Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY5529

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-10-2012
Datum publicatie
07-12-2012
Zaaknummer
16/655852-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Vrijspraak ten aanzien van 16/656323-12. Verdachte is veroordeeld ten aanzien van 16/655852-12 wegens poging tot diefstal met braak.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/656323-12 en 16/655862-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 29 oktober 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1993] te [geboorteplaats]

thans verblijvende te PI Utrecht, Huis van Bewaring te Nieuwegein

wonende te [woonplaats]

raadsman mr. M.G. Vos, advocaat te Utrecht

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 15 oktober 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt. De rechtbank heeft de zaken met bovengenoemde parketnummers gevoegd.

2. De tenlastelegging

De beide tenlasteleggingen zijn als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenkingen komen er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

ten aanzien van 16/656323-12

Feit 1: samen met anderen heeft geprobeerd geld uit een parkeerautomaat te stelen

Feit 2: samen met anderen een scooter heeft geheeld

ten aanzien van 16/655862-12

samen met anderen heeft proberen in te breken bij een Chinees restaurant

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zij bevoegd is tot kennisneming van de zaken, dat de officier van justitie ontvankelijk is in haar vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zowel het tenlastegelegde onder 16/655862-12 en de beide feiten onder 16/656323-12 heeft gepleegd en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/655862-12 tenlastegelegde baseert zij zich in het bijzonder op de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten omtrent het aantreffen van verdachte op de plaats delict, het aanschaffen van breekgereedschap door verdachte en een vriend, en de verklaring van getuige [getuige 1].

Ten aanzien van het onder parketnummer 16/656323-12 tenlastegelegde baseert zij zich ten aanzien van beide feiten in het bijzonder op de processen-verbaal van bevindingen van de verbalisanten die ter plaatse waren, de melding van de aangifte van diefstal van de scooter en de verklaring van getuige [getuige 2].

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen ten aanzien van beide zaken en alle ten laste gelegde feiten.

Ten aanzien van 16/655862-12 is de raadsman van mening dat dit feit niet bewezen kan worden omdat verdachte niet voldoet aan het signalement dat wordt gegeven door getuige [getuige 1]. Daarnaast heeft verdachte het breekijzer dat op de plaats delict is aangetroffen niet gekocht en zijn er op dat breekijzer ook geen sporen van verdachte gevonden.

Ten aanzien van 16/656323-12 is de raadsman van mening dat zowel feit 1 als feit 2 niet bewezen kunnen worden. Met betrekking tot feit 1 is de verdediging van mening dat niet kan worden vastgesteld dat de derde man die op de camerabeelden te zien is, verdachte betreft. Verdachte ontkent dat hij betrokken is geweest bij het plegen van het feit en het gegeven signalement is te algemeen om vast te kunnen stellen dat het daadwerkelijk om verdachte gaat. Derhalve dienst verdachte van alle ten laste gelegde feiten te worden vrijgesproken.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak 16/656323-12 feit 1 en feit 2

De rechtbank acht niet bewezen dat verdachte zich op of omstreeks 29 september 2012 heeft schuldig gemaakt aan poging diefstal met braak uit een parkeerautomaat gelegen in de parkeergarage aan de [adres] te Amersfoort.

Het feit dat verdachte zich op 29 september 2012 rond middernacht in de omgeving waar de strafbare feiten zijn gepleegd heeft begeven, is niet voldoende om tot de vaststelling te komen dat verdachte ook daadwerkelijk betrokken is geweest bij het plegen van deze feiten. Het daarbij komende feit dat verdachte geen jas aan had ten tijde van zijn aanhouding, acht de rechtbank onvoldoende om tot de conclusie te komen dat verdachte betrokken is geweest bij de strafbare feiten. De jas is niet aangetroffen in de nabije omgeving en de getuige die een man zijn jas uit heeft zien trekken kan geen specifiek signalement geven van deze man, waardoor op geen enkele manier vast kan komen te staan dat dit verdachte betreft. Ook de signalementen omtrent de kleding die de derde man op de camerabeelden draagt, kunnen naar oordeel van de rechtbank onvoldoende bewijzen dat het hier verdachte betreft. Een spijkerbroek met slijtageplekken is een kledingstuk dat wordt gedragen door veel jongeren in de leeftijd van verdachte. Daar komt bij dat de prints gemaakt van de camerabeelden die zich in het dossier bevinden naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende helder en duidelijk zijn om te constateren dat de man op deze prints dezelfde broek en schoenen draagt als verdachte ten tijde van zijn insluiting.

