Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY6045

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
SBR 12-138
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Belastingrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bodemzaak, Wet WOZ, vergoeding taxatierapport in bezwaarfase, artikel 8, tweede lid, van de beleidsregels is in strijd met artikel 7:15, tweede lid van de Awb en wordt om die reden onverbindend verklaard, verder hanteert de rechtbank een uurtarief van € 50,- voor een courante woning.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
FutD 2012-3091
V-N Vandaag 2012/2897
Belastingblad 2013/61
V-N 2013/12.22.8

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 12/138

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 12 december 2012 in de zaak tussen

[eiseres], te [woonplaats], eiseres,

(gemachtigde: mr. M.B.A.C. Hasselman, werkzaam bij WOZ-specialisten te Zevenbergen),

en

de heffingsambtenaar van de gemeente Stichtse Vecht, verweerder,

(gemachtigde: H.P. de Beer, werkzaam bij de gemeente Stichtse Vecht).

Procesverloop

Bij besluit van 29 april 2011 (het primaire besluit) heeft verweerder op grond van de Wet waardering onroerende zaken (Wet WOZ) de waarde van de onroerende zaak [adres] te [woonplaats] (de onroerende zaak) voor het belastingjaar 2011 vastgesteld op € 381.000,- naar de waardepeildatum 1 januari 2010. Aan eiseres is bij deze beschikking als eigenaar van de onroerende zaak onder meer een aanslag onroerendezaakbelastingen opgelegd, waarbij de voornoemde waarde als heffingsgrondslag is gehanteerd.

Bij uitspraak op bezwaar van 6 december 2011 (de bestreden uitspraak) heeft verweerder het door eiseres gemaakte bezwaar gegrond verklaard en de bij het primaire besluit vastgestelde waarde van de onroerende zaak verminderd tot een bedrag van € 340.000,-. De aanslagen zijn dienovereenkomstig verminderd.

Namens eiseres is tegen de bestreden uitspraak beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 21 juni 2012. Eiseres heeft zich laten vertegenwoordigen door mr. V. van Bergen, als waarnemer van haar gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde, vergezeld van J.C.C. de Jong, taxateur bij de gemeente Stichtse Vecht.

De rechtbank heeft met toepassing van artikel 8:68, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) het onderzoek ter zitting heropend en het vooronderzoek hervat.

Bij brief van 19 juli 2012 heeft de rechtbank partijen in de gelegenheid gesteld om op een door de Hoge Raad op vrijdag 13 juli 2012 gewezen arrest (LJN: BX0904) te reageren.

De gemachtigde van eiseres heeft bij brief van 31 juli 2012 op het arrest gereageerd en verweerder heeft bij brief van 28 september 2012 van deze mogelijkheid gebruik gemaakt.

Nadat partijen toestemming hebben gegeven voor het achterwege blijven van een nadere zitting, heeft de rechtbank het onderzoek op 7 november 2012 gesloten.

Overwegingen

1. De rechtbank stelt vast dat de WOZ-waarde van de onroerende zaak niet langer in geschil is tussen partijen. Het geschil spitst zich toe op de vergoeding van het namens eiseres in bezwaar overgelegde taxatierapport. Bij de bestreden uitspraak heeft verweerder de kosten van het door eiseres in bezwaar ingebrachte taxatierapport van 25 juni 2011, opgemaakt door L. van der Klooster (hierna: Van der Klooster), taxateur bij Cournot Taxateurs te Zevenbergen, niet vergoed. Namens eiseres is in eerste instantie een bedrag van € 333,20 (inclusief BTW) voor de kosten van het taxatierapport geclaimd.

2. De veroordeling van een partij in de proceskosten in bestuursrechtelijke gedingen is geregeld in de artikelen 8:75 van de Awb en nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).

In artikel 8:75, eerste lid, van de Awb is bepaald dat de rechtbank bij uitsluiting bevoegd is een partij te veroordelen in de kosten die een andere partij in verband met de behandeling van het beroep bij de rechtbank, en van het bezwaar of van het administratief beroep redelijkerwijs heeft moeten maken. De artikelen 7:15, tweede tot en met vierde lid, van de Awb zijn van toepassing.

Op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb, voor zover hier van belang, worden de kosten, die de belanghebbende in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken, door het bestuursorgaan uitsluitend vergoed op verzoek van belanghebbende voor zover het bestreden besluit wordt herroepen wegens aan het bestuursorgaan te wijten onrechtmatigheid.

