Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6923

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
11-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
16/600600-11 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte veroordeeld wegens witwassen, gevangenisstraf van 2 maanden voorwaardelijk met proeftijd van 2 jaren.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/600600-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 11 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1964] te [geboorteplaats]

wonende te [adres] ([woonplaats]

raadsman mr. F. Visser, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 27 november 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

in de periode van 1 april 2010 tot en met 13 april 2011 te Utrecht samen met anderen geld heeft witgewassen.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van het op de tenlastelegging genoemde geldbedrag van 1.700,- euro verzoekt de officier van justitie verdachte hiervan vrij te spreken. Ten aanzien van het geldbedrag ad € 40.850,- genoemd op de tenlastelegging, is de officier van justitie van mening dat dit wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard. De verklaring die verdachte geeft ten aanzien van het bij hem aangetroffen geld is ongeloofwaardig. De verklaringen van verdachte en [X] komen niet overeen. Daarnaast is het ook onduidelijk waarom [X] aan verdachte vraagt het geld onder zich te houden. Verdachte heeft geen kluis en moet zelf nog met het geld in zijn zak over straat om naar huis te gaan. Vervolgens legt verdachte het geld in een duiventil, waar iedereen bij kan komen. Daar komt bij dat verdachte niet heeft voldaan aan zijn onderzoeksplicht. Dit temeer omdat verdachte reeds in het verleden is veroordeeld wegens heling. Verdachte verklaart zelf helemaal geen vragen aan [X] te hebben gesteld over de herkomst van het geld, hij heeft zelf verondersteld dat het geld afkomstig was van de verkoop van een auto. Hier komt bij dat verdachte eerder is veroordeeld voor het voorhanden hebben van hennep. De hennep is gelijktijdig aangetroffen met de geldbedragen tijdens een doorzoeking van zijn woning. De coupures waarin het geld is aangetroffen zijn gebruikelijk in de hennephandel. Deze waren verstopt in een duiventil. Hierdoor kan er van worden uitgegaan dat het geld afkomstig is van hennephandel.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en wijst daarbij op de jurisprudentie welke door de Hoge Raad uiteen is gezet. Om tot een bewezenverklaring van witwassen te komen moet, volgens deze jurisprudentie, aan een aantal voorwaarden worden voldaan. In casu wordt aan deze voorwaarden niet voldaan, waardoor verdachte vrijgesproken dient te worden.

Allereerst geeft verdachte geen onaannemelijke verklaring voor de herkomst van het bij hem aangetroffen geld. Daar komt bij dat zijn verklaring door verschillende personen wordt bevestigd. Ook had verdachte niet kunnen vermoeden dat het geld afkomstig was van enig misdrijf. Het geld is aan hem gegeven door autohandelaar [X]. Het is niet ongebruikelijk dat in de tweedehands autohandel grote contante geldbedragen omgaan. Bovendien was er voor verdachte geen enkele aanleiding om aan te nemen dat het geld van enig misdrijf afkomstig zou kunnen zijn, nu [X] hem had verteld dat het geld afkomstig was van de verkoop van een auto.

De stortingen die te zien zijn op de rekeningsafschriften van verdachte zijn eveneens verklaarbaar. Dit betreft giften van de familie ten behoeve van de zwager van verdachte, die een lange gevangenisstraf uitzit. Deze giften werden contant gedaan aan verdachte en omdat er geen contante stortingen kunnen worden gedaan ten behoeve van gedetineerden, werden deze giften door verdachte doorgestort naar zijn zwager. Hiermee is voor het door de politie opgeworpen overschot op de rekeningen een aannemelijke en verifieerbare verklaring gegeven voor de herkomst van het geld. Derhalve dient verdachte voor het gehele ten laste gelegde geldbedrag te worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het ten laste gelegde deels heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Bewijsmiddelen

Op 13 april 2011 vindt een doorzoeking plaats in de woning van verdachte aan de [adres] te [woonplaats]. In de schuur op het perceel wordt ruim 41 kilo hennep aangetroffen. Voor het voorhanden hebben van deze hennep wordt verdachte veroordeeld bij vonnis d.d. 25 juli 2011 van de rechtbank Utrecht. Tijdens dezelfde doorzoeking wordt in het duivenhok bij het huis een geldbedrag van 40.850,00 euro aangetroffen. Verdachte verklaart hier zelf over dat het geld niet van hem is, maar wil ook niet zeggen aan wie het geld wel toebehoort.

