Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6078

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
13-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
16/441149-11, 16/656470-12 (ttz gevoegd), 21/003170-09 (vordering tul) en 21/000805-11
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Eenvoudige belediging, twee maal bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht, mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, mishandeling, eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, meermalen gepleegd; verduistering. Strafbare feiten richten zich tegen huurders van verdachte en ambtenaren van de gemeente. De rechtbank veroordeelt verdachte tot zes maanden gevangenisstraf, waarvan 3 maanden voorwaardelijk.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16/441149-11, 16/656470-12 (ttz gevoegd), 21/003170-09 (vordering tul) en 21/000805-11 (vordering tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 13 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1935] te [geboorteplaats] en Sint Hubert

wonende te [woonplaats]

gedetineerd in het Huis van Bewaring Wolvenplein te Utrecht

raadsman mr. V. Senczuk, advocaat te Utrecht

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 29 november 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers en zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

t.a.v. de dagvaarding met parketnummer 16/441149-11:

Feit 1: de goede eer of naam van [slachtoffer] heeft aangerand door een brief met beledigende tekst te verspreiden met het doel aan de inhoud van die tekst ruchtbaarheid te geven;

Feit 2: [slachtoffer] heeft beledigd door tegen hem te zeggen: ‘Jij bent een homofiel en kontneuker’;

t.a.v. de dagvaarding met parketnummer 16/656470-12:

Feit 1: [slachtoffer 2] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht door tegen haar te zeggen: ‘Als je hier dit weekend niet weg bent, flikker ik jou samen met al je spullen het raam uit’;

Feit 2: [slachtoffer 3], terwijl hij als ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening handelde, heeft mishandeld door hem aan zijn shirt te trekken waardoor zijn arm werd afgekneld;

Feit 3: [slachtoffer 4] heeft mishandeld door hem tegen zijn gezicht te slaan;

Feit 4: [slachtoffer 4] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht, door tegen hem te zeggen: ‘Ik ga je omleggen, ik heb wel meer mensen omgelegd en jij bent de volgende’;

Feit 5: wethouder [slachtoffer 5] en andere gemeente ambtenaren heeft beledigd, door hen in een brief onder meer uit te maken voor nazi-hufters en nazi-schoften;

Feit 6: primair: een brief gericht aan [slachtoffer 6] heeft verduisterd, door de brief mee te nemen uit een pand waarvan hij de beheerder was en waar [slachtoffer 6] op dat moment niet meer verbleef, en door zich de brief vervolgens toe te eigenen;

6. subsidiair: een brief van [slachtoffer 6] heeft weggemaakt door deze in een container te deponeren.

3 De voorvragen

De raadsman heeft zich ten aanzien van feit 1 op de dagvaarding met parketnummer 16/441149-11 op het standpunt gesteld dat niet aan het klachtvereiste is voldaan zoals dat geldt voor artikel 261 Wetboek van Strafrecht. Een klacht dient te worden ingediend binnen drie maanden nadat degene tegen wie de belediging is gepleegd, daarvan kennis heeft gekregen. In de onderhavige zaak is de belediging waarop in dit feit wordt gedoeld, gedaan in een brief van verdachte d.d. 17 juni 2011 en is de klacht eerst gevolgd op 13 november 2012.

De officier van justitie is van mening dat door de klacht ter zake de mondelinge belediging die voorafging aan de brief (feit 2) en door het onlangs alsnog indienen van een klacht inzake de belediging als ten laste gelegd onder feit 1 wel is voldaan aan het klachtvereiste.

De rechtbank overweegt dat aangever in november 2012 zowel aangifte heeft gedaan als een klacht heeft ingesteld ter zake van de desbetreffende belediging. Daarnaast heeft aangever voorafgaand aan de terechtzitting nog een vordering tot vergoeding van de immateriële schade ingediend. De rechtbank is van oordeel dat gelet op deze handelingen ten tijde van de behandeling ter terechtzitting onmiskenbaar was dat bij aangever de wens bestond verdachte te vervolgen. Daarmee is naar het oordeel van de rechtbank aan het klachtvereiste voldaan en is het openbaar ministerie ontvankelijk in de vervolging.

Ten aanzien van feit 2 is de klacht ingediend enkele dagen nadat de beledigende woorden aangever hebben bereikt, zodat de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie op die grond niet ter discussie staat.

Feit 5 op de dagvaarding met parketnummer 16/656470-12 betreft een belediging van ambtenaren in de rechtmatige uitoefening van hun bediening in de zin van artikel 267 Wetboek van Strafrecht. Dergelijke beledigingen zijn van het klachtvereiste vrijgesteld. Het klachtvereiste vormt ten aanzien van dat feit dan ook geen grond die getoetst moet worden voor de ontvankelijkheid van het openbaar ministerie.

Mede gelet op het voorgaande komt de rechtbank tot de vaststelling dat de dagvaarding geldig is, dat de rechtbank bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan -voor zover ook sprake is van een subsidiair feit in de primaire variant-, en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen, alsmede op de ter zitting door verdachte afgelegde verklaring.

