Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6880

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-12-2012
Datum publicatie
20-12-2012
Zaaknummer
827895 AC EXPL 12-5151 MEH 4215
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Verkoop auto's in tussenhandel. Stelplicht en bewijslastverdeling. Betwisting inhoud overeenkomst is onzelfstandig verweer. Verweer dat is betaald, is bevrijdend verweer.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Amersfoort

zaaknummer: 827895 AC EXPL 12-5151 MEH 4215

vonnis van 19 december 2012

in de zaak

de vennootschap onder firma

[VOF],

gevestigd te [vestigingsplaats],

verder te noemen: [VOF],

eiseres,

gemachtigde: [gemachtigde],

en

1. [gedaagde 1],

wonend te [woonplaats],

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde 2],

wonend te [woonplaats],

verder te noemen: [gedaagde 2],

gedaagde,

gemachtigde: mr. W. van de Velde.

1. Het verloop van de procedure

De kantonrechter verwijst naar het tussenvonnis van 10 oktober 2012. [VOF] heeft voorafgaand aan de comparitie nog stukken in het geding gebracht. De comparitie is gehouden op 6 december 2012, waarvan aantekening is gehouden.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. Het geschil en de beoordeling daarvan

2.1. [VOF] vordert na eisvermeerdering dat de kantonrechter bij uitvoerbaar bij voorraad verklaard vonnis gedaagden hoofdelijk veroordeelt tot – samengevat – betaling van een bedrag van € 23.030,14, vermeerderd met de wettelijke rente over € 21.040,- vanaf 7 juli 2012, en de proces- en beslagkosten.

Het bedrag van € 23.030,14 is opgebouwd uit de hoofdsom van € 21.040,-, wettelijke rente tot 6 juli 2012 van € 990,14 en buitengerechtelijke incassokosten van € 1.000,-.

2.2. [VOF] legt aan haar vorderingen ten grondslag dat zij auto’s aan zoon [zoon gedaagden] heeft verkocht en dat hij de verschuldigde facturen, gericht aan [onderneming], niet heeft voldaan. Het betreft een:

- Fiat Punto van € 5.750,- (factuur van 6 september 2011)

- Renault Megane van € 5.850,- (factuur van 11 oktober 2011)

- Peugeot 207 van € 5.850,- (factuur 8 oktober 2012)

- Renault Laguna van € 2.750,- (factuur van 1 februari 2012).

In verband met “eerdere aankopen” vordert [VOF] ook nog betaling van een bedrag van € 940,-.

Volgens [VOF] is vader [gedaagde 2] bij deze koopovereenkomsten betrokken geweest, in die zin dat hij namens [zoon gedaagden] de auto’s inkocht die [zoon gedaagden] vervolgens via zijn onderneming [onderneming] doorverkocht. [onderneming] staat voor [onderneming], aldus [VOF]. [zoon gedaagden] weigert evenwel de facturen te betalen en verweert zich met de stelling dat niet hij maar zijn vader de auto’s heeft gekocht. [gedaagde 2] heeft echter geen geld om te betalen. Volgens [VOF] is sprake van een “vooropgezet plan om schuldeisers te benadelen” en daarmee van oplichting door [gedaagde 2] en zijn zoon.

2.3. Op 6 september 2012 heeft [VOF] ten laste van [gedaagde 2] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder ABN Amro. Op 7 september 2012 heeft de deurwaarder ten laste van [gedaagde 2] conservatoir verhaalsbeslag gelegd op vijf auto’s. De deurwaarder heeft de beslaglegging niet kunnen voltooien en het beslagexploot niet aan [gedaagde 2] kunnen overhandigen, omdat hij zich teveel door [gedaagde 2] bedreigd voelde. Van deze bedreiging heeft de deurwaarder op 15 oktober 2012 aangifte gedaan bij de politie Midden en West Brabant.

