Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6114

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
10-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
16.700854-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Bedrijfsinbraak met grote buit. DNA-match en camerabeelden. Gevangenisstraf van 9 maanden.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16.700854-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 10 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1987] te [geboorteplaats]

thans voor deze zaak gedetineerd te HvB Nieuwegein

raadsman mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 26 november 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De zaak is tegelijkertijd maar niet gevoegd behandeld met de zaak tegen medeverdachte [medeverdachte] onder parketnummer 16.700855-12.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte in de nacht van 23 op 24 oktober 2011 samen met een ander bij [benadeelde] te Utrecht:

feit 1: heeft ingebroken en zowel een geldbedrag als goederen heeft weggenomen;

feit 2: meerdere goederen heeft vernield.

3 De voorvragen

De dagvaarding is geldig, de rechtbank is bevoegd, de officier van justitie is ontvankelijk in de vervolging en er is geen reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de aangifte en de aanvullende verklaringen van aangever, de beelden van de beveiligingscamera, de bevindingen van de verbalisanten – met name ten aanzien van de herkenning van verdachte – en de resultaten van het DNA-onderzoek.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring van de ten laste gelegde feiten kan komen en verzoekt de rechtbank dan ook om verdachte daarvan vrij te spreken. De verdediging voert daartoe aan dat er onvoldoende overtuigend bewijs is dat verdachte een van de personen is geweest die de feiten heeft gepleegd.

De herkenning van verdachte door verbalisanten is niet op juiste wijze tot stand gekomen. Uit het dossier volgt dat naar aanleiding van CIE-informatie verdachte op de beelden moest worden herkend. Daarbij komt dat verbalisant [verbalisant 1] verdachte niet met een zekerheid van honderd procent heeft herkend.

Voorts kunnen de resultaten van het DNA-onderzoek niet worden gebruikt als bewijs, omdat de conclusie van dat onderzoek niet inhoudt dat het DNA-profiel dat is afgeleid uit het monster matcht met het DNA-profiel van verdachte. Daarbij komt dat het DNA-spoor ook op een andere manier dan bij de inbraak in de slagerij kan zijn terechtgekomen.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de hem ten laste gelegde feiten heeft begaan en overweegt daartoe het volgende.

Vaststelling van de feiten

In de nacht van 23 op 24 oktober 2011 is er ingebroken in slagerij [benadeelde], gelegen aan de [adres] te [woonplaats]. Om het pand te kunnen betreden zijn de toegangsdeuren van de slagerij met een breekvoorwerp geforceerd. Binnen zijn de lockers van de medewerkers opengebroken. Uit een van die lockers is de kluissleutel gehaald en daarmee is vervolgens de kluis geopend. In de kluis bevond zich nog een afgesloten ruimte, welke met geweld is opengebroken. Hieruit is een geldbedrag ontvreemd van ongeveer € 72.500,00. Daarnaast is er een aantal goederen uit het pand weggenomen, te weten: de autosleutels en kentekenbewijzen van drie personenauto’s, twee navigatiesystemen van het merk TomTom, een iPad, een laptop met extern geheugen en een portemonnee met inhoud. Tevens is een aantal goederen vernield, te weten: drie computers, een computer camerasysteem, een printer, een fax, bewegingsmelders, een temperatuurkast van het merk Dixell, diverse werkkleding, kantoorartikelen en een mobiele pinautomaat.

De inbraak is gedeeltelijk vastgelegd door de beveiligingscamera die zich bevond in het kantoorgedeelte van het pand. Daarop is te zien dat er tussen 3.24 uur en 4.47 uur in de nacht van 23 op 24 oktober 2011 twee personen in het pand waren en dat de kluis werd geopend. Op voornoemde beelden heeft verbalisant [verbalisant 2] verdachte herkend als een van de twee personen.

Bij de inbraak zijn tevens een aantal flessen reinigingsmiddel en een fles marinade leeggegoten in het kantoor. Twee doppen van de flacons zijn bemonsterd. Van het monster van een van de twee doppen is een DNA-(meng)profiel verkregen dat is vergeleken met het DNA-profiel van verdachte. Het DNA-profiel van de verdachte matcht met dit DNA-(meng)profiel.

De rechtbank acht dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een van de personen is die de inbraak heeft gepleegd.

