Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6366

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
17-12-2012
Zaaknummer
16/994037-07 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Onderzoek [naam]. Verdachte heeft in georganiseerd verband gebruik gemaakt van een schijnconstructie om door middel van valse documenten afdracht van BTW te ontlopen en gelden wit te wassen. Deze schijnconstructie bestond uit diverse bedrijven gevestigd in Europa.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/994037-07 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1959] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats] ter Heide.

Verdachte wordt hierna ook aangeduid met “[verdachte]”.

Raadsman: mr. D. Fasseur, advocaat te Nieuwegein.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 7 juni 2011 en van 12, 13, 14, 15, 16, 19 en 22 november 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is daarbij gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] (hierna: [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] respectievelijk [medeverdachte 3]).

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: feitelijk leiding heeft gegeven aan het valselijk opmaken van een bedrijfsadministratie van [bedrijf 2];

Feit 2: feitelijk leiding, dan wel opdracht heeft gegeven aan het opzettelijk onjuist dan wel onvolledig doen van aangiften omzetbelasting ten name van [bedrijf 2];

Feit 3: al dan niet samen met anderen grote geldbedragen heeft witgewassen;

Feit 4: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. Meer specifiek heeft de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen geacht dat [verdachte]:

- feitelijk leiding heeft gegeven aan het valselijk opmaken van de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] (hierna te noemen: [bedrijf 2]) door daarin valse CMR’s en verkoopfacturen op te nemen, zoals onder feit 1 tenlastegelegd;

- feitelijk leiding heeft gegeven aan het opzettelijk onjuist doen van aangiften omzetbelasting ten name van [bedrijf 2], onder feit 2 tenlastegelegd;

- zich tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag à € 173.012,75, zoals onder feit 3 tenlastegelegd;

- zich tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag à € 139.333,20, zoals onder feit 3 tenlastegelegd;

- zich tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag à € 29.871,00, zoals onder feit 3 tenlastegelegd;

- zich tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag à € 960.478,00, zoals onder feit 3 tenlastegelegd;

- zich tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 3] en [medeverdachte 2] schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag à € 788.177,00, zoals onder feit 3 tenlastegelegd;

- deel heeft genomen aan een criminele organisatie, zoals onder feit 4 tenlastegelegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsman verschillende bewijsverweren gevoerd. De rechtbank zal deze in het vonnis -op de plaats waar dat relevant is- bespreken, maar daarbij enkel ingaan op die verweren die zijn voorzien van een ondubbelzinnige conclusie.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende bewijsoverwegingen voorkomen, verwijzen - voor zover niet anders vermeld - naar de schriftelijke stukken die zijn opgenomen in het proces-verbaal van de FIOD-ECD kantoor Utrecht, dossiernummer [nummer], opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

4.3.1 Intra communautaire leveringen en de toepassing van het nultarief

In onderhavige zaak staat de vraag centraal of al dan niet sprake is van het verrichten van intra communautaire leveringen waarvoor het zogeheten nultarief geldt.

Volgens artikel 5 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) is de levering door een ondernemer van goederen die naar een andere lidstaat worden gebracht belastbaar in het land van vertrek. Voor Nederland gold ten tijde van de ten laste gelegde feiten blijkens artikel 19, eerste lid, van de Wet OB een belastingpercentage van 19 procent. Wanneer het echter gaat om goederen die worden geleverd aan een in een andere EU-lidstaat aan een ondernemer of daarmee gelijkgestelde, geldt voor deze levering het zogeheten nultarief. De leverancier is in dat geval overeenkomstig artikel 9, tweede lid onder b, juncto Tabel II, onderdeel a, post 6 Wet OB, geen omzetbelasting (0%) verschuldigd en verliest zijn recht op aftrek niet. Voor de toepassing van dit zogenoemde nultarief dient aan twee cumulatieve voorwaarden te worden voldaan:

1) de goederen moeten aantoonbaar naar aan andere lidstaat worden vervoerd;

2) de goederen worden geleverd aan een andere ondernemer in een andere lidstaat.

In artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: Uitvoeringsbesluit) worden nadere regels gegeven omtrent de toepassing van het nultarief. Zo mag, volgens artikel 12, eerste lid Uitvoeringsbesluit slechts aanspraak op het nultarief worden gemaakt als de toepasselijkheid daarvan uit boeken en bescheiden blijkt. Daarnaast dient de ondernemer die de goederen levert te beschikken over het BTW-identificatienummer van degene die de goederen afneemt, aldus artikel 12, tweede lid, onder 2º Uitvoeringsbesluit.

4.3.2 De bewijsverweren

De verdediging de hierna te noemen bewijsverweren gevoerd die naar haar mening tot uitsluiting van bewijsmiddelen zouden moeten leiden.

Eenzijdig dossier

De verdediging verwijt het Openbaar Ministerie een eenzijdig dossier aan de rechtbank te hebben voorgelegd door daarin ontlastend materiaal (te weten de controles door [bedrijf 2] van de BTW-identificatienummers van haar afnemers) niet op te nemen. Met de verdediging is de rechtbank van oordeel dat het uitermate kwalijk zou zijn indien het Openbaar Ministerie deze gegevens bewust aan de rechtbank en de verdediging zou hebben onthouden. Daartegenover staat dat dat enkele feit niet tot de conclusie kan leiden dat het Openbaar Ministerie een eenzijdig dossier heeft voorgelegd. Temeer nu uit het hieronder staande zal blijken dat [verdachte] door het niet voorkomen van deze stukken in het dossier, niet in zijn belangen is geschaad zal de rechtbank hieraan geen verder onderzoek aan wijden.

De start van het onderzoek

Verder is door de verdediging aangevoerd dat er met betrekking tot de aanvang van het onderzoek vele onduidelijkheden zijn gebleven. Het hele onderzoek jegens [verdachte] is gezien het voorgaande onrechtmatig, hetgeen bewijsuitsluiting tot gevolg dient te hebben. De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie (in een ander dossier) over die zelfde voorfase een aanvullend proces-verbaal heeft laten opmaken welk proces-verbaal in onderhavig dossier is gevoegd (het proces-verbaal van 28 februari 2011 van verbalisant [verbalisant 3]. Na het opstellen van dat proces-verbaal heeft de rechtbank beslist dat de verbalisant die in de voorfase leiding heeft gegeven aan het onderzoek, ook in de zaak van [verdachte] gehoord diende te worden. De officier van justitie heeft in dat kader verschillende getuigen doen horen maar juist de verbalisant die in de voorfase leiding heeft gegeven aan het onderzoek is niet als getuige naar voren gebracht. Dit heeft ertoe geleid dat enkele vragen van de verdediging omtrent de voorfase en/of de samenstelling van het dossier onbeantwoord zijn gebleven.

De vraag is welke gevolgen daaraan verbonden dienen te worden. De rechtbank is, daarbij kijkend naar het bepaalde in artikel 359a Sv niet van oordeel dat het voorgaande dient te leiden tot enige bewijsuitsluiting. Wel zal zij hier in het voordeel van verdachte gevolgen aan verbinden voor wat betreft de hoogte van een op te leggen straf.

De verklaringen van medeverdachte [medeverdachte 2]

De verdediging heeft aangevoerd dat de verklaringen van [medeverdachte 2] niet betrouwbaar zijn en van het bewijs dienen te worden uitgesloten. De rechtbank heeft kennis genomen van de processen-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 3 december 2009, 4 december 2009 en

5 december 2009, zoals opgenomen onder V11-01 tot en met V11-04 in het proces-verbaal van de FIOD-ECD kantoor Utrecht, dossiernummer [nummer], opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6], en de processen-verbaal van verhoor van [medeverdachte 2] d.d. 27 juli 2010 en 28 juli 2010, opgenomen onder V11-01 tot en met V11-04 in het proces-verbaal van de FIOD-ECD kantoor Utrecht, dossiernummer [nummer] zoals is opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2].

Voornoemde verklaringen van [medeverdachte 2] zijn niet alleen gedetailleerd, maar worden ook op belangrijke onderdelen bevestigd door de hierna te noemen andere bewijsmiddelen. De rechtbank acht de verklaringen van [medeverdachte 2] dan ook betrouwbaar en zal zijn verklaringen bij het bewijs gebruiken.

4.3.3 Bewezenverklaring van een schijnconstructie

De rechtbank concludeert op basis van de na te noemen bewijsmiddelen dat [bedrijf 2] betrokken is geweest bij valsheid in geschrifte en belastingfraude, dat [verdachte] daaraan leiding heeft gegeven, dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen en lid is geweest van een criminele organisatie.

Door [verdachte] en zijn mededaders is gebruik gemaakt van een schijnconstructie die is opgezet om misbruik te maken van het hiervoor omschreven nultarief ten aanzien van de omzetbelasting bij intracommunautaire transacties.

De rechtbank overweegt daartoe dat (het overgrote deel van) de door [bedrijf 2] bij deze intracommunautaire transacties betrokken goederen, bij welke transacties door [bedrijf 2] het nultarief is gehanteerd, niet daadwerkelijk aan de betreffende Europese rechtspersonen is geleverd.

In werkelijkheid werden deze goederen, geheel buiten de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] om, door venters (zijnde particulieren) bij [bedrijf 2] besteld en vervolgens “zwart” door [bedrijf 2] aan deze venters geleverd. Hierdoor heeft [bedrijf 2] de identiteit van de echte verkrijgers verborgen en hen zo in de gelegenheid gesteld de omzetbelasting te ontduiken. De betreffende venters betaalden [bedrijf 2] voor de betreffende goederen in contanten dan wel met cheques.

Hoewel aan de verkoop van goederen aan voornoemde rechtspersonen derhalve geen overeenkomsten tot levering van goederen ten grondslag hebben gelegen, bracht [bedrijf 2] de goederen door middel van facturen wel aan deze ondernemingen in rekening.

De rechtspersonen, wiens bankrekeningen werden gevoed door het storten van voornoemde cheques en contant geld dat - in ieder geval - afkomstig is van betalingen van voornoemde venters, betaalden deze facturen vervolgens giraal op de bankrekening van [bedrijf 2].

De rechtbank acht bewezen dat op deze wijze voornoemd contante - zwarte - gelden en cheques werden witgewassen.

4.3.4 De bewijsmiddelen

De rechtbank stelt de navolgende feiten en omstandigheden vast.

4.3.4.1 De rechtspersonen

[bedrijf 2]

[bedrijf 2] is gevestigd aan de [adres] te [woonplaats]. De bestuurders van [bedrijf 2] zijn verdachten [medeverdachte 3] en [verdachte]. Zij zijn beiden algemeen directeur en alleen/zelfstandig bevoegd. [bedrijf 2] voert onder meer de merknaam [naam] en maakt gebruik van onder meer een Nederlandse rekening bij de ING-bank, met rekeningnummer [rekeningnummer].

[bedrijf 2] koopt onder meer messensets, potten en pannen in, waarna zij deze goederen - volgens haar administratie - intracommunautair aan rechtspersonen in andere EU-lidstaten doorlevert.

Zij levert daarbij volgens haar administratie onder meer aan de Belgische rechtspersoon [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5]), de Spaanse rechtspersonen [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6]), [bedrijf 7] (hierna: [bedrijf 7]) en [bedrijf 8] en tot slot de Italiaanse rechtspersoon [bedrijf 9] (hierna: [bedrijf 9]).

De rechtbank zal de hiervoor genoemde rechtspersonen in België, Spanje en Italië kort omschrijven.