2.4. [gedaagde 2] stelt zich op het standpunt dat hij – en niet zijn zoon – de auto’s van [VOF] heeft gekocht en dat hij daarvoor volledig heeft betaald. Sommige van deze auto’s heeft hij aan zijn zoon verkocht, andere heeft hij bij hem neergezet of aan derden verkocht. Zijn zoon heeft nooit auto’s van [VOF] gekocht, aldus [gedaagde 2]. Ter onderbouwing hiervan stelt hij – met verwijzing naar een uittreksel uit het Handelsregister – dat zijn zoon ‘[onderneming]’ drijft. Deze naam staat niet voor [onderneming], aldus nog steeds [gedaagde 2].

Verder betwist [gedaagde 2] de door [VOF] gestelde koopprijs. Volgens hem bedraagt de prijs:

- € 5.000,- voor de Fiat

- € 5.000,- voor de Renault Megane

- € 5.450,- voor de Peugeot

- € 2.250,- voor de Renault Laguna.

2.5. De kantonrechter oordeelt als volgt. Het was de bedoeling van [VOF] zowel zoon [zoon gedaagden] als vader [gedaagde 2] te dagvaarden. Tijdens de zitting is gebleken dat [VOF] per abuis dochter [gedaagde 1] heeft gedagvaard. Omdat tussen partijen vaststaat dat zij niets met deze kwestie te maken heeft, zullen de vorderingen tegen haar worden afgewezen. Haar proceskosten zullen worden begroot op nihil.

Omdat [zoon gedaagden] niet is gedagvaard en dit vonnis niet tegen hem kan worden gewezen, kan van de door [VOF] gevorderde hoofdelijke veroordeling van [gedaagde 2] evenmin sprake zijn.

2.6. Bij zijn beoordeling of de vordering tegen [gedaagde 2] kan worden toegewezen, zal de kantonrechter diens erkenning dat hij de auto’s van [VOF] heeft gekocht, als uitgangspunt nemen. Dit betekent dat hij gehouden is de koopprijs van de auto’s te voldoen.

De kantonrechter stelt voorop dat het op grond van de hoofdregel van artikel 150 van het Wetboek van Burgerlijke rechtsvordering (Rv.) op de weg van [VOF] ligt de door hem gestelde koopprijs met feiten en omstandigheden te onderbouwen en deze, indien nodig, te bewijzen.

Het verweer van [gedaagde 2] dat hij de koopprijs heeft betaald, is een bevrijdend verweer. Kort gezegd, betekent dit dat [gedaagde 2] feiten en omstandigheden moet aanvoeren ter onderbouwing van zijn stelling dat hij de koopprijs volledig heeft betaald en deze stelling, als deze voldoende is weersproken, moet bewijzen.

2.7. Ter onderbouwing van zijn betwisting van de door [VOF] gestelde koopprijs en zijn verweer dat hij de koopprijs heeft voldaan, beroept [gedaagde 2] zich onder meer op door hem in het geding gebrachte documenten. Het betreft drie facturen met betrekking tot de Fiat, de Renault Megane en de Peugeot en een document van 7 maart 2012 ter zake van de Renault Laguna met daarop met de hand geschreven “AAnkoop”. De factuur voor de Fiat is gedateerd 29 november 2011 en vermeldt “Factuur is voldaan per kas op 30 november 2011”. De factuur voor de Renault Megane is gedateerd 29 december 2011 en vermeldt dezelfde tekst. Tijdens de zitting heeft [gedaagde 2] verder toegelicht dat hij contant pleegt te betalen bij aflevering.

Fiat Punto en Renault Megane

2.8. Vaststaat dat de facturen voor de Fiat en de Renault Megane die [VOF] in het geding heeft gebracht, een andere koopprijs noemen en een andere opmaak hebben dan de facturen waarop [gedaagde 2] zich beroept. Ook komen de data niet overeen.

