Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6889

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
801351 AC EXPL 12-1587 LH 4059
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Arbeidsovereenkomst tussen vrouw en een vennootschap van man. De kantonrechter oordeelt dat de arbeidsovereenkomst na verloop van tijd is overgegaan van de ene groepsvennootschap naar de andere. Het pensioenontslagbeding in de arbeidsovereenkomst maakt verboden onderscheid naar leeftijd en is daarom nietig. De loonvordering van werkneemster wordt toegewezen. De op de kennelijke onredelijkheid van ontslag gebaseerde vordering is prematuur en wordt afgewezen, omdat de arbeidsovereenkomst met de holding doorloopt.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
AR-Updates.nl 2012-1092
PJ 2013/48

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 801351 AC EXPL 12-1587 LH 4059

vonnis van 12 december 2012

inzake

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 1],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [bedrijf 1],

en

2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[bedrijf 2],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder ook te noemen [bedrijf 2],

opposerende partij,

gemachtigde: mr. K. Weijers,

tegen:

[geopposeerde partij],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [geopposeerde partij],

geopposeerde partij,

gemachtigde: mr. M.H. van den Berg.

Het verloop van de procedure

[bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben verzet gedaan tegen het op vordering van [geopposeerde partij] gewezen verstekvonnis van 19 oktober 2011 met kenmerk 777674 AC EXPL 11-6834 en hebben alsnog verweer gevoerd.

Verwezen wordt naar het incidentele vonnis, op 14 maart 2012 in de zaak met kenmerk 788741 UC EXPL 11-20548 tussen partijen gewezen, alsmede naar het in de onderhavige zaak gewezen tussenvonnis van 21 maart 2012.

[geopposeerde partij] heeft voor antwoord in oppositie en [bedrijf 1] en [bedrijf 2] hebben voor repliek in oppositie geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

De vaststaande feiten

1.1. Nadat [geopposeerde partij], geboren op [1949], al vanaf 1984 werkzaamheden had verricht voor de heer [eigenaar bedrijven 1 & 2] (geboren op [1951]), is zij op 1 april 1988 in dienst getreden van zijn op 30 maart 1988 opgerichte besloten vennootschap [bedrijf 2] (hierna te noemen [bedrijf 2]), in welke vennootschap [eigenaar bedrijven 1 & 2] zijn eerdere eenmanszaak, waarin hij zich onder meer bezig hield met het maken van geluidsopnamen, had ingebracht. Op 30 maart 1988 werd tevens de holdingvennootschap [bedrijf 1][bedrijf 2][bedrijf 1] (hierna te noemen [bedrijf 1]) opgericht. [eigenaar bedrijven 1 & 2] is (indirect) enig aandeelhouder en bestuurder van beide vennootschappen.

1.2. Op 27 mei 1989 zijn [geopposeerde partij] en [eigenaar bedrijven 1 & 2], onder huwelijkse voorwaarden, met elkaar gehuwd.

1.3. Op 20 september 1991 hebben [bedrijf 2] en [geopposeerde partij] een schriftelijke arbeidsovereenkomst ondertekend, waarin zij de tussen hen bestaande arbeidsovereenkomst hebben vastgelegd. Artikel 1 hiervan luidt: ‘De arbeidsovereenkomst is aangegaan voor onbepaalde tijd doch eindigt in ieder geval indien: a. de werknemer de 62-jarige leeftijd bereikt; b. het vonnis tot ontbinding van het huwelijk met de heer [eigenaar bedrijven 1 & 2] casu quo het vonnis tot scheiding van tafel en bed van de heer [eigenaar bedrijven 1 & 2] in de registers van de Burgerlijke Stand wordt ingeschreven. Ieder der partijen heeft het recht deze overeenkomst eerder per een door hen te bepalen tijdstip op te zeggen met inachtneming van een opzeggingstermijn van tenminste zes maanden.’ De functie van [geopposeerde partij] is in artikel 2 van de arbeidsovereenkomst omschreven als ‘het assisteren van de directeur van de vennootschap in de ruimste zin van het woord’ en het voeren van ‘de administratie van de vennootschap.’