[bedrijf 5]

[bedrijf 5] is opgericht op 29 januari 2000 door oud-beheerder [X].

[medeverdachte 2] heeft op 30 september 2005 alle aandelen van [bedrijf 5] gekocht van deze oud-beheerder. Op 1 februari 2007 werd [medeverdachte 1] als zaakvoerder van [bedrijf 5] bij de Belgische autoriteiten bekend.

Het vestigingsadres van [bedrijf 5] is [adres], [woonplaats], België, maar [bedrijf 5] kent ook een postbusadres op de [adres] in diezelfde woonplaats. Een sleutel van deze postbus beheerde [medeverdachte 1], zo verklaarde [medeverdachte 2].

Vanaf 18 januari 2000 tot en met 12 april 2006 maakt [bedrijf 5] gebruik van rekeningnummer [rekeningnummer] van de [A] bank in België. Vanaf 24 maart 2006 beschikt [bedrijf 5] over bankrekeningnummer [rekeningnummer] bij de [B]bank in België. Zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] zijn gemachtigd ten aanzien van dit rekeningnummer.

Het BTW-numer van [bedrijf 5] (BE [nummer]) is op 1 april 2003 stopgezet. Op 1 oktober 2005 heeft [medeverdachte 2] een aanvraag gedaan om het BTW-nummer te heropenen, maar omdat zijn aanvraag onvolledig was, heeft - in ieder geval tot 1 februari 2007- geen heropening van voornoemd BTW-nummer plaatsgevonden.

[bedrijf 6]

[bedrijf 6] is op 28 april 2005 opgericht. Op 22 augustus 2005 is [getuige 6] als enig bestuurder aangesteld. [getuige 6] heeft 100% van de aandelen van [bedrijf 6] in handen.

[bedrijf 6] is gevestigd aan de [adres] [woonplaats], Alicante, Spanje. Uit onderzoek volgt dat op dit adres de onderneming Mail Boxes Etc. is gevestigd, een bedrijf dat postbussen verhuurt. [getuige 6] heeft bevestigd dat voornoemd adres van [bedrijf 6] een postadres betreft.

Het BTW-nummer van [bedrijf 6] is ES B [nummer].

Uit informatie van de Spaanse autoriteiten volgt dat [bedrijf 6] op 1 maart 2007 uit het VIES-register is verwijderd omdat uit onderzoek bleek dat er geen aanwijzingen waren van handelsactiviteiten van [bedrijf 6]. Niet alleen bleek het vestigingsadres slechts een verhuurde postbus te zijn, ook bleek het bedrijfsadres van [bedrijf 6] hetzelfde te zijn als haar fiscale vestigingsplaats.

[bedrijf 6] heeft een bankrekening bij de vestiging van de [C] bank in Altea, Spanje, met nummer [rekeningnummer]. Zowel [getuige 6] als [medeverdachte 1] zijn gemachtigd ten aanzien van deze rekening.

[bedrijf 7]

[bedrijf 7] is gevestigd aan de [adres], [woonplaats], Alicante te Spanje. Het bedrijf is op 18 juli 2006 opgericht door [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] is op 19 september 2006 als enig bestuurder aangesteld. [medeverdachte 2] heeft 98% van de aandelen van [bedrijf 7] in bezit, terwijl [medeverdachte 1] de overige 2% in handen heeft.

Aan [bedrijf 7] is BTW-nummer ES B [nummer] toegekend.

[bedrijf 7] heeft een bankrekening bij de vestiging van de [C] bank in Altea, Spanje, met nummer ES [rekeningnummer]. Zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] zijn gemachtigd ten aanzien van deze bankrekening.

[bedrijf 8]

[bedrijf 8] is eigendom van [medeverdachte 1] (die 97% van de aandelen bezit) en [medeverdachte 2] (die 3% van de aandelen bezit). [bedrijf 8] is - blijkens verkoopfacturen van [bedrijf 2] gericht aan [bedrijf 8]- gevestigd op [adres], Local 26 P.O. Box 117, [woonplaats], Alicante te Spanje. Uit onderzoek volgt dat op dit adres de onderneming Mail Boxes Etc. is gevestigd, een bedrijf dat postbussen verhuurd en waar zich een postbus bevind met nummer 117. Dit postbusnummer staat op naam [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] heeft bevestigd dat dit het inschrijfadres van [bedrijf 8] betreft en heeft verder verklaard dat dit het enige adres van [bedrijf 8] is. [bedrijf 8] hield op voornoemd adres geen kantoor en had ook geen opslagruimte. Enkel de post kwam op genoemd adres binnen. [bedrijf 8] heeft een bankrekening bij de vestiging van de [C] bank in Altea, Spanje, met nummer [rekeningnummer], waarvoor onder meer [medeverdachte 1] gemachtigde is.

Het BTW-nummer van [bedrijf 8] betreft ES [nummer].

[bedrijf 9]

[bedrijf 9] staat sinds 19 juli 2007 op naam van [medeverdachte 2], die 99% van de aandelen van [bedrijf 9] in handen heeft en [medeverdachte 4], die 1% van deze aandelen bezit. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 4] zijn vriendin is en dat hij haar hiervoor onbewust heeft laten meetekenen. [bedrijf 9] is gevestigd aan de [adres] te [woonplaats], Italië. Dit adres betreft het adres van het juridisch- en fiscaal advocatenkantoor dat [medeverdachte 2] bijstond bij de oprichting van voornoemde rechtspersoon.

Uit onderzoek naar e-mailverkeer tussen [medeverdachte 2] en een medewerkster van de [D] bank in Milaan, volgt dat [bedrijf 9] een bankrekeningnummer kent met nummer [rekeningnummer]. [medeverdachte 2] heeft bevestigd dat hij voornoemd rekeningnummer van [bedrijf 9] heeft geopend. [medeverdachte 2] verklaarde dat hij beslissingsbevoegd is over deze rekening. Het BTW-nummer van [bedrijf 9] betreft IT [nummer].

4.3.4.2 De levering van goederen aan [bedrijf 5], [bedrijf 6], [bedrijf 8], [bedrijf 7] en [bedrijf 9]

Uit het voorgaande volgt dat de rechtspersonen [bedrijf 5], [bedrijf 8], [bedrijf 7] en [bedrijf 9] allen zijn opgericht door [medeverdachte 2] dan wel [medeverdachte 1] en allen -deels- op naam staan van [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] of hen beiden. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij deze bedrijven in opdracht van [medeverdachte 1] heeft opgericht dan wel (deels) op zijn naam heeft laten zetten.

[bedrijf 6] staat, zoals hiervoor reeds is omschreven, op naam van [getuige 6]. [getuige 6] heeft verklaard dat hij [bedrijf 6] zelf heeft opgericht, maar de papieren van deze rechtspersoon vervolgens aan [medeverdachte 1] heeft gegeven.

- In de administratie van [bedrijf 2] zijn 7 verkoopfacturen van [bedrijf 2], gericht aan [bedrijf 5] aangetroffen, betreffende de periode van oktober 2005 tot en met juni 2006. Op deze verkoopfacturen is in totaal € 177.012.65 aan goederen gefactureerd.

Blijkens een zevental CMR’s die in dezelfde administratie zijn aangetroffen, zouden deze goederen door vervoerder [bedrijf 10] naar de [adres] te [woonplaats] te België zijn vervoerd.

- Daarnaast zijn in de administratie van [bedrijf 2] 5 verkoopfacturen aangetroffen van [bedrijf 23], gericht aan [bedrijf 6]. Op de verkoopfacturen is in totaal € 139.333,20 aan goederen gefactureerd. In dezelfde administratie zijn 5CMR’s aangetroffen met betrekking tot het vervoer van deze goederen, welk vervoer zou hebben plaatsgevonden door vervoerders [bedrijf 10] en [bedrijf 3], met als afleveradres [adres], Local 26, [woonplaats], Alicante (Spanje).

- In de administratie van [bedrijf 2] is voorts 1 verkoopfactuur aangetroffen d.d. 17 juli 2006, gericht aan [bedrijf 8]. Op deze factuur is een bedrag van € 29.871,00 aan goederen opgenomen. Met betrekking tot de levering van de betreffende goederen is 1 CMR aangetroffen, waarop als vervoerder voornoemd [bedrijf 10] is genoemd en als afleveradres [woonplaats].

- In de administratie van [bedrijf 2] zijn verder 42 verkoopfacturen aangetroffen betreffende de periode van juli 2006 tot juli 2007 gericht aan [bedrijf 7], waarop [bedrijf 2] in totaal

€ 960.478,06 heeft gefactureerd. Daarnaast zijn in deze administratie 41 CMR’s aangetroffen, waarop staat genoemd dat de betreffende goederen door transporteurs

[bedrijf 11], [medeverdachte 2], [bedrijf 10] en [Z] zijn vervoerd naar Spanje, met als afleveradressen [adres], [woonplaats] (Spanje) en CRTA Alicante, [adres], [woonplaats] (Spanje).

- Tot slot heeft de FIOD in de administratie van [bedrijf 2] 32 verkoopfacturen aangetroffen betreffende de periode van 20 augustus 2007 tot en met 26 september 2008, gericht aan [bedrijf 9]. In totaal (inclusief het derde kwartaal 2008, waarbij een bedrag van

€ 203.032,00 is gefactureerd) is op deze facturen een bedrag van € 744.273,25 aan goederen gefactureerd.

In de administratie van [bedrijf 2] zijn 28 CMR’s met betrekking tot [bedrijf 9] aangetroffen. Op 26 van deze CMR’s is als vervoerder [bedrijf 12] te [woonplaats] is genoemd en afleveradres [adres] [woonplaats] (Italy).

Uit voornoemde facturen van [bedrijf 2] aan bovengenoemde buitenlandse rechtspersonen en voornoemde vervoersdocumenten, zou volgen dat er daadwerkelijk goederen zijn geleverd aan deze rechtspersonen. De rechtbank acht echter bewezen dat deze goederen nimmer zijn afgeleverd bij deze bedrijven en overweegt daartoe als volgt.

In de eerste plaats volgt uit de verklaringen van de betreffende vervoerders dat geen van hen de op de CMR’s genoemde transporten naar een van deze rechtspersonen heeft verricht.

- Zo verklaart getuige [getuige 2], werkzaam bij [bedrijf 10], welke transporteur voorkomt op CMR’s van [bedrijf 2] aan [bedrijf 5], [bedrijf 6], [bedrijf 8] en [bedrijf 7], dat hij [bedrijf 6], [bedrijf 8] en [bedrijf 7] niet kent en nimmer voor deze bedrijven heeft gereden.

- Getuige [getuige 3], directeur/eigenaar van [bedrijf 4], welk bedrijf wordt genoemd op CMR’s inzake levering door [bedrijf 2] aan [bedrijf 6], volgt dat dit transportbedrijf slechts eenmaal, in februari 2006, via [bedrijf 13] heeft gereden voor [bedrijf 2]. Uit de bij dit vervoer behorende CMR d.d. 7 februari 2006 volgt dat de goederen op 10 maart 2006 echter niet bij [bedrijf 6] te [adres], Alicante, Spanje, maar bij “[bedrijf 14]” in Altea, Spanje, zijn afgeleverd.

- Ook uit de verklaring van getuige [getuige 4], commercieel directeur bij [bedrijf 11], welk bedrijf voorkomt op CMR’s inzake [bedrijf 7], volgt dat dit bedrijf slechts eenmaal heeft gereden voor [bedrijf 2].