2.9. Tijdens de comparitie is namens [VOF] toegelicht dat de facturen waarover [gedaagde 2] beschikt, opnieuw zijn uitgedraaid toen duidelijk werd dat het tot een rechtszaak tussen partijen kwam. Bij het uitdraaien van de openstaande posten heeft de echtgenote van [VOF] een vergissing gemaakt met betrekking tot de koopprijs.

Het verschil in opmaak is volgens [VOF] te verklaren door het feit dat hij inmiddels met een ander facturatiesysteem werkt.

2.10. De kantonrechter begrijpt [VOF]s toelichting aldus dat hij [gedaagde 2] in de aanloop naar deze procedure heeft voorzien van kopiefacturen waarop per ongeluk onjuiste prijzen staan, en dat de facturen die hij zelf in het geding heeft gebracht, de originele facturen zijn. Deze toelichting is, gelet op de opmaak en de gehanteerde data, niet onaannemelijk.

Gelet hierop lag het op de weg van [gedaagde 2] zijn verweer nader te onderbouwen. Dit heeft hij nagelaten. In het bijzonder heeft hij geen verklaring gegeven voor het feit dat volgens de factuur voor de Renault Megane de koopprijs op 30 november 2011 contant betaald is, terwijl deze factuur pas een maand later gedateerd is. Dit is – mede gelet op [gedaagde 2]s verklaring dat hij bij aflevering pleegt te betalen – onbegrijpelijk. De kantonrechter is dan ook van oordeel dat aan deze facturen geen betekenis kan worden toegekend. Het moet er daarom voor worden gehouden dat de facturen voor de Fiat en de Renault Megane die [VOF] in het geding heeft gebracht, de juiste koopprijzen noemen, namelijk respectievelijk € 5.750,- en € 5.850,-.

2.11. [gedaagde 2] stelt de koopprijs voor deze auto’s contant betaald te hebben, dat wil zeggen de prijs die volgens hem overeengekomen is, namelijk € 10.000,- (zie r.o. 2.4). Omdat hierboven al geoordeeld is dat rechtens vaststaat dat de totale koopprijs voor deze auto’s € 11.600,- bedraagt, staat vast dat [gedaagde 2] in elk geval nog een bedrag van € 1.160,- aan [VOF] moet betalen.

2.12. Met betrekking tot [gedaagde 2]s stelling dat hij € 10.000,- contant heeft betaald voor de Fiat en de Renault Megane, is de kantonrechter van oordeel dat het, gelet op [VOF]s betwisting dat [gedaagde 2] contant betaald heeft, op de weg van laatstgenoemde ligt deze stelling nader te onderbouwen. Dit heeft hij nagelaten. Zijn beroep op de facturen die hij in het geding heeft gebracht en waarop is vermeld “Factuur is voldaan per kas op 30 november 2011”, baat hem in dit verband niet, omdat aan deze facturen – gelet op hetgeen hiervoor onder r.o. 2.10 is overwogen – geen betekenis kan worden toegekend.

2.13. Het voorgaande leidt ertoe dat [gedaagde 2] gehouden is ter zake van de koop van de Fiat Punto en de Renault Megane een bedrag van € 11.600,- aan [VOF] te betalen.

Peugeot 207

2.14. Volgens [VOF] bedraagt de koopprijs voor de Peugeot € 5.850,-, waarbij hij verwijst naar de factuur van 8 oktober 2011.

[gedaagde 2] verwijst eveneens naar een factuur (van 2 november 2011) en stelt zich op het standpunt dat de koopprijs € 5.450,- is. Op de factuur is onder meer de koopprijs met de hand geschreven. Dit bedrag heeft hij contant betaald, aldus [gedaagde 2], waarbij hij verwijst naar de handgeschreven tekst “voldaan” met daaronder de handtekening van [VOF] op de factuur.

[VOF] betwist de echtheid van deze handtekening. Hij erkent dat het handschrift elders op de factuur wel van hem is.

