Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6160

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
14-12-2012
Zaaknummer
16/994011-09 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in georganiseerd verband deelgenomen aan het in stand houden van een schijnconstructie om door middel van valse documenten afdracht van BTW te ontlopen en gelden wit te wassen. Deze schijnconstructie bestond uit diverse bedrijven gevestigd

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/994011-09 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1947] te [geboorteplaats] en [geboorteplaats],

zonder vaste woon- of verblijfplaats in Nederland,

doch thans verblijvende te [adres], [woonplaats].

Verdachte wordt hierna ook aangeduid als: ‘[verdachte]’.

Raadsvrouwe: mr. M.L. Plas, advocaat te Bilthoven.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 21 december 2010, 12 tot en met 16 november 2012 en 19 en 22 november 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

De zaak is daarbij gelijktijdig, maar niet gevoegd behandeld met de zaken tegen de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3][medeverdachte 4] en [medeverdachte 4] (hierna: [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3][medeverdachte 4] respectievelijk [medeverdachte 4]).

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: al dan niet samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd;

Feit 2: al dan niet samen met anderen grote geldbedragen heeft witgewassen;

Feit 3: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. Meer specifiek heeft de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen geacht dat:

- verdachte tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] valse CMR’s en verkoopfacturen voor [bedrijf 1] heeft opgemaakt, zoals onder feit tenlastegelegd;

- verdachte zich tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 4] en [medeverdachte 1] schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag à

€ 1.223.308,00, zoals onder feit 2 tenlastegelegd;

- verdachte deel heeft genomen aan een criminele organisatie, zoals onder feit 3 tenlastegelegd.

De officier van justitie heeft partieel vrijspraak gevorderd ten aanzien van het medeplegen van gewoontewitwassen van het bedrag groot € 209.375,00 betreffende [bedrijf 5], zoals onder feit 2 tenlastegelegd.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan [verdachte] ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsvrouwe het volgende aangevoerd:

Algemeen:

De start van het onderzoek is onrechtmatig geweest, waardoor ook diverse opsporingshandelingen onrechtmatig zijn geschied. De aanleiding van het onderzoek zou gelegen zijn in onregelmatigheden met betrekking tot intra communautaire leveringen en informatie uit het buitenland. Wat deze onregelmatigheden inhielden blijkt niet uit het dossier.

Ten tijde van de start van het onderzoek was er geen sprake van een redelijk vermoeden van schuld voor belastingfraude, valsheid in geschrift, witwassen en deelname aan een criminele organisatie, ten aanzien van [bedrijf 1] en medeverdachten [medeverdachte 4]. Het gehele opsporingsonderzoek had niet plaats mogen vinden.

Op het moment dat het opsporingsonderzoek aanving was [verdachte] nog niet als verdachte aangemerkt. De verdenking jegens [verdachte] is pas ontstaan, nadat de administratie die bij [bedrijf 1] in beslag was genomen, was bekeken. Omdat het gehele opsporingsonderzoek niet plaats had mogen vinden, en iedere burger erop moet kunnen vertrouwen dat de overheid pas overgaat tot het instellen van een strafrechtelijk onderzoek als daartoe een redelijke verdenking is, staat de Schutznorm niet aan bewijsuitsluiting in de weg.

Gelet op het voorgaande dient bewijsuitsluiting te volgens van alle bewijsmiddelen die tijdens het opsporingsonderzoek zijn vergaard, waaronder de verklaringen van alle verdachten en getuigen, de vluchtgegevens, alsmede de resultaten van de doorzoeking. Bij gebreke van enig bewijs dient [verdachte] van alle aan hem ten laste feiten vrijgesproken te worden.

Ten aanzien van feit 1:

Aan CMR’s komt geen bewijsbestemming toe.

Ten aanzien van D-024, in tegenstelling tot de andere CMR’s die zijn opgenomen op de tenlastelegging, heeft [verdachte] verklaard dat hij deze CMR niet op heeft gemaakt.

In het dossier zit geen bewijs waaruit volgt dat [verdachte] de persoon is geweest die de facturen heeft opgemaakt. Bovendien heeft [verdachte] verklaard dat hij de facturen van medeverdachte [medeverdachte 1] kreeg.

Evenmin kan wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] het opmaken van valse facturen heeft medegepleegd. Niet blijkt uit het dossier dat [verdachte] de gegevens heeft verstrekt die van belang waren voor het opstellen van de facturen. In dit verband heeft [verdachte] juist verklaard dat hij de facturen kreeg aangeleverd en aan de hand van de facturen de CMR’s opmaakte. De facturen waren er dus al voordat [verdachte] deze onder ogen kreeg.

[verdachte] dient te worden vrijgesproken van het valselijk opmaken van alle facturen zoals opgenomen op de tenlastelegging, alsmede van de CMR zoals opgenomen onder ‘w’.

Ten aanzien van feit 2:

De verdediging is met de officier van justitie van mening dat [verdachte] partieel vrij dient te worden gesproken ten aanzien van het witwassen voor zover dat betrekking heeft op [bedrijf 5].

[verdachte] wist pas vanaf de oprichting van [bedrijf 5] op 28 april 2005 dat hij werd gebruikt om gelden wit te wassen. Hij wist toen echter nog niet dat [bedrijf 6] voor ditzelfde doel werd gebruikt. Voorts kan, gelet op de vliegbewegingen, niet worden bewezen dat [verdachte] in 2004 en in het eerste deel van 2005 contant geld heeft gestort op de rekening van [bedrijf 6]. Daarbij ging [verdachte] er gedurende deze periode nog vanuit dat er daadwerkelijk goederen werden geleverd.

Dat [verdachte] verklaard heeft dat hij contant geld heeft gestort op de rekening van [bedrijf 6], maakt niet dat hij zich schuldig heeft gemaakt aan witwassen. De gelden dienen eerst van misdrijf afkomstig te zijn. [verdachte] wist niet waar de gelden van afkomstig waren.

De aangiften omzetbelasting 2004 en 2005 betreffen jaaraangiften. In het geval dat deze aangiften vals zouden zijn, is pas sprake van een misdrijf na het doen van die valse aangiften. De gelden die in 2005 zijn gestort en overgemaakt aan [bedrijf 1] zijn dan ook niet afkomstig van het doen van een valse aangifte omzetbelasting over het jaar 2005. Daarbij is enkel de niet afgedragen BTW zwart geld.

Nu er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is dat de gelden afkomstig zijn uit belastingfraude, dan wel zwarte handel, dient [verdachte] van dit feit vrij te worden gesproken.

Ten aanzien van feit 3:

Er geen sprake van een samenwerkingsverband met [bedrijf 7], [bedrijf 8] en [bedrijf 9]. [verdachte] kan niet als leider/bestuurder/oprichter van de criminele organisatie worden aangemerkt.

Ten aanzien van de periode kan enkel wettig en overtuigend bewezen worden dat [verdachte] na de oprichting van [bedrijf 5] op 28 april 2005 bekend is geworden met datgene wat de criminele organisatie deed. De periode van wetenschap stopt bij de oprichting van [bedrijf 10] d.d. 18 juli 2006. [verdachte] heeft immers verklaard [bedrijf 10] niet te kennen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende bewijsoverwegingen voorkomen, verwijzen - voor zover niet anders vermeld - naar de schriftelijke stukken die zijn opgenomen in het proces-verbaal van de FIOD-ECD kantoor Utrecht, dossiernummer 40867, opgemaakt door verbalisanten [verbalisant 1], [verbalisant 2] en [verbalisant 3].