Dit vervoer vond plaats november 2006, via [bedrijf 15] Uit de bij dit vervoer behorende CMR d.d. 7 november 2006, die is overgelegd door [bedrijf 11], volgt dat deze goederen echter naar Spanje, maar naar Grebastica, Kroatië, zijn vervoerd. [getuige 4] heeft verklaard dat de in de administratie van [bedrijf 2] aangetroffen CMR’s met betrekking tot het vervoer [bedrijf 6] vals zijn opgemaakt: [bedrijf 11] heeft deze transporten niet gereden.

- [medeverdachte 2], die als vervoerder staat genoemd op CMR’s met betrekking tot vervoer aan [bedrijf 7], heeft verklaard dat hij deze transporten niet heeft gereden.

[medeverdachte 2] verklaarde verder dat hij de CMR waarop [Z] als vervoerder staat genoemd vals heeft opgemaakt, waarbij hij het kenteken van zijn eigen auto heeft gebruikt.

- Tot slot heeft ook getuige [getuige 5], zaakvoerder van [bedrijf 12], welk bedrijf voorkomt op CMR’s met betrekking tot vervoer aan [bedrijf 9], verklaard dat hij geen goederen voor [bedrijf 2]/[bedrijf 23] heeft vervoerd naar [bedrijf 9]. Zijn bedrijf heeft nimmer goederen vervoerd naar Italië, zo verklaarde deze getuige. Voornoemde CMR’s waarop zijn bedrijf als vervoerder staat genoemd, zijn dan ook vals opgemaakt.

Dat het transport naar voornoemde rechtspersonen nimmer heeft plaatsgevonden, volgt in de tweede plaats uit de verklaring van [medeverdachte 2], die verklaarde dat hij een deel van de in de administratie van [bedrijf 2] aangetroffen CMR’s vals heeft opgemaakt. Hij deed dit in opdracht van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 2] verklaarde dat hij vaak een stapeltje lege CMR’s ontving van [medeverdachte 1], die hij dan op het kantoor van [medeverdachte 1] te [woonplaats] moest invullen. De stempels van de transporteurs lagen bij [medeverdachte 1] op kantoor. [medeverdachte 1] had die stempels laten maken.

Niet alleen [medeverdachte 2], ook getuige [getuige 6] heeft verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] valse CMR’s heeft opgemaakt. Ook deze getuige verklaarde dat hij op de CMR’s in vak 23 een stempel plaatste die hij ontving van [medeverdachte 1], als zij op het kantoor van [medeverdachte 1] waren. [medeverdachte 1] had een blok vol blanco CMR’s, die [getuige 6] invulde aan de hand van facturen. [getuige 6] verklaarde dat hij, samen met [medeverdachte 2], op het kantoor van [medeverdachte 1] werkzaam was. [getuige 6] verklaarde dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] stempels van de transporteurs [bedrijf 16] en [bedrijf 17] heeft laten maken.

Ook getuige [getuige 7] heeft verklaard dat hij op verzoek van [medeverdachte 1] een aantal stempels heeft laten maken. [medeverdachte 1] bepaalde daarbij de grootte van de stempel en wat de tekst moest worden. [getuige 7] maakte daarnaast sjablonen op, waaronder een sjabloon van [bedrijf 10]. [getuige 7], die vanaf de zomer van 2005 werkzaam was op het kantoor van [medeverdachte 1], heeft bevestigd dat [getuige 6] en [medeverdachte 2] daar voor [medeverdachte 1] werkzaam waren. [getuige 7] verklaarde dat hij in dit kantoor een stapel lege CMR’s heeft gezien. Hij verklaarde dat hij heeft gezien dat [getuige 6] deze blanco CMR’s invulde.

Verder is in de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres] te [woonplaats] op

14 oktober 2008 een briefje aangetroffen, met daarop de stempelafdrukken van een drietal transporteurs, waaronder [bedrijf 10]. Getuige [getuige 2], werkzaam bij [bedrijf 10], heeft verklaard dat deze stempelafdruk vals is. In tegenstelling tot de betreffende afdruk heeft zijn bedrijfsstempel geen kader. [medeverdachte 1] heeft over het briefje met de drie stempels van transporteurs verklaard dat dit moet zijn meegenomen met de verhuizing van zijn kantoor van [woonplaats] naar zijn woning op voornoemd adres.

Tot slot hebben zowel [getuige 6] (ten aanzien van [bedrijf 6] ) en [medeverdachte 2] (ten aanzien van [bedrijf 5], [bedrijf 8], [bedrijf 7] en [bedrijf 9] ) bevestigd dat er nimmer goederen zijn geleverd door [bedrijf 2] aan deze rechtspersonen.

In dit verband is er door de verdediging op gewezen dat [bedrijf 2] de BTW-identificatienummers van haar afnemers heeft gecontroleerd en in haar administratie heeft opgenomen. Deze stelling van de verdediging kan evenwel niet afdoen aan de hiervoor reeds genoemde conclusie van de rechtbank door verdachten in georganiseerd verband gebruik is gemaakt van een schijnconstructie. Gezien de eisen die gelden voor het rechtmatig hanteren van het nultarief, is inherent aan (het slagen van) deze constructie dat gebruik wordt gemaakt van een buitenlandse onderneming met een bestaand VAT-nummer. Nu het voor [verdachte], als lid van de organisatie die de schijnconstructie gebruikte, duidelijk was dat er geen feitelijke handel met de verschillende genoemde ondernemingen plaatsvond kan hij geen beroep doen op een gerechtvaardigd vertrouwen op de gegevens zoals die uit het VIES-systeem naar voren komen of zoals hij die van de Belastingdienst ontving.

4.3.4.3 De daadwerkelijke leveringen: aan venters in Spanje, Engeland en Italië

De rechtbank acht bewezen dat de goederen, die op papier aan voornoemde rechtspersonen werden geleverd, daadwerkelijk zijn afgeleverd aan venters in Spanje, Engeland en Italië.

Spanje

Uit opgenomen en uitgewerkte telefoongesprekken over de periode van 27 februari 2008 tot en met 13 maart 2008 volgt dat door diverse personen vanuit Spanje bestellingen worden gedaan bij [verdachte] en [medeverdachte 3] door onder meer “[W]”of [naam][W][naam], waarbij wordt gesproken over het leveren van goederen op campings in Spanje. [W] maakt daarbij gebruik van het telefoonnummer [nummer]

Op 19 februari 2008 belt [naam][V][naam] met [verdachte]. In dit telefoongesprek merkt [V] op dat hij wat meer naar het midden van Spanje wil. [woonplaats], [woonplaats], waar nog nooit “gevent” is. Enkele dagen later, op 28 februari 2008, belt [medeverdachte 3] naar [V] en vraagt naar het adres van de camping in [woonplaats], omdat hij dit adres door dient te geven aan de transporteur. Uit dit telefoongesprek, maar ook uit andere telefoongesprekken volgt dat [bedrijf 2] het transport van de vanuit Spanje bestelde goederen verzorgde.

Dit wordt bevestigd door een aantal opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken over de periode van 15 februari 2008 tot en met 28 maart 2008, waaruit volgt dat zowel [medeverdachte 3] als [verdachte] meermalen telefonisch contact heeft met [U] van [bedrijf 18].

In deze telefoongesprekken wordt onder meer gesproken over de levering van goederen op een camping in [woonplaats]. In een telefoongesprek d.d. 28 maart 2008 geeft [verdachte] aan [bedrijf 18] een telefoonnummer door van een persoon die in Spanje op de camping de goederen in ontvangst neemt, [V], met telefoonnummer [nummer].

Getuige [getuige 8], werkzaam als planner bij [bedrijf 18], heeft bevestigd dat hij voor [bedrijf 23], welke bedrijfsnaam na enige tijd op verzoek van [bedrijf 23] verzoek is gewijzigd in “[bedrijf 19] potten en pannen heeft vervoerd naar Spanje. Hij verklaarde dat daarbij vrij veel werd geleverd op campings.

Getuige [getuige 8] verklaarde dat hij van [getuige 11] een Spaans 06-nummer ontving van een man met een Nederlandse achternaam, met het verzoek de betreffende chauffeur een uur voor levering naar dit nummer te laten bellen.

Een van de chauffeurs van [bedrijf 18], [getuige 11], heeft bevestigd dat hij een transport voor [bedrijf 19] heeft gereden, waarbij hij ruim van tevoren het nummer van [naam][W][naam] moest bellen, met het telefoonnummer [nummer]. Deze man had een Nederlandse achternaam, “[bedrijf 14]”. [getuige 11] verklaart dat hij de goederen heeft gelost bij een zogenaamde nave, een plaats met allemaal kleine loodsen naast elkaar. In de loodsen stonden pannen en bestek. [naam][W][naam], die aan kwam rijden in een gezinsauto, vertelde hem dat hij met de goederen en een folder de camping op ging en de goederen daar probeerde te verkopen.

Uit door [bedrijf 18] overgelegde prints van het klantenbestand , volgt dat over de periode van 11 januari 2006 tot en met 17 januari 2009 door [bedrijf 23]/[bedrijf 19] tientallen transporten zijn uitgevoerd naar Spanje, waarbij als afleveradressen diverse campings worden genoemd. Ook “[bedrijf 14]”, [woonplaats], komt voor als een van de afleveradressen op deze prints.

Engeland

Uit een door [medeverdachte 3] van een onbekend gebleven persoon ontvangen sms-bericht en diverse opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken tussen [medeverdachte 3], [verdachte] en derden in de periode van 13 februari 2008 tot en met 3 maart 2008 volgt dat er, naast leveringen in Spanje, door [bedrijf 2] ook goederen zijn geleverd aan Engeland. Zo wordt [verdachte] op 3 maart 2008 gebeld door een man die zich voorstelt als [K]. [K] vraagt [verdachte] hoe laat die jongen handel komt brengen in Engeland, waarop [L] aangeeft dat hij onderweg is. Als er op 18 februari 2008 een Engelse vrouw belt naar [bedrijf 2], wordt zij door een man, werkzaam bij [bedrijf 2], te woord gestaan. De vrouw geeft aan dat zij de vertegenwoordiger terug wil hebben, waarop de man antwoordt: “We hebben 1700 man lopen, waarvan 50 in Engeland”.

Dat er goederen door [bedrijf 2] in Engeland zijn verkocht, wordt bevestigd door getuige [getuige 6]. Deze getuige verklaarde dat er potten, pannen en messensets door [bedrijf 2] en [bedrijf 23] naar Engeland werden vervoerd, waar deze goederen door kampers/venters deur aan deur worden verkocht, zwart. De kampers/venters betaalden de betreffende goederen met cheques, die in Engeland op de bank werden gestort op onder meer de rekening van de Engelse rechtspersoon “[bedrijf 20]”. Als het saldo op de rekeningen in Engeland minimaal 25.000,00 pond was, reisden [medeverdachte 1] en/of [getuige 6] af naar Engeland, om het geld vervolgens over te boeken vanaf de rekening van deze Engelse rechtspersonen.

De overboekingen van deze gelden vindt onder meer plaats naar de bankrekening van [bedrijf 5], waar in de eerste plaats op 14 oktober 2005 door [bedrijf 20] € 20.291,97 wordt overgemaakt. Na een contante storting d.d. 20 oktober 2005 van € 2.200,00 wordt door [bedrijf 5] een factuur van [bedrijf 2] d.d. 20 oktober 2005, van € 22.324,50 voldaan door overboeking van laatstgenoemd bedrag op de rekening van [bedrijf 2].

