Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY5516

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
06-12-2012
Datum publicatie
09-01-2013
Zaaknummer
16/994024-08
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte heeft in georganiseerd verband gebruik gemaakt van een schijnconstructie om door middel van valse documenten afdracht van BTW te ontlopen en gelden wit te wassen. Deze schijnconstructie bestond uit diverse bedrijven gevestigd in Europa.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/994024-08 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 6 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1966] te [geboorteplaats]

wonende te [adres], [woonplaats].

Verdachte wordt hierna ook aangeduid als: ‘[verdachte]’.

Raadsman mr. A.D. Kloosterman, advocaat te Amsterdam.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzittingen van 1 en 8 maart 2012, 29 augustus en 6 september 2012, alsmede 26, 29, 30 en 31 oktober 2012 en 1, 2 en 22 november 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: al dan niet samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd;

Feit 2: al dan niet samen met anderen valsheid in geschrift heeft gepleegd;

Feit 3: al dan niet samen met anderen grote geldbedragen heeft witgewassen;

Feit 4: heeft deelgenomen aan een criminele organisatie.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan. Meer specifiek heeft de officier van justitie wettig en overtuigend bewezen geacht dat [verdachte]:

- tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] valse CMR’s en verkoopfacturen voor [bedrijf 1] heeft opgemaakt, zoals onder feit 1 a tot en met h tenlastegelegd;

- tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] valse CMR’s en verkoopfacturen voor [bedrijf 1] heeft opgemaakt, zoals onder feit 1 h tot en met t tenlastegelegd;

- tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] valse CMR’s en verkoopfacturen voor [bedrijf 1] heeft opgemaakt, zoals onder feit 1 u tot en met gg tenlastegelegd;

- tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [medeverdachte 6] valse CMR’s en verkoopfacturen voor [bedrijf 1] heeft opgemaakt, zoals onder feit 1 hh tot en met kk tenlastegelegd;

- tezamen en vereniging met medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] valse CMR’s en verkoopfacturen heeft opgemaakte voor de eenmanszaak van medeverdachte [medeverdachte 2], zoals onder feit 2 tenlastegelegd;

- zich tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1] en [medeverdachte 3] schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag à € 3.296.718, zoals onder feit 3 tenlastegelegd;

- zich tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 3] schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag à € 1.073.760,00, zoals onder feit 3 tenlastegelegd;

- zich tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [medeverdachte 4] en [medeverdachte 5] schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag à € 1.351.994,00 zoals onder feit 3 tenlastegelegd;

- zich tezamen en in vereniging met medeverdachten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] schuldig heeft gemaakt aan gewoontewitwassen van een bedrag à € 2.148.847,95, zoals onder feit 3 tenlastegelegd;

- deel heeft genomen aan een criminele organisatie, zoals onder feit 4 tenlastegelegd.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de aan verdachte ten laste gelegde feiten. Hiertoe heeft de raadsman het volgende aangevoerd:

Algemeen bewijsverweer:

De verklaringen van [verdachte], afgelegd d.d. 14 oktober 2008, dienen te worden uitgesloten van het bewijs. [verdachte] is voorafgaand aan deze verhoren niet gewezen op de mogelijkheid een advocaat te raadplegen. Evenmin is gebleken dat [verdachte] voorafgaand aan deze verhoren daadwerkelijk een advocaat heeft geraadpleegd, dan wel ondubbelzinnig afstand heeft gedaan van zijn consultatierecht.

Ten aanzien van de feiten 1 en 2:

Er is onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig om tot een bewezenverklaring van de feiten 1 en 2 te kunnen komen. De verklaringen van [verdachte] zien niet op de valsheid in geschrifte zoals onder deze feiten tenlastegelegd. Zo dit wel geacht wordt het geval te zijn, dan wordt de verklaring van [verdachte] onvoldoende ondersteund door overig bewijs.