4.3.1 Intra communautaire leveringen en de toepassing van het nultarief

In onderhavige zaak staat de vraag centraal of al dan niet sprake is van het verrichten van intra communautaire leveringen waarvoor het zogeheten nultarief geldt.

Volgens artikel 5 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) is de levering door een ondernemer van goederen die naar een andere lidstaat worden gebracht belastbaar in het land van vertrek. Voor Nederland gold ten tijde van de ten laste gelegde feiten blijkens artikel 19, eerste lid, van de Wet OB een belastingpercentage van 19 procent. Wanneer het echter gaat om goederen die worden geleverd aan een in een andere EU-lidstaat aan een ondernemer of daarmee gelijkgestelde, geldt voor deze levering het zogeheten nultarief. De leverancier is in dat geval overeenkomstig artikel 9, tweede lid onder b, juncto Tabel II, onderdeel a, post 6 Wet OB, geen omzetbelasting (0%) verschuldigd en verliest zijn recht op aftrek niet. Voor de toepassing van dit zogenoemde nultarief dient aan twee cumulatieve voorwaarden te worden voldaan:

1) de goederen moeten aantoonbaar naar aan andere lidstaat worden vervoerd;

2) de goederen worden geleverd aan een andere ondernemer in een andere lidstaat.

In artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: Uitvoeringsbesluit) worden nadere regels gegeven omtrent de toepassing van het nultarief. Zo mag, volgens artikel 12, eerste lid Uitvoeringsbesluit slechts aanspraak op het nultarief worden gemaakt als de toepasselijkheid daarvan uit boeken en bescheiden blijkt. Daarnaast dient de ondernemer die de goederen levert te beschikken over het BTW-identificatienummer van degene die de goederen afneemt, aldus artikel 12, tweede lid, onder 2º Uitvoeringsbesluit.

4.3.2 De bewijsverweren

De verdediging heeft de hierna te noemen bewijsverweren gevoerd die naar haar mening tot uitsluiting van bewijsmiddelen zouden moeten leiden.

De start van het onderzoek

Door de verdediging is aangevoerd dat er met betrekking tot de aanvang van het onderzoek vele onduidelijkheden zijn gebleven. Zo is onduidelijk gebleven of op het moment van het onderzoek een redelijk vermoeden van schuld was jegens verdachte. Het hele onderzoek jegens [verdachte] is gezien het voorgaande onrechtmatig, hetgeen bewijsuitsluiting tot gevolg dient te hebben.

De rechtbank stelt vast dat de officier van justitie (in een andere dossier) over die zelfde voorfase een aanvullend proces-verbaal heeft laten opmaken welk proces-verbaal in onderhavig dossier is gevoegd (het proces-verbaal van 28 februari 2011 van verbalisant [verbalisant 4]. Na het opstellen van dat proces-verbaal heeft de rechtbank beslist dat de verbalisant die in de voorfase leiding heeft gegeven aan het onderzoek, ook in de zaak van [verdachte] gehoord diende te worden. De officier van justitie heeft in dat kader verschillende getuigen doen horen maar juist de verbalisant die in de voorfase leiding heeft gegeven aan het onderzoek is niet als getuige naar voren gebracht. Dit heeft ertoe geleid dat enkele vragen van de verdediging omtrent de voorfase en/of de samenstelling van het dossier onbeantwoord zijn gebleven.

De vraag is welke gevolgen daaraan verbonden dienen te worden.

De rechtbank is, rekening houdend met het bepaalde in artikel 359a lid 2 Sv niet van oordeel dat het voorgaande dient te leiden tot enige bewijsuitsluiting. Wel zal zij hier in het voordeel van [verdachte] gevolgen aan verbinden voor wat betreft de hoogte van een op te leggen straf.

4.3.3 Bewezenverklaring van een schijnconstructie tussen [bedrijf 1], [bedrijf 6] en [bedrijf 5]

De rechtbank concludeert op basis van de na te noemen bewijsmiddelen dat

[bedrijf 1] betrokken is geweest bij valsheid in geschrifte en belastingfraude en dat door [verdachte] en zijn mededaders is gebruik gemaakt van een schijnconstructie die is opgezet om misbruik te maken van het hiervoor omschreven nultarief ten aanzien van de omzetbelasting bij intracommunautaire transacties.

De rechtbank overweegt daartoe dat het (overgrote deel van) de door [bedrijf 1] bij deze intracommunautaire transacties betrokken goederen, bij welke transacties door [bedrijf 1] het nultarief is gehanteerd, niet daadwerkelijk aan de betreffende Europese rechtspersonen is geleverd. In werkelijkheid kwamen deze goederen - voor zover er daadwerkelijk leveringen plaatsvonden - terecht bij onbekend gebleven anderen. Hierdoor heeft [bedrijf 1] de identiteit van de echte verkrijgers verborgen en hen zo in de gelegenheid gesteld de omzetbelasting te ontduiken.

Hoewel aan de verkoop van goederen aan voornoemde Europese rechtspersonen geen reële overeenkomsten tot levering van goederen ten grondslag hebben gelegen, bracht [bedrijf 1] de goederen door middel van facturen wel aan deze ondernemingen in rekening.

De rechtspersonen, wiens bankrekeningen werden gevoed door het storten van contant geld dat - in ieder geval afkomstig is van de “zwarte” verkopen aan voornoemde onbekend gebleven anderen -, betaalden deze facturen vervolgens giraal op de bankrekening van [bedrijf 1].

De rechtbank acht bewezen dat op deze wijze voornoemd contante - zwarte - gelden werden witgewassen.

4.3.4 De bewijsmiddelen

De rechtbank stelt de navolgende feiten en omstandigheden vast.

4.3.4.1 De rechtspersonen

[bedrijf 1]

[bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) is gevestigd aan de [adres] te [woonplaats]. Enig aandeelhouder/bestuurder van [bedrijf 1] is de [bedrijf 2], waarvan [medeverdachte 4] directeur en alleen/zelfstandig bevoegd is

[bedrijf 1] maakt gebruik van onder meer een Nederlandse bankrekening met nummer 66.63.48.715. [bedrijf 1] koopt onder meer airco’s, DVD-spelers en fotocamera’s in, waarna zij deze goederen - volgens haar administratie - intracommunautair aan rechtspersonen in andere EU-lidstaten doorlevert.

Zij levert daarbij volgens haar administratie onder meer aan de Spaanse rechtspersonen [bedrijf 6] (hierna: [bedrijf 6]), [bedrijf 5] (hierna: [bedrijf 5]) en [bedrijf 10] (hierna: [bedrijf 10]).

De rechtbank zal de hiervoor genoemde Spaanse rechtspersonen kort omschrijven.

[bedrijf 6]

[bedrijf 6] is op 1 oktober 2003 opgericht door [verdachte], die enig bestuurder is van deze rechtspersoon. [verdachte] heeft alle aandelen van [bedrijf 6] in handen.

