaringen van [slachtoffer 2], [getuige 3], [getuige 1] en [collega] blijkt verder dat de aanleiding voor de mishandeling door de portier er kennelijk in was gelegen dat hij opkwam voor zijn zoon.

Gelet op deze samenloop van omstandigheden is voldoende aannemelijk dat eiser, en niet [collega], zich in de nacht van 29 mei 2012 schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 2] en [getuige 1].

18. De voorzieningenrechter kan eiser niet volgen in zijn betoog dat de verklaringen van [slachtoffer 2], [getuige 3] en [getuige 1] op elkaar zijn afgestemd. Zij overweegt daartoe dat [slachtoffer 2] en [getuige 1] hun eerste verklaringen, die overeenkomen met hun meer uitgebreide verklaringen ongeveer anderhalf uur later, al ter plaatse vrijwel onmiddellijk na het incident hebben afgelegd. [slachtoffer 2], [getuige 1] en [getuige 3] vertellen vanuit hun eigen perspectief en in eigen bewoordingen welke positie ieder voor zich innam op het moment dat de mishandeling plaatsvond. Deze verklaringen geven dan ook geen aanleiding te veronderstellen dat er sprake is geweest van onderlinge afstemming. De enkele, niet nader onderbouwde stelling dat de aangevers en de getuige vrienden zijn en dat er tijd geweest is om af te stemmen, is daarvoor onvoldoende. Daar komt nog bij dat ook [collega], van wie niet gebleken is van enige betrokkenheid bij of bekendheid met [slachtoffer 2], [getuige 1] en [getuige 3], heeft verklaard dat hij hoorde dat het incident waarbij hij zijn collega slaande bewegingen heeft zien maken, te maken had met diens zoon die eerder problemen had gehad. De voorzieningenrechter heeft geen aanwijzingen om aan te nemen dat [slachtoffer 2], [getuige 1] en [getuige 3] enerzijds en [collega] anderzijds een dergelijke aanleiding voor het incident hebben verzonnen of met elkaar afgestemd.

19. De door eiser overgelegde handgeschreven verklaring van [collega] van 28 oktober 2012, waarin staat dat hij terugkomt op zijn verklaring dat hij eiser slaande bewegingen heeft zien maken, leidt niet tot de conclusie dat de door [collega] op 29 mei 2012 afgelegde verklaring, die is opgenomen in het proces-verbaal PL0910 2012119140-11, niet betrouwbaar is. De voorzieningenrechter overweegt daartoe dat deze verklaring relatief kort (8 uur) na het incident ten overstaan van een politiefunctionaris is afgelegd en dat [collega] kort voor dit verhoor had gesproken met zijn advocaat. Onder deze omstandigheden valt niet in te zien dat de op 20 mei 2012 door [collega] afgelegde verklaring, zoals hij heeft gesteld, als gevolg van druk, stress en paniek zou zijn afgelegd. Aan de ruim vijf maanden later ten overstaan van de advocaat van eiser overgelegde verklaring van [collega], kan dan ook niet dezelfde betekenis worden gehecht als aan de direct na het incident bij de politie afgelegde verklaring ook als was [collega] op dat moment verdachte.

20. De voorzieningenrechter stelt voorts vast dat [slachtoffer 2] bij zijn aangifte heeft verklaard dat de dader een negroïde man was. Deze verklaring wijst duidelijk in de richting van eiser. [getuige 3] heeft als getuige en [getuige 1] heeft bij zijn aangifte verklaard dat de oudere, meer getinte portier de dader was. Ook deze beide verklaringen wijzen in de richting van eiser, die ouder is dan [collega] (43 jaar ten opzichte van 29 jaar), donkerder van huidskleur is en een Surinaams uiterlijk heeft. De door [slachtoffer 2], [getuige 1] en [getuige 3] genoemde signalementen bevestigen naar het oordeel van de voorzieningenrechter dat eiser, en niet [collega], zich schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 2] en [getuige 1].

21. Dat [collega] door verbalisant [verbalisant 1] in eerste instantie ook als de dader van dit incident is aangemerkt, leidt niet tot een andere conclusie. [verbalisant 1] heeft in het door hem opgestelde proces-verbaal met registratienummer PL0910 2012119140-3 inzichtelijk toegelicht waarom hij achteraf tot de conclusie is gekomen dat hij in eerste instantie de verkeerde portier als dader heeft aangemerkt. Het feit dat [slachtoffer 2] en [getuige 1] bij hun verklaringen ter plaatse blijkens de processen-verbaal van bevindingen van zijn collega-verbalisanten kennelijk in de richting van [collega] hebben gewezen, als zijnde de dader, maakt dit ook niet anders. Daarbij is van belang dat ook de verbalisanten die hen hoorden er op dat moment nog van uit gingen dat [collega] bij de beide incidenten als de dader moest worden aangemerkt. Hoewel de processen-verbaal van bevindingen van [verbalisant 2] en [verbalisant 3] vragen oproepen, staat daar tegenover dat uit de hiervoor genoemde verklaringen een ander beeld naar voren komt. De voorzieningenrechter is dan ook gelet op alle beschikbare gegevens en het beeld dat beide aangevers, de getuige en [collega] van het incident en de aanleiding daartoe geven, van oordeel dat verweerder voldoende aanknopingspunten heeft kunnen zien voor zijn stelling dat eiser zich in de nacht van 29 mei 2012 schuldig heeft gemaakt aan de mishandeling van [slachtoffer 2] en [getuige 1].

