Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6455

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
07-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
16/656251-12; 16/650264-12 (tul) [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor poging tot bedrijfsinbraak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/656251-12; 16/650264-12 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 7 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1992] te [geboorteplaats],

wonende te [woonplaats],

thans gedetineerd te P.I. Flevoland – Huis van Bewaring Almere te Almere,

raadsman mr. S. de Korte, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 23 november 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting is ook de vordering tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermeld parketnummer.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Primair: samen met een ander of anderen een kluis met inhoud heeft gestolen, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak;

Subsidiair: samen met een ander of anderen heeft geprobeerd een kluis met inhoud te stelen, waarbij verdachte en zijn mededaders zich de toegang tot de plaats van het misdrijf hebben verschaft door middel van braak.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen en heeft daartoe aangevoerd dat er onvoldoende wettig bewijs is voor medeplegen van het tenlastegelegde. De raadsman heeft gewezen op het proces-verbaal van verbalisant [verbalisant 1] en daarbij opgemerkt dat terughoudend moet worden omgegaan met herkenningen. Daarnaast heeft raadsman opgemerkt dat verbalisant [verbalisant 1] twee donker geklede mannen naar buiten heeft zien lopen, terwijl verdachte een witte trui droeg tijdens zijn aanhouding en niet blijkt uit het dossier dat verdachte spullen heeft weggegooid.

Ten aanzien van het primair tenlastegelegde heeft de raadsman tevens vrijspraak bepleit, omdat er geen sprake is van wederrechtelijke toe-eigening.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak van het primair tenlastegelegde

De rechtbank acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het primair tenlastegelegde heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Uit de aangifte blijkt dat de kluis niet uit het pand is geweest en niet open is gemaakt. De kluis is wèl verplaatst door deze uit de kluisruimte te verslepen naar de gang. Echter uit het dossier blijkt niet dat daarmee de kluis aan de heerschappij van aangever is onttrokken. De rechtbank is derhalve van oordeel dat er hier geen sprake is van een voltooide diefstal en zal verdachte dan ook van het primair tenlastegelegde vrijspreken.

Het bewijs ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

De rechtbank acht het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen op grond van de volgende bewijsmiddelen.

[aangever] heeft namens [bedrijf 1], [bedrijf 2], aangifte gedaan van een bedrijfsinbraak gepleegd op 7 september 2012 in de [bedrijf 2] aan de [adres] te [woonplaats]. Na een melding is zij gaan kijken in het filiaal. Zij zag dat de kluis midden in de gang op de eerste verdieping lag, terwijl de kluis normaal in de kluisruimte staat. Aangeefster zag verder dat de deur naar de kluisruimte vernield was.

Het inbraakalarm van de [bedrijf 2] is op 7 september 2012 om 01.06 uur afgegaan. Eerst is het alarm op de buitendeur die toegang geeft tot een plat dak afgegaan. Vervolgens is het alarm van de winkelruimte op de eerste verdieping afgegaan. Daarna is het alarm van het kantoor, dat zich eveneens op de eerste verdieping bevindt, afgegaan.

Verbalisant [verbalisant 1] (hierna te noemen: [verbalisant 1]) krijgt op 7 september 2012 omstreeks 01.08 uur de inbraakmelding bij de [bedrijf 2] door. De [bedrijf 2] is gelegen op een afstand van circa 300 meter van het bureau van politie te Nieuwegein. [verbalisant 1] gaat direct ter plaatse.

De winkel is gelegen in een overdekte passage met twee uitgangen. Beide uitgangen zijn afgesloten. [verbalisant 1] ziet rechts naast de hoofdingang van de passage een klein lichtschijnsel achter een raam met lamellen. [verbalisant 1] ziet dat één lamel openstaat en door deze opening ziet hij een manspersoon naar buiten kijken. [verbalisant 1] schijnt met zijn maglite in het gezicht van de man en [verbalisant 1] ziet dat de man schrikt. [verbalisant 1] ziet dat de persoon een man is met een Noord Afrikaans, licht getint uiterlijk en dat hij tussen de 17 en 19 jaar oud is. Vervolgens ziet [verbalisant 1] dat er een witte deur wordt geopend op het platte dak boven de [bedrijf 2]. Hij ziet twee personen naar buiten komen die het dak oplopen, die vervolgens kennelijk plat op het platte dak van de winkel gaan liggen. [verbalisant 1] ziet dat één van de twee personen zich enkele malen opricht om rond te kijken. Verbalisant [verbalisant 1] ziet hierna twee personen een brandtrap opklimmen naar een hoger gedeelte van het dak van het winkelcentrum.