1.4. In augustus 1994 heeft [eigenaar bedrijven 1 & 2] de besloten vennootschap [bedrijf 4] opgericht, eveneens een dochtervennootschap van [bedrijf 1]. Deze vennootschap houdt zich bezig met de vervaardiging van wijnen en het beheer van wijndomeinen. In april 2007 is [bedrijf 3] opgericht. Van deze vennootschap, die zich bezig houdt met de in- en verkoop van wijnen, is [eigenaar bedrijven 1 & 2] medebestuurder. Met de toegenomen bedrijfsactiviteiten van de groepsvennootschappen zijn in de loop der tijd ook de werkzaamheden van [geopposeerde partij] uitgebreid. Was zij aanvankelijk alleen werkzaam voor de muzikale bedrijfsactiviteiten van [bedrijf 2], nadien heeft zij ook als directieassistente/gastvrouw gewerkt in het kader van de wijnbouw en -verkoop van de andere werkmaatschappijen.

1.5. Begin 2007 is het loon van [geopposeerde partij] verhoogd naar € 5.730,-- bruto per maand (exclusief vakantiebijslag). Waar de door [geopposeerde partij] ontvangen salarisspecificaties aanvankelijk werden verstrekt door en ten name van [bedrijf 2], zijn deze op enig moment op naam van [bedrijf 1] gesteld en is het loon door [bedrijf 1] aan [geopposeerde partij] betaald. Vanaf het kalenderjaar 2007 vermelden de aan [geopposeerde partij] verstrekte jaaropgaven [bedrijf 1] als inhoudingsplichtige. Volgens de jaarstukken van [bedrijf 2] had deze vennootschap in elk geval vanaf 2008 geen personeel meer in dienst.

1.6. In of omstreeks 2007 zijn tussen [geopposeerde partij] en [eigenaar bedrijven 1 & 2] huwelijksproblemen ontstaan. In dat verband hebben zij zich gezamenlijk gewend tot een scheidingsbemiddelaar/mediator, met wie zij op 19 februari 2008 een bemiddelingsovereenkomst hebben gesloten, waarvan artikel 3 bepaalt: ‘3.1 Een overeenkomst tussen de partners komt pas tot stand door de ondertekening van het (scheidings)convenant door de beide partners. Voorstellen, toezeggingen e.d. in het kader van de bemiddeling binden de partners niet. 3.2 Deel-afspraken binden de partners niet en vervallen derhalve als de bemiddeling beëindigd wordt zonder dat een convenant tussen hen tot stand komt. 3.3 Het in artikel 3.2 bepaalde geldt niet indien uitdrukkelijk is overeengekomen (en zulks schriftelijk is vastgelegd) dat een bepaalde deelovereenkomst bindend zal zijn en derhalve zal blijven gelden, ook indien er geen convenant tot stand komt.’ In het kader van de bemiddeling hebben [geopposeerde partij] en [eigenaar bedrijven 1 & 2] gesproken over de voorwaarden waaronder hun huwelijk zou worden ontbonden en de arbeidsovereenkomst van [geopposeerde partij] zou eindigen. De bemiddeling is geëindigd zonder dat een (scheidings)convenant is getekend. Sinds eind 2008 is het huwelijk van [eigenaar bedrijven 1 & 2] en [geopposeerde partij] duurzaam verstoord. De echtscheidingsprocedure is thans aanhangig bij de sector familie van deze rechtbank.

1.7. Vanaf eind december 2008 heeft [geopposeerde partij] niet meer voor [eigenaar bedrijven 1 & 2] gewerkt, omdat zij vanwege de verstoring van de huwelijksrelatie tussen [geopposeerde partij] en [eigenaar bedrijven 1 & 2] niet meer tot het werk werd toegelaten. [geopposeerde partij] heeft zich bereid verklaard de bedongen arbeid te blijven verrichten. De loonbetaling is op 1 april 2011, toen [geopposeerde partij] de 62-jarige leeftijd bereikte, gestopt, omdat de arbeidsovereenkomst met ingang van die datum van rechtswege zou zijn geëindigd. Hiertegen heeft [geopposeerde partij] geprotesteerd.