4.2 Het standpunt van de verdediging

T.a.v. de dagvaarding met parketnummer 16/441149-11:

Feit 1:

De raadsman heeft zich op het standpunt gesteld dat niet kan worden gekomen tot een bewezenverklaring van feit 1, aangezien geen sprake is van het vereiste oogmerk op ruchtbaarheid geven aan. Verdachte moet daarom van dit feit worden vrijgesproken, aldus de raadsman.

Feit 2:

Ook ten aanzien van feit 2 dient vrijspraak te volgen. Verdachte heeft weliswaar bekend dat hij iemand heeft uitgemaakt voor homoflikker, maar volgens de raadsman vormde deze uitlating slechts een onderdeel van een scheldpartij. Indien iedereen die dergelijke uitlatingen doet binnen een scheldpartij vervolgd zou worden, zou het rechtssysteem vastlopen, aldus de raadsman.

T.a.v. de dagvaarding met parketnummer 16/656470-12:

Feit 1.

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte de bedreigende woorden heeft geuit zoals neergelegd in de tenlastelegging onder feit 1. Hij heeft aan [slachtoffer 2] weliswaar met stevige bewoordingen duidelijk gemaakt dat zij zijn huis uit moest -ze verbleef daar immers illegaal-, maar de woorden zoals neergelegd in de tenlastelegging heeft hij niet gebruikt. Voor zover hij in zijn verhoor bij de politie deze woorden heeft bevestigd, zijn die woorden door de politie bij hem in de mond gelegd. De raadsman is dan ook van mening dat verdachte van dit feit moet worden vrijgesproken.

Feit 2.

De verdediging is van mening dat de rechtbank evenmin tot een bewezenverklaring kan komen van het onder 2 ten laste gelegde feit. Volgens de raadsman was het opzet van verdachte er niet op gericht [slachtoffer 3] pijn te doen. Verdachte heeft [slachtoffer 3] slechts vastgepakt om hem te verwijzen naar de aannemer die op dat moment in het pand bezig was en wiens werkzaamheden [slachtoffer 3] kwam controleren. Bovendien heeft de raadsman betoogd dat de ambtenaar niet bezig was in de rechtmatige uitoefening van zijn bediening. De gemeente voerde een hetze jegens verdachte en controleerde hem onnodig vaak. Ook voor dit feit moet daarom vrijspraak volgen, aldus de raadsman.

Feiten 3 en 4.

De verdediging heeft ten aanzien van feit 3 aangevoerd dat op de desbetreffende dag weliswaar een meningsverschil bestond tussen [slachtoffer 4] en verdachte, doch dat het bij een gesprek is gebleven en dat geen geweld is toegepast. Er zijn ook geen getuigen die de ten laste gelegde geweldshandelingen kunnen bevestigen. Ook zijn er geen getuigen die kunnen bevestigen dat verdachte de bedreigende bewoordingen heeft geuit zoals neergelegd in de tenlastelegging van feit 4. Voor beide feiten is dan ook onvoldoende wettig en overtuigend bewijs om tot een bewezenverklaring te kunnen komen, aldus de raadsman.

Feit 5.

Ten aanzien van feit 5 heeft de verdediging aangevoerd dat eerst sprake kan zijn van belediging, indien iemands goede naam of eer wordt aangerand. Daarbij speelt de context van de uitlatingen een belangrijke rol, aldus de raadsman. Gelet op de hetze die de gemeente doelbewust en met een zeer negatieve en kwaadwillende houding jegens verdachte heeft ingezet, kunnen de bewoordingen in de brief van verdachte niet als beledigend worden aangemerkt. Het zijn slechts denigrerende benamingen voor de gemeenteambtenaren, ten gevolge van de frustraties die bij verdachte zijn ontstaan door de handelwijze van de gemeente, aldus de raadsman.

Feit 6.

Ten aanzien van feit 6 heeft de raadsman betoogd dat de verklaring van [slachtoffer 6], dat zij is gebeld door haar rechtsbijstandverzekeraar dat zij de aan haar verzonden brief retour hadden gekregen met daarbij een reactie van verdachte, op geen enkele wijze nader is onderbouwd. De brief van verdachte aan [slachtoffer 6] d.d. 16 oktober 2011 laat zich bovendien geheel niet lezen als een reactie op de brief van de rechtsbijstandverzekeraar. Mocht verdachte de brief wel hebben verzonden, dan kan op grond daarvan niet worden gesproken van wederrechtelijke toeëigening. Het retour zenden impliceert juist dat hij de brief niet wilde hebben. In dat geval kan hij de brief ook niet hebben weggemaakt, aldus de raadsman. De verdediging is dan ook van mening dat verdachte zowel van het primair, als van het subsidiair onder 6 ten laste gelegde feit moet worden vrijgesproken.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