Ingevolge het vierde lid van dit artikel, voor zover hier van belang, zijn in het Bpb nadere regels gesteld over de wijze waarop het bedrag van de kosten wordt vastgesteld.

Op grond van het bepaalde in artikel 1, aanhef en onder b, en artikel 2, eerste lid, aanhef en onder b, van het Bpb, in verbinding met artikel 8:36, tweede lid, van de Awb moet een veroordeling in de kosten van een deskundigenverslag worden vastgesteld met overeenkomstige toepassing van het bepaalde bij en krachtens de Wet tarieven in strafzaken. Op grond van artikel 3, eerste lid, van laatstgenoemde wet is in artikel 6 van het Besluit tarieven in strafzaken (hierna: Bts) bepaald dat - naar gelang de werkzaamheden niet of in meer of mindere mate van wetenschappelijke of bijzondere aard zijn - een tarief geldt van ten hoogste € 81,23 per uur.

Op grond van artikel 1:3, vierde lid, van de Awb wordt onder een beleidsregel verstaan: een bij besluit vastgestelde algemene regel, niet zijnde een algemeen verbindend voorschrift, omtrent de afweging van belangen, de vaststelling van feiten of de uitleg van wettelijke voorschriften bij het gebruik van een bevoegdheid van een bestuursorgaan.

3. Verweerder heeft voor de behandeling van verzoeken om kostenvergoeding in bezwaarprocedures op 30 augustus 2011 de “Beleidsregels proceskostenvergoeding bezwaarfase WOZ-beschikkingen en de daarop gebaseerde heffingen” (hierna: de beleidsregels) vastgesteld. Deze beleidsregels zijn op 16 september 2011 in werking getreden.

Artikel 8, tweede lid, van die beleidsregels bepaalt dat een taxatierapport per definitie is uitgesloten van proceskostenvergoeding. Toezending van, verwijzing naar of citeren uit een taxatierapport wordt door de gemeente opgevat als onderdeel van het bezwaarschrift en komt daarmee niet zelfstandig voor vergoeding in aanmerking. Slechts in zeer uitzonderlijke situaties zal van bovenstaande bepaling worden afgeweken.

4. Met toepassing van deze beleidsregel heeft verweerder de kosten van het in bezwaar overgelegde taxatierapport afgewezen. Door verweerder is hieraan (ter zitting) als toelichting gegeven dat het indienen van een taxatierapport in de bezwaarfase niet nodig is, omdat verweerder, na gemaakt bezwaar, zelf een hertaxatie van de onroerende zaak verricht.

5. De rechtbank stelt voorop dat verweerder bij toepassing van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb geen discretionaire bevoegdheid is gegeven. De vraag is of verweerder met de genoemde beleidsregel een juiste uitleg heeft gegeven aan het bepaalde dat de kosten worden vergoed die een partij “redelijkerwijs heeft moeten maken”. De rechtbank beantwoordt die vraag ontkennend. Het categorisch weigeren van vergoeding van kosten van een taxatierapport in de bezwaarfase laat geen ruimte voor beoordeling van de vraag of deze kosten redelijkerwijs zijn gemaakt en berust daarom op een onjuiste wetsuitleg. Ook bij beoordeling van uitzonderlijke situaties (laatste volzin artikel 8, tweede lid van de beleidsregel) hanteert verweerder het uitgangspunt dat een taxatierapport in de bezwaarfase in principe niet voor vergoeding in aanmerking komt, zodat ook deze bepaling geen ruimte laat voor een redelijkheidstoets. Verweerder gaat er met hantering van de hiervoor genoemde beleidsregel aan voorbij dat hij met de waardebepaling, zoals vastgelegd in het besluit van 29 april 2011 (het primaire besluit) een op rechtsgevolg gerichte beslissing heeft genomen. Dat tegen een primair besluit bezwaar mogelijk is waarna verweerder opnieuw een (nauwkeuriger) taxatie zal uitvoeren, doet niet af aan de status van het primaire besluit. Hieruit volgt dat artikel 8, tweede lid, van de beleidsregels in strijd is met artikel 7:15, tweede lid van de Awb en daarom onverbindend moet worden verklaard. De op deze beleidsregel gebaseerde bestreden uitspraak van 6 december 2011 komt dan ook voor vernietiging in aanmerking, voor zover daarin de vergoeding van gemaakte kosten van een taxatierapport in bezwaar zijn afgewezen. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, aanhef en onder c, van de Awb zelf in de zaak te voorzien en overweegt daartoe als volgt.

