Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6927

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
16/656229-12[P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Openlijke geweldpleging, gevangenisstraf van 3 maanden waarvan 2 voorwaardelijk met proeftijd 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/656229-12[P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1992] te [geboorteplaats]

wonende aan het [adres] [woonplaats]

raadsman mr. J.J. van de Beek, advocaat te Enschede

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 december 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De rechtbank heeft de vordering wijziging tenlastelegging van de officier van justitie toegestaan. De gewijzigde tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht;

Feit 1 subsidiair: heeft geprobeerd [slachtoffer 2], [slachtoffer 3] en/of [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 2: deel heeft uitgemaakt van een groep die geweld heeft gepleegd tegen personen en goederen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde onder feit 1 heeft begaan en verzoekt de rechtbank verdachte hiervan vrij te spreken. De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het subsidiair tenlastegelegde onder feit 1 en het tenlastegelegde onder feit 2 heeft begaan en baseert zich daarbij op de verklaringen van aangevers en getuigen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op het feit dat niet vast kan komen te staan dat verdachte betrokken is geweest bij het plegen van geweld. Getuige [getuige] verklaart dat hij niets opmerkelijks aan de jongens heeft gezien. Verdachte had een bloedende hoofdwond, hetgeen wel als opmerkelijk kan worden aangemerkt. Uit niets in het dossier kan worden opgemaakt dat verdachte deel uitmaakte van de groep geweldsplegers. Derhalve verzoekt de verdediging om vrijspraak ten aanzien van alle tenlastegelegde feiten. De verdediging verzoekt subsidiair rekening te houden met de mogelijkheid dat verdachte zich enkel verdedigde en zich dus kan beroepen op noodweer.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak ten aanzien van het onder feit 1 primair en subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich op 19 augustus 2012 heeft schuldig gemaakt aan het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of een poging daartoe aan personen in Utrecht. Uit het dossier is niet vast te stellen wie van de verdachten die deel uitmaakten van de groep geweldplegers het letsel bij [slachtoffer 3] dan wel [slachtoffer 1] heeft veroorzaakt, nog daargelaten dat het letsel van beide slachtoffers– naar het oordeel van de rechtbank- niet kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Derhalve dient verdachte vrij te worden gesproken van het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel of de poging daartoe.

Bewijsmiddelen ten aanzien van feit 2

Op 19 augustus 2012 doet [slachtoffer 2] aangifte bij de politie. Hij verklaart dat hij met zijn vrouw in zwembad Den Hommel in Utrecht was die dag en er een conflict ontstond tussen twee jongens en zijn vrouw. Dit conflict escaleerde, waarop [slachtoffer 2] tussen zijn vrouw en de jongen in is gaan staan. Vervolgens is hij geduwd en werd hij meerdere keren geslagen. Hij zag dat er opeens allemaal stoelen door de lucht vlogen, waarbij hij werd geraakt op zijn hand en tegen zijn hoofd door de stoelen. [slachtoffer 2] verklaart dat het een groep Marokkaanse jongens was, waarvan de jongen die het meeste aan het gooien was bloed had op zijn linkeroor en er vandoor was gegaan. Door een arts wordt op 20 augustus 2012 vastgesteld dat [slachtoffer 2] letsel heeft aan zijn neus, hand en borstkas.

Diezelfde dag doet ook [X] namens haar minderjarige dochter [slachtoffer 3] aangifte. [X] verklaart dat er een conflict ontstond tussen [Y] en een groepje Marokkaanse jongens. Ze heeft gezien dat de jongens een agressieve houding aannamen ten aanzien van [slachtoffer 2] en dat deze laatste hard geduwd werd. Vervolgens zag zij stoelen door de lucht vliegen en hoorde haar dochter [slachtoffer 3] hard gillen. Zij (de rechtbank begrijpt: haar dochter [slachtoffer 3]) had een stoel op haar voet gekregen. [X] is met haar dochter naar het ziekenhuis gegaan, waar ze te horen kreeg dat de voet van haar dochter gekneusd was.

Ook [slachtoffer 1] komt op 19 augustus 2012 aangifte doen. Ze verklaart tevens over het conflict tussen [Y] en een groepje Marokkaanse jongens. De jongens komen volgens haar erg dreigend over en spreken [slachtoffer 2] daarbij aan. Vervolgens komt ze midden in een vechtpartij terecht waarbij ze een klap op haar gezicht voelt en hierbij buiten bewustzijn raakt. Uit de medische verklaring blijkt dat haar neus door het geweld scheef is gaan staan en dat haar linkerwang gedeeltelijk gevoelloos is geworden. Een operatie is noodzakelijk om haar neus weer recht te zetten. Uit een aanvullende medische verklaring blijkt dat [slachtoffer 1] naar aanleiding van dit letsel nog steeds onder behandeling staat op 3 december 2012. Herstel van de aangezichtsverlamming lijkt volgens de artsen onwaarschijnlijk en in januari 2013 zal [slachtoffer 1] een lichttherapie moeten ondergaan.