T.a.v. de dagvaarding met parketnummer 16/441149-11:

Feit 1:

De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het onder 1 ten laste gelegde feit. Verdachte heeft weliswaar bekend dat hij zich beledigend heeft geuit in een brief gericht aan de advocaat van [slachtoffer], doch niet gebleken is dat hij het kennelijke doel had aan deze beledigende uitlatingen ruchtbaarheid te geven. Het betrof een handgeschreven brief, die was gericht aan het kantoor van de advocaat van [slachtoffer], en waarvan alleen een kopie is verzonden aan de eigen advocaat van verdachte. Niet vastgesteld kan daarom worden dat verdachte zijn brief ter kennis van het publiek heeft gebracht of heeft willen brengen, waaronder moet worden verstaan een brede kring van betrekkelijk willekeurige derden. De rechtbank zal verdachte dan ook vrijspreken van dit feit.

Feit 2:

Aangever [slachtoffer] heeft verklaard dat hij op 9 juni 2011 zijn huurwoning aan de [adres] te Utrecht wilde betreden. Op het moment dat hij daar aankwam, zag hij de heer [verdachte] staan. Hij hoorde [verdachte] toen zeggen: “Jij bent een homofiel en kontneuker”.

Ten overstaan van de politie heeft [verdachte] verklaard dat er over en weer gescholden is en dat hij daarbij wel iemand heeft uitgemaakt voor homoflikker. Het ging in die verklaring om het pand aan de [adres] te Utrecht. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat het goed zou kunnen dat hij in deze verklaring doelt op de scheldpartij met [slachtoffer].

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, wettig en overtuigend is bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 ten laste gelegde belediging. Verdachte heeft de belediging in de tegenwoordigheid van aangever mondeling tot hem gericht. Alhoewel de bewoording ‘homofiel’ op zichzelf niet beledigend hoeft te zijn, heeft zij dit karakter in de gegeven omstandigheden wel gelet op de context waarbinnen deze uitlating is gedaan, met name dat zij is gedaan in combinatie met de uitlating “kontneuker”. De rechtbank acht hierbij van belang dat deze uitingen een onderdeel vormen van een scheldpartij. De uitingen hebben daardoor de strekking om de waardigheid die aangever in het maatschappelijk verkeer toekomt, aan te randen. De rechtbank is van oordeel dat het opzet van verdachte kan worden afgeleid uit de wijze waarop de beledigende woorden zijn geuit.

T.a.v. de dagvaarding met parketnummer 16/656470-12:

Feit 1.

Aangeefster [slachtoffer 2] heeft verklaard dat zij zich op 20 oktober 2012 op de eerste verdieping in de woning aan de [adres] te [woonplaats] bevond, toen de heer [verdachte] in de deuropening verscheen. Zij hoorde dat [verdachte] daarop zei: “Wat doe jij hier, jij tweedehands burger”. Zij zag dat [verdachte] daarbij zijn rechter vuist op vijf centimeter van haar gezicht hield. Vervolgens hoorde zij dat [verdachte] zei: “Als je hier dit weekend niet weg bent, flikker ik jou samen met al je spullen het raam uit”.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het zou kunnen dat hij de uitspraken heeft gedaan, zoals vermeld in de tenlastelegging onder feit 1. Ook heeft hij verklaard dat hij op dat moment niet zo vriendelijk was en dat hij zijn woorden kracht bij heeft gezet door met zijn armen te zwaaien. Ten overstaan van de politie heeft verdachte verklaard dat aangeefster de volle laag van hem kreeg.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 1 ten laste gelegde bedreiging. Verdachte heeft bevestigd dat hij op 20 oktober 2012 flink te keer is gegaan tegen aangeefster en hij sluit niet uit dat hij de woorden heeft geuit zoals vermeld in de tenlastelegging. Dat hij in zijn verklaringen die hij bij de politie en ten overstaan van de rechtbank heeft afgelegd, die bedreigende woorden zelf niet opnieuw in de mond heeft genomen, maakt niet dat de rechtbank eraan twijfelt of hij die bedreigingen jegens aangeefster daadwerkelijk heeft geuit. De handeling inhoudende dat verdachte hierbij een vuist op korte afstand van het gezicht van aangeefster heeft gehouden, wordt naar het oordeel van de rechtbank bevestigd door de verklaring van verdachte, inhoudende dat hij zijn woorden kracht bij heeft gezet met zwaaiende armbewegingen.

Aangeefster heeft verklaard dat zij erg geschrokken is van de uitlatingen. Zij is dan ook meteen naar buiten gegaan, omdat ze zich daar veiliger voelde, aldus aangeefster. De rechtbank leidt hieruit af dat bij aangeefster de vrees bestond, dat verdachte daadwerkelijk uitvoering zou geven aan zijn dreigementen. Omdat aangeefster zich op het moment van de bedreigingen op de eerste verdieping van de woning bevond, zou de uitvoering van de dreigementen fatale gevolgen kunnen hebben. Onder deze omstandigheid, alsmede gelet op het feit dat verdachte zijn uitlatingen bleef herhalen en hij door zijn armbewegingen een agressieve indruk moet hebben gemaakt, acht de rechtbank het zonder meer aannemelijk dat deze vrees bij haar is ontstaan.