6. De rechtbank is, onder verwijzing naar een uitspraak van deze rechtbank van 23 februari 2012 (LJN: BV6301) en het arrest van de Hoge Raad van 13 juli 2012 (LJN: BX0904) van oordeel dat ter bepaling of het inroepen van een deskundige redelijk was, in het algemeen als maatstaf kan worden gehanteerd of degene die deze deskundige heeft ingeroepen, gezien de feiten en omstandigheden zoals die bestonden ten tijde van inroeping, ervan uit mocht gaan dat de deskundige een relevante bijdrage zou leveren aan een voor hem gunstige beantwoording door de bezwaar- of beroepsinstantie van een voor de uitkomst van het geschil mogelijk relevante vraag en of de gemaakte kosten redelijk zijn (de dubbele redelijkheidstoets). De onderliggende zaak heeft betrekking op de waardevaststelling van een woning. Gezien het belang, gelegen in de bepleite waardevermindering, waarbij in aanmerking moet worden genomen dat de vastgestelde waarde onder meer dient als grondslag voor gemeentelijke belastingen, de waterschapsbelasting en de inkomstenbelasting, is het inroepen van een deskundige naar het oordeel van de rechtbank redelijk. De kosten van de deskundige kunnen op grond van artikel 7:15, tweede lid, van de Awb voor vergoeding in aanmerking komen als ook de deskundigenkosten zelf redelijk zijn. Dit uitgangspunt geldt zowel in de bezwaarfase, als in de beroepsfase.

7. Verweerder heeft in het verweerschrift aangevoerd dat de kosten van het taxatierapport niet voor vergoeding in aanmerking kunnen komen, omdat de deskundige niet onpartijdig is.

WOZ-specialisten en Cournot Taxateurs maken namelijk deel uit van dezelfde besloten vennootschap, WOZ-diensten B.V., en hebben belang bij een gegrond beroep, aldus verweerder. De taxateur heeft een rechtstreeks financieel belang bij de vaststelling van de waarde omdat er pas tot vergoeding van kosten wordt overgegaan bij een verlaging van de door de heffingsambtenaar vastgestelde waarde. Hierdoor valt niet uit te sluiten dat er geen objectief waardeoordeel is. De aanwezigheid van dit belang verdraagt zich volgens verweerder niet met het voorschrift van artikel 8:34, eerste lid, van de Awb.

Dat Van der Klooster zijn werkzaamheden vooringenomen of niet onpartijdig heeft uitgevoerd, is door verweerder niet nader onderbouwd en is de rechtbank ook niet gebleken. De omstandigheid dat Cournot Taxateurs is gelieerd aan WOZ-specialisten staat er niet aan in de weg om Van der Klooster aan te merken als een deskundige die aan een partij verslag heeft uitgebracht. Daarbij merkt de rechtbank op dat verweerder bij de bestreden uitspraak de waardebepaling van Van der Klooster heeft gevolgd. De nadere stelling van verweerder, dat de taxatiekosten niet voor vergoeding in aanmerking komen omdat de deskundige niet voldoet aan het vereiste van onpartijdigheid als bedoeld in artikel 8:34 van de Awb, treft evenmin doel. Genoemd artikel 8:34 van de Awb ziet immers op een door de rechtbank benoemde deskundige.

8. Verweerder heeft zich tot slot op het standpunt gesteld dat als naar de kwaliteit van het taxatierapport (fouten in de objectkenmerken, geen inpandige opname van de onroerende zaak en geen waardematrix) wordt gekeken, geen sprake is van werkzaamheden van bijzondere of wetenschappelijke of bijzondere aard die recht doen aan het geclaimde uurtarief van € 80,- (exclusief BTW).

De rechtbank stelt allereerst vast dat de gemachtigde van eiseres zich in de brief van 15 oktober 2012 op het standpunt heeft gesteld dat een uurtarief van € 50,- (exclusief BTW) ook reëel is.

Vervolgens overweegt de rechtbank dat de Hoge Raad in zijn arresten van 13 juli 2012 (LJN: BX4387, BX0904, BX0907 en BX0919) een lijn heeft neergelegd waaraan deze rechtbank zich heeft geconformeerd.