Door [bedrijf 20] wordt op 3 november 2005 een tweede overboeking naar de bankrekening van [bedrijf 2] gedaan van € 2.276,04. Na een contante storting door [medeverdachte 2] d.d.

8 november 2005 van € 28.500,00 op de rekening van [bedrijf 5], wordt door [bedrijf 5] op

9 november 2005 een betaling van een openstaande factuur d.d. 7 november 2005 van

€ 31.962,51 aan [bedrijf 2] gedaan door overboeking op de rekening van [bedrijf 2] van

€ 31.962,50.

Italië

Uit opgenomen en uitgeluisterde telefoongesprekken en een door [verdachte] ontvangen sms-bericht met betrekking tot de periode van 24 februari 2008 tot en met 11 maart 2008 volgt dat [bedrijf 2] tot slot ook goederen heeft afgeleverd aan personen in Italië. Zo ontvangt [verdachte] op 25 februari 2008 een sms-bericht: “ik sta in Bologna, als je in de buurt moet zijn, kun je me bellen want ik ben de enigste die handel bij je pakt. [M]”. Net als in Engeland, wordt door de afnemers in Italië betaald met cheques. In diverse telefoongesprekken tussen [medeverdachte 3], [verdachte] en derden komt het aannemen en al dan niet verzilveren van Italiaanse cheques naar voren.

Leveringen aan Spanje, Engeland en Italië niet in administratie opgenomen

De rechtbank stelt vast dat er geen CMR’s, facturen dan wel andere bescheiden in de administratie van [bedrijf 2] zijn aangetroffen met betrekking tot het vervoer door [bedrijf 18] naar Spanje. Dat deze stukken bewust door [bedrijf 2] buiten de administratie werden gehouden, volgt uit de verklaring van getuige [getuige 8]. Deze getuige verklaarde niet alleen dat hij op verzoek van [bedrijf 2] de naam [bedrijf 23] in zijn administratie diende te wijzigen in “[bedrijf 19]”, maar ook dat [getuige 11], de contactpersoon van [bedrijf 23]/[bedrijf 19], de vervoerskosten altijd contant betaalde. Door [bedrijf 18] werden aan [bedrijf 23]/ [bedrijf 19] bovendien geen afschriften van CMR’s opgestuurd als afleverbewijs en evenmin facturen.

Niet alleen de handel door [bedrijf 2] met venters uit Spanje, ook de handel door [bedrijf 2] met venters in Engeland en Italië is buiten de administratie van [bedrijf 2] gebleven. De rechtbank stelt vast dat ten aanzien van deze handel geen CMR’s, facturen dan wel andere bescheiden in de administratie van [bedrijf 2] zijn aangetroffen.

4.3.4.4 De betalingen door [bedrijf 5], [bedrijf 6], [bedrijf 8], [bedrijf 7] en [bedrijf 9] aan [bedrijf 2]

Hoewel er - gezien het voorgaande - geen leveringen van goederen hebben plaatsgevonden aan voornoemde buitenlandse rechtspersonen, hebben zij op voornoemde verkoopfacturen van [bedrijf 2] wel betalingen gedaan aan [bedrijf 2].

[bedrijf 5]

Blijkens het interne systeem van de Belastingdienst met betrekking tot intracommunautaire transacties (het VIES-systeem) heeft [bedrijf 2] over 2005 en 2006 als intracommunautaire leveringen aan [bedrijf 5] een bedrag van € 177.013,00 opgegeven.

In de administratie van [bedrijf 2] zijn 7 verkoopfacturen van [bedrijf 2], gericht aan [bedrijf 5] aangetroffen, betreffende de periode van oktober 2005 tot en met juni 2006. Op deze verkoopfacturen is in totaal € 177.012.65 aan goederen gefactureerd.

Uit onderzoek volgt dat het saldo op de (op dat moment actieve) bankrekening van [bedrijf 5] op de data die op voornoemde facturen staat genoemd telkens ontoereikend is om de betreffende facturen te voldoen. Echter, enkele dagen na de datum die op de facturen staat genoemd, vinden telkens girale overboekingen dan wel contante stortingen in België plaats op het rekeningnummer van [bedrijf 5]. De girale overboekingen zijn telkens afkomstig van bedrijven van [medeverdachte 1] ([bedrijf 21], [bedrijf 20]) en [medeverdachte 2] ([bedrijf 22] ). [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij contant geld heeft ontvangen van [medeverdachte 1], welk contant geld hij in Nederland stortte op de rekening van zijn onderneming [bedrijf 22] en vervolgens overboekte.

[medeverdachte 2] heeft voorts verklaard dat hij naast deze overboekingen ongeveer 6 keer met het contante geld naar België is gereisd om het geld daar te storten op de rekening van [bedrijf 5]. In het dossier zijn 7 stortingsbewijzen opgenomen van stortingen door [medeverdachte 2] van bedragen variërend van € 2.200,00 tot € 40.400,00, in de periode van oktober 2005 tot en met mei 2006. Getuige [getuige 7] heeft bevestigd dat [medeverdachte 1] beschikte over grote bedragen. Hij verklaarde dat hij op het kantoor van [medeverdachte 1] stapels gesorteerd geld (en stapels cheques) heeft gezien.

Door voornoemde overboekingen en stortingen van dit contante geld (en deze cheques) is er telkens voldoende saldo op de rekening van [bedrijf 5] om de facturen van [bedrijf 2] te voldoen. [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [medeverdachte 1] het geld vervolgens van de rekening van [bedrijf 5] naar de rekening van [bedrijf 2] boekte.

Hoewel er - gezien hetgeen hiervoor onder 4.3.4.2 is overwogen - geen leveringen van goederen hebben plaatsgevonden aan [bedrijf 5], is op deze wijze in totaal € 177.012,65 overgeschreven van [bedrijf 5] naar voornoemd rekeningnummer van [bedrijf 2].

[bedrijf 6], [bedrijf 8] en [bedrijf 7]

- Uit informatie uit het VIES-systeem volgt dat [bedrijf 2] in 2005 en 2006 in totaal € 139.334,00 heeft opgegeven aan intracommunautaire leveringen aan [bedrijf 6].

In de administratie van [bedrijf 2] zijn 5 verkoopfacturen aangetroffen van [bedrijf 23], gericht aan [bedrijf 6]. Op de verkoopfacturen is in totaal € 139.333,20 aan goederen gefactureerd.

- Met betrekking tot [bedrijf 8] volgt uit het VIES-systeem dat [bedrijf 2] in 2006 € 29.871,00 als intracommunautaire leveringen ten aanzien van deze rechtspersoon heeft opgegeven.

In de administratie van [bedrijf 2] is 1 verkoopfactuur aangetroffen d.d. 17 juli 2006, gericht aan [bedrijf 8]. Op deze factuur is een bedrag van € 29.871,00 aan goederen opgenomen.

- Voorts heeft [bedrijf 2] blijkens informatie uit het VIES-systeem in 2006 en 2007 in totaal

€ 960.495,00 aangegeven als intracommunautaire leveringen naar Spanje inzake [bedrijf 7]. In de administratie van [bedrijf 2] zijn 42 verkoopfacturen aangetroffen betreffende de periode van juli 2006 tot juli 2007 gericht aan [bedrijf 7], waarop [bedrijf 2] in totaal € 960.478,06 heeft gefactureerd.

Hoewel aan [bedrijf 6], [bedrijf 8] en [bedrijf 7] geen leveringen hebben plaatsgevonden, blijkt dat deze rechtspersonen op deze verkoopfacturen van [bedrijf 2] respectievelijk

€ 139.333,20, € 29.871,00 en € 960.478,06 hebben overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf 2].

Net als bij [bedrijf 5], vinden enkele dagen na de data die op de verkoopfacturen van [bedrijf 2] staan vermeld, girale overboekingen dan wel contante stortingen in Spanje plaats op de rekeningnummers van [bedrijf 6], [bedrijf 8] en [bedrijf 6]. De girale overboekingen zijn onder meer afkomstig van (bedrijven van) [medeverdachte 1] ([bedrijf 21], ) en [medeverdachte 2] ([bedrijf 22] ) en “[medeverdachte 4]”.

[medeverdachte 2] heeft met betrekking tot de betalingen van [bedrijf 6], [bedrijf 8] en [bedrijf 7] verklaard dat hij - voordat [medeverdachte 1] in april 2007 gedetineerd raakte - in Nederland meermalen contant geld heeft ontvangen van [medeverdachte 1].

Met dit geld reisde hij vervolgens, al dan niet samen met [getuige 6] en/of [medeverdachte 1], een of twee wekelijks naar Spanje. Uit een door de FIOD/ECD opgemaakte spreadsheet waarin de in de periode van 2004 tot en met 2007 gevlogen vluchten van [getuige 6], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij vliegmaatschappij Transavia zijn opgenomen,volgt dat zij in de periode van 21 juni 2004 tot en met 16 april 2007 tientallen keren al dan niet samen van Amsterdam naar Alicante zijn gevlogen, waarna zij diezelfde dag of enkele dagen daarna weer terugvlogen van Alicante naar Amsterdam.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat de tickets voor de reis naar Spanje, meestal al geregeld waren door [medeverdachte 1]. Uit informatie van Transavia volgt dat een groot deel van deze vluchten inderdaad is geboekt door [medeverdachte 1]. Uit de verklaring van getuige [getuige 7] volgt dat [medeverdachte 1] de betreffende vluchten niet alleen op zijn eigen naam boekte. Deze getuige heeft verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] online tickets bestelde.

In Spanje bezocht [medeverdachte 2] de [C] bank in Altea, waar hij aan een medewerker van deze bank, [getuige 10] ([getuige 10]), een soort vriend van [medeverdachte 1] het contante geld en de factuur overhandigde. [getuige 6] heeft bevestigd dat hij samen met [medeverdachte 2] contant geld naar Spanje heeft gevlogen en daar heeft gestort bij de [C] bank in Spanje. Hij verklaarde dat hij bedragen van € 30.000,00 tot € 60.000,00 ontving van [medeverdachte 1] op zijn kantoor in [woonplaats], net als een CMR en een factuur en dat hij daarmee naar Spanje afreisde. Het ticket was door [medeverdachte 1] geboekt en betaald. Hij verklaarde verder dat [getuige 10] de betreffende contante stortingen in overleg met [medeverdachte 1] in delen knipte onder de MOT-grens om MOT-meldingen te omzeilen. Het geld werd gestort op de rekeningen van [bedrijf 6] en [bedrijf 7] .

Uit het feit dat [medeverdachte 1] op 24 juli 2006 op een dag heen en weer vliegt naar Alicante , waar op diezelfde dag een bedrag van € 10.067,09 aan cheques op de bankrekening van [bedrijf 8] wordt gestort, leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 1] deze storting voor [bedrijf 8] heeft gedaan.

[medeverdachte 2] heeft voorts verklaard dat hij het contante geld dat hij ontving van [medeverdachte 1] niet alleen in Spanje stortte, maar ook in Nederland op zijn eigen privérekening, de privérekening van zijn vriendin of de rekening van een van zijn ondernemingen, om het geld vervolgens over te maken naar de rekening van [bedrijf 7]. Op de rekeningafschriften van [bedrijf 7] zijn overboekingen te zien van op naam van [medeverdachte 2]/de heer [medeverdachte 2], [medeverdachte 4] en een van [medeverdachte 2]s ondernemingen, [bedrijf 22].