Feit 2.

Aangever [slachtoffer 3], ambtenaar belast met onder meer het toezicht van verbouwactiviteiten, heeft verklaard dat hij zich op 22 mei 2012 samen met collega [getuige 1] bevond bij het pand aan de [adres] te [woonplaats]. Hij was op dat moment in de rechtmatige uitoefening van zijn beroep. Nadat [verdachte] aldaar de deur had geopend, zag hij dat [verdachte] hem bij zijn rechterarm vastpakte, waarbij hij met name de mouw van zijn shirt vast had. Vervolgens trok [verdachte] hem de woning in. Hij voelde dat de mouw van zijn shirt daarbij zijn vel beknelde, hetgeen pijn deed.

De verbalisant die de aangifte heeft opgenomen heeft opgemerkt dat op de rechterbovenarm van aangever een grote rode plek is te zien.

Getuige [getuige 1] heeft bevestigd dat [verdachte] de heer [slachtoffer 3] bij zijn rechterarm pakte en een trekkende beweging zijn kant opmaakte. Ook zag hij dat [slachtoffer 3] daarna striemen had op zijn arm.

Op foto’s van de arm van aangever zijn deze striemen te zien.

Verdachte heeft ten overstaan van de politie verklaard dat hij [slachtoffer 3] bij zijn mouw heeft vastgepakt.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 2 ten laste gelegde mishandeling. Doordat verdachte aangever ter hoogte van zijn bovenarm bij zijn mouw vastpakte en daaraan heeft getrokken op een zodanige manier dat het vel van de bovenarm van aangever werd afgekneld, heeft hij letsel en pijn bij aangever toegebracht. Uit die welbewuste fysieke handelingen jegens aangever, kan het opzet van verdachte op het toebrengen van pijn en letsel aan aangever worden afgeleid.

Feiten 3 en 4.

Aangever [slachtoffer 4] heeft verklaard dat hij op 20 oktober 2012 zag dat de heer [verdachte] zich in de deuropening van zijn kamer in het pand aan de [adres] te [woonplaats] bevond. De heer [verdachte] kwam vervolgens zijn kamer binnen. Hij zag en voelde toen dat [verdachte] hem met zijn tot vuist gebalde rechterhand tegen zijn gezicht stompte. Hij voelde daardoor een branderig gevoel op zijn jukbeen en ook zijn neus deed zeer. Hij heeft verklaard dat hij erg verbaasd was en zei: “Hij slaat mij”. Vervolgens hoorde hij dat [verdachte] tegen hem zei: “Ik ga je omleggen. Ik heb wel meer mensen omgelegd en jij bent de volgende”.

Hij hoorde dat [verdachte] bleef schreeuwen en zei: “Rotzak, jij minderwaardig mens, jij gaat dood. Eerst gaat die gore slet van boven weg en daarna jij”.

Eén van de huisgenoten van aangever, getuige [getuige 2], heeft verklaard dat zij hoorde dat aangever zei: “Slaat u mij nou?” Zij liep op het moment naar beneden in de richting van de kamer van [slachtoffer 4]. Toen zij de kamer van [slachtoffer 4] had bereikt, zag zij dat hij geschrokken keek. [verdachte] verliet op dat moment de kamer.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat het klopt dat hij de desbetreffende dag ruzie heeft gehad met [slachtoffer 4]. Er was sprake van een situatie van oorlog tussen hen. Hij heeft de zaken daarbij fors neergezet, aldus verdachte.

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, allereerst wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 3 ten laste gelegde mishandeling in die zin dat verdachte [slachtoffer 4] tegen het gezicht heeft geslagen. De rechtbank is van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte die [slachtoffer 4] in het gezicht heeft gestompt.

Verdachte heeft bekend dat op de desbetreffende dag een ruzie tussen hem en [slachtoffer 4] heeft plaatsgevonden in de kamer van [slachtoffer 4]. Hij was boos. Gelet op zijn eerdere verklaring dat hij gewend is in dergelijke situaties zijn woorden kracht bij te zetten met zwaaiende bewegingen, acht de rechtbank het aannemelijk dat hij op die wijze [slachtoffer 4] in het gezicht heeft geraakt en hem aldus heeft geslagen. Getuige [getuige 2] heeft bevestigd dat [slachtoffer 4] op enig moment op verbaasde toon zei: “Sla je me nou”. De rechtbank heeft geen reden te twijfelen aan de strekking van deze woorden en gaat ervan uit dat [slachtoffer 4] dit heeft gezegd omdat hij daadwerkelijk door verdachte is geslagen. Dat dit niet door getuige [getuige 2] is gezien, maakt het voorgaande niet anders. Op het moment dat zij de woorden hoorde, bevond zij zich nog op de trap. De woorden duiden erop dat de mishandeling toen al had plaatsgevonden.