Wanneer de politie ter plaatse komt op 19 augustus 2012, horen zij van badmeester [A] welke jongens deel uit hebben gemaakt van de groep geweldplegers. Deze jongens bleken ook te voldoen aan het signalement dat aangever [slachtoffer 2] hen gaf. Hierop houden zij twee jongens, waaronder verdachte aan.

Badmeester [A] verklaart bij de politie dat hij op 19 augustus 2012 zag dat er een opstootje plaatsvond tussen een groepje jongens en één man. Hierbij kreeg de man een klap en gooiden de jongens met stoelen in de richting van die man. Hij verklaart dat de jongens die de politie later heeft aangehouden, de jongens zijn die bij het incident betrokken waren en de man aangevallen hebben. Hij herkende de jongens ook, omdat ze eerder die week al door hem aangesproken waren wegens hinderlijk gedrag. De jongen in de zwarte zwembroek is er volgens hem vandoor gegaan voordat de politie arriveerde.

De politie kijkt de camerabeelden uit en ziet inderdaad een kale jongen met een zwarte zwembroek het zwembad verlaten. Omdat deze man niet wordt herkend, worden de beelden uitgezonden op RTV Utrecht, waarna verdachte zichzelf herkent en komt melden bij de politie. Hij verklaart dat er inderdaad een vechtpartij is geweest op 19 augustus 2012 waarbij hij gewond is geraakt aan zijn hoofd en zijn hoofd heeft gebloed.

Verdachte wordt, vanwege zijn kale hoofd en zwarte zwembroek, door zowel [A] , als [X] en [slachtoffer 3] aangewezen als de persoon die een grote rol speelde in het openlijk geweld.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

De verklaring van verdachte dat hij werd geslagen en zelf geen geweld heeft gebruikt acht de rechtbank niet geloofwaardig. De rechtbank leidt dit af uit de verklaringen van getuigen en aangevers, welke duidelijk maken dat het hoogst waarschijnlijk verdachte was die de confrontatie is aangegaan met [slachtoffer 2] en vervolgens ook heeft gegooid met stoelen. Dat verdachte hierbij zelf gewond is geraakt is mogelijk, maar de rechtbank ziet hierin geen enkele reden om een eventueel beroep op noodweer te rechtvaardigen. Voor een geslaagd beroep op noodweer moet allereerst worden vastgesteld dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding van eigen of eens anders lijf, eerbaarheid of goed waartegen verdediging noodzakelijk was. De rechtbank acht echter uit het dossier en het onderzoek ter terechtzitting niet aannemelijk geworden dat er sprake was van een ogenblikkelijke wederrechtelijke aanranding door [slachtoffer 2] jegens verdachte, of van een onmiddellijk dreigend gevaar daarvoor. Anders dan de verklaring van verdachte is er geen bewijs voorhanden dat [slachtoffer 2] verdachte heeft aangevallen of van plan was dat te doen. De rechtbank is daarom van oordeel dat verdachte zich ten tijde van zijn gewelddadige handelen niet in een noodweersituatie bevond waarin hij gerechtigd was zich te verdedigen. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat verdachte zich had kunnen distantiëren van de situatie zodat het incident niet zou escaleren. In plaats daarvan heeft verdachte ervoor gekozen om de confrontatie op te zoeken. De rechtbank zal het beroep op noodweer derhalve afwijzen.

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden en bezien in onderling verband en samenhang, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte deel heeft uitgemaakt van een groep die geweld heeft gepleegd tegen personen en goederen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 19 augustus 2012 te Utrecht met anderen, op een voor het publiek toegankelijke plaats, te weten zwembad Den Hommel, openlijk en in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [slachtoffer 2] en [slachtoffer 3] en [slachtoffer 1] en goederen, welk geweld bestond uit het:

- met een dreigende houding bij die [slachtoffer 2] gaan staan en

- duwen tegen het lichaam van die [slachtoffer 2] en

- het maken van slaande bewegingen in de richting van die [slachtoffer 2] en

- meermalen met kracht gooien van één of meer (terras)stoelen tegen het hoofd en lichaam van die [slachtoffer 2] en tegen de voet van die [slachtoffer 3] en tegen het gezicht van die [slachtoffer 1].

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Feit 2: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft, op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht en het feit dat zij van mening is dat verdachte de leidende rol heeft aangenomen in de groep ten aanzien van de geweldpleging, gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 92 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren. Daarnaast heeft de officier van justitie gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf van 180 uren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden van verdachte. Hij is gemotiveerd om aan zijn toekomst te werken. Daar komt bij dat hij een blanco strafblad heeft. Een geheel voorwaardelijke werkstraf zou naar de mening van de verdediging een passende straf zijn, indien de rechtbank het tenlastegelegde bewezen acht.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met anderen schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging in een voor het publiek openbare plaats, namelijk een zwembad. In dit zwembad waren veel mensen aanwezig, waaronder kinderen. Verdachte heeft al deze mensen blootgesteld aan het (mede) door hem gepleegde geweld. Het is algemeen bekend dat slachtoffers en getuigen van geweld, ook lang nadat dit zich heeft voorgedaan, nog de nadelige psychische gevolgen daarvan kunnen ondervinden.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte d.d. 24 oktober 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit.