1.8. Op verzoek van [bedrijf 2] heeft het UWV Werkbedrijf te Amersfoort op 28 september 2011 aan [bedrijf 2] ‘voor zover rechtens vereist’ toestemming verleend om de arbeidsverhouding met [geopposeerde partij] te beëindigen. Op 29 september 2011 heeft de gemachtigde van [bedrijf 2] de arbeidsovereenkomst aan [geopposeerde partij], voor zover deze nog zou bestaan, opgezegd tegen 1 april 2012.

1.9. Van 1 oktober 2010 tot 1 oktober 2011 heeft [geopposeerde partij] een drankenwinkel ([drankenwinkel] genaamd) geëxploiteerd, die zij na een jaar wegens verliesgevendheid heeft gestaakt.

De vorderingen en de standpunten van partijen

2.1. [geopposeerde partij] vordert dat, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren vonnis, (I) voor recht wordt verklaard dat [bedrijf 1] althans [bedrijf 2] de werkgeefster van [geopposeerde partij] is en (II.1) dat de arbeidsovereenkomst met [geopposeerde partij] niet op grond van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder a van de schriftelijke overeenkomst van 20 september 1991 is geëindigd. Voorts vordert [geopposeerde partij] dat [bedrijf 1] althans [bedrijf 2] wordt veroordeeld om (II.2.a) aan [geopposeerde partij] te voldoen het loon van € 5.730,-- bruto per maand (met vakantiebijslag en emolumenten) vanaf 1 april 2011 en totdat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig is geëindigd, te vermeerderen met (II.2.b) de wettelijke verhoging, voor zover [bedrijf 1] althans [bedrijf 2] langer dan drie dagen in gebreke is met tijdige betaling hiervan, en met (II.2.c) de wettelijke rente over het loon c.a. en de wettelijke verhoging vanaf de opeisbaarheid tot de voldoening. In het geval komt vast te staan dat de arbeidsovereenkomst van partijen per 1 april 2011 is geëindigd of eindigt door opzegging van werkgeefster na verkregen toestemming van het UWV Werkbedrijf, vordert [geopposeerde partij] - primair - (III.1) dat werkgeefster wordt veroordeeld aan [geopposeerde partij] te voldoen de overeengekomen vergoeding van € 250.000,--, althans - subsidiair - (III.2) dat voor recht wordt verklaard dat werkgeefster de onderhandelingen met [geopposeerde partij] over die vergoeding onrechtmatig heeft afgebroken, met veroordeling van werkgeefster om aan [geopposeerde partij] € 250.000,-- te betalen, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf het einde van de arbeidsovereenkomst tot de voldoening. Meer subsidiair (III.3) vordert [geopposeerde partij] dat voor recht wordt verklaard dat de beëindiging van de arbeidsovereenkomst kennelijk onredelijk is althans dat werkgeefster in strijd met het goed werkgeverschap handelt, met veroordeling van [bedrijf 1] althans [bedrijf 2] om aan [geopposeerde partij] te voldoen een (schade)vergoeding van € 250.000,--, te vermeerderen met de wettelijke rente hierover vanaf het einde van de arbeidsovereenkomst tot de voldoening. Voorts vordert [geopposeerde partij] (IV) dat wordt bepaald dat het [bedrijf 1] niet is toegestaan om zich bij het einde van de arbeidsovereenkomst te beroepen op verrekening, althans dat het haar niet is toegestaan beslag te leggen op hetgeen [bedrijf 2] aan [geopposeerde partij] uit hoofde van de arbeidsovereenkomst dient te betalen. Ten slotte vordert [geopposeerde partij] (V) dat [bedrijf 1] en [bedrijf 2] worden veroordeeld in de proceskosten en (VI) dat wordt bepaald dat het vonnis geldt als Europese executoriale titel.