[bedrijf 6] staat ingeschreven op de [adres], [woonplaats]. Op dit adres is het [bedrijf 11] gevestigd, een bedrijf dat postbussen verhuurd. Uit informatie van de Spaanse autoriteiten volgt dat [bedrijf 6] niet bekend is bij dit verhuurbedrijf.

Aan [bedrijf 6] is het BTW-nummer [nummer] toegekend.

[bedrijf 5]

[bedrijf 5] is op 28 april 2005 opgericht. Op 22 augustus 2005 is [verdachte] als enig bestuurder aangesteld. [verdachte] heeft 100% van de aandelen van [bedrijf 5] in handen.

[bedrijf 5] is gevestigd aan de [adres] [woonplaats], Alicante, Spanje. Uit onderzoek volgt dat op dit adres de onderneming Mail Boxes Etc. is gevestigd, een bedrijf dat postbussen verhuurt. [verdachte] heeft bevestigd dat voornoemd adres van [bedrijf 5] een postadres betreft.

Het BTW-nummer van [bedrijf 5] is [nummer].

Uit informatie van de Spaanse autoriteiten volgt dat [bedrijf 5] op 1 maart 2007 uit het VIES-register is verwijderd omdat uit onderzoek bleek dat er geen aanwijzingen waren van handelsactiviteiten van [bedrijf 5]. Niet alleen bleek het vestigingsadres slechts een verhuurde postbus te zijn, ook bleek het bedrijfsadres van [bedrijf 5] hetzelfde te zijn als haar fiscale vestigingsplaats.

[bedrijf 5] heeft een bankrekening bij de vestiging van de [A] bank in Altea, Spanje, met nummer [nummer]. Zowel [verdachte] als [medeverdachte 1] zijn gemachtigd ten aanzien van deze rekening.

[bedrijf 10]

[bedrijf 10] is gevestigd aan de [adres], [woonplaats], Alicante te Spanje. Het bedrijf is op 18 juli 2006 opgericht door [medeverdachte 2]. [medeverdachte 2] is op 19 september 2006 als enig bestuurder aangesteld. [medeverdachte 2] heeft 98% van de aandelen van [bedrijf 10] in bezit, terwijl [medeverdachte 1] de overige 2% in handen heeft.

Aan [bedrijf 10] is BTW-nummer [nummer] toegekend.

[bedrijf 10] heeft een bankrekening bij de vestiging van de [A] bank in Altea, Spanje, met nummer [nummer]. Zowel [medeverdachte 2] als [medeverdachte 1] zijn gemachtigd ten aanzien van deze bankrekening.

4.3.4.2 De levering van goederen aan [bedrijf 6], [bedrijf 5] en [bedrijf 10]

Uit het voorgaande volgt dat de rechtspersonen [bedrijf 6] en [bedrijf 5] beide zijn opgericht door [verdachte] en op zijn naam staan. [verdachte] heeft verklaard dat hij [bedrijf 6] in opdracht van [medeverdachte 1] heeft opgericht. Over [bedrijf 5] verklaarde [verdachte] dat hij deze rechtspersoon weliswaar op eigen initiatief heeft opgericht, maar de papieren van deze rechtspersoon vervolgens aan [medeverdachte 1] heeft gegeven.

Ook [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij meerdere rechtspersonen, waaronder [bedrijf 10], in opdracht van [medeverdachte 1] heeft opgericht.

- In de administratie van [bedrijf 1] zijn 15 verkoopfacturen van [bedrijf 1], gericht aan [bedrijf 6] aangetroffen, betreffende de periode van juni 2004 tot en met november 2005.

Op deze verkoopfacturen is in totaal € 1.097.185,00 aan goederen gefactureerd.

Blijkens 20 CMR’s die in dezelfde administratie zijn aangetroffen, zouden deze goederen door transporteurs [bedrijf 16], [bedrijf 15] z.o.o . [bedrijf 17][bedrijf 12], [bedrijf 13] en [bedrijf 14] zijn vervoerd naar Madrid, Spanje.

- Daarnaast zijn in de administratie van [bedrijf 1] 3 verkoopfacturen, gericht aan [bedrijf 5] aangetroffen, betreffende de periode van november 2005 tot en met maart 2006.

Op deze verkoopfacturen is in totaal € 209.374,00 gefactureerd.

Blijkens vier bij deze verkoopfacturen behorende CMR’s, die in dezelfde administratie zijn aangetroffen, zouden deze goederen door transporteur [bedrijf 16] , alsmede door [medeverdachte 1] zijn vervoerd naar respectievelijk Alicante, Spanje en Alfas del Pi, Spanje.

- Tot slot zijn in de administratie van [bedrijf 1] 7 verkoopfacturen, gericht aan [bedrijf 10] aangetroffen, betreffende de periode juli 2006 tot en met januari 2007. Op deze verkoopfacturen is in totaal € 463.750,00 gefactureerd.

Blijkens 13 bij deze verkoopfacturen behorende CMR’s, die in dezelfde administratie zijn aangetroffen, zouden deze goederen door transportbedrijf [bedrijf 4], naar de Franse rechtspersoon [X] te Metz (Frankrijk) zijn vervoerd. Andere goederen werden door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] naar Altea, Spanje getransporteerd.

Uit voornoemde facturen van [bedrijf 1] aan bovengenoemde rechtspersonen en voornoemde vervoersdocumenten, zou volgen dat er daadwerkelijk goederen zijn geleverd aan deze Spaanse/Franse rechtspersonen. De rechtbank acht echter bewezen dat deze goederen nimmer aan hen zijn afgeleverd. De rechtbank overweegt daartoe als volgt.

- In de eerste plaats volgt uit de verklaringen van de betreffende transporteurs dat geen van hen de op de CMR’s genoemde transporten naar een van deze rechtspersonen heeft verricht.

Zo verklaart getuige [getuige 2], werkzaam als chauffeur binnen [bedrijf 16], welke transporteur voorkomt op CMR’s van [bedrijf 1] aan [bedrijf 6] en [bedrijf 5], dat hij nimmer zaken heeft gedaan met [bedrijf 1] en nimmer heeft gereden voor, noch heeft geleverd aan [bedrijf 6] en [bedrijf 5] Hij verklaarde verder nooit airco’s dan wel digitale camera’s te hebben vervoerd, zijnde de goederen die onder meer op de betreffende CMR’s staan genoemd. [getuige 2] merkte voorts op dat de hem getoonde CMR’s vals zijn opgemaakt, en zijn voorzien van een valse bedrijfsstempel van [bedrijf 16].

In de door de FIOD/ECD onderzochte administratie van [bedrijf 16] is over de jaren 2005 tot en met 2008 geen omzet opgenomen van [bedrijf 1], [bedrijf 6] of [bedrijf 5].

- Ook uit de verklaring van[Y], wiens transportbedrijf [bedrijf 12] op CMR’s van [bedrijf 1] aan [bedrijf 6] staat genoemd, volgt dat hij geen transporten heeft gereden voor [bedrijf 6]. Deze getuige verklaarde dat hij, in tegenstelling tot de door [bedrijf 1] verhandelde goederen zoals airco’s, digitale camera’s en DVD-spelers, alleen vlees heeft vervoerd.