Nadere bewijsoverwegingen

De verdediging heeft aangevoerd dat de resultaten van het DNA-onderzoek niet kunnen worden gebruikt als bewijs, omdat de conclusie van dat onderzoek niet inhoudt dat het DNA-profiel, dat is afgeleid uit het monster, matcht met het DNA-profiel van verdachte. De verdediging heeft voorts aangevoerd dat dit DNA-spoor ook op een andere manier dan bij de inbraak in de slagerij kan zijn terecht gekomen.

De rechtbank verwerpt dit verweer en overweegt daartoe het volgende.

Naar het oordeel van de rechtbank is het aangetroffen spoor op een van de doppen onmiskenbaar afkomstig van een van de daders en betreft het aldus een daderspoor. Uit het dossier blijkt immers dat de daders tijdens de inbraak flacons reinigingsmiddel en marinade hebben leeggegoten in het pand. Twee doppen van die flacons zijn vervolgens bemonsterd.

Uit het monster van één van de twee doppen is een DNA-(meng)profiel afgeleid. De rapporteur van het NFI heeft geconcludeerd dat dit profiel matcht met het DNA-profiel van verdachte. Ten aanzien van de wetenschappelijke bewijswaarde heeft de rapporteur geconcludeerd dat de resultaten van het onderzoek extreem veel waarschijnlijker zijn als de dop celmateriaal bevat van verdachte en twee willekeurige personen, niet verwant aan verdachte, dan wanneer de dop celmateriaal bevat van drie willekeurige personen, niet verwant aan verdachte.

Op grond van deze conclusie, in onderling verband en nauwe samenhang bezien met het gegeven dat verdachte op de beelden van de inbraak is herkend door een verbalisant, acht de rechtbank wettig en overtuigend bewezen dat verdachte een van de donoren is van het celmateriaal dat op een van de doppen is aangetroffen – welk spoor een daderspoor betreft – en dat verdachte aldus een van de twee personen is die de inbraak heeft gepleegd.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

in de periode van 23 oktober 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit slagerij [benadeelde], gelegen aan de [adres], heeft weggenomen

- een geldbedrag van ongeveer 72.500 euro en

- autosleutels en kentekenbewijzen van personenauto's en

- navigatiesystemen van het merk TomTom en

- een iPad en

- een laptop met extern geheugen en

- een portemonnee met inhoud,

toebehorende aan [A] en [benadeelde], waarbij verdachte en zijn mededader zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak, te weten door met een breekvoorwerp de toegangsdeuren van de slagerij te forceren en waarbij verdachte en zijn mededader de weg te nemen goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van een valse sleutel, te weten een gestolen sleutel;

2.

in de periode van 23 oktober 2011 tot en met 24 oktober 2011 te Utrecht, tezamen en in vereniging met een ander, opzettelijk en wederrechtelijk

- drie computers en

- een computer camerasysteem en

- een printer en

- een fax en

- bewegingmelders en

- een temperatuurcontrolekast van het merk Dixell en

- een hoeveelheid werkkleding en kantoorartikelen en

- een mobiel pinapparaat,

toebehorende aan [A] en [benadeelde], heeft vernield.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten

voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in

zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezen verklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels.

Feit 2: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden met aftrek van de periode die verdachte reeds in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich niet uitgelaten over de strafmaat.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met een ander schuldig gemaakt aan een bedrijfsinbraak in een slagerij. Verdachte en zijn mededader hebben de toegangsdeur van het bedrijf geforceerd, meerdere goederen weggenomen en tevens een fors geldbedrag uit de kluis ontvreemd. Daarnaast hebben zij veel goederen vernield en hebben zij de vloer van het pand besmeurd met reinigingsmiddel en marinade.

De rechtbank telt zeer zwaar aan dergelijke feiten. Inbraken veroorzaken niet alleen materiële schade, maar vaak leiden dit soort feiten ook tot veel ergernis en ongemak. Bovendien draagt een inbraak in het algemeen bij aan een onveilig gevoel bij de eigenaar en de werknemers van het bedrijf. Verdachte heeft puur uit eigen gewin gehandeld en geen oog gehad voor de schade en ongemak, die hij heeft veroorzaakt bij het bedrijf. De rechtbank acht het bovendien onacceptabel dat verdachte op een zeer brutale wijze goederen heeft vernield en de vloer van het pand heeft besmeurd.