Ten aanzien van feit 3

Er is geen sprake van witwassen. De omstandigheden dat grote cash geldbedragen zouden zijn vervoerd, kennelijk met de intentie om deze coupures te storten om een meldgrens te ontduiken en de herkomt van de gelden te verhullen, is onvoldoende om te kunnen concluderen dat de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn. De geldbedragen zijn op rechtmatige wijze verkregen, zodat van witwassen geen sprake kan zijn.

Mocht er wel sprake zijn van uit misdrijf afkomstige gelden, dan is ten hoogste het bedrag dat aan belasting ontdoken zou zijn van misdrijf afkomstig.

Daarbij kan [verdachte] niet als medepleger van het witwassen worden aangemerkt. Zo is [verdachte] niet betrokken geweest bij het transporteren en het storten van het geld. Evenmin heeft verdachte deze geldbedragen ontvangen. [verdachte] heeft geen essentiële uitvoeringshandeling verricht in het kader van witwassen. [verdachte] heeft enkel zijn taken uitgevoerd als boekhouder in loondienst en heeft opdrachten gekregen van zijn werkgever en was bang zijn baan te verliezen.

Ten aanzien van feit 4

[verdachte] heeft geen deel genomen aan een criminele organisatie, want er is geen sprake van een criminele organisatie in de zin van artikel 140 van het Wetboek van Strafrecht (hierna: Sr). Slechts aanwijzingen daartoe zijn onvoldoende om van een criminele organisatie te kunnen spreken. Nu er geen sprake is van valsheid in geschrifte en/of witwassen, kan niet worden gesproken van een oogmerk op het plegen van strafbare feiten. Zo er wel sprake is van een criminele organisatie, dan heeft [verdachte] geen wetenschap gehad van het oogmerk van deze organisatie.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de stukken in het dossier en het verhandelde ter terechtzitting wettig en overtuigend bewezen kan worden verklaard dat [medeverdachte 2] alle aan hem ten laste gelegde feiten heeft begaan.

De vindplaatsvermeldingen die in de navolgende bewijsoverwegingen voorkomen, verwijzen – voor zover niet anders vermeld – naar de schriftelijke stukken die zijn opgenomen in het proces-verbaal van de FIOD-ECD kantoor Utrecht, dossiernummer 40866, opgemaakt door verbalisant [verbalisant].

4.3.1. De verklaringen van [verdachte]

Door de raadsman is bepleit dat de verklaringen die [verdachte] op 14 oktober 2008 bij de politie heeft afgelegd van het bewijs moet worden uitgesloten. [verdachte] is voorafgaand aan deze verhoren niet gewezen op zijn consultatierecht.

De rechtbank overweegt in dit verband het volgende:

De Hoge Raad heeft bij arrest van 30 juni 2009 (LJN: BH3079) uit de rechtspraak van het Europees Hof voor de bescherming van de Rechten van de Mens (hierna: EHRM) - met name de uitspraak van het EHRM inzake Salduz tegen Turkije van 27 november 2008 - afgeleid dat een door de politie aangehouden verdachte aan artikel 6 van het EVRM een aanspraak op rechtsbijstand kan ontlenen, die inhoudt dat hem de gelegenheid wordt geboden om, voorafgaand aan het verhoor door de politie aangaande zijn betrokkenheid bij een strafbaar feit, een advocaat te raadplegen. Dit brengt volgens de Hoge Raad mee dat de aangehouden verdachte voor de aanvang van het eerste verhoor dient te worden gewezen op zijn recht op raadpleging van een advocaat.

Uit de piketverklaring van de advocaat van [verdachte] volgt dat [verdachte] op 15 oktober 2008 door een advocaat is bezocht. Gezien het voorgaande zal de rechtbank de twee verklaringen die [verdachte] daarvoor ten overstaan van de politie heeft afgelegd, te weten op 14 oktober 2008 (V-14-01 tot en met V-14-04) uitsluiten van het bewijs in zijn zaak.