In een geval als het onderhavige, waarin op verzoek van eiseres een taxatierapport door een deskundige is opgesteld in verband met een bezwaar- of beroepsprocedure over de waardering van een onroerende zaak in het kader van de Wet WOZ, moet worden vooropgesteld dat de werkzaamheden van de taxateur in het algemeen niet wetenschappelijk van aard zijn. De stukken van het geding bieden geen aanwijzingen voor het tegendeel.

Wel behoren de werkzaamheden van de taxateur te worden aangemerkt als van bijzondere aard in de zin van artikel 6 van het Bts. De mate waarin dergelijke werkzaamheden van bijzondere aard zijn, wordt vooral bepaald door de aard van de te taxeren onroerende zaak. Naarmate de taxatie van een object naar haar aard complexer is, kan toepassing van een hoger uurtarief gerechtvaardigd zijn. Toepassing van het maximale uurtarief komt eerst in aanmerking indien het de onroerende zaak van dien aard is dat de taxatie daarvan zeer complex is. Met het oog op de uitvoerbaarheid van de desbetreffende regeling in het Bts moet worden aanvaard dat ter bepaling van de mate waarin de werkzaamheden van een taxateur van bijzondere aard zijn uitsluitend de aard van het object als maatstaf in aanmerking wordt genomen en dat geen rekening wordt gehouden met andere factoren, zoals de mate van deskundigheid van de taxateur.

Volgens het samenstel van de hiervoor vermelde bepalingen is niet de hoogte van het in rekening gebrachte, of in de markt gangbare, uurtarief maatgevend, maar de aard van de werkzaamheden, die, zoals hiervoor is overwogen, wordt bepaald door de aard van het te taxeren object.

9. Met inachtneming van hetgeen hiervoor is overwogen en gelet op de aard van de getaxeerde onroerende zaak (een geschakelde twee-onder-een-kapwoning van het bouwjaar 1984), stelt de rechtbank het in aanmerking te nemen tarief vast op € 50,- per uur (exclusief BTW).

De rechtbank ziet geen aanleiding de vergoeding voor proceskosten in de bezwaarfase op een lager uurtarief vast te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende feiten en omstandigheden aangevoerd waaruit zou kunnen worden geconcludeerd dat de taxateur niet naar eer en geweten tot zijn taxatietechnisch oordeel over de waarde van de onroerende zaak is gekomen.

Nu het aantal door de taxateur aan de taxatie bestede uren van 3,5 door verweerder niet wordt betwist, volgt hieruit dat de door eiseres geclaimde kosten van de taxateur van € 175,- exclusief BTW (€ 208,25 inclusief 19% BTW) voor vergoeding in aanmerking komen.

10. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt de bestreden uitspraak in zoverre.

De rechtbank ziet aanleiding zelf in de zaak te voorzien, in die zin dat verweerder, met toepassing van artikel 8:75 van de Awb in verbinding met artikel 7:15, tweede lid tot en met vierde lid, van de Awb, wordt veroordeeld in de kosten die eiseres in verband met de behandeling van het bezwaar redelijkerwijs heeft moeten maken voor het door de deskundige uitgebrachte taxatierapport van € 208,25 inclusief BTW.

11. Omdat de rechtbank het beroep gegrond verklaart, bepaalt de rechtbank dat verweerder aan eiseres het door haar betaalde griffierecht vergoedt.

12. Voorts veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiseres in beroep gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 546,25 (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting en een 0,5 punt voor de nadere reactie van 31 juli 2012 met een waarde per punt van € 437,-, een wegingsfactor van 0,5 omdat geen beoordeling van het materiële geschil heeft plaats gevonden en slechts de kostenvergoeding in bezwaar in geschil is).

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt de bestreden uitspraak, voor zover die ziet op de weigering om de kosten van het uitgebrachte taxatierapport aan eiseres te vergoeden;

- bepaalt dat verweerder de kosten van het taxatierapport van € 208,25 inclusief BTW aan eiseres vergoedt;

- bepaalt dat deze uitspraak in zoverre in de plaats treedt van het vernietigde deel van de bestreden uitspraak;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 41,- aan eiseres te vergoeden;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 546,25, te betalen aan eiseres.

Deze uitspraak is gedaan door mr. M.E.A. Braeken, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.H. Menger, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 12 december 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij het gerechtshof te Arnhem.