- Voorts heeft getuige [getuige 3], directeur van [bedrijf 13][bedrijf 3], welk transportbedrijf ook wordt genoemd als vervoerder op een aantal CMR’s van [bedrijf 1] aan [bedrijf 6], verklaard dat zijn bedrijf geen zaken heeft gedaan met [bedrijf 1] en [bedrijf 6] niet kent. De op de betreffende CMR’s gebruikte bedrijfsstempel is vals, zo verklaarde hij.

- Ook getuige [getuige 4], directeur van het op een aantal CMR’s van [bedrijf 1] aan [bedrijf 10] genoemde transportbedrijf [bedrijf 4], heeft aangegeven dat hij nooit voor [X], [bedrijf 1] of [bedrijf 10] heeft gereden. De betreffende CMR’s zijn vals opgemaakt, zo verklaarde hij.

- Het op CMR’s van [bedrijf 1] aan [bedrijf 10] genoemde transportbedrijf [bedrijf 15] z.o.o. [bedrijf 17], dat blijkens de stempels op de CMR’s gevestigd is in Bilgoraj, Polen, blijkt niet geregistreerd te staan in voornoemde plaats. De eigenaar van het op deze CMR’s genoemde vervoersmiddel heeft verklaard dat hij nimmer heeft gereden voor [bedrijf 15] z.o.o. [bedrijf 17].

- Het transport zou blijkens CMR’s niet alleen door voornoemde transportbedrijven, maar ook door [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] zijn verricht. [medeverdachte 2], die staat genoemd op een CMR van [bedrijf 1] aan [bedrijf 10]/[X] (D-031), heeft verklaard dat hij de goederen die op de betreffende CMR staan, nooit heeft vervoerd dan wel afgeleverd. [medeverdachte 1], die staat genoemd op 2 CMR’s van [bedrijf 1] aan [bedrijf 5], zou op 15 maart 2006 met een personenwagen met aanhanger van [bedrijf 1], goederen hebben getransporteerd naar Alicante Spanje, waar de goederen op 18 maart 2006 in ontvangst zouden zijn genomen.

Uit vluchtgegevens van Transavia volgt echter dat hij op 16 maart 2006 van Rotterdam naar Alicante is gevlogen, waarna hij een dag later, op 17 maart 2006 weer van Alicante naar Rotterdam is gevlogen.

[medeverdachte 1] staat voorts genoemd op 3 CMR’s van [bedrijf 1] aan [bedrijf 10]. De rechtbank is van oordeel dat [medeverdachte 1] deze drie transporten evenmin heeft verzorgd. Immers, uit de verklaring van [medeverdachte 1] volgt immers dat hij, met uitzondering van een bemiddelende rol, geen enkele betrokkenheid heeft gehad bij [bedrijf 10].

[X], voornoemde Franse rechtspersoon - een onderneming die zich bezighoudt met de wereldwijde promotie fan Franse agrarische producten - aan wie [bedrijf 10] blijkens dertien in de administratie van [bedrijf 1] aangetroffen CMR’s goederen zou hebben geleverd te Metz (Frankrijk), blijkt geen vestiging in Metz te hebben en noch [bedrijf 10], noch [bedrijf 1] te kennen als zakenpartner. [bedrijf 4] heeft [X] nimmer goederen in ontvangst genomen.

Dat het transport naar voornoemde rechtspersonen nimmer heeft plaatsgevonden, volgt verder uit de verklaring van [verdachte], die verklaarde dat hij een deel van de in de administratie van [bedrijf 1] aangetroffen CMR’s vals heeft opgemaakt. Hij deed dit in opdracht van [medeverdachte 1]. [medeverdachte 1] had een blok vol blanco CMR’s, die [verdachte] invulde aan de hand van facturen. Ten aanzien van [bedrijf 6] verklaarde [verdachte] hierover dat de betreffende CMR’s, met uitzondering van één CMR met betrekking tot goederentransport naar Luxemburg, achter elkaar zijn opgemaakt.

Hij verklaarde verder dat [bedrijf 6] in eerste instantie niet over een administratie beschikte. Nadat de Spaanse Belastingdienst vragen begon te stellen, stelde [verdachte] eind 2005 aan de hand van stortingen die [bedrijf 6] aan [bedrijf 1] had gedaan een bankboek op, zocht vervolgens de betreffende facturen van [bedrijf 1] op, waarna hij de betreffende CMR’s opmaakte. [verdachte] verklaarde voorts dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] stempels van transporteurs [bedrijf 13] en [bedrijf 14] heeft laten maken.

[verdachte] verklaarde tot slot dat hij, samen met [medeverdachte 2], op het kantoor van [medeverdachte 1] werkzaam was.

Niet alleen [verdachte], ook [medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] valse CMR’s heeft opgemaakt op het kantoor van [medeverdachte 1] en bevestigde dat hij samen met [verdachte] werkzaam was op het kantoor van [medeverdachte 1]. Net als [verdachte] verklaarde ook [medeverdachte 2] dat [medeverdachte 1] in het bezit was van lege CMR’s en stempels van transporteurs, die [medeverdachte 1] had laten maken.

Ook getuige [getuige 5] heeft verklaard dat hij op verzoek van [medeverdachte 1] een aantal stempels heeft laten maken. [medeverdachte 1] bepaalde daarbij de grootte van de stempel en wat de tekst moest worden. [getuige 5] maakte daarnaast sjablonen op, waaronder een sjabloon van [bedrijf 16]. [getuige 5], die vanaf de zomer van 2005 werkzaam was op het kantoor van [medeverdachte 1], heeft bevestigd dat [verdachte] en [medeverdachte 2] daar voor [medeverdachte 1] werkzaam zijn geweest. [getuige 5] verklaarde dat hij in dit kantoor een stapel lege CMR’s heeft gezien.

Hij verklaarde tot slot dat hij heeft gezien dat [verdachte] deze blanco CMR’s invulde.

Verder is in de woning van [medeverdachte 1] aan de [adres] te [woonplaats] op

14 oktober 2008 een briefje aangetroffen, met daarop de stempelafdrukken van een drietal transporteurs, te weten de hiervoor genoemde transportbedrijven [bedrijf 15] z.o.o. [bedrijf 17], [bedrijf 14] en [bedrijf 16]. Getuige [getuige 1][bedrijf 16] heeft verklaard dat deze stempelafdruk vals is. In tegenstelling tot de betreffende afdruk heeft zijn bedrijfsstempel geen kader.

[medeverdachte 1] heeft over het briefje met de drie stempels van transporteurs verklaard dat dit moet zijn meegenomen met de verhuizing van zijn kantoor van Soesterberg naar zijn woning op voornoemd adres.

Tot slot hebben zowel [verdachte] (ten aanzien van [bedrijf 6], [bedrijf 5] ) en [medeverdachte 2] (ten aanzien van [bedrijf 10] ) bevestigd dat er nimmer goederen zijn geleverd door [bedrijf 1] aan deze rechtspersonen.

4.3.4.3 De betalingen door [bedrijf 6], [bedrijf 5] en [bedrijf 10] aan [bedrijf 1]

[bedrijf 5]

Uit informatie uit het VIES-systeem volgt dat [bedrijf 1] in 2005 en 2006 in totaal € 209.375,00 heeft opgegeven aan intracommunautaire leveringen aan [bedrijf 5].

In de administratie van [bedrijf 1] zijn 3 verkoopfacturen aangetroffen, waarop in totaal

aan [bedrijf 5] € 209.374,00 is gefactureerd.