[medeverdachte 2] heeft verder verklaard dat [medeverdachte 1] - totdat [medeverdachte 1] gedetineerd raakte - “de facturen overmaakte aan [bedrijf 2]”, waaruit de rechtbank begrijpt dat [medeverdachte 1] de factuurbedragen overmaakte van de rekening [bedrijf 7] naar [bedrijf 2]. [medeverdachte 2] verklaarde dat dit per fax of door middel van telebankieren ging. In dit verband is van belang dat in de woning van [medeverdachte 1] twee brieven zijn aangetroffen, gericht aan [naam], met als afzender [medeverdachte 1].

In de eerste plaats gaat het om een brief van 21 maart 2006:

“Ha die [getuige 10], zou jij morgen 22-03- 2006 van de rekening van [bedrijf 6] € 32.275,90 over kunnen maken aan [bedrijf 23]. Het kan zijn dat er morgen nog niet genoeg saldo is doe het dan de dag erna aub (23-03-2006). Alvast bedankt! Wouter van de Pol.

Daarnaast gaat het om een brief van 25 april 2006: [getuige 10], zou jij aub zo spoedig mogelijk de factuur over kunnen maken van de rekening van [bedrijf 6] ten name van [bedrijf 2] in Holland. Alvast bedankt, met vriendelijke groet, Wouter van de Pol.” Uit het rekeningoverzicht van [bedrijf 6] volgt dat enkele dagen na deze schriftelijke opdrachten, op respectievelijk 25 maart 2006 en 28 april 2006, bijschrijving van de nog openstaande factuurbedragen die [bedrijf 2] nog tegoed heeft van [bedrijf 6] worden overgemaakt van de rekening van [bedrijf 6] naar de rekening van [bedrijf 2].

Met betrekking tot de overboekingen van [bedrijf 8] aan [bedrijf 2] heeft [medeverdachte 1] verklaard

dat hij als enige gemachtigd is op de bankrekening van [bedrijf 8]. Hij verklaarde verder dat er voor het telebankieren in Spanje een pasje nodig is, dat gekoppeld is aan het rekeningnummer van [bedrijf 8]. Hij heeft dit pasje nooit aan een ander uitgeleend.

[medeverdachte 2] verklaarde dat [medeverdachte 1] hem liet zien wat hij allemaal deed om te zorgen dat [medeverdachte 2] “dingen” kon voortzetten als hij opgepakt zou worden. Zo reisde [medeverdachte 2] een aantal maal mee met [medeverdachte 1] naar Spanje, waar [medeverdachte 1] hem onder meer introduceerde bij [getuige 10] van de [C] bank.

[medeverdachte 1] introduceerde [medeverdachte 2] begin 2007 bij [bedrijf 2], waarbij [medeverdachte 2] door [medeverdachte 1] werd voorgesteld aan [L] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) en [getuige 11] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 3]). [medeverdachte 1] zei tegen [medeverdachte 2] dat hij met hen in contact kon treden indien [medeverdachte 1] gedetineerd raakte. In april 2007 raakt [medeverdachte 1] gedetineerd. Via brieven die de gevangenis uit gesmokkeld werden vroeg [medeverdachte 1] hem om de relatie tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 7] voort te zetten. Bijna wekelijks informeerde [medeverdachte 1] hem op die manier hoe hij de zaken geregeld wilde hebben, aldus [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] verklaarde dat hij tijdens de detentie van [medeverdachte 1] degene was die het geld van de buitenlandse rechtspersonen naar [bedrijf 2] overmaakte.

[bedrijf 9]

[medeverdachte 2] verklaarde dat [medeverdachte 1] hem, nadat de Spaanse autoriteiten het BTW-nummer van [bedrijf 7] in hadden getrokken, via brieven vanuit de cel de opdracht gaf een Italiaanse SRL te openen. [medeverdachte 2] gaf aan dit verzoek gehoor en zette de Italiaanse rechtspersoon [bedrijf 9] op zijn naam.

In de administratie van [bedrijf 2] zijn 32 verkoopfacturen aangetroffen betreffende de periode van 20 augustus 2007 tot en met 26 september 2008, gericht aan [bedrijf 9]. In totaal (inclusief het derde kwartaal 2008, waarbij een bedrag van € 203.032,00 is gefactureerd) is op deze facturen een bedrag van € 744.273,25 gefactureerd.

Uit informatie uit het VIES-systeem volgt dat [bedrijf 2] over 2007 en 2008 (met uitzondering van het derde kwartaal van 2008) als intracommunautaire leveringen aan Italië inzake [bedrijf 9] € 541.241,00 heeft aangegeven.

Hoewel er, gezien hetgeen onder 4.3.4.2 is overwogen, geen goederen zijn geleverd aan [bedrijf 9], heeft [bedrijf 9] in totaal € 788.177,00 bijgeschreven op de rekening van [bedrijf 2] . De betreffende girale bijschrijvingen zijn allen terug te voeren op (ondernemingen van) [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] heeft dit bevestigd en heeft verklaard dat hij geld via zijn privérekening, de rekening van een van zijn ondernemingen dan wel via een contante storting in Milaan op de rekening van [bedrijf 9] heeft geboekt. [medeverdachte 2] verklaarde dat dit meermalen plaatsvond vanaf begin 2007 tot en met oktober 2008.

Vanwege de detentie van [medeverdachte 1] ontvangt [medeverdachte 2] het contant te storten geld niet langer meer van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 2] verklaarde hierover dat hij, op het moment dat [medeverdachte 1] gevangen zat, van [medeverdachte 1] de opdracht kreeg om naar [bedrijf 2] te gaan. Bij [bedrijf 2] ontving [medeverdachte 2] een zakje contant geld van [medeverdachte 3] of [verdachte] en een factuur gericht aan [bedrijf 7] of [bedrijf 9], met de opdracht deze factuur te betalen.

Vervolgens vloog [medeverdachte 2] naar Spanje of Italië om het geld daar te storten, of [medeverdachte 2] stortte het geld in Nederland op zijn rekening om het vervolgens over te maken naar de rekeningen van [bedrijf 7] of [bedrijf 9]. Vanuit die rechtspersonen werd de betreffende factuur vervolgens giraal voldaan. [medeverdachte 2] verklaarde dat dit meermalen plaatsvond vanaf begin 2007 tot en met oktober 2008. [medeverdachte 3] of [verdachte] zag hij alleen als hij het geld moest ophalen, waarbij gelijk een volgende datum afgesproken werd waarop [medeverdachte 2] weer bij hen moest komen. Een enkele keer ontving hij van [verdachte] een sms dat hij moest komen, aldus [medeverdachte 2].

De betreffende stortingen rechtvaardigde hij in opdracht van [medeverdachte 1] met valse facturen op naam van [naam], een Frans bedrijf dat zich bezighoudt met Franse agrarische producten en dat [medeverdachte 2] niet kent. Het sjabloon van de facturen ontving [medeverdachte 2] van [medeverdachte 1] en de omschrijving van de goederen en de bedragen nam hij over van de facturen van [bedrijf 2], zo verklaarde [medeverdachte 2].

4.3.4.5 Overwegingen ten aanzien van de ten laste gelegde feiten

Ten aanzien van feit 1:

In de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] zijn de hiervoor genoemde verkoopfacturen van [bedrijf 2], handelend onder de naam [bedrijf 23], aan de rechtspersonen [bedrijf 5] Beheer, [bedrijf 6], [bedrijf 8], [bedrijf 7] en [bedrijf 9] aangetroffen, alsmede de CMR’s ten behoeve van het transport van de betreffende goederen.

Een aantal van deze CMR’s en verkoopfacturen is opgesomd onder het onder 1 ten laste gelegde feit, onder sub 1a tot en met 1x.

Het gaat daarbij om:

Sub a tot en met sub d:

Twee verkoopfacturen van [bedrijf 23] aan [bedrijf 5] van respectievelijk

5 april 2006 (factuurnummer 2842) en 25 april 2006 (factuurnummer 2902) en

de daarbij behorende CMR’s met nummer 478861 d.d. 12 april 2006 en 483527 d.d.

8 mei 2006. De rechtbank stelt vast dat op voornoemde verkoopfacturen het adres [adres], [woonplaats] (België) is opgenomen als het adres van [bedrijf 5] Beheer.

Op voornoemde CMR’s staat [bedrijf 5] als geadresseerde opgenomen, [adres], [woonplaats] als afleverplaats. [bedrijf 10] staat als transporteur genoemd.

Sub e tot en met sub h:

Voorts gaat het om een tweetal verkoopfacturen van [bedrijf 23] aan [bedrijf 6] van respectievelijk 17 maart 2006 (factuurnummer 2776) en 7 april 2006 (factuurnummer 2847) en de daarbij behorende CMR’s d.d. 24 maart 2006 (nummer 483502), en d.d.

1 mei 2006 (nummer 478962).

De rechtbank stelt vast dat op voornoemde CMR’s [bedrijf 6] als geadresseerde is opgenomen, met als het afleverplaats-/adres [adres], Local 26, [woonplaats], Alicante (Spanje). Tot slot staat op deze CMR’s [bedrijf 10] als transporteur genoemd.

Sub i en j:

In de tenlastelegging is verder een verkoopfactuur van [bedrijf 23] aan [bedrijf 8] d.d. 17/11 juli 2006 opgenomen (factuurnummer 3211) alsmede de daarbij behorende CMR d.d.

27 juli 2006, met nummer 502397

Op voornoemde CMR staat [bedrijf 8] als geadresseerde opgenomen en [adres], [woonplaats] (te Spanje) als afleverplaats, terwijl een straatnaam en huisnummer ontbreken. Voorts is het adres CVTA, [adres], [woonplaats], Spanje opgenomen als adres van [bedrijf 8]. Tot slot is op deze CMR [bedrijf 10] als transporteur opgenomen.

Sub k tot en met sub r:

Met betrekking tot leveringen aan [bedrijf 7] zijn in de tenlastelegging vier verkoopfacturen van [bedrijf 2] opgenomen, te weten de facturen d.d. 7 mei 2007 (factuurnummer 3965) , d.d. 16 mei 2007 (factuurnummer 3985), d.d. 29 maart 2007 (factuurnummer 3878) en tot slot d.d. 4 september 2006 (factuurnummer 3381).

Daarnaast zij de hierbij behorende CMR’s opgenomen, te weten een CMR met nummer 483614 d.d. 15 mei 2007, een CMR met nummer 483642 d.d. 25 mei 2007, een CMR met nummer 483591 d.d. 6 april 2007 en een CMR met nummer 478871 d.d.

27 september 2007.

Op voornoemde verkoopfacturen is het adres [adres], [woonplaats] (Spanje) opgenomen als adres van [bedrijf 7].

Op voornoemde CMR’s is [bedrijf 7] als geadresseerde opgenomen. Op de CMR d.d.

15 mei 2007 is daarbij als afleverplaats-/adres [adres], [woonplaats] (Spanje) genoemd en [bedrijf 11] als transporteur opgenomen.

Op de CMR d.d. 25 mei 2007 staat ook als afleverplaats-/adres [adres], [woonplaats] (Spanje) genoemd, maar als vervoerder [medeverdachte 2], met vervoermiddel met kenteken [kenteken].

Tot slot staat op voornoemde CMR d.d. 6 april 2007 CRTA Alicante, [adres], [woonplaats] (Spanje) als afleverplaats/-adres genoemd en [bedrijf 10] als transporteur.

