Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6168

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
24-10-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
16/656129-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

poging zware mishandeling vriendin.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/656129-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 24 oktober 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1985] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats]

raadsman mr. J.P.W. Nijboer, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 10 oktober 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte (primair) heeft geprobeerd zijn vriendin [slachtoffer] van het leven te beroven dan wel zwaar lichamelijk letsel toe te brengen dan wel (subsidiair) haar heeft mishandeld.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht het primair ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen in die zin dat verdachte heeft geprobeerd [slachtoffer] van het leven te beroven en zij baseert zich daartoe op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen voor het primair ten laste gelegde en heeft hiertoe vrijspraak bepleit. De subsidiair ten laste gelegde mishandeling acht de verdediging bewijsbaar.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Primair

Uit de bewijsmiddelen blijkt niet dat verdachte opzet had om [slachtoffer] van het leven te beroven. Uit het dossier blijkt niet hoe lang verdachte zijn knie op de keel van [slachtoffer] heeft gehouden. Niet is komen vast te staan in hoeverre deze geweldshandeling van verdachte levensbedreigend voor [slachtoffer] had kunnen zijn. Verdachte zal hiervan dan ook worden vrijgesproken.

De rechtbank acht op grond van het navolgende wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte heeft geprobeerd om [slachtoffer] zwaar te mishandelen.

Bewijs

Bewijsmiddelen

[slachtoffer] heeft verklaard dat verdachte op 5 augustus 2012 in Amersfoort haar vastpakte waardoor zij op het bed viel. [slachtoffer] voelde dat verdachte zijn knie op haar keel/strot zette. Zij voelde dat zij geen adem meer kreeg en voelde dat verdachte steeds harder duwde. [slachtoffer] viel bijna flauw en kon verdachte minder scherp zien.

Vervolgens pakte verdachte [slachtoffer] bij haar schouders beet en stootte hij met een van zijn knieën met veel kracht tegen haar plexus. [slachtoffer] viel door de klap op de grond en voelde dat zij geen lucht meer kreeg. Zij had veel pijn en moest hard huilen. [slachtoffer] is naar het ziekenhuis gegaan alwaar haar is verteld dat zij kneuzingen onder haar ribben heeft opgelopen.

Verdachte heeft verklaard dat hij met [slachtoffer] heeft geworsteld op bed en dat hij op de borst van [slachtoffer] zat.

Verdachte heeft voorts verklaard dat hij zijn knie omhooggetrokken heeft die tegen het lijf van [slachtoffer] is aangekomen. Hij merkte dat [slachtoffer] pijn had en dat zij naar buiten schreeuwde om hulp.

De moeder van [slachtoffer], [betrokkene 1], heeft verklaard dat zij [slachtoffer] aan de telefoon heel hard hoorde huilen en dat zij haar hoorde zeggen dat zij een trap had gehad van verdachte. [betrokkene 1] is naar [slachtoffer] gereden en trof [slachtoffer] voorovergebogen op de bank aan. [slachtoffer] kreeg bijna geen lucht. [slachtoffer] vertelde dat verdachte ook met zijn knie op haar nek was gaan zitten.

Bewijsoverweging

De rechtbank gaat uit van de juistheid van de verklaring van [slachtoffer]. Zij heeft geen aanwijzingen om aan de juistheid hiervan te twijfelen. De verklaring van [slachtoffer] wordt (deels) ondersteund door de verklaring van verdachte zelf en die van de moeder van [slachtoffer] over de toestand waarin zij haar dochter die middag aantrof.

Naar het oordeel van de rechtbank is komen vast te staan dat verdachte zijn knie met kracht op de keel van [slachtoffer] heeft gehouden en haar kort daarna met veel kracht een knietje heeft gegeven in haar buik. Door zo te handelen heeft verdachte bewust de aanmerkelijke kans aanvaard dat [slachtoffer] als gevolg daarvan ernstig letsel zou kunnen oplopen. De rechtbank is dan ook van oordeel dat er sprake is van voorwaardelijk opzet op het toebrengen van zwaar lichamelijk letsel en acht dit wettig en overtuigend bewezen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Primair

op 05 augustus 2012 te Amersfoort, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen

misdrijf om opzettelijk [slachtoffer] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen, met dat opzet

- toen die [slachtoffer] op bed lag op haar is gaan zitten en

- zijn, verdachtes, knie op de keel/strot van die [slachtoffer] heeft geduwd gehouden tengevolge waarvan die [slachtoffer] geen lucht/adem heeft kunnen krijgen en

- vervolgens die [slachtoffer] bij de schouders heeft vastgepakt en die [slachtoffer] met kracht een 'knietje' in haar plexus/buik heeft gegeven, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid van het feit

5.1. Het standpunt van de verdediging

De raadsman heeft aangevoerd dat verdachte een beroep toekomt op noodweer en dient te worden ontslagen van alle rechtsvervolging.