De rechtbank is van oordeel dat kan worden vastgesteld dat verdachte voorwaardelijk opzet had op het toebrengen van pijn aan [slachtoffer 4]. Door tijdens een woordenwisseling met aangever in diens richting zwaaiende bewegingen te maken met zijn armen, heeft hij willens en wetens de aanmerkelijke kans aanvaard dat hij daarbij het gezicht van [slachtoffer 4] zou raken. Aannemelijk is dat verdachte daarbij op de koop toe heeft genomen dat hij als gevolg van zijn handelen die [slachtoffer 4] pijn zou doen. Verdachte moet zich van dat gevolg bewust zijn geweest.

Op basis van de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, acht de rechtbank eveneens wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de onder feit 4 ten laste gelegde bedreiging. Alhoewel verdachte niet met zoveel woorden heeft bekend dat hij de in de tenlastelegging neergelegde bedreiging heeft geuit, heeft hij wel bevestigd dat hij ruzie had met [slachtoffer 4]. Hij beschrijft het zelfs als een situatie van oorlog, waarbij hij de zaken fors heeft neergezet. De rechtbank acht het onder die omstandigheden aannemelijk dat verdachte zich bedreigend heeft uitgelaten en heeft dan ook geen reden te twijfelen aan de inhoud van de verklaring van [slachtoffer 4]. De rechtbank acht het eveneens aannemelijk dat bij [slachtoffer 4] de angst bestond dat verdachte daadwerkelijk uitvoering zou geven aan zijn dreigementen. [slachtoffer 4] heeft immers verklaard dat hij weet dat verdachte tot veel in staat is, gelet op hetgeen hij in het verleden reeds heeft gedaan.

Feit 5.

De rechtbank acht feit 5 wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- de bekennende verklaring van verdachte zoals afgelegd tijdens de terechtzitting van 29 november 2012 ;

- de aangifte van wethouder [slachtoffer 5] ;

- de brief van [verdachte] d.d. 10 juni 2012 gericht aan het Bestuur van Utrecht, t.a.v. de heer [slachtoffer 5] .

Verdachte heeft de in de tenlastelegging neergelegde beledigende bewoordingen schriftelijk tot wethouder [slachtoffer 5] en de overige gemeenteambtenaren gericht. De rechtbank is van oordeel dat deze uitlatingen van verdachte naar hun aard beledigend zijn. Verdachte heeft wethouder [slachtoffer 5] en ambtenaren met zijn uitlatingen in hun goede naam en eer aangerand. Zij hebben jegens verdachte gehandeld in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, waarbij zij hebben geprobeerd hun werk op een goede manier en naar eer en geweten te verrichten. Het binnen die context uitmaken van de wethouder en de overige ambtenaren voor onder meer nazi-hufters en nazi-schoften en hun werk te kwalificeren als afperspraktijken, heeft dan ook een beledigend karakter.

Feit 6.

Aangeefster [slachtoffer 6] heeft verklaard dat zij is gebeld door een medewerker van haar rechtsbijstandverzekeraar SRK. Deze medewerker heeft haar gezegd dat hij enkele weken geleden een advies voor haar heeft gestuurd naar het adres [adres] te [woonplaats]. Dit advies zag op het geschil dat zij had met haar voormalige huurbaas [verdachte]. Voorts heeft de medewerker van rechtsbijstandvezerkeraar SRK haar tijdens dat telefoongesprek medegedeeld dat hij een reactie op dat advies heeft ontvangen van de heer [verdachte]. Daarbij heeft de heer [verdachte] een kopie gevoegd van het door SRK aan aangeefster gegeven advies. Aangeefster heeft verklaard dat zij het advies van rechtsbijstandverzekeraar SRK zelf nooit heeft gezien, omdat zij niet meer woonachtig is op het adres [adres] te [woonplaats].

Verdachte heeft ten overstaan van de politie bevestigd dat hij een brief heeft geschreven naar de rechtsbijstandverzekeraar van [slachtoffer 6]. Voorts heeft verdachte verklaard dat hij kennis heeft genomen van de inhoud van de brief van de rechtbijstandverzekeraar SRK gericht aan [slachtoffer 6].

De rechtbank is van oordeel dat op basis van de redengevende feiten en omstandigheden die in voornoemde bewijsmiddelen zijn vervat, wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het primair onder 6 ten laste gelegde feit, te weten verduistering. Verdachte heeft bevestigd een brief aan de rechtsbijstandverzekeraar te hebben verstuurd. Ook heeft hij bevestigd het advies van de rechtsbijstandverzekeraar gericht aan [slachtoffer 6] in handen te hebben gehad. De rechtbank acht het niet aannemelijk, zoals door verdachte is verklaard, dat de rechtsbijstandverzekeraar dit advies zelf (in kopie) aan hem heeft doen toekomen. Het advies zag immers op een geschil tussen [slachtoffer 6] en verdachte en was expliciet aan [slachtoffer 6] gericht. Het kan daarom niet anders zijn dan dat verdachte de brief gericht aan [slachtoffer 6] heeft geopend en daarvan een kopie heeft gemaakt, welk kopie hij vervolgens retour aan de rechtsbijstandverzekeraar heeft gezonden. Het origineel moet hij dan ook ten minste enige tijd onder zich hebben gehad. De rechtbank heeft geen aanleiding op dat punt te twijfelen aan de inhoud van de aangifte van [slachtoffer 6].