4.3.2. Intra communautaire leveringen

In onderhavige zaak staat de vraag centraal of al dan niet sprake is van intra communautaire leveringen waarvoor een zogeheten nultarief geldt. Volgens artikel 5 van de Wet op de omzetbelasting 1968 (hierna: Wet OB) is de levering door een ondernemer van goederen die naar een andere lidstaat worden gebracht belastbaar in het land van vertrek. Wanneer het echter gaat om goederen die worden geleverd aan een ondernemer of daarmee gelijkgestelde geldt voor de levering het zogeheten nultarief. De leverancier is in dat geval overeenkomstig artikel 9, tweede lid onder b, juncto Tabel II, onderdeel a, post 6 Wet OB, geen omzetbelasting (0%) verschuldigd en verliest zijn recht op aftrek niet. Voor de toepassing van dit zogenoemde nultarief dient aan twee voorwaarden te worden voldaan:

1) De goederen moeten aantoonbaar naar aan andere lidstaat worden vervoerd;

2) de goederen worden geleverd aan een andere ondernemer in een andere lidstaat.

In artikel 12 van het Uitvoeringsbesluit omzetbelasting 1968 (hierna: Uitvoeringsbesluit) worden nadere regels gegeven omtrent de toepassing van het nultarief. Zo mag, volgens artikel 12, eerste lid Uitvoeringsbesluit slechts aanspraak op het nultarief worden gemaakt als de toepasselijkheid daarvan uit boeken en bescheiden blijkt. Daarnaast dient de ondernemer die de goederen levert te beschikken over het BTW-identificatienummer van degene die de goederen afneemt, aldus artikel 12, tweede lid, onder 2º Uitvoeringsbesluit.

4.3.3. Bewijsoverwegingen

De rechtbank concludeert op basis van de na te noemen bewijsmiddelen dat door medeverdachte [medeverdachte 2] (hierna: [medeverdachte 2]) en zijn mededaders in georganiseerd verband gebruik is gemaakt van een schijnconstructie om door middel van valse documenten afdracht van BTW te ontlopen en gelden wit te wassen. [verdachte] heeft aan deze schijnconstructie deelgenomen door valse verkoopfacturen en CMR’s op te maken.

De rechtbank overweegt daartoe dat het overgrote deel van door [bedrijf 1] (hierna: [bedrijf 1]) aan [bedrijf 4] te Italië (hierna: [bedrijf 4]), [bedrijf 5] te Spanje (hierna: [bedrijf 5]) of [bedrijf 6] en [bedrijf 6] te Spanje (hierna: [bedrijf 6]) (op papier) geleverde goederen, waarbij het nultarief werd gehanteerd, uiteindelijk op papier werden doorgeleverd aan hetzij zogenoemde “missing traders” hetzij bedrijven die nimmer goederen van een van deze bedrijven hebben gekocht. In werkelijkheid kwamen deze goederen (voor zover er daadwerkelijk leveringen plaatsvonden) echter terecht bij anderen, veelal bij zogenoemde ‘venters’. Daarnaast heeft [bedrijf 1] deze feitelijk niet aan hen geleverde goederen gefactureerd aan genoemde rechtspersonen en deze facturen ook betaald gekregen.

Uit het feit dat [bedrijf 1] wist dat de betreffende goederen slechts op papier aan bovengenoemde ondernemingen werden geleverd om de uiteindelijke afnemers te verhullen (en daarmee BTW te ontlopen), volgt dat de in de administratie van [bedrijf 1] opgenomen CMR’s en facturen reeds daarom vals zijn. Van een daadwerkelijke transactie met deze ondernemingen was immers geen sprake. Voor zover er facturen en CMR’s in de administratie werden opgenomen van goederen die in het geheel niet zijn geleverd, volgt reeds daaruit dat deze vals zijn.

4.3.4. Het bewijs

De rechtbank stelt de navolgende feiten en omstandigheden vast.

4.3.4.1. De Rechtspersonen

[bedrijf 1]

[bedrijf 1], gevestigd op de [adres] te [woonplaats], is de handelsonderneming van [medeverdachte 2]. Sinds 23 mei 2005 staat [medeverdachte 2] als bestuurder van [bedrijf 1] ingeschreven bij de Kamer van Koophandel. [medeverdachte 2] is algemeen directeur en alleen/zelfstandig bevoegd aangaande [bedrijf 1]. Op 28 mei 2008 is de tenaamstelling van [bedrijf 1] gewijzigd in [bedrijf 2] (hierna: [bedrijf 2]).