5.2. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie stelt zich op het standpunt dat er geen sprake is geweest van een noodweersituatie.

5.3. Het oordeel van de rechtbank

Naar het oordeel van de rechtbank is niet komen vast te staan dat sprake is geweest van een ogenblikkelijke, wederrechtelijke aanranding van verdachte door aangeefster [slachtoffer], zodat het beroep op noodweer alleen al om die reden niet slaagt.

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op.

Poging tot zware mishandeling

5.4. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 4 (vier) maanden voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht met een proeftijd van 2 jaren.

Als bijzondere voorwaarden heeft de officier van justitie reclasseringstoezicht gevorderd met een meldingsgebod en een behandelverplichting. Ook heeft zij een werkstraf gevorderd van 80 uur subsidiair 40 dagen hechtenis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft een strafmaatverweer gevoerd.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Wat betreft de feiten en de omstandigheden waaronder deze zijn begaan heeft de rechtbank het volgende in aanmerking genomen.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een poging tot zware mishandeling van zijn

vriendin. Zijn vriendin heeft hierdoor veel pijn en ongemak gehad. Verdachte heeft hiermee inbreuk gemaakt op haar lichamelijke integriteit en bij haar gevoelens van angst en onveiligheid veroorzaakt. Verdachte beheerst de sport kickboxen en heeft een van de vaardigheden die hij daarbij gebruikt (een knie in de buik) op zijn vriendin toegepast. Dit neemt de rechtbank verdachte bijzonder kwalijk.

De rechtbank heeft in het kader van de persoon van verdachte acht geslagen op een verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 6 augustus 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder voor geweldsdelicten is veroordeeld. Ook heeft de rechtbank meegenomen in haar beoordeling een verdachte betreffend reclasseringsadvies d.d.

5 oktober 2012. Dit advies betreft reclasseringstoezicht met een meldingsgebod en een behandelverplichting. De rechtbank neemt dit advies over.

Op grond van hetgeen hiervoor is overwogen, acht de rechtbank een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 88 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, passend en geboden.

Aan verdachte zal een proeftijd van 2 jaar worden opgelegd en de volgende bijzondere voorwaarden: reclasseringstoezicht met een meldingsgebod en een behandelverplichting voor spanningen en psychische problemen bij een ambulante forensisch psychiatrische instelling of soortgelijke ambulante forensische zorg.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22b, 22c, 22d, 45 en 302 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 88 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 (twee) jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd en stelt als algemene voorwaarden dat de veroordeelde:

* zich voor het einde van de proeftijd niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit medewerking verleent aan het nemen van één of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat verdachte zich moet melden bij Reclassering Nederland. Hierna moet verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang als de reclassering die noodzakelijk acht;

* dat verdachte wordt verplicht om zich te laten behandelen voor spanningen en psychische problemen bij een ambulante psychiatrisch forensische instelling of soortgelijke ambulante forensische zorg, zulks ter beoordeling van de reclassering waarbij de verdachte zich zal houden aan de aanwijzingen die hem in het kader van die behandeling door of namens de instelling/behandelaar zullen worden gegeven;

- geeft de reclassering opdracht toezicht te houden op de naleving van de voorwaarden en de veroordeelde ten behoeve daarvan te begeleiden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 80 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 40 dagen;

Voorlopige hechtenis

- heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis op met ingang van het tijdstip waarop het vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. M.S. Koppert en

mr. R.G.A. Beaujean, rechters, in tegenwoordigheid van de griffier mr. P.A.B. Kleemans en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 24 oktober 2012.

Mr. Beaujean is niet in de gelegenheid dit vonnis mede te ondertekenen.