Op 11 juli 2011 vindt de inhoudelijke behandeling plaats waar aan verdachte wordt verweten dat hij de bij hem op 13 april 2011 aangetroffen hennep voorhanden heeft gehad. Ter zitting verklaart verdachte voor het eerst over de afkomst van het geldbedrag dat tijdens de doorzoeking bij hem is aangetroffen. Hij geeft aan dat het geld toebehoort aan [X] en dat hij dit niet eerder heeft willen zeggen omdat hij [X] niet in de problemen wilde brengen.

Uit onderzoek is tevens aannemelijk geworden dat door verdachte en zijn partner enkel legale inkomsten zijn ontvangen door middel van het krijgen van een uitkering.

Bewijsoverwegingen

De verklaring van verdachte dat het geld afkomstig was van [X] acht de rechtbank onaannemelijk. Op 27 april 2011 heeft [X] een klaagschrift ingediend, waarin hij stelt dat het geld aan hem toebehoort. Verdachte geeft vanaf het begin aan dat hij niet de eigenaar is van het geld, maar wil niet verklaren van wie het geld dan wel is. Pas ter zitting op 11 juli 2011 verklaart hij dat [X] hem het geld in bewaring heeft gegeven. Deze verklaring komt nadat het klaagschrift door [X] is ingediend en verdachte heeft hiervan kennis kunnen nemen. Zijn verklaring lijkt naar het oordeel van de rechtbank afgestemd op hetgeen door [X] in het klaagschrift wordt gesteld en wordt ongeloofwaardig geacht. Verdachte geeft geen andere aannemelijke verklaring voor de herkomst van het geld.

Verdachte is reeds veroordeeld voor het voorhanden hebben van ruim 14 kilo hennep. Het is een feit van algemene bekendheid dat het in de hennephandel in de breedste zin van het woord gebruikelijk is grote bedragen aan contanten voorhanden te hebben. Daar komt bij dat het geld is aangetroffen in het duivenhok, waaruit naar oordeel van de rechtbank blijkt dat verdachte het geld heeft willen verstoppen.

Gezien voornoemde feiten en omstandigheden leidt het uitblijven van enige aannemelijke verklaring over de herkomst van de geldbedragen, in combinatie met het feit dat verdachte enkel een uitkering ontvangt als enige legale inkomstenbron, de rechtbank tot het oordeel dat het niet anders kan zijn dan dat het bij verdachte aangetroffen geld - onmiddellijk of middellijk - uit enig misdrijf is verkregen en dat verdachte dit ook wist. De rechtbank acht derhalve wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het witwassen van een geldbedrag van 40.850,- euro.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

op 13 april 2011 te Utrecht een voorwerp, te weten een geldbedrag ter hoogte van 40.850,00 euro voorhanden had, terwijl hij wist dat dat voorwerp – onmiddellijk of middellijk – afkomstig was uit enig misdrijf.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

witwassen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 2 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank de verdachte vrij te spreken ten aanzien van het ten laste gelegde.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het witwassen van een aanzienlijk geldbedrag. Door het witwassen werd de werkelijke herkomst van het geld versluierd en verdachte heeft daarmee de integriteit van het financiële en economische verkeer in ernstige mate geschonden.

Met betrekking tot de persoon van verdachte heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte d.d. 24 oktober 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder voor vermogensdelicten is veroordeeld en wel laatstelijk op 25 juli 2011 door de meervoudige strafkamer te Utrecht voor heling.

Naar aanleiding van het bovenstaande zal de rechtbank aan verdachte opleggen een gevangenisstraf van 2 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren.

7 Beslag

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt dat de afstandsverklaring van verdachte ten aanzien van het geldbedrag niet zuiver is. Het betreft een verdere verhullingshandeling, nu verdachte wist dat, wanneer hij had gezegd dat het zijn geld was, hij met een plausibele verklaring had moeten komen omtrent de afkomst van het geld. Er is klassiek beslag gelegd op het geld en derhalve moet het verbeurd worden verklaard.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging geeft aan dat verdachte reeds afstand heeft gedaan van het geld en verzoekt de rechtbank om van dit geld de bewaring ten behoeve van de rechthebbende te gelasten omdat er een klaagschriftprocedure aanhangig is gemaakt.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De verdachte heeft afstand gedaan van het geld dat bij hem is aangetroffen. Derhalve zal de rechtbank hierover geen beslissing meer nemen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 63, 420 bis van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

witwassen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt de verdachte tot een gevangenisstraf van 2 maanden geheel voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en daarbij de volgende algemene voorwaarden:

o dat de verdachte zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig zal maken aan een strafbaar feit;

o dat de verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt.

o Medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. E.A.A. Kalveen en mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Capitano, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 11 december 2012.