2.2. [geopposeerde partij] legt aan haar vordering, voor zover deze is gericht tegen [bedrijf 1], ten grondslag dat de arbeidsovereenkomst die zij aanvankelijk met [bedrijf 2] heeft gehad op enig moment op [bedrijf 1] is overgegaan. Zij beroept zich daartoe op de tenaamstelling van loonstroken en jaaropgaven, op de uitbreiding van haar werkzaamheden voor de andere groepsvennootschappen en op de jaarstukken van [bedrijf 2] en [bedrijf 1].

Aan de arbeidsovereenkomst is op 1 april 2011, toen [geopposeerde partij] de 62-jarige leeftijd bereikte, geen einde gekomen, omdat het beding van artikel 1, aanhef en onder a van de schriftelijke arbeidsovereenkomst van 20 september 1991 op grond van artikel 3 jo. 13 van de Wet gelijke behandeling op grond van leeftijd bij de arbeid (WGBl/a) nietig is. Voor het geval de arbeidsovereenkomst toch per 1 april 2011 zou zijn geëindigd, of de arbeidsovereenkomst door opzegging na verkregen ontslagvergunning zal eindigen, komt [geopposeerde partij] de in het kader van de echtscheidingsbemiddeling overeengekomen beëindigingsvergoeding toe, althans is jegens haar onrechtmatig gehandeld doordat [naam] de onderhandelingen hierover te elfder ure, toen [geopposeerde partij] er inmiddels op mocht vertrouwen dat overeenstemming zou worden bereikt, heeft afgebroken. [geopposeerde partij] maakt (meer subsidiair) aanspraak op eenzelfde vergoeding, op grond van de kennelijke onredelijkheid van het ontslag.

3.1. [bedrijf 1] en [bedrijf 2] betwisten de vordering van [geopposeerde partij]. Zij vorderen dat het verstekvonnis van 19 oktober 2011 wordt vernietigd en dat - opnieuw rechtdoende - de vordering van [geopposeerde partij] in al zijn onderdelen wordt afgewezen. [bedrijf 1] maakt aanspraak op restitutie door [geopposeerde partij] van hetgeen zij ter voldoening aan het verstekvonnis inmiddels heeft betaald, vermeerderd met rente. Zij meent op grond van het verstekvonnis geen wettelijke verhoging aan [geopposeerde partij] verschuldigd te zijn.

3.2. Aan hun standpunt leggen opposanten ten grondslag dat enkel tussen [geopposeerde partij] en (de rechtsvoorganger van) [bedrijf 2] een arbeidsovereenkomst heeft bestaan. Bij akte van 20 september 1991 is de rechtsverhouding tussen hen vastgelegd. [geopposeerde partij] heeft niet betwist dat zij haar handtekening onder deze akte heeft gezet. De arbeidsovereenkomst met [geopposeerde partij] is niet op [bedrijf 1] overgegaan. De rechtszekerheid verzet zich tegen een dergelijke geruisloze overgang van het dienstverband van de ene vennootschap op de andere. Slechts uit verklaringen - niet alleen uit de gedragingen - van partijen kan volgen dat zij zich tegenover elkaar hebben verbonden. Van dergelijke verklaringen is geen sprake. Dat op de aan [geopposeerde partij] verstrekte loonstroken op den duur [bedrijf 1] als inhoudingsplichtige is vermeld, brengt niet mee dat zij werkgeefster van [geopposeerde partij] is geworden, omdat zij - als degene die toen feitelijk het loon aan [geopposeerde partij] was gaan betalen - ook tot inhouding van loonbelasting en premies verplicht was. De vermelding in de jaarstukken 2009 en 2010 van [bedrijf 2], dat bij haar geen personeel in dienst is, berust op een misverstand. De vermelding in het handelsregister, dat in de onderneming van [bedrijf 2] twee personen werkzaam zijn, is wèl juist.