Verdachte heeft zich daarmee schuldig gemaakt aan verduistering in de zin van artikel 321 Wetboek van Strafrecht. Omdat de brief aan [slachtoffer 6] naar een pand van [verdachte] was gestuurd waar [slachtoffer 6] niet meer woonachtig was, heeft [verdachte] de brief op rechtmatige wijze onder zich gekregen. Nu hij niet het recht had de envelop te openen en kennis te nemen van de inhoud van de brief, heeft hij zich de brief echter vervolgens wederrechtelijk toegeëigend. Dit kan niet anders dan opzettelijk zijn gebeurd nu de brief aan [slachtoffer 6] was geadresseerd. De opzet blijkt bovendien uit de reactie die verdachte vervolgens op de brief heeft gestuurd naar de rechtsbijstandverzekeraar.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte,

zoals ten laste gelegd op de dagvaarding met parketnummer 16/441149-11:

2.

op 09 juni 2011 te Utrecht opzettelijk beledigend [slachtoffer], in diens tegenwoordigheid mondeling heeft toegevoegd de woorden "Jij bent een homofiel en kontneuker";

zoals ten laste gelegd op de dagvaarding met parketnummer 16/656470-12:

1.

op 20 oktober 2012 te Utrecht, [slachtoffer 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend zijn vuist op een afstand van

vijf centimeter voor het gezicht van die [slachtoffer 2] gehouden en zwaaiende bewegingen gemaakt met zijn armen gemaakt en daarbij voornoemde [slachtoffer 2] dreigend de woorden

toegevoegd:

"als je hier dit weekend niet weg bent flikker ik jou samen met al je spullen het raam uit", zulks terwijl die [slachtoffer 2] op de eerste verdieping van een woning verbleef;

2.

op 22 mei 2012 te Utrecht, opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [slachtoffer 3], belast met toezicht en handhaving van onder andere verbouwactiviteiten, gedurende en terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, aan de mouw

van diens shirt heeft getrokken, zodanig dat daardoor de huid van de arm van die [slachtoffer 3] werd bekneld, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden;

3.

op 20 oktober 2012 te Utrecht, opzettelijk mishandelend [slachtoffer 4] tegen diens

gezicht heeft geslagen, waardoor voornoemde [slachtoffer 4] pijn heeft ondervonden;

4.

op 20 oktober 2012 te Utrecht, [slachtoffer 4] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen

het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk voornoemde [slachtoffer 4] (kort na het onder 3 ten laste gelegde feit) dreigend de woorden toegevoegd :"Ik ga je omleggen, ik

heb wel meer mensen omgelegd en jij bent de volgende" en " Rotzak, jij minderwaardig mens jij gaat dood, eerst gaat die gore slet van boven weg en daarna jij";

5.

omstreeks de periode van 8 juni 2012 tot en met 12 juni 2012 te Utrecht, opzettelijk beledigend

- ambtenaren, te weten [slachtoffer 5], wethouder van de gemeente Utrecht, en een of

meer ambtenaren van de afdeling Bouwen en Wonen ter zake van de rechtmatige uitoefening van hun bediening

- het openbaar gezag, te weten het bestuur van de gemeente Utrecht en de

afdeling bouwen en wonen van de gemeente Utrecht,

door het toezenden van een geschrift, te weten een brief gericht aan het bestuur van

Utrecht ter attentie van de heer [slachtoffer 5],

gedateerd 10 juni 2012 en door de gemeente ontvangen op 12 juni 2012 met als

onderwerp: betreft uw afdeling Bouwen en Wonen te Utrecht, bevattende de tekst

"uw afdeling afpersen" en

"die nazi-hufters van uw gemeente" en

"diezelfde nazi-schoften" en

" Omdat u, daarmee bedoelende die [slachtoffer 5], uit het buitenland afkomstig bent

en omdat u belang heeft bij dat afpersen, weet ik niet of ik u op uw woorden

kan vertrouwen. Niettemin eis ik van u, daarmee bedoelende die [slachtoffer 5], dat u

onmiddellijk de nazi-hufters die het betreft en die ik inmiddels allemaal met

hun namen en hun achtergrond ken, straft voor hun misdaden tegen mij en tegen

mijn familie. Hun misdadig gedrag verschilt in niets van het opereren van de

maffia criminelen uit Napels en in Italië";

6.

