Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6268

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
23/003030-06
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde gesteld aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling, namelijk dat hij geen strafbaar feit mag plegen. Gelet hierop zal de rechtbank de vordering toewijzen. De rechtbank zal echter de vordering voor een kortere periode toewijzen dan door de officier van justitie is gevorderd nu de rechtbank van oordeel is dat de vordering niet onverwijld is ingediend. De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde hierdoor, zij het in beperkte mate, in zijn belangen is geschaad, en ziet daarin aanleiding de vordering slechts gedeeltelijk toe te wijzen voor een periode van vier weken, te weten 28 dagen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

Parketnummer: 23/003030-06

VI zaaknummer: 99-000091-20

beslissing van de rechtbank d.d. 13 december 2012 op de vordering van de officier van justitie tot het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling

in de zaak tegen

[verdachte],

geboren op [1982] te [geboorteplaats],

gedetineerd in PI Utrecht, Huis van Bewaring locatie Nieuwegein.

1 De procedure

Bij onherroepelijk geworden arrest van de meervoudige strafkamer van het Gerechtshof te Amsterdam van 29 juli 2010 is veroordeelde veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 16 maanden.

Bij beslissing d.d. 15 juli 2011 is de datum voor voorwaardelijke invrijheidstelling over een periode van 77 dagen vastgesteld op 17 september 2011 met een proeftijd van één jaar, met daaraan onder meer verbonden de algemene voorwaarde, zijnde het niet plegen van een strafbaar feit.

Op 20 februari 2012 is veroordeelde aangehouden voor een strafbaar feit. De dagvaarding met parketnummer 16/700321-12, waarin dit feit aan hem ten laste is gelegd, is aan veroordeelde betekend op 14 mei 2012.

Hij is hiervoor onherroepelijk veroordeeld bij vonnis van deze rechtbank d.d. 26 oktober 2012 tot een gevangenisstraf voor de duur van 30 maanden met aftrek van het voorarrest. In het kader van deze strafzaak zit veroordeelde thans gedetineerd.

De officier van justitie heeft een vordering ingediend tot het herroepen van de voorwaardelijke invrijheidstelling, zoals bedoeld in artikel 15i van het Wetboek van Strafrecht op de grond dat veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de aan de voorwaardelijke invrijheidstelling verbonden algemene voorwaarden. Deze vordering is op 10 oktober 2012 door de griffie van de rechtbank ontvangen.

De vordering is behandeld op de terechtzitting van 29 november 2012. Tijdens deze terechtzitting zijn gehoord de officier van justitie en de raadsman van veroordeelde,

mr. O.O. van der Lee, advocaat te Amsterdam.

2 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie blijft bij zijn vordering. Hij is van mening dat de wet en wetsgeschiedenis duidelijk zijn en dat die op de onderhavige casus van toepassing zijn. Ten slotte is hij van mening dat de ratio van artikel 15i Wetboek van Strafrecht is dat de maatschappij moet worden beschermd tegen een veroordeelde die zich niet aan de voorwaarden van de voorwaardelijke invrijheidstelling houdt. Nu veroordeelde in dit geval al vast zat voor een nieuw strafbaar feit valt het belang weg om onverwijld een vordering in te dienen. De maatschappij is door de voorlopige hechtenis van veroordeelde voor een nieuw feit immers al beschermd. Omdat veroordeelde al vast zit uit andere hoofde wordt zijn belang evenmin geschaad.

3 Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat de officier van justitie niet kan worden ontvangen in zijn vordering. Hij heeft hiertoe vier gronden aangevoerd.

1. Allereerst heeft de raadsman -kort gezegd- aangevoerd dat op de vordering van de officier van justitie de oude regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling van toepassing is. De pleegdatum van het feit waarvoor veroordeelde bij arrest d.d. 29 juli 2010 van het Hof Amsterdam is veroordeeld, dateert immers van vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling. De overgangsbepaling biedt volgens de raadsman ruimte voor deze uitleg. Gelet hierop moet ingevolge het bepaalde in artikel 1, tweede lid, Wetboek van Strafrecht worden toegepast en geldt de voor veroordeelde meest gunstige regeling.