[verbalisant 1] ziet verbalisant [verbalisant 2] uit een andere nooddeur het platte dak op komen en vertelt hem langs welke brandtrap de personen naar een hoger gelegen dak waren gegaan. [verbalisant 1] ziet dat verbalisant [verbalisant 2] met twee andere collega’s dezelfde brandtrap neemt naar het hoger gelegen dak. Korte tijd later hoort [verbalisant 1] dat deze verbalisanten drie verdachten hadden aangetroffen op het dak.

Verbalisant [verbalisant 2] treft twee jongens op het dak aan. Hij ziet dat deze jongens spullen naar beneden gooien. De jongens gooien onder meer een muts, handschoenen en een zwarte jas naar beneden. De twee jongens worden aangehouden. Tijdens de aanhouding wordt een derde jongen aangetroffen die achter een luchtkoker verstopt zit. De aangehouden jongens zijn verdachte [medeverdachte 1] en de medeverdachten [verdachte] en [medeverdachte 2].

Er zijn geen andere verdachten aangetroffen op het dak of in de winkel en er waren geen andere personen rond het winkelcentrum op straat aanwezig.

Uit het sporenonderzoek blijkt het volgende. Het dak van de winkel is van buitenaf te bereiken via een brandtrap. De brandtrap is van de openbare weg afgesloten door twee deuren. De toegangsdeur naar de brandtrap stond open. De nooddeur van de [bedrijf 2] die uitkomt op het platte dak van de winkel was opengebroken door middel van wrikken in de sluitnaad met behulp van een schroevendraaier. Deze nooddeur komt uit op de eerste verdieping van de winkel. In de winkel is de kantoordeur opengebroken door middel van wrikken met een breekvoorwerp. De kantoordeur is hierdoor overdwars door midden gescheurd. Vervolgens is er een gat in de onderste helft van de deur gemaakt. De kluis is uit het kantoor weggenomen en in de gang achtergelaten. Er is geprobeerd de kluis open te breken door middel van wrikken in de sluitnaad met een breekvoorwerp. Op het bureau in het kantoor zijn een schroevendraaier en een koevoet aangetroffen.

Op de parkeerplaats bij het winkelcentrum wordt een personenauto met het kenteken [kenteken] aangetroffen, die op naam staat van [medeverdachte 1]. In deze personenauto worden drie heup/schoudertasjes aangetroffen met in ieder tasje een identiteitsbewijs. Dit zijn de identiteitsbewijzen van respectievelijk [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2].

Bewijsoverwegingen ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde

Verdachte heeft verklaard dat hij uit Utrecht naar Nieuwegein was gereden en daar aan het blowen was op het dak van het winkelcentrum en niets te maken heeft met de poging tot inbraak.

De rechtbank acht het door de verdachte geschetste alternatieve scenario kennelijk leugenachtig en een belediging voor de intelligentie van de rechtbank. De rechtbank weegt daarin mee dat verdachte zich samen met twee anderen, allen woonachtig in Utrecht, op een dak van een winkelcentrum in Nieuwegein bevond en dat dit midden in de nacht was. Verdachte zou daar hebben liggen/zitten blowen. De politie rept echter niet over blowen en treft twee van de verdachten aan terwijl ze spullen van het dak af gooien De verdachten worden aangehouden om 01.25 uur, zijnde 18 minuten na het eerste inbraakalarm. De politie was snel ter plaatse en heeft geen andere personen in de omgeving gezien. Bovendien heeft een verbalisant twee personen uit de deur van de winkel zien komen die het dak opgingen waar de drie verdachten kort daarna zijn aangehouden. Daarnaast hebben verbalisanten onderzoek gedaan op het dak van het winkelcentrum en in de winkel en zij hebben geen andere personen aangetroffen.