Primair

omstreeks de periode van 15 oktober 2011 tot en met 20 november 2011 te Utrecht, opzettelijk een brief, afkomstig van SRK rechtsbijstandsverzekeringen, toebehorende aan [slachtoffer 6], welk goed verdachte anders dan door misdrijf, te weten als door SRK

via de post aan die [slachtoffer 6] naar het adres [adres] A verzonden,

op welke adres die [slachtoffer 6] op dat moment niet meer verbleef en door hem,

verdachte als beheerder van het pand [adres] A aangetroffen, onder zich had,

wederrechtelijk zich heeft toegeëigend.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

T.a.v. de dagvaarding met parketnummer 16/441149-11:

Feit 2: eenvoudige belediging

T.a.v. de dagvaarding met parketnummer 16/656470-12:

Feit 1 en 4, telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Feit 2: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Feit 3: mishandeling

Feit 5: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, meermalen gepleegd;

Feit 6 primair: verduistering.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van negen (9) maanden, waarvan vijf (5) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie (3) jaren en aftrek van de tijd die verdachte reeds in verzekering en voorlopige hechtenis heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

Voor het geval dat de rechtbank tot een bewezenverklaring zal komen, heeft de raadsman zich op het standpunt gesteld dat met een straf die gelijk is aan het voorarrest dient te worden volstaan. De vorderingen tenuitvoerlegging zijn niet onredelijk maar hij bepleit hiervan uitsluitend de proeftijd te verlengen. De raadsman is van mening dat verdachte reeds voldoende is gestraft door de enorme media aandacht en de ongefundeerde negatieve berichtgeving waarin hij met naam wordt genoemd. De raadsman heeft laten weten dat verdachte de verhuur van kamers zal beëindigen en dat hij ook op andere wijze zal zorgen dat hij niet opnieuw de fout in zal gaan.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een zevental strafbare feiten. Het betroffen feiten gericht aan jonge mensen die kamers bij hem huurden, dan wel gericht aan ambtenaren die probeerden in het kader van hun werk toezicht te houden op de panden van verdachte, in die zin dat zij erop toe probeerden te zien dat deze panden goed onderhouden en veilig waren. Verdachte heeft naar deze mensen beledigingen en ernstige bedreigingen geuit en hij is zelfs het gebruik van geweld niet uit de weg gegaan. Deze feiten heeft verdachte herhaaldelijk gepleegd. Hij heeft laten zien geen respect te hebben voor de betreffende huurders, noch voor de gemeenteambtenaren waarmee hij als eigenaar van diverse panden te maken heeft. Hij is denigrerend naar een ieder van hen en hij denkt dat het hem geoorloofd is alles tegen hen te zeggen. Op deze wijze voerde hij een terreur, of, zoals hij het zelf noemt, een oorlog. Zulks, terwijl de gemeenteambtenaren probeerden hun werk goed te doen en zijn huurders hoopten op een veilige woonomgeving. Een veilig gevoel heeft verdachte voor zijn huurders echter geenszins gecreëerd, hetgeen de rechtbank verdachte zwaar aanrekent.

Ook rekent de rechtbank het verdachte zwaar aan dat hij als huiseigenaar privépost van één van zijn huurders heeft geopend en kennis heeft genomen van de inhoud ervan. Daarmee heeft hij de privacy van deze huurster in ernstige mate geschonden. Aan de ernst van deze handeling draagt bovendien bij, dat hij met de desbetreffende huurster een zakelijk conflict had en dat de inhoud van de brief op dat conflict betrekking had.

De justitiële documentatie van verdachte d.d. 8 november 2012 laat zien dat verdachte al eerder is veroordeeld voor soortgelijke feiten. Kennelijk hebben de veroordelingen voor deze feiten hem er niet van weerhouden opnieuw in de fout te gaan. Hij heeft zijn gedrag niet willen veranderen en lijkt daar nog steeds de ernst niet van in te zien. Op de rechtbank is verdachte overgekomen als een man die de schuld snel buiten zich neerlegt en de feiten die hem worden verweten bagatelliseert. Dit beeld wordt door de bevindingen van de reclassering onderschreven en toegelicht.

Het reclasseringsrapport d.d. 28 november 2012 beschrijft verdachte als een man die graag de regie voert en zich voortdurend denigrerend over anderen uitlaat. Hij is stellig overtuigd van zijn gelijk en de juistheid van zijn informatie. Er wordt daarom vermoed dat sprake is van narcistische trekken en antisociale persoonlijkheidstrekken. Hij is van mening dat hij geen problemen heeft met zijn gedrag, conflicthantering of agressieregulatie. In de ten laste gelegde feiten ziet hij dan ook niets strafbaars. Hij wenst zich daarom ook niet open te stellen voor gedragsverandering door het volgen van gedragsinterventie. Gelet op deze houding, in combinatie met zijn justitiële documentatie, wordt het risico dat verdachte zal recidiveren dan ook hoog ingeschat.