22. Eiser heeft betoogd dat verweerder ontlastend materiaal buiten het dossier heeft gehouden doordat hij de camerabeelden van café [café 1] niet tijdig heeft opgevraagd. Verweerder heeft in het bestreden besluit erkend dat dat ongelukkig is geweest. Verweerder heeft vervolgens een proces-verbaal van bevindingen van 14 november 2012 overgelegd, waaruit blijkt dat de eigenaresse van café [café 1], [eigenaresse], op 7 november 2012 telefonisch het volgende heeft verklaard: ‘Het beeld van de camera bestrijkt eigenlijk alleen maar het gedeelte voor de toegangsdeur. Mijn stoepie dus. De overkant is niet/wazig te zien. Het gebeuren waarover een en ander dus nu speelt heb ik niet kunnen zien op de beelden.’ Zij heeft voorts verklaard dat zij, nadat eiser melding had gemaakt van het incident, de beelden heeft uitgelezen en dat er niets op was te zien, zodat er geen reden was de beelden veilig te stellen. Eiser heeft ter zitting een verklaring overgelegd van genoemde eigenaresse van 30 november 2012. Hierin stelt zij: “Met de tekst: “de overkant is haast niet/wazig te zien” is kennelijk bedoeld aan te geven dat ik in verband met het bereik van de camera, geen gebeurtenissen op het Lucas Bolwerk kan waarnemen. De kwaliteit van de camerabeelden is echter van dien aard, dat het door de camera bestreken gebied voldoende duidelijkheid zou hebben kunnen geven over de vraag of er sprake is van schermutselingen.” Deze kanttekening laat onverlet dat uit het op ambtsbelofte opgemaakte proces-verbaal van 14 november 2012 voldoende blijkt dat de camera bij café [café 1], zoals deze in de nacht van 29 mei 2012 kennelijk stond afgesteld, slechts de toegangsdeur en de stoep voor café [café 1] bestreek en dat de eigenaresse, terwijl het incident haar door eiser gemeld was, er voor gekozen heeft de beelden te laten overschrijven omdat er niets van schermutselingen op te zien was. Hoe het precieze bereik van de camera’s op 29 mei 2012 ook is geweest, het doet niet af aan het feit dat vaststaat dat er die nacht een incident is geweest waarbij [slachtoffer 2] en [getuige 1] zijn mishandeld. Ook eiser zelf heeft immers verklaard dat hij een man met een grijze blouse naar de overkant van de straat heeft geduwd. Er kan dan ook niet geoordeeld worden dat het door verweerder niet bekijken van de camerabeelden, van zo’n groot belang is dat aan al het belastende materiaal voorbij gegaan moet worden.

23. Volgens vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ABRvS), zoals onder meer verwoord in de uitspraak van 20 oktober 2004 (LJN AR4306), komt verweerder vrijheid toe bij de beoordeling of betrokkene voldoende betrouwbaar is en is de betekenis die in paragraaf 2.1, aanhef en onder c, van de circulaire aan de term 'betrouwbaarheid' is gegeven niet onjuist. Voorts mogen, zoals ook in de uitspraak van de ABRvS van 24 december 2003 (LJN AO0768) is overwogen, aan medewerkers in de beveiligingsbranche, gelet op de aard van deze branche, hogere eisen worden gesteld dan aan medewerkers in andere betrekkingen. Dit betekent dat de korpschef als maatstaf mag hanteren dat de betrouwbaarheid en integriteit van beveiligingsmedewerkers boven iedere twijfel verheven dient te zijn.

24. Er is geen aanleiding voor het oordeel dat verweerder zich niet in redelijkheid op het standpunt heeft kunnen stellen dat de mishandeling van [slachtoffer 2] en [getuige 1] waar eiser zich op 29 mei 2012 aan schuldig heeft gemaakt, een ernstige aantasting van de rechtsorde is. Gelet daarop heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser niet voldoende betrouwbaar of geschikt is om voor een beveiligingsorganisatie werkzaamheden te verrichten. Verweerder heeft hierbij mee kunnen wegen dat eiser in februari 2012 een waarschuwing heeft gehad en in die zin een gewaarschuwd man was voorafgaand aan het incident. Verweerder heeft zich voorts op het standpunt kunnen stellen dat eiser de belangen van de veiligheidszorg nog verder heeft geschaad door in de nacht van 11 op 12 september 2012, ondanks de bekendmaking dat de verleende toestemming was ingetrokken, toch beveiligingswerkzaam-heden bij café [café 1] heeft verricht.