Hoewel aan [bedrijf 5], gezien het voorgaande, geen leveringen hebben plaatsgevonden, blijkt dat [bedrijf 5] op een verkoopfactuur, eenmaal een betaling heeft gedaan, van

€ 45.000,00. Uit het dossier, noch uit het verhandelde ter terechtzitting volgt dat het overige gefactureerde bedrag - € 164.375,00 - door [bedrijf 5] aan [bedrijf 1] is voldaan.

[bedrijf 6] en [bedrijf 10]

Uit informatie uit het VIES-systeem volgt dat [bedrijf 1] in 2005 in totaal € 942.750,00 heeft opgegeven aan intracommunautaire leveringen aan [bedrijf 6].

In de administratie van [bedrijf 1] zijn 15 verkoopfacturen aangetroffen van [bedrijf 1], gericht aan [bedrijf 6]. Op de verkoopfacturen is in totaal € 1.097.185 aan goederen gefactureerd.

Met betrekking tot [bedrijf 10] volgt uit het VIES-systeem dat [bedrijf 1] in 2006 en 2007

€ 453.750,00 als intracommunautaire leveringen ten aanzien van deze rechtspersoon heeft opgegeven. In de administratie van [bedrijf 1] zijn 7 verkoopfacturen van [bedrijf 1] gericht aan [bedrijf 10] aangetroffen, waarop [bedrijf 1] in totaal € 463.750,00 aan [bedrijf 10] heeft gefactureerd.

Hoewel aan [bedrijf 6] en [bedrijf 10], gezien het voorgaande, geen leveringen hebben plaatsgevonden, blijkt dat deze rechtspersonen op deze verkoopfacturen van [bedrijf 1] respectievelijk € 1.223.308,00 en € 463.750,00 hebben overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf 1].

Daarbij valt op dat, op de betreffende factuurdata, het saldo op de rekeningen van [bedrijf 6] en [bedrijf 10] onvoldoende is om de betreffende verkoopfacturen te voldoen. Enkele dagen na de data die op de betreffende facturen staan vermeld, vinden girale overboekingen dan wel contante stortingen in Spanje plaats op de rekeningnummers van [bedrijf 6] en [bedrijf 10]. De girale overboekingen zijn onder meer afkomstig van (bedrijven van) [medeverdachte 1] [bedrijf 18], [bedrijf 21] ) en (een van de bedrijven van ) [medeverdachte 2] ([bedrijf 19] ) en “[bedrijf 20]” .

[medeverdachte 2] heeft met betrekking tot de betalingen van [bedrijf 5] en [bedrijf 10] verklaard dat hij - voordat [medeverdachte 1] in april 2007 gedetineerd raakte - in Nederland meermalen contant geld heeft ontvangen van [medeverdachte 1]. Met dit geld reisde hij vervolgens, al dan niet samen met [verdachte] en/of [medeverdachte 1], een of twee wekelijks naar Spanje.

Uit een door de FIOD/ECD opgemaakte spreadsheet waarin de in de periode van 2004 tot en met 2007 gevlogen vluchten van [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij vliegmaatschappij Transavia zijn opgenomen, volgt dat zij in de periode van 21 juni 2004 tot en met

16 april 2007 tientallen keren al dan niet samen van Amsterdam naar Alicante zijn gevlogen, waarna zij diezelfde dag of enkele dagen daarna weer terugvlogen van Alicante naar Amsterdam.

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat de tickets voor de reis naar Spanje (meestal) al geregeld waren door [medeverdachte 1]. Uit informatie van Transavia volgt dat een groot deel van deze vluchten inderdaad is geboekt door [medeverdachte 1]. Uit de verklaring van getuige [getuige 5] volgt dat [medeverdachte 1] de betreffende vluchten niet alleen op zijn eigen naam boekte. Deze getuige heeft verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 1] online tickets bestelde.

[medeverdachte 2] verklaarde dat hij in Spanje de [A] bank in Altea bezocht, waar hij aan een medewerker van deze bank, [B] [B]), een soort vriend van [medeverdachte 1] het contante geld en de factuur overhandigde.

[verdachte] heeft bevestigd dat hij samen met andere geldlopers, waaronder [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] contant geld naar Spanje heeft gevlogen en daar heeft gestort bij de [A] bank in Spanje. Dit deed hij onder meer op de rekening van [bedrijf 6]. Hij verklaarde dat hij bedragen van € 30.000,00 tot € 60.000,00 ontving van [medeverdachte 1] op zijn kantoor in Soesterberg, net als een CMR en een factuur en dat hij daarmee naar Spanje afreisde. Het ticket was door [medeverdachte 1] geboekt en betaald.

Hij verklaarde verder dat [B] de betreffende contante stortingen in overleg met [medeverdachte 1] in delen knipte onder de MOT-grens om MOT-meldingen te omzeilen.

Het geld werd gestort op de rekeningen van [bedrijf 5] en [bedrijf 10] .

[medeverdachte 2] heeft verklaard dat hij het contante geld dat hij ontving van [medeverdachte 1] niet alleen in Spanje stortte, maar ook in Nederland op zijn eigen privérekening, de privérekening van zijn vriendin [bedrijf 20] of de rekening van een van zijn ondernemingen, om het geld vervolgens over te maken naar de rekening van [bedrijf 10].

Vanuit de bankrekeningen van [bedrijf 6], [bedrijf 5] en [bedrijf 10] werden de betreffende factuurbedragen (deels) overgemaakt naar de bankrekening van [bedrijf 1], zo volgt uit afschriften van het rekeningnummer van laatstgenoemde rechtspersoon.

Gezien het voorgaande acht de rechtbank bewezen dat [verdachte] bewust betrokken was bij voornoemde schijnconstructie.

4.3.4.4 Overwegingen ten aanzien van de ten laste gelegde feiten

Ten aanzien van feit 1:

Ten aanzien van de in de tenlastelegging opgenomen CMR’s en verkoopfacturen van [bedrijf 1] aan de Spaanse rechtspersoon [bedrijf 6] overweegt de rechtbank als volgt.

In de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] zijn verkoopfacturen van [bedrijf 1] aan [bedrijf 6] alsmede de CMR’s ten behoeve van het transport van de betreffende goederen aangetroffen. Een aantal van deze CMR’s en verkoopfacturen is opgesomd onder het onder 1 ten laste gelegde feit, onder sub t tot en met w.

Het gaat daarbij om:

Twee verkoopfacturen van [bedrijf 1] aan [bedrijf 6], d.d. 18 maart 2005 (factuurnummer PI 05031801) en d.d. 5 augustus 2004 (factuurnummer 04080501) en de daarbij behorende CMR’s d.d. 28 maart 2005 (nummer 029175) en d.d. 23 augustus 2004 (nummer 324025).

De rechtbank stelt vast dat op voornoemde CMR’s [bedrijf 6] als geadresseerde is opgenomen, met als het afleverplaats Madrid-Spain. Tot slot staat op eerstgenoemde CMR d.d. 28 maart 2005 [bedrijf 4] als transporteur genoemd, terwijl op laatstgenoemde CMR d.d. 23 augustus 2004 [bedrijf 12] als transporteur is opgenomen.