Uit hetgeen hiervoor is overwogen volgt dat evenmin kan worden vastgesteld dat verdachte de derde persoon op de gestolen scooter is geweest. Hierdoor acht de rechtbank evenmin bewezen dat verdachte zich op of omstreeks 29 september 2012 heeft schuldig gemaakt aan heling van een scooter te Amersfoort.

De rechtbank acht derhalve niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten inzake 16/656323-12 heeft gepleegd en zal verdachte hiervan vrijspreken.

Bewijsmiddelen inzake 16/655862-12

Op 2 juli 2012 rond 1:40 uur ziet getuige [getuige 1] dat twee jongens zich verdacht ophouden bij Chinees restaurant [bedrijf 1] aan de [adres], gelegen onder een appartementencomplex, in Amersfoort. Hij ziet dat de jongens wrikbewegingen maken met een breekvoorwerp Hij ziet de jongens drie keer wegrennen in een steegje tegenover het restaurant als er een auto aankomt. Iedere keer als de jongens terug zijn bij het Chinese restaurant hoort hij kort daarna gebonk. De getuige ziet niemand anders op straat. Het gebonk stopt als zij weer wegrennen naar de steeg.[getuige 1] belt de politie om 1.57 uur. Hij ziet vervolgens de jongens naar de hoek van de straat lopen en een van de jongens wrikbewegingen maken met een breekvoorwerp bij een deur. De deur bevindt zich ongeveer 10 meter van de hoek van het appartementencomplex [adres]/[adres]. Enige tijd later ziet hij een politieauto de hoek omrijden, waarna de jongens hard wegrennen. Ook hoort hij een hard geluid van metaal op steen dat volgens hem lijkt op het vallen van het breekvoorwerp op een stenen ondergrond.

De agenten die aankomen rijden in de betreffende politieauto krijgen om 1:59 uur de melding om naar de [adres] in Amersfoort te gaan inzake een poging tot inbraak. Terwijl verbalisant [verbalisant] richting de [adres] loopt, hoort hij een geluid dat lijkt op een stuk metaal dat op een verharde ondergrond valt. Direct na dat harde geluid ziet hij twee jongens zijn richting uit komen rennen. Hij en zijn collega houden de twee jongens aan en één van de twee blijkt [verdachte], hierna verdachte, te zijn. Later blijkt uit onderzoek dat er was geprobeerd in te breken bij het Chinese restaurant aan de [adres] in Amersfoort. Van deze poging inbraak heeft [aangever 1], eigenaar van het restaurant [bedrijf 1], aangifte gedaan.

In de nabijheid van het restaurant [bedrijf 1] is korte tijd na het incident op 2 juli 2012 een breekijzer gevonden, dat is veiliggesteld onder SIN AAEX8961NL. Er is een vergelijkend sporenonderzoek uitgevoerd naar aanleiding van de inbraak, waarbij is gekeken of de braaksporen op de deur van het restaurant zouden kunnen zijn veroorzaakt door het gevonden breekijzer. Uit dit onderzoek is gebleken dat een werktuigspoor op de voordeur, dat op 2 juli 2012 om 12.25 uur is veiliggesteld, waarschijnlijk is veroorzaakt met het breekijzer.

Op 6 juli 2012 wordt getuige [getuige 3], winkelmanager bij de [bedrijf 2] te Amersfoort, bij de politie gehoord. Hij heeft een melding gedaan bij de politie omdat op 26 juni 2012 twee jongens zich in zijn winkel verdacht gedroegen. Ze vielen juist op omdat ze zich onopvallend wilden gedragen. Ze kochten een breekijzer en een betonschaar. De jongens wilden de spullen per se in een zwarte vuilniszak vervoeren en niet in een doorzichtige tas van de [bedrijf 2]. Omdat [getuige 3] de hele situatie nogal verdacht vond, heeft hij het kenteken van de scooter genoteerd waarop de beide jongens wegreden. Dit kenteken bleek [kenteken] te zijn. De [bedrijf 2] heeft de camerabeelden van 26 juni 2012 beschikbaar gesteld, waarop verdachte duidelijk herkenbaar in beeld komt terwijl hij een breekijzer in zijn handen heeft.

De moeder van verdachte wordt gehoord en verklaart dat haar zoon af en toe haar scooter met het kenteken [kenteken] gebruikt om op te rijden.