Sub s tot en met sub x:

Tot slot is in de tenlastelegging een drietal verkoopfacturen van [bedrijf 23] aan [bedrijf 9] opgenomen, te weten facturen d.d. 20 augustus 2007 (factuurnummer 4270),

d.d. 25 april 2008 (factuurnummer 4931) en d.d. 11 september 2008 (factuurnummer 5344). Ook de hierbij behorende CMR’s zijn opgenomen, te weten een CMR met nummer 483598 d.d. 25 augustus 2007, een CMR met nummer 483602 d.d. 3 mei 2008

en een CMR met nummer 483567 d.d. 20 september 2008.

Op voornoemde verkoopfacturen is het adres [adres], [woonplaats] (Italy) opgenomen als het adres van [bedrijf 9], terwijl op voornoemde CMR’s [bedrijf 9] als geadresseerde is opgenomen, [adres] [woonplaats] (Italy) als afleverplaats/-adres is genoemd en [bedrijf 12] als transporteur is opgenomen.

Valsheid in geschrifte

Zoals hiervoor is overwogen, hebben [verdachte] en zijn mededaders zich bediend van een schijnconstructie die is opgezet om misbruik te maken van het zogenaamde nultarief ten aanzien van de omzetbelasting bij intracommunautaire transacties. De daarbij bijbehorende facturen en CMR’s maken een substantieel onderdeel uit van die schijnconstructie.

In diezelfde constructie zijn door [bedrijf 2] verkoopfacturen opgemaakt en door - in ieder geval - [medeverdachte 2], al dan niet in opdracht en op aanwijzingen van [medeverdachte 1], CMR’s betreffende de verkoop van goederen aan voornoemde rechtspersonen opgemaakt, aan welke leveringen geen reële overeenkomsten tot levering van goederen ten grondslag hebben gelegen.

De CMR’s en verkoopfacturen hadden slechts tot doel om het misbruik te faciliteren. Zij zijn met dit oogmerk vervaardigd en vervolgens door [bedrijf 2] in haar bedrijfsadministratie opgenomen.

Onder die omstandigheden betreffen zowel de CMR’s van de goederen, als ook de factureringen een schijnwerkelijkheid en derhalve zijn de te dien aanzien opgestelde geschriften naar het oordeel van de rechtbank dan ook vals in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Medeplegen

Bij de uitvoering van de hiervoor omschreven schijnconstructie was gezien de hiervoor omschreven werkwijze, sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2]. De rechtbank acht dan ook het medeplegen van dit ten laste gelegde feit bewezen.

De door de verdediging met betrekking tot dit feit 1 gevoerde verweren zijn door bovengenoemde bewijsmiddelen weerlegd zodat deze geen verdere behandeling behoeven.

Ten aanzien van feit 2:

Namens [bedrijf 2] zijn in de ten laste gelegde periode aangiften omzetbelasting gedaan, waarin telkens al dan niet meerdere bedragen zijn opgegeven betreffende de code MOA +18, zijnde “omzet/waarde/vergoedingen van leveringen binnen de EG” - nulleveringen - gekoppeld aan een van de hiervoor onder 4.3.4.1 genoemde BTW-nummers van [bedrijf 5], [bedrijf 6], [bedrijf 7], [bedrijf 8] of [bedrijf 9].

Het betreft de volgende aangiften:

- De aangiften omzetbelasting over het jaar 2005, betreffende de oktober tot en met december, digitaal binnengekomen bij de Belastingdienst in de periode van

25 november 2006 tot en met 29 januari 2006.

- De aangiften omzetbelasting over het jaar 2006, betreffende de maanden januari tot en met december, digitaal binnengekomen bij de Belastingdienst in de periode van

26 februari 2006 tot en met 30 januari 2007.

- De aangiften omzetbelasting over het jaar 2007, betreffende de maanden januari, februari, mei, juni, augustus, september, oktober en december, digitaal binnengekomen bij de Belastingdienst in de periode van 27 februari 2007 tot en met 22 januari 2008.

- De aangiften omzetbelasting over het jaar 2008, betreffende de maanden januari tot en met september 2008, digitaal binnengekomen bij de Belastingdienst in de periode van 28 februari 2008 tot en met 30 januari 2009.

[verdachte], accountant, verzorgde vanaf 2003 in opdracht van [bedrijf 2] deze aangiften omzetbelasting. Iedere maand ontving [verdachte] van [medeverdachte 3] dan wel [verdachte] de administratie. [O], werknemer van [bedrijf 2], leverde [verdachte] het inkoopboek, bankboeken en spreadsheets met de verkopen en kasadministratie aan. Uit de saldibalans die per maand werd opgemaakt werd de omzet voor het binnen- en buitenland (de rechtbank begrijpt: intra communautaire leveringen) berekend. Aan de hand van deze gegevens deed [verdachte] voor [bedrijf 2] de aangifte omzetbelasting. [medeverdachte 3] en [verdachte] hebben bevestigd dat [verdachte] de belastingaangiften van [bedrijf 2] opstelde en dat zij daarvoor de stukken aanleverden.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat telkens onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan doordat daarin onjuiste bedragen aan intracommunautaire leveringen waren opgenomen. De betreffende bedragen hadden immers dienen te worden opgegeven als belaste leveringen en door dat na te laten (en derhalve een te laag bedrag aan belaste leveringen op te geven) is te weinig belasting geheven.

Het feit dat [verdachte] niet zelf zijn aangiften omzetbelasting invulde doet hieraan niet af, daar [medeverdachte 3] en [verdachte] naar het oordeel van de rechtbank zelf verantwoordelijk zijn voor de inhoud van deze aangiften en voor het ter beschikking stellen van de correcte gegevens die voor het doen van de aangiften benodigd zijn.

De rechtbank acht derhalve ook het onder 2 ten laste gelegde wettig en overtuigend bewezen, zoals hierna onder 4.4 zal worden uitgeschreven.

Aanvullende bewijsoverweging ten aanzien van het feitelijk leidinggeven van de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten

Voor de beoordeling van de vraag of [verdachte] feitelijk leiding heeft gegeven aan de aan hem als zodanig onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten, neemt de rechtbank de door de Hoge Raad benoemde criteria als uitgangspunt.

Uit die criteria volgt dat eerst een antwoord dient te worden gegeven op de vraag of [bedrijf 2] haar bedrijfsadministratie heeft vervalst door daarin valselijk opgemaakte facturen en valselijk opgemaakte CMR’s op te nemen. Naar het oordeel van de rechtbank is daarvan, gelet op bovenstaande bewijsmiddelen, sprake.

Vervolgens is de vraag aan de orde of kan worden bewezen dat [verdachte] aan deze gedragingen van [bedrijf 2], al dan niet samen met anderen, feitelijk leiding heeft gegeven. Daarvan is sprake indien:

a. hij maatregelen ter voorkoming van die gedraging achterwege heeft gelaten, hoewel hij daartoe bevoegd en redelijkerwijs gehouden was en

b. hij bewust de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat die gedraging zich zou voordoen, zodat hij die gedraging opzettelijk heeft bevorderd.

Zoals reeds aangegeven zijn zowel [verdachte] als [medeverdachte 3] directeur en alleen/zelfstandig bevoegd voor [bedrijf 2]. Als bestuurder en directeur waren zij beiden verantwoordelijk voor hun personeel, aan welk personeel zij beiden leiding gaven.

[verdachte] heeft over de onderlinge taakverdeling verklaard dat hij en [medeverdachte 3] in eerste instantie alles samen deden, maar toen zij meer omzet gingen draaien de taken hebben verdeeld. [medeverdachte 3] heeft bevestigd dat hij en [verdachte] binnen [bedrijf 2] hun eigen taken hadden. [medeverdachte 3] verklaarde dat hij samen met “[naam]” het magazijn beheerde. [verdachte] deed het kantoorwerk. [verdachte] heeft dit bevestigd en verklaarde dat zowel hij als [medeverdachte 3] deels verantwoordelijk waren voor de administratie/boekhouding. De bestellingen werden verder zowel door [medeverdachte 3] als [verdachte] opgenomen.

Uit de hiervoor genoemde bewijsmiddelen leidt de rechtbank af dat [medeverdachte 3] en [verdachte] in de praktijk samen leiding gaven aan [bedrijf 2].

Het op (laten) maken van facturen en CMR’s in weerwil van de werkelijkheid is opzettelijk gedaan. Het verweer op dit punt slaagt dan ook niet. [verdachte] en [medeverdachte 3] hebben als bestuurders van [bedrijf 2] opzettelijk valse facturen en CMR’s in de bedrijfsadministraties opgenomen op basis waarvan vervolgens onjuiste aangiften omzetbelasting zijn gedaan. Gelet op zijn positie binnen het bedrijf is het opzet van [verdachte] en [medeverdachte 3] zonder meer toe te rekenen aan [bedrijf 2] en is niet van belang of zij al dan niet daadwerkelijk zelf deze facturen dan wel CMR’s hebben opgemaakt, dan wel de aangiften omzetbelasting hebben opgemaakt en ingediend.

Naar het oordeel van de rechtbank hebben [medeverdachte 3] en [verdachte], gezien het vorenstaande, door hun handelen niet alleen nagelaten maatregelen te nemen ter voorkoming van de verboden gedragingen van de rechtspersonen, maar deze gedragingen ook bevorderd.

De rechtbank zal hen beiden dan ook veroordelen voor het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van valsheid in geschrift door [bedrijf 2], zoals onder feit 1 tenlastegelegd, alsmede het feitelijk leidinggeven aan het medeplegen van het opzettelijk onjuist doen van belastingaangiften voor de omzetbelasting door [bedrijf 2], zoals onder feit 2 ten laste is gelegd.

De door de verdediging met betrekking tot dit feit 2 gevoerde verweren zijn door bovengenoemde bewijsmiddelen weerlegd zodat deze geen verdere behandeling behoeven.

Ten aanzien van feit 3:

[verdachte] wordt onder feit 3 - zakelijk weergegeven - verweten dat hij al dan niet tezamen met anderen in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 31 oktober 2008 zich heeft schuldig gemaakt aan (gewoonte) witwassen.

De rechtbank stelt voorop dat uit het voorgaande volgt dat alle in de onder 3 in de tenlastelegging genoemde betalingen zijn gedaan op grond van schijnleveringen.

Aan de orde is dan allereerst de vraag of de gelden waarmee deze betalingen zijn gedaan, afkomstig zijn uit een voorafgaand gepleegd misdrijf, zoals artikel 420bis vereist.

Dit is het geval. Uit het hiervoor opgenomen algemene deel, waarin de door de rechtbank aangenomen vaststaande feiten zijn beschreven, komt immers een constructie naar voren, die ertoe strekte dat goederen van [bedrijf 2], op een wijze die door de fiscus niet te achterhalen is, “zwart” konden worden verkocht aan venters.

De goederen werden door [bedrijf 2] met valselijk opgemaakte facturen en CMR’s op papier doorgeleverd aan rechtspersonen binnen de EU, waarbij [bedrijf 2] - ten onrechte - het nultarief hanteerde. Hierdoor heeft [bedrijf 2] zich schuldig gemaakt aan misdrijven zoals bedoeld in de artikelen 225 van het Wetboek van Strafrecht en 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Door het vervolgens storten dan wel giraal overmaken van contant geld dan wel cheques, afkomstig van deze “zwarte” verkopen, op de bankrekeningen van voornoemde rechtspersonen [bedrijf 5], [bedrijf 7], [bedrijf 8], [bedrijf 6] en [bedrijf 9] en het met deze gelden voldoen van voornoemde valse facturen, werd door verdachten de werkelijke aard en de herkomst van de bedragen, van in totaal een bedrag van € 2.050.969,00 verhuld. Hieruit volgt tevens dat deze contante gelden reeds op het moment van het storten op de betreffende bankrekeningen, afkomstig waren van enig misdrijf, zodat de stelling van de verdediging dat er is pas sprake was van uit misdrijf verkregen gelden op het moment dat de belastingaangifte is gedaan, geen stand kan houden.