3.3. De arbeidsovereenkomst met [geopposeerde partij] is, gezien de aanvankelijke bedoeling van [eigenaar bedrijven 1 & 2] en [geopposeerde partij] om op 60- respectievelijk 62-jarige leeftijd van een vervroegde oude dag te gaan genieten, voor bepaalde tijd aangegaan. Het stond partijen vrij om de einddatum van 1 april 2011 overeen te komen. Ingevolge artikel 1, aanhef en onder a van de akte van 20 september 1991 is de arbeidsovereenkomst per 11 april 2011, toen [geopposeerde partij] de 62-jarige leeftijd bereikte, van rechtswege geëindigd. Daaraan staat de WGBl/a niet in de weg.

Zo de arbeidsovereenkomst op en na 1 april 2011 zou zijn blijven voortbestaan, is deze - na verkregen toestemming van het UWV Werkbedrijf - regelmatig opgezegd tegen 1 april 2012. Deze opzegging is niet kennelijk onredelijk. In het kader van de echtscheidingsbemiddeling is geen echtscheidingsconvenant getekend en - daarom - ook geen overeenstemming over een beëindigingsvergoeding bereikt.

4. Op hetgeen overigens door partijen is aangevoerd zal, voor zover dat voor de beslissing van belang is, hierna worden ingegaan.

De beoordeling van het geschil

5.1. Het verzet is tijdig gedaan. Hetgeen [bedrijf 1] en [bedrijf 2] tegen de vordering van [geopposeerde partij] en het verstekvonnis van 19 oktober 2011, waarbij een groot deel van deze vordering is toegewezen, naar voren hebben gebracht, heeft de kantonrechter niet aldus verstaan dat zij een reconventionele vordering hebben willen instellen. Hetgeen opposanten stellen en verlangen, zal hierna in de beoordeling van het geschil (in conventie) worden betrokken. Daarbij zal ook de vraag naar de verschuldigdheid van wettelijke verhoging aan de orde komen, zoals partijen hebben verzocht.

5.2. De eerste vraag die partijen verdeeld houdt is wie van de beide vennootschappen, [bedrijf 1] of [bedrijf 2], aan werkgeverszijde partij is bij de overeenkomst met [geopposeerde partij]. Vast staat dat [geopposeerde partij] aanvankelijk haar werkzaamheden in dienst van (de rechtsvoorganger van) [bedrijf 2] heeft verricht. Nu niet in geschil is dat de rechtsverhouding met [geopposeerde partij] moet worden gekwalificeerd als een arbeidsovereenkomst in de zin van artikel 7:610 BW, komt het er bij de beantwoording van de vraag of op enig moment [bedrijf 1] de werkgeefster van [geopposeerde partij] is geworden op aan of [bedrijf 1] en [geopposeerde partij] zich jegens elkaar hebben verbonden (vgl. HR 5 april 2002 NJ 2003, 124). Dat dit het geval is, kan niet - zonder meer - worden afgeleid uit de omstandigheid dat [bedrijf 1] feitelijk het loon aan [geopposeerde partij] is gaan betalen, noch uit het feit dat [geopposeerde partij] in de loop der tijd (ook) voor andere groepsvennootschappen (dan - alleen - [bedrijf 2]) is gaan werken. Beide omstandigheden zijn namelijk niet onverenigbaar met het voortbestaan van de arbeidsovereenkomst met [bedrijf 2].