Gelet op de persoon van de verdachte is de rechtbank van oordeel dat geen ruimte meer is voor de oplegging van een werkstraf, dan wel een geldboete. Verdachte is een vermogend man en geldboetes lijken hem dan ook niet af te schrikken. Ook een werkstraf is niet meer aan de orde, gelet op het feit dat verdachte al meermalen heeft gerecidiveerd. De rechtbank zal daarom overgaan tot de oplegging van een gevangenisstraf. Onder de specifieke omstandigheden van het geval is dat de enige strafmodaliteit die tegemoet komt aan de ernst van de feiten. Een deel van die gevangenisstraf zal de rechtbank voorwaardelijk opleggen, met het oog op het voorkomen van het plegen van nieuwe strafbare feiten door verdachte. De rechtbank zal aan deze voorwaardelijke straf geen bijzondere voorwaarden verbinden, nu het er op voorhand naar uit ziet dat verdachte daaraan geen medewerking zal verlenen. De op te leggen straf zal wel lager zijn dan de eis van de officier van justitie. De reden hiervoor is allereerst dat de rechtbank verdachte van één van de ten laste gelegde feiten heeft vrijgesproken. Daarnaast is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf gelet op de leeftijd van verdachte een zwaar middel is en dat aldus de op te leggen straf in een redelijke verhouding staat tot de ernst van de gedragingen van verdachte.

7 De benadeelde partij

[slachtoffer]

De benadeelde partij [slachtoffer] vordert een schadevergoeding van € 275,-- voor de feiten 1 en 2 op de dagvaarding met parketnummer 16/441149-11.

De rechtbank is van oordeel dat de schade tot een bedrag van € 150,-- een rechtstreeks gevolg is van het bewezen verklaarde feit 2 ter zake van immateriële schade, en acht verdachte aansprakelijk voor die schade. Het gevorderde is tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en de rechtbank zal de vordering tot dat bedrag toewijzen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Voor het overige acht de rechtbank de benadeelde partij niet-ontvankelijk in haar vordering omdat de behandeling van de vordering in zoverre een onevenredige belasting van het strafgeding oplevert. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

[slachtoffer 6]

De benadeelde partij [slachtoffer 6] vordert een schadevergoeding van € 150,-- voor feit 6 op de dagvaarding met parketnummer 16/656470-12.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen. Tevens zal de gevorderde wettelijke rente worden toegewezen vanaf het tijdstip waarop het feit werd gepleegd.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8 De vordering tot tenuitvoerlegging

De officier van justitie heeft gevorderd dat de voorwaardelijke straffen van een gevangenis van drie (3) maanden respectievelijk een geldboete van € 1.000,-- die aan verdachte zijn opgelegd bij arrest van het Gerechtshof Arnhem van 6 april 2011 respectievelijk bij arrest van het Gerechtshof Arnhem van 7 december 2011 ten uitvoer zullen worden gelegd.

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van beide veroordelingen schuldig heeft gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde heeft overtreden. Gelet hierop zullen beide vorderingen tot tenuitvoerlegging worden toegewezen.

9 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14g, 24c 36f, 57, 63, 266, 267, 285, 300, 304 en 321 van het Wetboek van Strafrecht.

10 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het op de dagvaarding met parketnummer 16/441149-11 onder 1 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

T.a.v. de dagvaarding met parketnummer 16/441149-11:

Feit 2: eenvoudige belediging

T.a.v. de dagvaarding met parketnummer 16/656470-12:

Feit 1 en 4, telkens: bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht

Feit 2: mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Feit 3: mishandeling

Feit 5: eenvoudige belediging, terwijl de belediging wordt aangedaan aan een ambtenaar gedurende of ter zake van de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening, meermalen gepleegd;

Feit 6 primair: verduistering;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van zes (6) maanden, waarvan drie (3) maanden voorwaardelijk met een proeftijd van drie jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vordering tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij arrest van het Gerechtshof Arnhem d.d. 6 april 2011 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 21/003170-09 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een gevangenisstraf voor de duur van drie (3) maanden;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij arrest van het Gerechtshof Arnhem d.d. 7 december 2011 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 21/0000805-11 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten een geldboete van € 1.000,-- bij niet betaling te vervangen door 20 dagen hechtenis;

Benadeelde partijen

[slachtoffer]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer] van € 150,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 9 juni 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer], € 150,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

[slachtoffer 6]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [slachtoffer 6] van € 150,-- ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 15 oktober 2011 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [slachtoffer 6], € 150,-- te betalen, bij niet betaling te vervangen door 3 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schadevergoedingsmaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd.

Voorlopige hechtenis

- heft op de voorlopige hechtenis met ingang van de datum dat de duur van het voorarrest gelijk is aan het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf.

-

Dit vonnis is gewezen door mr. P.L.C.M. Ficq, voorzitter, mr. A. van Maanen en

mr. P.W.G. de Beer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. C.W.M. Maase-Raedts, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 13 december 2012.