2.15. [VOF] heeft zijn stelling dat de koopprijs € 5.850,- bedraagt, niet nader toegelicht, hetgeen – gelet op het verweer – wel op zijn weg had gelegen. Voor zover hij bedoelt te zeggen dat zijn handtekening is nagemaakt, kan deze stelling hem niet baten, omdat de handtekening alleen betrekking heeft op het (al dan niet) betaald zijn van de koopprijs. Omdat vaststaat dat het handschrift op de factuur van [VOF] is, moet worden aangenomen dat de koopprijs van de Peugeot € 5.450,- bedraagt.

2.16. Resteert de vraag of [gedaagde 2] dit bedrag aan [VOF] heeft betaald. De factuur met de tekst “voldaan” is een onderhandse akte als bedoeld in artikel 156 lid 3 in samenhang met artikel 157 lid 2 Rv. en levert tussen partijen dwingend bewijs op. [VOF] betwist de echtheid van de handtekening echter stellig. Dit leidt ertoe dat aan de verklaring dat betaald is op grond van artikel 159 lid 2 Rv. geen bewijskracht toekomt, zolang niet bewezen is dat de ondertekening van [VOF] afkomstig is.

De kantonrechter is van oordeel dat voor nadere bewijslevering geen plaats is en overweegt daartoe als volgt. Ten eerste heeft [gedaagde 2] nagelaten specifiek bewijs aan te bieden van zijn stelling dat hij contant heeft betaald. Het enkele feit dat hij aanbiedt “al zijn stellingen” door middel van bepaalde met naam genoemde getuigen te bewijzen, is daarvoor onvoldoende, in het bijzonder gelet op het feit dat hij tijdens de zitting heeft toegelicht dat er geen derde aanwezig was bij de door hem gestelde contante betalingen.

Ten tweede levert een globale vergelijking tussen de handtekening op de factuur die [gedaagde 2] in het geding heeft gebracht en de handtekening op een andere factuur waarvan [VOF] erkent dat die van hem is, het sterke vermoeden op dat de handtekening van [VOF] is nagemaakt, zoals [VOF] ook aanvoert.

Daar komt bij dat [gedaagde 2] ook overigens geen betrouwbare indruk op de kantonrechter heeft achtergelaten. Ter illustratie wijst hij erop dat het niet waarschijnlijk is dat [gedaagde 2] door hem ingekochte auto’s aan zijn zoon [zoon gedaagden] verkoopt zonder dat laatstgenoemde – hoewel hij bedrijfsmatig handelt – daarvan enige administratie voert.

2.17. Al met al is de kantonrechter van oordeel dat [gedaagde 2] zijn stelling dat hij de Peugeot contant heeft betaald, in onvoldoende mate heeft onderbouwd. Dit oordeel brengt mee dat hij gehouden is de koopprijs van deze auto te betalen, zijnde een bedrag van € 5.450,-.

Renault Laguna

2.18. Volgens [VOF] bedraagt de koopprijs van deze auto € 2.750,- en heeft [gedaagde 2] dit bedrag niet betaald.

[gedaagde 2] stelt zich op het standpunt dat de koopprijs € 2.250,- bedraagt en dat hij dit bedrag heeft voldaan. Volgens [gedaagde 2] heeft [zoon gedaagden] de koopprijs giraal namens hem betaald via zijn [onderneming]. De reden daarvoor is gelegen in het feit dat hij toen in het ziekenhuis lag en daarom niet in staat was contant te betalen, aldus [gedaagde 2].

2.19. Ter onderbouwing van zijn betwisting van de koopprijs verwijst [gedaagde 2] naar een document van 7 maart 2012 (zie r.o. 2.7). Tijdens de comparitie heeft hij toegelicht dat dit document door hem is opgesteld. Het betreft dus een door [gedaagde 2] na de totstandkoming van de koopovereenkomst opgestelde inkoopbon. Een dergelijk eenzijdig opgesteld document is een onvoldoende om de conclusie te rechtvaardigen dat de door [gedaagde 2] gestelde koopprijs juist is, zodat aangenomen moet worden dat partijen – zoals [VOF] heeft gesteld – een prijs van € 2.750,- voor de Renault Laguna overeen zijn gekomen.