Valsheid in geschrifte

Zoals hiervoor is overwogen, hebben [verdachte] en zijn mededaders zich bediend van een schijnconstructie die is opgezet om misbruik te maken van het zogenaamde nultarief ten aanzien van de omzetbelasting bij intracommunautaire transacties. De daarbij bijbehorende facturen en CMR’s maken een substantieel onderdeel uit van die schijnconstructie.

In diezelfde constructie zijn door [bedrijf 1] verkoopfacturen opgemaakt en door [verdachte] en [medeverdachte 2], in opdracht en op aanwijzingen van [medeverdachte 1], CMR’s betreffende de verkoop van goederen aan voornoemde Spaanse rechtspersonen opgemaakt, aan welke leveringen geen reële overeenkomsten tot levering van goederen ten grondslag hebben gelegen.

Zowel de CMR’s als de verkoopfacturen hadden slechts tot doel om het misbruik te faciliteren en zij zijn met dit oogmerk vervaardigd en vervolgens door [bedrijf 1] in haar bedrijfsadministratie opgenomen.

Onder die omstandigheden betreffen zowel de CMR’s van de goederen, als ook de factureringen een schijnwerkelijkheid en derhalve zijn de te dien aanzien opgestelde geschriften naar het oordeel van de rechtbank dan ook vals in de zin van artikel 225 van het Wetboek van Strafrecht.

Medeplegen

Bij de uitvoering van de hiervoor omschreven schijnconstructie was gezien de hiervoor omschreven werkwijze, sprake van een nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 4], [medeverdachte 1], [verdachte] en [medeverdachte 2]. De rechtbank acht dan ook het medeplegen van dit ten laste gelegde feit bewezen.

Uit het vorenstaande volgt dat de rechtbank van oordeel is dat er met de verschillende genoemde buitenlandse bedrijven geen feitelijke handel heeft plaatsgevonden. Dat betekent dat alle CMR’s en facturen die op deze handel zien -dus niet alleen de op de tenlastelegging genoemde- vals zijn. De rechtbank zal dan ook bewezen verklaren dat ‘onder meer’ de in de tenlastelegging genoemde CMR’s en facturen vals zijn.

De door de verdediging met betrekking tot dit feit gevoerde verweren zijn met bovengenoemde bewijsmiddelen weerlegd zodat deze geen verdere behandeling behoeven.

Ten aanzien van feit 2:

[verdachte] wordt onder feit 2 - zakelijk weergegeven - verweten dat hij zich, al dan niet tezamen met anderen, in de periode van 1 juni 2004 tot en met 31 mei 2007 schuldig heeft gemaakt aan (gewoonte) witwassen.

De rechtbank stelt voorop dat uit het voorgaande, meer specifiek paragraaf 4.3.4.2., volgt dat de betalingen door [bedrijf 6] zijn gedaan op grond van schijnleveringen. Anders dan de officier van justitie, die vrijspraak heeft gevorderd ten aanzien van het witwassen via de rechtspersoon [bedrijf 5], acht de rechtbank bewezen dat ook via [bedrijf 5] een betaling is gedaan aan [bedrijf 1] op grond van schijnleveringen. Dat uit het dossier en het verhandelde ter terechtzitting niet volgt dat [bedrijf 5] alle verkoopfacturen van [bedrijf 1] heeft voldaan, is in dat verband niet van belang.

Met betrekking tot het ten laste gelegde witwassen is allereerst de vraag aan de orde of de gelden waarmee deze betalingen zijn gedaan, afkomstig zijn uit een voorafgaand gepleegd misdrijf, zoals artikel 420bis Sr vereist.

Dit is het geval. Uit paragraaf 4.3.3, waarin de door de rechtbank aangenomen vaststaande feiten zijn beschreven, komt immers een constructie naar voren, die er mede ertoe strekte dat een deel van de goederen van [bedrijf 1], op een wijze die door de fiscus niet te achterhalen is, “zwart” konden worden verkocht aan onbekend gebleven derden.

De goederen werden door [bedrijf 1] met valselijk opgemaakte facturen en CMR’s op papier doorgeleverd aan rechtspersonen binnen de EU, waardoor zij ten ontrechte het nultarief voor de omzetbelasting kon hanteren. Hierdoor heeft [bedrijf 1] zich schuldig gemaakt aan misdrijven zoals bedoeld in de artikelen 225 Sr. en 69 lid 2 van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Door het vervolgens storten dan wel giraal overmaken van contant geld, afkomstig van deze “zwarte” verkopen, op de bankrekeningen van voornoemde rechtspersonen [bedrijf 6] en [bedrijf 5] en het met deze gelden voldoen van voornoemde valse facturen, is door verdachten de werkelijke aard en de herkomst van de bedragen verhuld.

Nu uit het voorgaande volgt dat het geld ten aanzien waarvan deze handelingen werden verricht afkomstig is uit het voorafgaande misdrijven valsheid in geschrifte en belastingfraude, moeten deze handelingen worden gekwalificeerd als witwassen.

Dat de wetenschap bestond, dat deze geldbedragen afkomstig waren uit misdrijven, staat gelet op het voorgaande vast.

Gewoontewitwassen

Gelet op de langere duur waarin volgens dit vaste concept werd gewerkt, is er tevens bewijs geleverd voor de strafverzwarende variant van gewoontewitwassen.

Medeplegen

Uit hetgeen hiervoor onder feit 1 is overwogen met betrekking tot de nauwe en bewuste samenwerking tussen [medeverdachte 4], [verdachte], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] bij de uitvoering van de schijnconstructie, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat ook ten aanzien van het onder feit 3 tenlastegelegde sprake is van medeplegen.

Het witwasbedrag

In de tenlastelegging is opgenomen dat ongeveer € 1.223.308 en/of € 209.375 is witgewassen. Uit het dossier volgt dat dit bedrag ziet op de bedragen die via [bedrijf 6]

(€ 1.223.308,00) en [bedrijf 5] (€ 209.375,00) zijn witgewassen.

Ten aanzien van het witwassen via [bedrijf 5] is een matiging op zijn plaats, nu de rechtbank het witwassen van € 45.000,00 bewezen acht.

In totaal komt de rechtbank op een witwasbedrag van ongeveer € 1.268.308,00

(bestaande uit € 1.223.308,00 ten aanzien van [bedrijf 6] en € 45.000,00 ten aanzien van [bedrijf 5]).

Op grond het voorgaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen van een bedrag van ongeveer € 1.268.308,00.

De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee verworpen.

Ten aanzien van feit 3:

Aan [verdachte] is onder 3 ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 juni 2004 tot en met

31 mei 2007, al dan niet als oprichter, bestuurder en/of leider, deel zou hebben gemaakt van een criminele organisatie.

De rechtbank vindt in het dossier onvoldoende bewijsmiddelen voor de conclusie dat de Belgische rechtspersonen [bedrijf 7] en de natuurlijke personen [bedrijf 8] en [C] deel uit hebben gemaakt van een crimineel samenwerkingsverband. De rechtbank acht evenmin bewezen dat verdachte [medeverdachte 3][medeverdachte 4] hierbij betrokken is geweest. De rechtbank zal [verdachte] ten aanzien van de samenwerking met deze rechtspersoon en natuurlijke personen dan ook partieel vrijspreken.

Met betrekking tot de overige in de tenlastelegging genoemde natuurlijke personen overweegt de rechtbank als volgt.