Bewijsoverwegingen inzake 16/655862-12

De verklaring van verdachte dat hij niet betrokken was bij de poging tot inbraak in het restaurant [bedrijf 1] acht de rechtbank weerlegd door de verklaring van getuige [getuige 1], de bevindingen van de verbalisanten en het vergelijkend werktuigsporenonderzoek. Getuige [getuige 1] heeft om 1:40 uur twee jongens gezien die met een breekijzer probeerden in te breken bij het restaurant en heeft de politie gebeld. De politie was, na de melding van [getuige 1] om 1.57 uur, om 1:59 uur ter plaatse, waarop [getuige 1] de jongens heeft zien wegrennen en een hard geluid hoorde wat leek op het vallen van een breekijzer op de stenen ondergrond. De verbalisanten horen ook een hard geluid, wat zij omschrijven als een stuk metaal dat op een verharde ondergrond valt. Gelijk daarop zien zij twee jongens in hun richting komen rennen. Zij houden de jongens aan en verdachte blijkt één van deze jongens te zijn. De verklaring van verdachte dat hij wegrende omdat hij dacht dat hij achterna werd gezeten door een Turkse man waarmee hij ruzie had, acht de rechtbank ongeloofwaardig, gezien hetgeen getuige [getuige 1] heeft verklaard en het feit dat de verbalisanten verklaren hard te hebben geroepen dat zij van de politie waren en dat de jongens moesten stoppen met rennen. Gezien het bovenstaande en daarbij in acht genomen het korte tijdsbestek tussen het tijdstip van de melding die bij de politie wordt gedaan en het tijdstip van aanhouding, 2 minuten later, is de rechtbank ervan overtuigd dat verdachte één van de jongens is geweest die door [getuige 1] is gezien bij het restaurant.

Gelet op bovengenoemde feiten en omstandigheden en bezien in onderling verband en samenhang, volgt naar het oordeel van de rechtbank dat verdachte heeft geprobeerd om samen met een ander in te breken bij het Chinese restaurant [bedrijf 1].

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

Ten aanzien van 16/655862-12

op 2 juli 2012 te Amersfoort ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een pand, te weten een Chinees restaurant gelegen aan de [adres], weg te nemen geld of goederen, geheel toebehorende aan [bedrijf 1] of [aangever 1] en zich daarbij de toegang tot dat pand te verschaffen door middel van braak, immers hebben verdachte en zijn mededader met een breekijzer het slot van de deur van dat pand proberen te verbreken, zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van het feit

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op ten aanzien van 16/655862-12:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 7 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren en de volgende bijzondere voorwaarden: verplicht reclasseringscontact met een meldgebod, deelname aan de cognitieve vaardigheidstraining+ en verplichte ambulante behandeling bij De Waag eventueel TopZorg en elektronische controle voor de duur van 6 maanden met daarbij een locatiegebod om thuis te verblijven tussen 23.00 uur en 6.00 uur.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging verzoekt de rechtbank, indien zij tot een bewezenverklaring van de feiten komt, rekening te houden met de persoonlijke omstandigheden die worden beschreven in het reclasseringsadvies en een gedeeltelijk voorwaardelijke straf op te leggen die gelijk is aan de tijd die verdachte reeds in voorarrest heeft gezeten. Verdachte krijgt geen positieve prikkels in de gevangenis en kan juist met behulp van de reclassering zijn opleiding weer hervatten en aan de toekomst werken.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Bij de poging tot inbraak is schade ontstaan aan de deur van het restaurant. Dit heeft voor het slachtoffer ergernis en ongemak tot gevolg gehad.

Met betrekking tot de persoon van verdachte, heeft de rechtbank gelet op het strafblad van verdachte d.d. 3 september 2012, waaruit blijkt dat verdachte eerder is veroordeeld voor het plegen van vermogensdelicten en wel laatstelijk op 8 juni 2012 waarbij verdachte een werkstraf is opgelegd.

De rechtbank heeft tevens kennis genomen van een reclasseringsrapportage d.d. 12 oktober 2012, waarin wordt geadviseerd een (gedeeltelijk) voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met de volgende bijzondere voorwaarden: meldingsgebod, behandelverplichting bij De Waag en een locatiegebod.

In tegenstelling tot de officier van justitie die drie feiten bewezen acht, is de rechtbank van oordeel dat slechts tot de bewezenverklaring van één feit kan worden gekomen, wat tot uitdrukking komt in de op te leggen straf. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op de ernst van het feit en het strafblad van de verdachte een gevangenisstraf van 7 weken met aftrek van het voorarrest passend en noodzakelijk is. Gelet op de tijd die verdachte al in voorlopige hechtenis heeft doorgebracht ziet de rechtbank geen ruimte meet voor een voorwaardelijk strafdeel.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 27, 45, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van feit 1 en feit 2 ten laste gelegd onder parketnummer 16/656323-12;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde onder parketnummer 16/655862-12 bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 7 weken;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. R.P. den Otter, voorzitter, mr. C.A.M. van Straalen en mr. C.S.K. Fung Fen Chung, rechters, in tegenwoordigheid van mr. S. Capitano, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 29 oktober 2012.

Mr. C.A.M. van Straalen is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.