De rechtbank heeft kennis genomen van een reclasseringsrapportage d.d. 12 september 2012 waaruit blijkt dat verdachte geen duidelijke dagbesteding heeft en zijn sociale netwerk mogelijk een risicofactor is.

De rechtbank constateert op grond van bovenstaande rapportages en de houding van verdachte ter terechtzitting, dat niet blijkt dat hij daadwerkelijk inzicht heeft in de laakbaarheid van zijn handelen. Hieruit blijkt dat verdachte geen verantwoordelijkheid neemt voor de gevolgen die zijn handelen hebben gehad voor de slachtoffers en overige recreanten die aanwezig waren in het zwembad en getuige zijn geweest van het toegepaste geweld. De rechtbank zal opleggen een gevangenisstraf van 3 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren, met aftrek van de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

7 De vorderingen benadeelde partij

De benadeelde partij [slachtoffer 3] vordert een schadevergoeding van €3.000,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De benadeelde partij [slachtoffer 1] vordert een schadevergoeding van €2059,- aan immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 3] is de officier van justitie van mening dat deze niet bijzonder goed gemotiveerd is. Echter, gezien de omstandigheden van het geval, verzoekt zij de rechtbank de vordering toch toe te wijzen tot een bedrag van €500,- euro, bestaande uit immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie verzoekt de rechtbank de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk te verklaren.

Ten aanzien van de vordering van benadeelde partij [slachtoffer 1], is de officier van justitie van mening dat deze dient te worden toegewezen voor een bedrag van €1.500,-, te vermeerderen met de wettelijke rente en oplegging van de schadevergoedingsmaatregel. De officier van justitie verzoekt de rechtbank de vordering voor het overige deel niet-ontvankelijk te verklaren.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is primair van mening dat beide vorderingen dienen te worden afgewezen, nu zij heeft gepleit voor vrijspraak. Subisidiair is de verdediging van mening dat ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 3] geen geneeskundige verklaring is opgenomen in het dossier, waaruit duidelijk blijkt welk letsel zij heeft opgelopen. Het letsel is derhalve niet vast te stellen. Daarnaast is de hoogte van het bedrag dat wordt gevorderd gebaseerd op uitspraken die niet vergelijkbaar zijn met de onderhavige zaak. Ten aanzien van benadeelde partij [slachtoffer 1] is de verdediging van mening dat uit het dossier niet duidelijk naar voren komt hoe de schade is ontstaan. Daar komt bij dat er nog geen medische eindsituatie is, waardoor ook hier het letsel nog niet kan worden vastgesteld.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van de vordering ingediend door benadeelde partij [slachtoffer 3] oordeelt de rechtbank als volgt. De schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit en verdachte wordt aansprakelijk geacht voor die schade. De situatie en omstandigheden in het zwembad waarin het minderjarige slachtoffer zich heeft bevonden, zijn –naar het oordeel van de rechtbank- voor een kind van haar leeftijd erg beangstigend te noemen. Derhalve zal de rechtbank een bedrag van €500,- aan immateriële schade toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

Ten aanzien van de vordering ingediend door benadeelde partij [slachtoffer 1] oordeelt de rechtbank als volgt. De schade is een rechtstreeks gevolg van het bewezen verklaarde feit en verdachte wordt aansprakelijk geacht voor die schade. De rechtbank zal de vordering tot een bedrag van €1.000,- toewijzen, te vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf 19 augustus 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 24c, 36f, 141 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 1 tenlastegelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen en goederen.

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 3 maanden waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daarbij de volgende algemene voorwaarden:

o dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit.

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Voorlopige hechtenis

- heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop dit vonnis onherroepelijk wordt;

Benadeelde partijen

- vordering [slachtoffer 3]

o veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 3] van €500,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 19 augustus 2012;

o veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

o bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

o verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

o legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 3], €500,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf het ontstaan van de schade, te weten 19 augustus 2012, bij niet betaling te vervangen door 10 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

o bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

o bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

- vordering [slachtoffer 1]

o veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 1] van €1000,- ter zake van immateriële schade, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf het moment van het ontstaan van de schade, te weten 19 augustus 2012;

o veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

o bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen.

o verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht.

o legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 1], €1000,- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente berekend vanaf het ontstaan van de schade, te weten 19 augustus 2012, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

o bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

o bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J. Ebbens en mr. R.P.G.L.M. Verbunt, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Capitano, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 december 2012.

Mr. R.P.L.G.M. Verbunt is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.