5.3. Het antwoord op genoemde vraag, of [bedrijf 1] en [geopposeerde partij] zich als werkgeefster en werkneemster jegens elkaar hebben verbonden, is afhankelijk van hetgeen zij over en weer hebben verklaard en uit elkaars verklaringen en gedragingen hebben afgeleid en redelijkerwijs mogen afleiden (het zogenoemde Haviltex-criterium, naar HR 13 maart 1981 NJ 1981, 635). Anders dan opposanten menen, spelen hierbij derhalve niet alleen de verklaringen van partijen een rol, maar kunnen ook hun gedragingen het gerechtvaardigde vertrouwen wekken dat partijen zich jegens elkaar hebben verbonden. Bij gebreke van expliciete uitlatingen van [eigenaar bedrijven 1 & 2] of [geopposeerde partij] over een wijziging van het werkgeverschap, komt doorslaggevende betekenis toe aan hetgeen [geopposeerde partij] uit de ontvangen loonstroken en jaaropgaven redelijkerwijs heeft mogen afleiden. Vast staat dat waar aanvankelijk [bedrijf 2] werkgeefster van [geopposeerde partij] was en aan haar het loon voldeed, op enig moment [bedrijf 1] het loon is gaan betalen, als werkgeefster op de loonstroken is vermeld en in de jaaropgaven als inhoudingsplichtige is opgevoerd. Hieruit heeft [geopposeerde partij] redelijkerwijs mogen opmaken dat [bedrijf 1] [bedrijf 2] als haar contractspartij was opgevolgd. De kantonrechter neemt hierbij in aanmerking dat dit strookt met de in de jaarstukken van [bedrijf 2] beschreven situatie. Dat daarin over de jaren 2009 en 2010 is vermeld dat [bedrijf 2] geen personeel in dienst heeft, past bij de omstandigheid dat vanaf 2008 geen personeelskosten zijn verantwoord. Waar de omzet van [bedrijf 2] in de loop der tijd is teruggelopen, moet er daarom van worden uitgegaan dat ervoor is gekozen om het dienstverband met [geopposeerde partij] onder te brengen in de holdingmaatschappij. Dat [bedrijf 2] toch aan de Kamer van Koophandel is blijven opgeven dat in haar onderneming twee personen werkzaam zijn, kan hieraan niet afdoen. Anders dan opposanten hebben betoogd, verzet de rechtszekerheid zich er ook niet tegen dat [bedrijf 1] haar dochtervennootschap als werkgeefster van [geopposeerde partij] is opgevolgd. Van een ‘geruisloze’ overgang was (anders dan in de zaak die heeft geleid tot HR 5 april 2002 NJ 2003, 124) geen sprake, omdat zich hier niet (zoals daar) de situatie voordeed dat voor geen der partijen duidelijk was op welk tijdstip de overgang zich heeft voltrokken. Dat moment is bepaalbaar aan de hand van de loonstroken en jaaropgaven die in de loop der tijd aan [geopposeerde partij] zijn verstrekt. Omdat deze stukken niet alle in het geding zijn gebracht, kan dat tijdstip in dit geding niet worden vastgesteld, maar dat is voor de beoordeling van het geschil ook niet nodig. Duidelijk is dat [bedrijf 1] geruime tijd vóór 1 april 2011 de werkgeefster van [geopposeerde partij] is geworden en de vordering van [geopposeerde partij] ziet op de periode daarna. Nu [geopposeerde partij] zich tegen de overgang van haar dienstverband naar [bedrijf 1] niet heeft verzet, moet zij geacht worden daarmee stilzwijgend te hebben ingestemd.

5.4. Tussen partijen is niet in geschil dat, indien [bedrijf 1] de contractspartij van [geopposeerde partij] is geworden, de arbeidsovereenkomst wordt geregeerd door de inhoud van de op 20 september 1991 door [eigenaar bedrijven 1 & 2] en [geopposeerde partij] getekende schriftelijke overeenkomst. Daarmee is ook artikel 1, aanhef en onder a van deze akte tussen [geopposeerde partij] en [bedrijf 1] gaan gelden. [geopposeerde partij] heeft de totstandkoming van deze overeenkomst niet gemotiveerd betwist en zich niet op een wilsgebrek beroepen. Het beroep dat [geopposeerde partij] op artikel 6:258 BW (‘imprévision’) heeft gedaan, faalt omdat de mogelijkheid van beëindiging van haar huwelijk met [eigenaar bedrijven 1 & 2] in artikel 1, aanhef en onder b van deze overeenkomst is verdisconteerd. Van een onvoorziene omstandigheid is dan ook geen sprake.