Volgens de huidige jurisprudentie (zie onder andere Hoge Raad 22 januari 2008, NJ 2008, 72) moet onder een criminele organisatie worden verstaan ‘een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon’. Om als deelnemer aangemerkt te worden, hoeft echter niet vast te komen staan de betreffende persoon bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Evenmin is vereist dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is.

Voorts moet vast komen te staan dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had, waaronder ook het naaste doel van de organisatie wordt gerekend. Overigens is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (zie Hoge Raad zie Hoge Raad 15 juni 2010, NJ 2010, 357). Daarnaast moet de verdachte een aandeel hebben in het samenwerkingsverband dan wel moet de verdachte de gedragingen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie ondersteunen (zie onder andere Hoge Raad 3 juli 2012, LJN: BW5161. Tot slot moet bewezen kunnen worden dat de verdachte opzet had op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat de verdachte enige opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 4], [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [verdachte] deel hebben genomen aan een organisatie die tot oogmerk het plegen van valsheid in geschrifte, BTW-fraude en witwassen heeft. Zij hebben een gestructureerd samenwerkingsverband gevormd en hebben ieder een aandeel gehad in dan wel ondersteunende gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft gedurende ruim 2,5 jaar voorgewend dat er goederen werden geleverd door zijn onderneming [bedrijf 1] aan de rechtspersonen van [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 2] in Spanje. In werkelijkheid werden de goederen niet aan deze rechtspersonen geleverd, maar “zwart” aan onbekend gebleven derden. Door echter voor te wenden dat de goederen aan de buitenlandse ondernemingen van voornoemde (mede)verdachten werden geleverd, kon [bedrijf 1] gebruik maken van het nultarief bij intra communautaire leveringen.

Om vervolgens de facturen gericht aan de ondernemingen van [medeverdachte 2] en [verdachte] te dekken, werden grote contante geldbedragen - afkomstig van valsheid in geschrifte en belastingfraude - op de bankrekeningen van deze firma’s gestort. Hiermee werden vervolgens de facturen van [bedrijf 1] voldaan en werd de toepassing van het nultarief ‘gerechtvaardigd’.

Zowel [verdachte], [medeverdachte 1] als [medeverdachte 2] zorgden er voor dat de contante bedragen, afkomstig van voornoemde “zwarte handel” al dan niet rechtstreeks werden gestort op de rekeningen van voornoemde ondernemingen.

Op grond van het voorgaande acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte] heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

Het door de verdediging op dit punt gevoerde bewijsverweer is met vorenstaande overwegingen weerlegd zodat dit geen verdere behandeling behoeft.

De rechtbank heeft er geen aanknopingspunten voor gevonden dat [verdachte] oprichter, bestuurder dan wel leider van deze organisatie is geweest. De rechtbank zal hem daarom hiervan partieel vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]:

1.

in de periode van 1 augustus 2004 tot en met 22 september 2006 in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen meermalen geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen telkens opzettelijk valselijk heeft opgemaakt, hebbende verdachte en zijn mededaders, toen daar opzettelijk valse CMR’s en verkoopfacturen, te weten (onder meer)

t) een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 6] d.d.

18-03-2005, factuurnummer PI 05031801

u) een CMR met nummer 029175 d.d. 28-03-2005

v) een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 6] d.d.

05-08-2004, factuurnummer 04080501

w) een CMR met nummer 324025 d.d. 23-08-2004

valselijk opgemaakt, bestaande die valsheid hierin dat - zakelijk weergegeven - telkens valselijk en/of in strijd met de waarheid op

voornoemde CMR('s)

(t-w )

- Wordt voorgewend dat [bedrijf 6] de in de CRM's genoemde goederen heeft

laten ophalen bij [bedrijf 1] en/of heeft laten vervoeren en/of heeft laten afleveren bij [bedrijf 6]

en verkoopfacturen

(t-w)

- Wordt voorgewend dat [bedrijf 6] de daarop genoemde goederen heeft besteld

en/of gekocht

zulks telkens met het oogmerk om die geschriften als echt en onvervalst

te gebruiken en/of door anderen te doen gebruiken.

2.

in de periode van 01 juni 2004 tot en met 31 mei 2007 in Nederland tezamen en in vereniging met anderen van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers heeft hij, verdachte,

- van meerdere geldbedragen (in totaal ongeveer € 1.268.308), de werkelijke aard en de herkomst verhuld door telkens geldbedragen contant en/of giraal op rekeningen van [bedrijf 6] en [bedrijf 5] te storten en vervolgens facturen van [bedrijf 1] met dit geld te betalen

en

- meerdere geldbedragen (in totaal ongeveer € 1.268.308) voorhanden gehad en overgedragen terwijl hij en zijn mededaderss wisten dat voornoemde geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten valsheid in geschrifte en/of belastingfraude.

3.

in de periode van 01 juni 2004 tot en met 31 mei 2007 in Nederland en/of Spanje heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband tussen (onder andere)

- meer natuurlijke personen, te weten verdachte en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 2] en

- meer rechtspersonen en/of bedrijven, te weten [bedrijf 1] en [bedrijf 6] en [bedrijf 5] en [bedrijf 10]

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven , te weten:

- valsheid in geschrift (artikel 225 lid 1 en/of lid 2 WvSr)

- belastingfraude (artikel 69 Awr)

- (gewoonte)witwassen (artikel 420bis en/of 420ter WvSr)

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. [verdachte] zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. [verdachte] is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Feit 1: medeplegen van valsheid in geschrift.

Feit 2: medeplegen van gewoontewitwassen.

Feit 3: het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

[verdachte] is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan [verdachte] op te leggen een werkstraf voor de duur van 200 uren, subsidiair 100 dagen vervangende hechtenis, alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 3 maanden met een proeftijd van 2 jaren.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van de strafmaat heeft de raadsvrouwe aangevoerd dat [verdachte] geen initiatiefnemer is geweest. Zijn rol was beperkt. Voorts dient bij het bepalen van de strafmaat rekening te worden gehouden met de overschrijding van de redelijke termijn, welke overschrijding niet aan de verdediging dient te worden toegerekend. [verdachte] is op 18 november 2009 in verzekering gesteld. De inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak is pas drie jaar later aangevangen.

Er bestaat geen meerwaarde van het tenlasteleggen van een criminele organisatie, naast het tenlasteleggen van valsheid in geschrifte en witwassen. Ter onderbouwing van dit standpunt zij verwezen naar Rechtbank Utrecht d.d. 23 mei 2011, LJN: BQ5617. In deze uitspraak is door de rechtbank overwogen dat de deelname aan een criminele organisatie in wezen besloten lag in het witwassen. Omdat deze feiten in wezen in elkaar besloten liggen, ondanks het feit dat beide feiten afzonderlijk door de officier van justitie ten laste zijn gelegd, was de rechtbank van oordeel dat dit niet strafverhogend diende te werken.

[verdachte] is zeer ernstig ziek is. Hij lijdt aan een ernstige vorm van COPD en ligt thans in een verpleeghuis. Wanneer verdachte uit het verpleeghuis ontslagen wordt, zal hij op straat terechtkomen. Verdachte beschikt niet over een vaste woon- of verblijfplaats. Voorts heeft hij een blanco strafblad.