2. In het verlengde van het voorgaande heeft de raadsman aangevoerd dat toepassing van de nieuwe regeling in strijd is met het bepaalde in de artikelen 7 en 5 van het Europees Verdrag tot bescherming van de Rechten van de Mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Op het moment van het plegen van het strafbaar feit waarvoor verdachte bij arrest d.d. 29 juli 2010 van het Hof Amsterdam is veroordeeld, was de nieuwe regeling met betrekking tot de voorwaardelijke invrijheidstelling voor veroordeelde niet voorzienbaar. Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) heeft in meerdere zaken geoordeeld dat in een dergelijk geval de oude regeling moet worden toegepast.

3. Voorts heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat sprake is van een schending van het bepaalde in artikel 15i Wetboek van Strafrecht, omdat de officier van justitie niet onverwijld de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling heeft ingediend. Niet duidelijk is welk moment hiertoe als uitgangspunt moet worden genomen, maar volgens de raadsman moet de vordering in ieder geval worden ingediend op de dag van het uitbrengen van de dagvaarding. In dit geval is de vordering gedateerd op 10 oktober 2012, dus 5 maanden na de betekening van de dagvaarding

4. Ten slotte heeft de raadsman aangevoerd dat voor de rechter een discretionaire bevoegdheid bestaat bij de beoordeling van de vordering. Dat wil zeggen dat zij in geval van overtreding van de voorwaarden tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling kan overgaan, maar dat zij op grond van de specifieke omstandigheden van het geval ook anders kan oordelen. In de onderhavige zaak kan de rechtbank bijvoorbeeld rekening houden met het tijdsverloop, alsmede met het feit dat veroordeelde in de media veel negatieve aandacht heeft gekregen in verband met onderhavige zaak. Daarbij is regelmatig een goedgelijkende foto van hem geplaatst. Dit heeft veel consequenties voor hem. Onder meer heeft dit zijn positie binnen de gevangenis bemoeilijkt. Als de rechtbank de officier niet niet-ontvankelijk verklaart zou de rechtbank de vordering op grond van vorenstaande kunnen afwijzen dan wel de periode die wordt herroepen matigen.

4 De beoordeling

De ontvankelijkheid van het Openbaar Ministerie

1, 2. De nieuwe regeling van de vervroegde invrijheidstelling is per 1 juli 2008 in werking getreden. Het overgangsrecht bepaalt dat de nieuwe VI-regeling geen gevolgen heeft voor veroordeelden tot een vrijheidsstraf die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe wet is uitgesproken. A contrario kan er dus van worden uitgegaan dat op veroordelingen die na de inwerkingtreding van de nieuwe regeling zijn uitgesproken, de nieuwe regeling van toepassing is. Ook is de nieuwe regeling van toepassing op veroordeelden die vóór de inwerkingtreding van de nieuwe regeling tot een vrijheidsstraf zijn veroordeeld, maar waarvan de tenuitvoerlegging van die straf vijf jaar na de inwerkingtreding van de nieuwe regeling nog steeds gaande is. Niet het moment van het gepleegde strafbare feit is dus bepalend voor de toe te passen wettelijke regeling, maar het moment en de duur van de veroordeling. De rechtbank is van oordeel dat geen ruimte is voor een andere uitleg van het overgangsrecht. Tevens is zij van oordeel dat met dit overgangsrecht voldoende wordt tegemoetgekomen aan de vereisten die in het bepaalde in artikel 7 EVRM worden gesteld.

Het moment van de veroordeling in de onderhavige zaak is ruimschoots na de inwerkingtreding van de nieuwe VI-regeling gelegen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat de eerste twee door de raadsman aangevoerde gronden niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie kunnen leiden.