Nu uit het voorgaande volgt dat het geld ten aanzien waarvan deze handelingen werden verricht afkomstig was uit het voorafgaande misdrijven valsheid in geschrifte en belastingfraude, moeten deze handelingen worden gekwalificeerd als witwassen.

Dat de wetenschap bestond, dat deze geldbedragen afkomstig waren uit misdrijven, staat gelet op het voorgaande vast.

Gelet op de langere duur waarin volgens dit vaste concept werd gewerkt, is er tevens bewijs geleverd voor de strafverzwarende variant van gewoontewitwassen.

Uit hetgeen hiervoor onder feit 1 is overwogen met betrekking tot de nauwe en bewuste samenwerking tussen [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] bij de uitvoering van de schijnconstructie, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ook ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde sprake is van medeplegen.

Hieruit volgt dat de gevoerde verweren betreffende de wetenschap van [verdachte] over de gefingeerde leveringen alsmede de herkomst van het gestorte geld niet slagen.

Op grond het voorgaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen.

De door de verdediging met betrekking tot dit feit 3 gevoerde verweren zijn door bovengenoemde bewijsmiddelen weerlegd zodat deze geen verdere behandeling behoeven.

Ten aanzien van feit 4:

Aan [verdachte] is onder 4 ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 30 november 2008, al dan niet als oprichter, bestuurder en/of leider, deel zou hebben gemaakt van een criminele organisatie.

Volgens de huidige jurisprudentie (zie onder andere Hoge Raad 22 januari 2008, NJ 2008, 72) moet onder een criminele organisatie worden verstaan ‘een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon’. Om als deelnemer aangemerkt te worden, hoeft echter niet vast te komen staan de betreffende persoon bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Evenmin is vereist dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is.

Voorts moet vast komen te staan dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had, waaronder ook het naaste doel van de organisatie wordt gerekend. Overigens is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (zie Hoge Raad zie Hoge Raad 15 juni 2010, NJ 2010, 357). Daarnaast moet de verdachte een aandeel hebben in het samenwerkingsverband dan wel moet de verdachte de gedragingen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie ondersteunen (zie onder andere Hoge Raad 3 juli 2012, LJN: BW5161. Tot slot moet bewezen kunnen worden dat de verdachte opzet had op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat de verdachte enige opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] deel hebben genomen aan een organisatie die tot oogmerk het plegen van valsheid in geschrifte, BTW-fraude en witwassen heeft. Zij hebben een gestructureerd samenwerkingsverband gevormd en hebben ieder een aandeel gehad in dan wel ondersteunende gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

[verdachte] en [medeverdachte 3] hebben gedurende ruim drie jaar voorgewend dat er goederen werden geleverd door hun onderneming [bedrijf 2] aan de rechtspersonen van medeverdachten [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en getuige [getuige 6] in België, Spanje dan wel Italië. In werkelijkheid werden de goederen niet aan deze rechtspersonen geleverd, maar “zwart” aan onbekend gebleven derden, particulieren. Door echter voor te wenden dat de goederen aan de buitenlandse ondernemingen van de medeverdachten werden geleverd, kon [bedrijf 2] gebruik maken van het nultarief bij intra communautaire leveringen.

Om vervolgens de facturen gericht aan de ondernemingen van [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [getuige 6] te dekken, werden grote contante geldbedragen - afkomstig van valsheid in geschrifte en belastingfraude- op de bankrekeningen van deze firma’s gestort. Hiermee werden vervolgens de facturen van [bedrijf 2] voldaan en werd de toepassing van het nultarief ‘gerechtvaardigd’.

Zowel [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] zorgden er voor dat de contante bedragen, afkomstig van voornoemde “zwarte handel” al dan niet rechtstreeks werden gestort op de rekeningen van voornoemde ondernemingen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie. Het door de verdediging op dit punt gevoerde bewijsverweer is met vorenstaande overwegingen weerlegd zodat dit geen verdere behandeling behoeft.

De rechtbank heeft er geen aanknopingspunten voor gevonden dat [verdachte] oprichter, bestuurder dan wel leider van deze organisatie is geweest. De rechtbank zal hem daarom hiervan partieel vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat:

1.

[bedrijf 2] ook handelend onder de naam [bedrijf 23] in de periode van 1 oktober 2005 tot en met 14 oktober 2008 in Nederland,

tezamen en in vereniging met anderen, een bedrijfsadministratie, zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen opzettelijk valselijk heeft opgemaakt, hebbende [bedrijf 2] toen daar opzettelijk in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] zijnde een samenstel van geschriften bestemd tot bewijs van het daarin vermelde te dienen valse CMR's en verkoopfacturen, te weten (onder meer)

a) een verkoopfactuur (van [bedrijf 23]) aan [bedrijf 5] d.d.

05-04-2006 factuurnummer 2842

b) een CMR met nummer 478861 d.d. 12-04-2006

c) een verkoopfactuur ([bedrijf 23]) aan [bedrijf 5] d.d. 25-04-2006,

factuurnummer 2902

d) een CMR met nummer 483527 d.d. 08-05-2006

e) een verkoopfactuur (van [bedrijf 23]) aan [bedrijf 6] d.d.

17-03-2006, factuurnummer 2776

f) een CMR met nummer 483502 d.d. 24-03-2006

g) een verkoopfactuur (van [bedrijf 23]) aan [bedrijf 6] d.d.

07-04-2006, factuurnummer 2847

h) een CMR met nummer 478962 d.d. 01-05-2006

i) een verkoopfactuur (van [bedrijf 23]) aan [bedrijf 8] d.d.

17/11-07-2006, factuurnummer 3211

j) een CMR met nummer 502397 d.d. 27-07-2006

k) een verkoopfactuur (van [bedrijf 23]) aan [bedrijf 7] d.d.

07-05-2007, factuurnummer 3965

l) een CMR met nummer 483614 d.d. 15-05-2007

m) een verkoopfactuur (van [bedrijf 23]) aan [bedrijf 7] d.d.

16-05-2007, factuurnummer 3985

n) een CMR met nummer 483642 d.d. 25-05-2007

o) een verkoopfactuur (van [bedrijf 23]) aan [bedrijf 7] d.d.

29-03-2007, factuurnummer 3878

p) een CMR met nummer 483591 d.d. 06-04-2007

q) een verkoopfactuur (van [bedrijf 23]) aan [bedrijf 7] d.d.

04-09-2006, factuurnummer 3381

r) een CMR met nummer 478871 d.d. 27-09-2007

s) een verkoopfactuur (van [bedrijf 23]) aan [bedrijf 9] d.d.

20-08-2007, factuurnummer 4270

t) een CMR met nummer 483598 d.d. 25-08-2007

u) een verkoopfactuur (van [bedrijf 23]) aan [bedrijf 9] d.d.

25-04-2008, factuurnummer 4931

v) een CMR met nummer 483602 d.d. 03-05-2008

w) een verkoopfactuur (van [bedrijf 23]) aan [bedrijf 9] d.d.

11-9-2008, factuurnummer 5344

x) een CMR met nummer 483567 d.d. 20-9-2008

opgenomen en/of doen opnemen, bestaande die valsheid telkens hierin dat - zakelijk weergegeven - telkens valselijk en in strijd met de waarheid

op die voornoemde CMR's

(a-d)

-[bedrijf 5] als geadresseerde is opgenomen en/of

-[adres], [woonplaats] (België) als afleverplaats is opgenomen en/of

-[bedrijf 10] als transporteur is opgenomen

(e-h)

-[bedrijf 6] als geadresseerde is opgenomen en/of

-Het adres [adres], Local 26, [woonplaats], Alicante (Spanje) als afleverplaats/-adres is opgenomen en/of

-[bedrijf 10] als transporteur is opgenomen

(i-j)

-[bedrijf 8] als geadresseerde is opgenomen en/of

-[adres], [woonplaats] (te Spanje) als afleverplaats is opgenomen

(terwijl een straatnaam en huisnummer ontbreken) en/of

-Het adres CVTA, [adres], [woonplaats], Spanje is opgenomen als adres van [bedrijf 8] en/of

-[bedrijf 10] als transporteur is opgenomen

(k-r)

- [bedrijf 7] als geadresseerde is opgenomen en/of

- [adres], [woonplaats] (Spanje) en/of CRTA Alicante, [adres], [woonplaats] (Spanje) als afleverplaats/-adres is opgenomen en/of

- [bedrijf 11] en/of [medeverdachte 2] en/of [bedrijf 10] als transporteur(s) is/zijn opgenomen en/of

-vervoermiddel met kenteken [kenteken] als transportvoertuig is vermeld en/of

(s-x)

- [bedrijf 9] als geadresseerde is opgenomen en/of

- [adres], [woonplaats] (Italy) als afleverplaats/-adres is opgenomen en/of

- [bedrijf 12] als transporteur is opgenomen

en/of verkoopfactu(u)r(en)

(a-d)

-Het adres [adres], [woonplaats] (België) is opgenomen als adres van [bedrijf 5] en/of

-wordt voorgewend dat [bedrijf 5] de daarop genoemde goederen heeft besteld en/of gekocht

(e-h)

-wordt voorgewend dat [bedrijf 6] de daarop genoemde goederen heeft besteld en/of gekocht

(i-j)

-wordt voorgewend dat [bedrijf 8] de daarop genoemde goederen heeft besteld en/of gekocht

(k-r)

-Het adres [adres], [woonplaats] (Spanje) is opgenomen als adres van [bedrijf 7] en/of

-wordt voorgewend dat [bedrijf 7] de daarop genoemde goederen

heeft besteld en/of gekocht

(s-x)

- Het adres [adres], [woonplaats] (Italy) is opgenomen als het adres van [bedrijf 9] en/of

- wordt voorgewend dat [bedrijf 9] de daarop genoemde goederen heeft besteld en/of gekocht

zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken en door (een) ander(en) te doen gebruiken terwijl dat feit telkens ertoe strekte dat te weinig belasting werd gegeven,

tot het plegen van welke bovengenoemde strafbare feit verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovengenoemde gedraging verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

2.

[bedrijf 2] ook handelend onder de naam [bedrijf 23] in of omstreeks de periode van 01 november 2005 tot en met 30 november 2008 in Nederland, telkens opzettelijk bij de Belastingwet voorziene aangiften, als bedoeld in de Algemene wet inzake rijksbelastingen, te weten (verbeterde) aangiften omzetbelasting door en/of namens [bedrijf 2]

[bedrijf 2] over de maanden

-oktober en november en december van het jaar 2005 en

-januari en februari en maart en april en mei en juni en juli en augustus en september en oktober en november en december van het jaar 2006 en

-januari en februari en mei en juni en augustus en september en oktober en december van het jaar 2007 en

-januari en februari en maart en april en mei en juni en juli en augustus en september van het jaar 2008

telkens onjuist en onvolledig heeft gedaan, immers heeft [bedrijf 2] telkens opzettelijk op die bij de Belastingdienst in Nederland ingeleverde/gezonden (elektronische) aangiften omzetbelasting over genoemde tijdvakken

- te lage bedragen aan belaste leveringen

opgegeven en/of vermeld en/of door een ander doen opgeven en/of doen vermelden,

terwijl die feiten telkens ertoe strekten dat te weinig belasting werd geheven, tot het plegen van welke bovengenoemde strafbare feiten verdachte opdracht heeft gegeven, dan wel aan welke bovengenoemde gedragingen verdachte feitelijke leiding heeft gegeven.