Ten aanzien van de persoon van verdachte heeft de rechtbank voorts rekening gehouden met:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 25 juli 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor vermogensdelicten, waaronder meerdere diefstallen met braak;

- een de verdachte betreffend onderzoek pro justitia d.d. 25 augustus 2012, opgesteld door I. Maksimovic, psychiater, en een de verdachte betreffend onderzoek pro justitia d.d. 28 augustus 2012, opgesteld door R. Bout, GZ-psycholoog, beide inhoudende dat verdachte zwakbegaafd is en lijdt aan een aandachtstekortstoornis.

De rechtbank acht op grond van al het voorgaande een gevangenisstraf voor de duur van negen maanden, zoals door de officier van justitie is geëist, passend en noodzakelijk.

7 De benadeelde partij

7.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie is van mening dat de vordering van de benadeelde partij [benadeelde], in deze vertegenwoordigd door [A], bij wijze van voorschot dient te worden toegewezen tot een bedrag van € 110.000,- en dat daarbij de schadevergoedingsmaatregel dient te worden opgelegd.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat verdachte dient te worden vrijgesproken van het hem ten laste gelegde feit.

De verdediging heeft subsidiair aangevoerd dat de benadeelde partij niet-ontvankelijk dient te worden verklaard in haar vordering, omdat de hoogte van het bedrag op dit moment niet kan worden vastgesteld. De verzekering van de benadeelde partij buigt zich op dit moment nog over het te vergoeden schadebedrag.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De benadeelde partij [benadeelde], in deze vertegenwoordigd door [A], vordert een schadevergoeding van plusminus € 135.000,- voor de feiten 1 en 2.

De rechtbank begroot – op grond van het onderzoek ter terechtzitting d.d. 26 november 2012 – de schade vooralsnog op een bedrag van € 75.000,- . Hierbij heeft de rechtbank in aanmerking genomen dat een gedeelte van de ontstane schade reeds aan de benadeelde partij is vergoed. De rechtbank is van oordeel dat voornoemde schade een rechtstreeks gevolg is van de bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. De rechtbank zal de vordering dan ook tot dat bedrag toewijzen.

De rechtbank acht de mededader aansprakelijk voor die schade, zodat de vordering hoofdelijk zal worden toegewezen.

De rechtbank zal de toegekende vordering benadeelde partij vermeerderen met de wettelijke rente, berekend vanaf het tijdstip van ontstaan van de schade tot aan de dag der algehele voldoening. Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schademaatregel opleggen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt. De rechtbank zal de benadeelde partij dan ook niet-ontvankelijk verklaren in dat deel van haar vordering. Nader onderzoek zou een onevenredige belasting opleveren van het strafgeding. De benadeelde partij kan desgewenst haar vordering voor dat deel bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

8 Het beslag

8.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft primair gevorderd dat de twee bij verdachte in beslag genomen bankbiljetten van € 500,- worden teruggegeven aan de rechtmatige eigenaar, te weten aangever [A].

De officier van justitie heeft subsidiair gevorderd dat voornoemde bankbiljetten verbeurd worden verklaard.

8.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat er geen reden is om aan te nemen dat de onder verdachte in beslag genomen bankbiljetten afkomstig zijn van het ten laste gelegde feit, dan wel van enig ander strafbaar feit en verzoekt de rechtbank dan ook om voornoemd geldbedrag terug te geven aan verdachte.

8.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank zal de teruggave gelasten van de twee bankbiljetten van € 500,- aan verdachte, aangezien deze voorwerpen niet vatbaar zijn voor verbeurdverklaring of onttrekking aan het verkeer en onder verdachte in beslag zijn genomen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 47, 57, 311, 350 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

feit 1: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak en waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van valse sleutels;

feit 2: medeplegen van opzettelijk en wederrechtelijk enig goed dat geheel of ten dele aan een ander toebehoort, vernielen;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van negen maanden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [benadeelde], in deze vertegenwoordigd door [A], van € 75.000,- en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 23 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [benadeelde], in deze vertegenwoordigd door [A], € 75.000,- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 365 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voorzover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Beslag

- gelast de teruggave aan verdachte van de twee in beslag genomen bankbiljetten van

€ 500,- elk.

Dit vonnis is gewezen door mr. P. Bender, voorzitter, mr. J.R. Krol en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. G.C. van de Ven- de Vries, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 10 december 2012.