3. Op grond van het bepaalde in artikel 15i, tweede lid, Wetboek van Strafrecht, moet het openbaar ministerie, indien het van oordeel is dat de veroordeelde een voorwaarde niet heeft nageleefd en herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling geboden is, onverwijld een daartoe strekkende schriftelijke vordering indienen bij de rechtbank. De rechtbank overweegt dat de ratio van het bepaalde in de leden 2 en 5 van artikel 15i van het Wetboek van Strafrecht mede is dat de veroordeelde, nadat de officier van justitie daadwerkelijk van oordeel is dat de voorwaardelijke invrijheidstelling moet worden herroepen, daaromtrent zo spoedig mogelijk uitsluitsel krijgt.

Veroordeelde is op 20 februari 2012 aangehouden voor het strafbare feit in de zaak met parketnummer 16/700321-12. Aan hem is op 14 mei 2012 een dagvaarding uitgereikt, er hebben daarna twee pro forma behandelingen plaatsgehad en op 12 oktober 2012 heeft de inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsgevonden. De vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is kort voor de inhoudelijke behandeling bij de rechtbank binnen gekomen, te weten op 10 oktober 2012. Tussen het moment van dagvaarding en de vordering herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling is een periode van 5 maanden gelegen. Niet met zekerheid kan worden vastgesteld op welk moment de officier van justitie daadwerkelijk tot het oordeel is gekomen dat de voorwaardelijke invrijheidstelling moet worden herroepen, maar gelet op de grond van de vordering, te weten het plegen van een nieuw strafbaar feit, ligt het in de rede dat dit moment gelijk is aan het moment van het uitbrengen van de dagvaarding ten aanzien van dat nieuwe feit. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de vordering in deze zaak niet onverwijld is ingediend door het openbaar ministerie. Echter, dat leidt in de gegeven omstandigheden nog niet tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank overweegt daartoe dat niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde zodanig in zijn belangen is geschaad door het eventuele tijdsverloop tussen het moment van de beslissing tot vervolging voor het nieuwe strafbare feit en het moment van indiening van de vordering herroeping voorwaardelijke invrijheidstelling, dat dit moet leiden tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie. De rechtbank komt te meer tot dit oordeel, nu de vordering wordt behandeld door de rechtbank die ook oordeelt over het feit dat is begaan voor het einde van de proeftijd van de voorwaardelijke invrijheidsstelling. Gelet op de onschuldpresumptie, kan de beslissing door deze rechtbank op de vordering niet eerder worden genomen dan dat zij een oordeel heeft gevormd over het nieuw gepleegde strafbare feit. Aangezien veroordeelde tot die tijd sowieso in onzekerheid verkeert over de beslissing op de vordering tot herroeping van de voorwaardelijke invrijheidstelling, is de mate waardoor veroordeelde door een late vordering van de officier van justitie in zijn belangen wordt geschaad, beperkt. Voor zover sprake is van een te late indiening van de vordering door de officier van justitie, ziet de rechtbank hierin in ieder geval geen aanleiding om tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te beslissen.

4. De rechtbank ziet ambtshalve evenmin een reden om tot niet-ontvankelijkheid van het openbaar ministerie te beslissen.

De beoordeling van de vordering

De rechtbank stelt vast dat de veroordeelde zich niet heeft gehouden aan de algemene voorwaarde gesteld aan zijn voorwaardelijke invrijheidstelling, namelijk dat hij geen strafbaar feit mag plegen. Gelet hierop zal de rechtbank de vordering toewijzen. De rechtbank zal echter de vordering voor een kortere periode toewijzen dan door de officier van justitie is gevorderd nu de rechtbank van oordeel is dat de vordering niet onverwijld is ingediend. De rechtbank acht aannemelijk dat veroordeelde hierdoor, zij het in beperkte mate, in zijn belangen is geschaad, en ziet daarin aanleiding de vordering slechts gedeeltelijk toe te wijzen voor een periode van vier weken, te weten 28 dagen.

De rechtbank heeft gelet op de artikelen 15, 15a, 15g, 15i en 15j van het Wetboek van Strafrecht.

5 De beslissing.

De rechtbank wijst de vordering van de officier van justitie toe voor een periode van

28 dagen.

Deze beslissing is gegeven door mr. P.W.G. de Beer, voorzitter en A. van Maanen en P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts als griffier en uitgesproken ter openbare terechtzitting van 13 december 2012.