Blijkens artikel 1 van de akte is de arbeidsovereenkomst ‘aangegaan voor onbepaalde tijd’. Daaraan doet het gestelde in de laatste volzin van dat artikel, wat daarvan verder ook zij, niet af, omdat daarin niet - zoals opposanten menen - noodzakelijkerwijs een tussentijdse beëindiging als bedoeld in artikel 7:667 lid 3 BW is te lezen. Dat de arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd is aangegaan, is ook niet in strijd met de bedoeling van [eigenaar bedrijven 1 & 2] en [geopposeerde partij] bij het sluiten van de overeenkomst, omdat artikel 7:667 lid 1 BW zich niet verzet tegen een beding, zoals het onderhavige, dat meebrengt dat een voor onbepaalde tijd gesloten arbeidsovereenkomst van rechtswege eindigt wanneer de werknemer een bepaalde leeftijd bereikt (HR 13 juli 2012 JAR 2012, 209).

5.5. Vervolgens dient te worden beoordeeld of een dergelijk beding, gelet op het bepaalde in artikel 3 jo. 13 WGBl/a, geldig is. Een beding als dit, waarin de einddatum van het dienstverband is gesteld op de 62-jarige leeftijd van de werknemer, is in strijd met artikel 3 WGBl/a omdat het bij het aangaan en beëindigen van de arbeidsverhouding een verboden onderscheid naar leeftijd maakt. De wens van partijen, echtelieden, om (samen) eerder dan de pensioengerechtigde leeftijd te stoppen met werken, neemt deze nietigheid niet weg. Van een objectieve rechtvaardiging van het leeftijdsonderscheid in de zin van artikel 7 WGBl/a is geen sprake, omdat bedoelde wens geen legitiem doel op het terrein van de werkgelegenheid of de arbeidsmarkt vormt. Individuele beweegreden als die van partijen bieden geen objectieve rechtvaardiging voor leeftijdsdiscriminatie. Artikel 1, aanhef en onder a moet daarom worden geacht van de aanvang af geen onderdeel van de overeenkomst van 20 september 1991 te hebben uitgemaakt. Daarop is het door opposanten voorgestane einde van rechtswege per 1 april 2011 dan ook niet te baseren.

5.6. Ook de opzegging ‘voor zover vereist’ van de arbeidsovereenkomst tegen 1 april 2012 heeft, nu deze op basis van de aan [bedrijf 2] verleende ontslagvergunning namens deze vennootschap is gedaan, geen einde gemaakt aan de arbeidsovereenkomst met [bedrijf 1]. Deze arbeidsovereenkomst is derhalve niet alleen op en na 1 april 2011, maar ook op en na 1 april 2012 blijven voortbestaan. Niet betwist is dat [geopposeerde partij] zich, in verband met de door haar gedane aanspraak op loonbetaling vanaf 1 april 2011, bereid heeft verklaard de bedongen arbeid te verrichten. Dat daarvan geen gebruik is gemaakt, komt voor rekening en risico van [bedrijf 1]. Opposanten hebben niet aangevoerd dat [geopposeerde partij] in het jaar dat zij haar wijnkoperij [drankenwinkel] dreef niet langer de bereidheid had de bedongen arbeid te verrichten. De loonbetalingsverplichting van [bedrijf 1] is daarom vanaf 1 april 2011 onverminderd blijven bestaan. De loonvordering van [geopposeerde partij] tegen [bedrijf 1] is derhalve toewijsbaar. De kantonrechter begrijpt de door [geopposeerde partij] gevorderde wettelijke verhoging wegens te late betaling van dit loon aldus, dat zij heeft bedoeld aan te sluiten bij het bepaalde in artikel 7:625 BW, dat beoogt de werkgever aan te zetten tot tijdige betaling en een sanctie stelt indien het loon niet uiterlijk de derde (werk)dag na de verschuldigdheid is betaald. Een andere betekenis komt aan het onder III.2.b. gevorderde niet toe. Op grond van de omstandigheden van het geval stelt de kantonrechter de maximaal verschuldigde wettelijke verhoging op 10%. De onder II.2.c. gevorderde wettelijke rente wordt, als niet afzonderlijk betwist, toegewezen, zoals hierna omschreven.