3.

hij in de periode van 01 oktober 2005 tot en met 31 oktober 2008, in Nederland en Spanje en België en Italië, tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte, van meerdere geldbedragen

(van in totaal ongeveer 2.050.969 euro, te weten:

ongeveer 177.013 euro, [bedrijf 5], en

ongeveer 139.334 euro, [bedrijf 6] en

ongeveer 29.871 euro, [bedrijf 8] en

ongeveer 960.478 euro, [bedrijf 7] en

ongeveer 744.273 euro, [bedrijf 9] )

de werkelijke aard en de herkomst verhuld door telkens geldbedragen contant en/of giraal en/of middels cheques op rekeningen van [bedrijf 5] en [bedrijf 6] en [bedrijf 8] en [bedrijf 7] en [bedrijf 9] te (laten) storten en/of over te (laten) maken, rechtstreeks dan wel via bankrekeningen (onder meer) op naam van en/of beheerd door [medeverdachte 1] en/of [medeverdachte 2] en/of [medeverdachte 4] en/of [bedrijf 21] en/of [bedrijf 22] en vervolgens verkoopfacturen van [bedrijf 2] gericht aan [bedrijf 5] en/of [bedrijf 6] en/of [bedrijf 8] en/of [bedrijf 7] en/of [bedrijf 9] met dit geld te (laten) betalen,

en/of

- geldbedragen van in totaal ongeveer 2.050.969 euro voorhanden gehad en/of overgedragen

terwijl hij en zijn mededaders wisten dat voornoemde geldbedragen afkomstig waren uit

enig misdrijf, te weten valsheid in geschrifte en/of belastingfraude.

4.

hij in de periode van 01 oktober 2005 tot en 30 november 2008 in Nederland en Spanje en België en Italië en Engeland, heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband tussen (onder andere) verdachte en [medeverdachte 3] en W. van der Pol en [medeverdachte 2] en [bedrijf 2] (ook handelend onder de naam [bedrijf 23]),

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven, te weten:

-artikel 225 lid 1 en/of lid 2 Wetboek van strafrecht en

-artikel 69 lid 2 Algemene wet inzake rijksbelastingen en

-artikel 420bis jo artikel 420ter Wetboek van strafrecht.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Feit 1: Medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Feit 2: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Feit 3: Medeplegen van gewoontewitwassen.

Feit 4: Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 15 maanden, alsmede een geldboete van € 25.000,00, subsidiair 160 dagen vervangende hechtenis.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman integraal vrijspraak bepleit. Subsidiair, ten aanzien van een eventuele strafoplegging, heeft de raadsman de rechtbank verzocht er bij het bepalen van de strafmaat rekening mee te houden dat de Nederlandse Staat niet is benadeeld. Door onderhavige strafzaak is verdachte zijn bedrijf kwijtgeraakt. Binnen de familiesfeer zijn grote spanningen ontstaan. Verdachte is een first offender.

Er dient rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn. Eind 2008 heeft de eerste doorzoeking plaatsgevonden. Pas vier jaar later is de zaak inhoudelijk behandeld. Deze lange duur kan niet aan de verdediging worden toegerekend.

Voorts heeft de raadsman erop gewezen dat er geen meerwaarde van het tenlasteleggen van een criminele organisatie, naast het tenlasteleggen van valsheid in geschrifte en witwassen. Ter onderbouwing van dit standpunt zij verwezen naar een uitspraak van de Rechtbank Utrecht d.d. 23 mei 2011, LJN: BQ5617. In deze uitspraak is door de rechtbank overwogen dat de deelname aan een criminele organisatie in wezen besloten lag in het witwassen. Omdat deze feiten in wezen in elkaar besloten liggen, ondanks het feit dat beide feiten afzonderlijk door de officier van justitie ten laste zijn gelegd, was de rechtbank van oordeel dat dit niet strafverhogend diende te werken. De raadsman heeft de rechtbank derhalve verzocht een straf op te leggen die zou zijn opgelegd als verdachte enkel was vervolgd voor het organiseren en uitvoeren van de frauduleuze handelingen.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Gelet op het samenstel van feiten dat bewezen is verklaard, zal de rechtbank niet per feit beoordelen welke straf hiervoor passend is, maar volstaan met het opleggen van één straf alle feiten omvattend.

[verdachte] heeft in georganiseerd verband gebruik gemaakt van een schijnconstructie om door middel van valse documenten afdracht van BTW te ontlopen en gelden wit te wassen. Deze schijnconstructie bestond uit diverse bedrijven gevestigd in België, Spanje dan wel Italië, waaraan [bedrijf 2] –op papier– goederen leverde. [verdachte] wist echter dat deze bedrijven in werkelijkheid geen goederen van zijn onderneming afnamen. De goederen werden in werkelijkheid (voor een groot deel) aan onbekend gebleven derden geleverd. Hierdoor ontstond een belastingvoordeel. Om het te doen lijken alsof de goederen wel door de bedrijven in België, Spanje en Italië werden afgenomen, werden er facturen op naam van deze bedrijven gemaakt. Deze facturen werden vervolgens voldaan, maar niet voordat eerst een geldtransport naar België, Spanje respectievelijk Italië dan wel een storting van contante gelden in Nederland en overboeking naar de bankrekening van de betreffende ondernemingen had plaatsgevonden.

In zijn functie als directeur van [bedrijf 2] heeft [verdachte] zich meerdere malen en gedurende een lange periode schuldig gemaakt het bovenstaande. [verdachte] heeft met zijn handelen de fiscus en daarmee ook de Staat der Nederlanden en de samenleving voor een aanzienlijk geldbedrag (door de rechtbank begroot op € 327.465,64, zijnde 19/119 x € 2.050.969,-) benadeeld. Kennelijk uitsluitend met het doel zijn eigen persoonlijk gewin. Om dit te bewerkstelligen heeft [verdachte] anderen ertoe aangezet valse facturen en CMR’s op te maken, zodat deze in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 2] opgenomen konden worden. Door op een dergelijke wijze te handelen, heeft [verdachte] derden meegetrokken in zijn frauduleuze handelwijze. De rechtbank neemt het verdachte zeer kwalijk dat hij in zijn functie, die een vergaande verantwoordelijkheid met zich brengt ten aanzien van het reilen en zeilen binnen [bedrijf 2], op een dergelijke wijze heeft gehandeld.

Door het handelen van [verdachte] is het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in bepaalde geschriften, waaronder facturen, en het vertrouwen in de aangifte door de belastingplichtige ernstig geschaad. De gedragingen hebben rechtstreeks schade toegebracht aan de samenleving. Het feit dat [verdachte] hiermee strafbare feiten pleegde, heeft hem daarvan niet weerhouden.

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte rekening gehouden met het hem betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 september 2012, waaruit blijkt dat [verdachte] niet eerder voor een soortgelijk feit door de strafrechter is veroordeeld.

De verdediging heeft aangevoerd dat bij het bepalen van de strafmaat in matigende zin rekening gehouden dient te worden met de omstandigheid dat pas vier jaar na de eerste doorzoeking een inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvindt. Er is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) inhoudt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van een verdachte en zijn raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank ziet in de concrete omstandigheden van deze zaak aanleiding te bepalen dat de termijn een aanvang heeft genomen op het moment dat de doorzoekingen hebben plaatsgevonden, te weten 14 oktober 2008. Gelet op het voorgaande kan worden vastgesteld dat op het moment dat in eerste aanleg vonnis wordt gewezen, de vervolging van verdachte meer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De rechtbank acht deze duur onredelijk.

Zij neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat alhoewel de omvang van het door de FIOD-ECD verrichte onderzoek groot is, pas op 17 januari 2011 – ruim twee jaar na de doorzoekingen- het eindproces-verbaal gereed is gekomen. Hierna heeft op 7 juni 2011 een regiezitting plaatsgevonden, waarbij diverse verzoeken door de verdediging in de zaak van verdachte [verdachte] en in zaken van medeverdachten zijn ingediend en – deels – zijn toegewezen.

In een aan de strafzaak tegen onder andere [medeverdachte 5] verwant strafrechtelijk onderzoek ([medeverdachte 5]) hebben in 2012 twee regiezittingen plaatsgevonden, waarbij door de verdediging in deze betreffende zaken ook verzoeken zijn ingediend en - deels – zijn toegewezen. Omdat een aantal van deze onderzoekswensen, waaronder het horen van getuigen, ook betrekking had op de strafzaak van verdachte, heeft de rechtbank bepaald dat de verdediging van verdachte aanwezig kon zijn bij de betreffende getuigenverhoren. Andere stukken uit voornoemd onderzoek zijn gevoegd in het dossier van verdachte.

Voortvarend optreden van de zijde van de rechter-commissaris heeft er uiteindelijk toe geleid dat in oktober van dit jaar kon worden aangevangen met de inhoudelijke behandeling van zowel de zaken in het onderzoek [medeverdachte 5] als de strafzaak tegen verdachte.

Desalniettemin zijn ruim vier jaar verstreken na voornoemde doorzoekingen en de start van de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak. Dit kan niet aan de verdediging worden toegerekend. De rechtbank zal hiermee in strafmatigende zin rekening houden.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het gevoerde verweer dat enkele vragen van de verdediging omtrent de voorfase en/of de samenstelling van het dossier onbeantwoord zijn gebleven. Ook hiermee zal in het voordeel van verdachte rekening worden gehouden bij het bepalen van de op te leggen straf.

De stelling van de verdediging dat bij een bewezenverklaring van de eerste drie feiten, bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie in wezen ligt besloten kan de rechtbank niet onderschrijven. De feiten waarvoor verdachte in onderhavige zaak wordt veroordeeld zijn, anders dan in de zaak waar de verdediging op heeft gewezen, alle materieel verschillend van elkaar in die zin dat (het lidmaatschap van) de criminele organisatie meer omvat dan de optelsom van de overige ten laste gelegde feiten. De ten laste gelegde feiten hebben ook ieder een ander te beschermen rechtsbelang. Gelet hierop is het lidmaatschap van de criminele organisatie wel van invloed op de strafmaat.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 maanden noodzakelijk is. Gelet evenwel op de overschrijding van de redelijke termijn, alsmede het feit dat vragen van de verdediging ontbeantwoord zijn gebleven, zal de rechtbank in plaats van een gevangenisstraf van 14 maanden, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden aan verdachte opleggen.

Voor het opleggen van een geldboete naast de onvoorwaardelijke gevangenisstraf ziet de rechtbank, mede gelet op de door de officier van justitie aangekondigde ontnemingsvordering, geen aanleiding.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 51, 140, 225, 420ter van het Wetboek van Strafrecht, alsmede artikel 69 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Medeplegen van valsheid in geschrift, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging.

Feit 2: Opzettelijk een bij de belastingwet voorziene aangifte onjuist doen, terwijl het feit ertoe strekt dat te weinig belasting wordt geheven, begaan door een rechtspersoon, terwijl hij feitelijke leiding heeft gegeven aan de verboden gedraging, meermalen gepleegd.

Feit 3: Medeplegen van gewoontewitwassen.

Feit 4: Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 12 (twaalf) maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en

mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. L.P. Stapel en D.A. Groenevelt-Timmer, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 december 2012.