De rechtbank leidt uit de in de auto van [medeverdachte 1] aangetroffen identiteitsbewijzen af dat de drie verdachten samen in één auto naar Nieuwegein zijn gereden en het dak op zijn geklommen met, gezien de braaksporen in en aan het pand, het kennelijke doel te gaan inbreken. De verdachten zijn echter tijdens de uitvoering gestoord in hun plannen.

De rechtbank is op grond van vorenstaande van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking tussen de drie verdachten.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat het subsidiair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen kan worden op de wijze als hierna onder bewezenverklaring is vermeld.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Subsidiair

op 07 september 2012 te Nieuwegein, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een winkelpand (gevestigd aan de [adres]) weg te nemen geld en goederen van hun gading, toebehorende aan [bedrijf 1] [bedrijf 2], en zich daarbij de toegang tot dat winkelpand te verschaffen door middel van braak, zich met zijn mededaders naar dat winkelpand heeft begeven, waarna hij, verdachte en zijn mededaders een deur van dat winkelpand hebben opengebroken en vervolgens dat winkelpand hebben doorzocht, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Subsidiair: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van drie maanden met aftrek van het voorarrest.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft verzocht verdachte vrij te spreken. Subsidiair heeft de raadsman betoogd dat de richtlijnen een gevangenisstraf van 10 weken aangeven.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met twee anderen schuldig gemaakt aan een poging tot bedrijfsinbraak. Verdachte en zijn mededaders zijn naar binnen gegaan en hebben in het pand van de [bedrijf 2] een grote ravage aangericht. Verdachte heeft puur uit eigen gewin gehandeld en geen oog gehad voor de schade die hij heeft veroorzaakt bij het bedrijf. Ook na afloop heeft verdachte er geen blijk van gegeven berouw te hebben van zijn daad. Verdachte heeft een volstrekt ongeloofwaardige verklaring afgelegd, waarmee hij zijn aandeel in de inbraak heeft willen verbloemen. De rechtbank weegt dit mee in het nadeel van de verdachte.

Voor wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 11 oktober 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten. Verdachte heeft van die eerdere veroordelingen kennelijk niet geleerd. Ook dit weegt in zijn nadeel mee.

De officier van justitie heeft gevorderd een gevangenisstraf op te leggen voor de duur van drie maanden met aftrek van de duur van het voorarrest. De rechtbank ziet echter, gelet op de ernst van het feit en de brutaliteit daarvan, reden van de eis van de officier van justitie af te wijken.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van de duur van het voorarrest passend en geboden is.

7 De benadeelde partij

De benadeelde partij [bedrijf 1] vordert een schadevergoeding van € 1.059,56.

De officier van justitie heeft gevorderd de vordering van de benadeelde partij geheel toe te wijzen.

De verdediging heeft betoogd dat de benadeelde partij in haar vordering niet-ontvankelijk dient te worden verklaard, omdat verdachte moet worden vrijgesproken en subsidiair omdat de vordering een onevenredige belasting van het strafproces oplevert.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte hoofdelijk aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke gevangenisstraf van twee weken die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter te Utrecht d.d. 4 juli 2012 ten uitvoer zal worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig heeft gemaakt aan een nieuw strafbaar feit en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zal de vordering tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14g, 36f, 45 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het primair ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Subsidiair: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 5 (vijf) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis d.d. 4 juli 2012 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16/650264-12 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van 2 (twee) weken;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [bedrijf 1] van € 1.059,56 ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 7 september 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [bedrijf 1], € 1.059,56 te betalen, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 7 september 2012, bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Dit vonnis is gewezen door mr. M.A.A.T. Engbers, voorzitter, mr. D.A.C. Koster en mr. M.A.E. Somsen, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 7 december 2012.