5.7. Het door [geopposeerde partij] onder III van het petitum in haar dagvaarding gevorderde is voorwaardelijk ingesteld. Nu hierboven is overwogen dat de arbeidsovereenkomst met [bedrijf 1] op en na 1 april 2011 heeft voortgeduurd, is aan deze voorwaarde niet voldaan. Voor zover [geopposeerde partij] haar vordering (onder III.3) op de kennelijke onredelijkheid van ontslag heeft gebaseerd, is deze niet toewijsbaar, omdat de vraag of een opzegging kennelijk onredelijk is op grond van artikel 7:681 lid 2, aanhef en onder b BW (het zogenoemde gevolgencriterium) moet worden beoordeeld naar de omstandigheden van het geval ten tijde van het ontslag. Omdat het dienstverband voortduurt, is dit onderdeel van de vordering van [geopposeerde partij] prematuur ingesteld. Het onder III.1 gevorderde is niet toewijsbaar, omdat dit deel van de vordering afstuit op het bepaalde in artikel 3 van de bemiddelingsovereenkomst van 19 februari 2008. Dat een (scheidings)convenant normaliter een consensueel contract is, staat er niet aan in de weg dat partijen overeenkomen dat alleen een schriftelijk convenant hen bindt. Vast staat dat de bemiddeling is geëindigd zonder dat partijen een scheidingsconvenant hebben getekend. Hierop stuit ook het onder III.2 van het petitum gevorderde af. Gezien artikel 3 van bemiddelingsovereenkomst heeft [geopposeerde partij] er niet op mogen vertrouwen dat een afspraak over een beëindigingsvergoeding tot stand kwam, zonder dat deze bij geschrift was vastgelegd.

5.8. Hetgeen [geopposeerde partij] onder IV van het petitum in haar dagvaarding heeft gevorderd, wordt

- zoals ook bij verstekvonnis is geschied - afgewezen. Niet gebleken is van feiten of omstandigheden die rechtvaardigen dat het bepaalde in artikel 7:632 BW toepassing mist.

5.9. [bedrijf 1] wordt, als de merendeels in het ongelijk gestelde partij, veroordeeld in de kosten van de verstek- en de verzetprocedure. Gezien de onderlinge samenhang is voor een veroordeling van [geopposeerde partij] in de proceskosten aan de zijde van [bedrijf 2] geen plaats.

De beslissing

De kantonrechter:

vernietigt het verstekvonnis van 19 oktober 2011 en, opnieuw rechtdoende:

- verklaart voor recht dat [bedrijf 1] [bedrijf 2] als werkgeefster van [geopposeerde partij] is opgevolgd en dat de arbeidsovereenkomst tussen [bedrijf 1] en [geopposeerde partij] niet op 1 april 2011 is geëindigd;

- veroordeelt [bedrijf 1] om aan [geopposeerde partij] te voldoen het loon van € 5.730,-- bruto per maand, te vermeerderen met vakantiebijslag (voor zover reeds verschuldigd), over de periode vanaf 1 april 2011 totdat de arbeidsovereenkomst rechtgeldig zal zijn geëindigd;

- veroordeelt [bedrijf 1] om aan [geopposeerde partij] te voldoen de wettelijke verhoging wegens te late betaling van het loon, overeenkomstig het bepaalde in artikel 7:625 BW, tot een maximum van 10%;

- veroordeelt [bedrijf 1] om aan [geopposeerde partij] te voldoen de wettelijke rente over het genoemde loon en de wettelijke verhoging, vanaf de verschuldigdheid tot de voldoening;

veroordeelt [bedrijf 1] tot betaling van de kosten in de verstek- en de verzetprocedure aan de zijde van [geopposeerde partij], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 1.916,81, waarin begrepen € 1.400,-- (€ 700,-- per punt maal 2 punten) aan salaris gemachtigde;

bepaalt dat hetgeen [bedrijf 1] inmiddels van de hierboven genoemde posten, al dan niet ter voldoening aan het verstekvonnis van 19 oktober 2011, aan [geopposeerde partij] heeft voldaan, hierop in mindering strekt;

verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;

wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.J.M. de Laat, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 12 december 2012.