25. Het betoog van eiser dat verweerder de eerdere waarschuwing van 13 februari 2012 en het proces-verbaal van 14 september 2012 niet bij het bestreden besluit heeft mogen betrekken, slaagt niet. Een beslissing op bezwaar is op grond van artikel 7:11 van de Awb een volledige heroverweging van een primair besluit. Uitgangspunt is dat deze heroverweging plaats dient te vinden aan de hand van de feiten en de omstandigheden zoals die zich voordoen op het moment van die heroverweging. Eiser heeft niet bestreden dat de waarschuwing al geruime tijd eerder was gegeven en hem ook bekend was. Nu deze waarschuwing ook betrekking had op eisers functioneren als beveiliger, heeft verweerder dit feit bij het bestreden besluit mogen betrekken.

26. Dat het Openbaar Ministerie (OM) van verdere strafvervolging terzake mishandeling heeft afgezien en een transactie van € 550,- heeft aangeboden, maakt dit niet anders. De beslissing van het OM doet immers niet af aan de bevoegdheid van verweerder om de over eiser bekende gegevens zelfstandig te beoordelen. Uit de uitspraak van de ABRvS van 25 augustus 2004 (LJN AQ7435) blijkt dat het feit dat het OM een transactie hanteert, betekent dat genoegzaam vaststaat dat sprake is van strafwaardig gedrag.

27. Volgens vaste jurisprudentie van de ABRvS, zoals verwoord in de uitspraak van 8 maart 2006 (LJN AV3843) mag, gegeven het imperatieve karakter van artikel 7, vijfde lid, van de Wpbr, toepassing van de hardheidsclausule genoemd in paragraaf 2.1.1 van de Circulaire er niet toe leiden dat iemand die niet voldoet aan de eisen van betrouwbaarheid, toch te werk gesteld mag worden. Bij de beslissing omtrent toepassing van de hardheidsclausule dient derhalve uitsluitend te worden beoordeeld of degene op wie het verzoek om toestemming betrekking heeft, hoewel hij niet aan de in de circulaire opgenomen eisen voldoet, toch over de nodige betrouwbaarheid beschikt. Verweerder heeft, gelet hierop, terecht gesteld dat toepassing van de hardheidsclausule in het onderhavige geval niet aan de orde kan zijn. Het feit dat de intrekking van de bevoegdheid ook consequenties heeft voor de aan eiser verstrekte verklaring omtrent gedrag en daarmee voor zijn eigen beveiligingsbedrijf [bedrijf 1] is zonder meer waar, maar is geen reden om tot een andere conclusie te komen. Dat is nu eenmaal de consequentie van de aan hem verleende toestemming ook benut voor bedrijfsmatige doeleinden.

28. Gelet op hetgeen onder 13 is overwogen, moet het beroep gegrond te worden verklaard en dient het bestreden besluit om die reden te worden vernietigd. De overige beroepsgronden slagen echter gezien hetgeen onder 14 tot en met 27 is overwogen, niet.

De voorzieningenrechter ziet daarom aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, derde lid van de Awb te bepalen dat de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand blijven.

29. De voorzieningenrechter acht in hetgeen onder 13 is overwogen wel termen aanwezig om verweerder op grond van artikel 8:75 in samenhang met artikel 7:15 van de Awb te veroordelen in de proceskosten die eiser in beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. Deze kosten zijn met toepassing van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) begroot op € 1.748,- (1 punt voor het indienen voor het bezwaarschrift en 1 punt voor het verschijnen op de hoorzitting in bezwaar, 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting in beroep, waarde per punt

€ 437,-) als kosten voor verleende rechtsbijstand. Op grond van artikel 8:74 van de Awb dient verweerder het door eiser betaalde griffierecht te vergoeden.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening

(SBR 12/3518 en SBR 12/3519)

30. Gelet op de beslissing in de hoofdzaak is het treffen van een voorlopige voorziening niet vereist. De voorzieningenrechter ziet evenmin aanleiding om verweerder in de proceskosten te veroordelen.

Beslissing

De voorzieningenrechter:

Ten aanzien van het beroep:

• verklaart het beroep gegrond;

• vernietigt het bestreden besluit van 6 november 2012;

• bepaalt dat de rechtsgevolgen van het vernietigde besluit geheel in stand blijven;

• verroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.748,-;

• bepaalt dat verweerder het door eiser betaalde griffierecht van € 310,- vergoedt.

Ten aanzien van het verzoek om een voorlopige voorziening:

• wijst het verzoek om voorlopige voorziening af.

Deze uitspraak is gedaan door mr. V.M.M. van Amstel, voorzieningenrechter, in aanwezigheid van mr. J.K. van de Poel, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 20 december 2012.

griffier voorzieningenrechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan voor zover daarmee is beslist op het beroep binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State.

Voor zover bij deze uitspraak is beslist op het verzoek om voorlopige voorziening staat daartegen geen rechtsmiddel open.