Gelet op de slechte gezondheidstoestand van [verdachte] is hij niet in staat een werkstraf te verrichten.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder dit/deze is/zijn begaan en de persoon van de verdachte. Gelet op het samenstel van feiten dat bewezen is verklaard, zal de rechtbank niet per feit beoordelen welke straf hiervoor passend is, maar volstaan met het opleggen van één straf alle feiten omvattend.

[verdachte] heeft in georganiseerd verband deelgenomen aan het in stand houden van een schijnconstructie om door middel van valse documenten afdracht van BTW te ontlopen en gelden wit te wassen. Deze schijnconstructie bestond uit diverse bedrijven gevestigd Spanje, waaraan [bedrijf 1] –op papier– goederen leverde. [verdachte] wist echter dat deze bedrijven in werkelijkheid geen goederen van zijn onderneming afnamen. De goederen werden in werkelijkheid (voor een groot deel) aan onbekend gebleven derden geleverd. Hierdoor ontstond een belastingvoordeel. Om het te doen lijken alsof de goederen wel door de bedrijven in Spanje werden afgenomen, werden er facturen op naam van deze bedrijven gemaakt. Deze facturen werden vervolgens voldaan, maar niet voordat eerst een geldtransport naar Spanje dan wel een storting van contante gelden in Nederland en overboeking naar de bankrekening van de betreffende ondernemingen had plaatsgevonden.

Onder meer [verdachte] heeft met zijn handelen de fiscus en daarmee ook de Staat der Nederlanden en de samenleving voor een aanzienlijk geldbedrag (door de rechtbank begroot op € 202.502,96, zijnde 19/119 x € 1.268.308) benadeeld. Kennelijk uitsluitend met het doel zijn eigen persoonlijk gewin. Door verdachte en anderen zijn valse facturen en CMR’s opgemaakt, zodat deze in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] opgenomen konden worden. Door op een dergelijke wijze te handelen, heeft [verdachte] deelgenomen aan een frauduleuze handelwijze.

De stelling van de verdediging dat bij een bewezenverklaring van de eerste drie feiten, bewezenverklaring van deelname aan een criminele organisatie in wezen ligt besloten kan de rechtbank niet onderschrijven. De feiten waarvoor verdachte in onderhavige zaak wordt veroordeeld zijn, anders dan in de zaak waar de verdediging op heeft gewezen, alle materieel verschillend van elkaar in die zin dat (het lidmaatschap van) de criminele organisatie meer omvat dan de optelsom van de overige ten laste gelegde feiten. De ten laste gelegde feiten hebben ook ieder een ander te beschermen rechtsbelang. Gelet hierop is het lidmaatschap van de criminele organisatie wel van invloed op de strafmaat.

Door het handelen van [verdachte] is het vertrouwen dat moet kunnen worden gesteld in bepaalde geschriften, waaronder facturen en CMR’s ernstig geschaad. De gedragingen hebben rechtstreeks schade toegebracht aan de samenleving. Het feit dat [verdachte] hiermee strafbare feiten pleegde, heeft hem daarvan niet weerhouden.

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdacht rekening gehouden met het hem betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 28 september 2012, waaruit blijkt dat [verdachte] niet eerder voor een soortgelijk feit door de strafrechter is veroordeeld.

De verdediging heeft aangevoerd dat bij het bepalen van de strafmaat in matigende zin rekening gehouden dient te worden met de omstandigheid dat pas vier jaar na de eerste doorzoeking een inhoudelijke behandeling van de zaak plaatsvindt. Er is dan ook sprake van een overschrijding van de redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de bescherming van de Rechten van de Mens (EVRM) inhoudt. De rechtbank overweegt daartoe het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van een verdachte en zijn raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank gaat ervan uit dat, gelet op de specifieke omstandigheden van deze concrete strafzaak, bedoelde termijn een aanvang heeft genomen op het moment dat de doorzoeking bij [bedrijf 1] heeft plaatsgevonden, te weten op 14 oktober 2008. Gelet op het voorgaande, kan worden vastgesteld dat op het moment dat in eerste aanleg vonnis wordt gewezen, de vervolging van [verdachte] meer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De rechtbank acht deze duur onredelijk.

Zij neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat alhoewel de omvang van het door de FIOD-ECD verrichte onderzoek groot is, pas op 28 juli 2010 – bijna twee jaar na de doorzoekingen- het eindproces-verbaal gereed is gekomen. Hierna heeft op 21 december 2010 een regiezitting plaatsgevonden, waarbij diverse verzoeken door de verdediging in de zaak van [verdachte] en in zaken van medeverdachten zijn ingediend en – deels – zijn toegewezen.

In een aan de strafzaak tegen onder andere [medeverdachte 5] verwant strafrechtelijk onderzoek ([medeverdachte 5]) hebben in 2012 twee regiezittingen plaatsgevonden, waarbij door de verdediging in deze betreffende zaken ook verzoeken zijn ingediend en - deels – zijn toegewezen. Omdat een aantal van deze onderzoekswensen, waaronder het horen van getuigen, ook relevant was voor de strafzaak van [verdachte], heeft de rechtbank bepaald dat zijn verdediging aanwezig kon zijn bij de betreffende getuigenverhoren. Andere stukken uit voornoemd onderzoek zijn gevoegd in het dossier van [verdachte].

Voortvarend optreden van de zijde van de rechter-commissaris heeft er uiteindelijk toe geleid dat in oktober van dit jaar kon worden aangevangen met de inhoudelijke behandeling van zowel de zaken in het onderzoek [medeverdachte 5] als de strafzaak tegen [verdachte].

Desalniettemin zijn ruim vier jaar verstreken na voornoemde doorzoekingen en de start van de inhoudelijke behandeling van zijn strafzaak. Dit kan niet aan de verdediging worden toegerekend. De rechtbank zal hiermee in strafmatigende zin rekening houden.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het gevoerde verweer dat enkele vragen van de verdediging omtrent de voorfase en/of de samenstelling van het dossier onbeantwoord zijn gebleven. Ook hiermee zal in het voordeel van [verdachte] rekening worden gehouden bij het bepalen van de op te leggen straf.

De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de gezondheidstoestand van verdachte en hetgeen de raadsvrouwe hierover ter terechtzitting heeft aangevoerd, niet kan worden gekozen voor het opleggen van een werkstraf. Gelet op de ernst van de bewezen verklaarde feiten kan evenmin worden volstaan met het opleggen van een forse geldboete, nog daargelaten de vraag of verdachte daartoe over de benodigde draagkracht beschikt. Om die reden ziet de rechtbank zich genoodzaakt aan verdachte een gevangenisstraf op te leggen.

De rechtbank heeft bij de strafoplegging voorts rekening gehouden met hetgeen in art.

63 van het Wetboek van Strafrecht is bepaald.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 16 weken noodzakelijk is. Gelet evenwel op de overschrijding van de redelijke termijn, alsmede het feit dat vragen van de verdediging ontbeantwoord zijn gebleven, zal de rechtbank in plaats van een gevangenisstraf van 16 weken, een onvoorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 14 weken opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 63, 140, 225 en 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: Medeplegen van valsheid in geschrift.

Feit 2: Medeplegen van gewoontewitwassen.

Feit 3: Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 14 (veertien) weken;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. L.P. Stapel en D.A. Groenevelt-Timmer, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 december 2012.