2.20. Tijdens de zitting heeft [gedaagde 2] aan de hand van een door [VOF] in het geding gebracht transactieoverzicht zijn stelling toegelicht dat hij de koopprijs heeft betaald. Uit dit overzicht blijkt dat op 18 en 19 juni 2012 een bedrag van in totaal € 2.250,- aan [VOF] is betaald. Het overzicht geeft geen duidelijkheid waarvoor is betaald.

[VOF] heeft zich evenwel op het standpunt gesteld dat nog € 500,- openstaat. Hieruit leidt de kantonrechter af dat [VOF] erkent dat de betaling van € 2.250,- betrekking heeft op de Renault Laguna.

2.21. Gelet op het voorgaande zal [gedaagde 2] worden veroordeeld tot betaling van € 500,- ter zake van de Renault Laguna.

Eerdere aankopen

2.22. De vordering tot betaling van € 940,- voor eerdere aankopen zal worden afgewezen, omdat [VOF] deze vordering, ondanks het verweer van [gedaagde 2], op geen enkele manier heeft onderbouwd.

Samenvatting

2.23. Gelet op het voorgaande zal [gedaagde 2] worden veroordeeld tot betaling van een bedrag van € 17.550,- (€ 11.600 + € 5.450 + € 500).

Rente

2.24. Met betrekking tot de gevorderde rente overweegt de kantonrechter als volgt. [VOF] vordert onder meer een bedrag van € 990,14 aan rente tot en met 6 juli 2012. Het is niet duidelijk per wanneer zij rente vordert. In de dagvaarding wordt een betalingstermijn van 14 dagen genoemd, maar uit niets is gebleken dat partijen een dergelijke termijn overeen zijn gekomen.

Evenmin is duidelijk of [VOF] de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 van het Burgerlijk Wetboek (BW) vordert of de handelsrente als bedoeld in artikel 6:119a BW. Gelet hierop zal de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW worden toegewezen vanaf de dag van de dagvaarding, zijnde 12 juli 2012.

Buitengerechtelijke en proceskosten

2.25. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso)kosten zal – mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voorwerk II – worden afgewezen. [VOF] heeft nagelaten een omschrijving te geven van de voor haar rekening verrichte buitengerechtelijke werkzaamheden. De kosten waarvan zij vergoeding vordert, moeten dan ook worden aangemerkt als betrekking hebbend op verrichtingen waarvoor de proceskostenveroordeling wordt geacht een vergoeding in te sluiten.

2.26. [gedaagde 2] zal als de grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [VOF] worden begroot op:

- dagvaarding € 81,17

- vast recht € 666,00 (€ 873,00 - € 207,00)

- beslagkosten € 678,29

- salaris gemachtigde € 800,00 (2 punten x tarief € 400,00)

Totaal € 2.225,46

Bij de berekening van het vast recht is op het bedrag van € 873,- een bedrag van € 207,- in mindering gebracht in verband met het vast recht dat is geheven voor het beslagrekest.

3. De beslissing

De kantonrechter

ten aanzien van [gedaagde 2]

3.1. veroordeelt [gedaagde 2] aan [VOF] te betalen een bedrag van € 17.550,00, vermeerderd met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW hierover vanaf 12 juli 2012 tot de voldoening,

3.2. veroordeelt [gedaagde 2] tot betaling van de proceskosten met inbegrip van de beslagkosten aan de zijde van [VOF], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op € 2.225,46, waarin begrepen € 800,00 aan salaris gemachtigde,

3.3. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,

3.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

ten aanzien van [gedaagde 1]

3.5. wijst de vorderingen af,

3.6. veroordeelt [VOF] tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde 1], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.E. Heinemann, kantonrechter, en is bij vervroeging in het openbaar uitgesproken op 19 december 2012.