Voor de oprichting van [bedrijf 1], in de jaren 2003 en 2004, dreef [medeverdachte 2] een eenmanszaak en handelde daarmee onder de naam [naam].

[medeverdachte 2] handelde met [bedrijf 1]/[bedrijf 2] hoofdzakelijk in keukenartikelen, te weten pannensets, messensets en besteksets. Naar eigen zeggen; ‘potten en pannen’.

[bedrijf 1] leverde blijkens haar administratie intra communautair goederen aan het Italiaanse bedrijf [bedrijf 4] dat op naam staat van medeverdachte [medeverdachte 1] (hierna: [medeverdachte 1]). Voorts leverde [bedrijf 1] volgens haar administratie goederen aan [bedrijf 6] waarvan medeverdachte [medeverdachte 6] (hierna: [medeverdachte 6]) voor 97% aandelen bezit. Sinds september 2007 leverde [bedrijf 1] volgens haar administratie ook goederen aan [bedrijf 5]. Chief Executive van dit bedrijf is medeverdachte [medeverdachte 5] (hierna: [medeverdachte 5]). [bedrijf 1] hanteerde voor deze leveringen een 0%-tarief.

[bedrijf 5]

Chief Executive/manager van [bedrijf 5] is [medeverdachte 5]. Uit informatie van Europol blijkt dat [bedrijf 5] is gevestigd op het adres [adres] – [woonplaats]. Uit de verificatie van VAT-nummers blijkt evenwel dat [bedrijf 5] is gevestigd te [adres]. Dit komt nagenoeg overeen met het adres dat op facturen van [bedrijf 1] aan [bedrijf 5] staat vermeld, te weten [adres]. Onderzoek naar deze adressen heeft uitgewezen dat het adres [adres] – [woonplaats] overeenkomt met de locatie van Hotel [naam]. Het andere adres komt overeen met een huizenblok waarin twee panden op de begane grond bestemd zijn voor bedrijfspanden. In één daarvan is ook daadwerkelijk een bedrijf gevestigd genaamd [naam].

[bedrijf 6]

[bedrijf 6] is - blijkens facturen van [bedrijf 1] gericht aan [bedrijf 6]- gevestigd op [adres] te Spanje. Uit onderzoek op dit adres is gebleken dat zich op dit adres de onderneming [bedrijf 6] bevindt. Hier bevindt zich een postbus met nummer [nummer] die op naam staat van medeverdachte [medeverdachte 6]. [medeverdachte 6] heeft in dit verband verklaard dat genoemd adres het enige adres van [bedrijf 6] is en het inschrijfadres van [bedrijf 6] betreft.

[medeverdachte 6] bezit 97% van de aandelen van [bedrijf 6]. [naam] bezit de overige 3%. Zowel [medeverdachte 6] als [medeverdachte 1] zijn verbonden aan de bankrekening van [bedrijf 6] bij La Caixa bank met klantnummer [nummer].

[bedrijf 4]

Het bedrijf [bedrijf 4] is op 28 februari 2000 opgericht en voor 50% in eigendom van [medeverdachte 1] en voor 50% in eigendom bij [naam]. Sole administrator is [medeverdachte 1]. Volgens de Italiaans autoriteiten opereert het bedrijf niet in Italië, waar het enkel over een bankrekening beschikt. Er is geen sprake van een bedrijfsruimte en er zijn geen werknemers in dienst. Gedurende het jaar 2006 had [bedrijf 4], volgens gegevens van de Italiaanse autoriteiten, [bedrijf 6] als klant en als leverancier van goederen onder andere [bedrijf 1].

[medeverdachte 1] heeft bevestigd dat hij samen met zijn vrouw [betrokkene 1], ieder voor 50% aandeelhouder is van het bedrijf [bedrijf 4]. [medeverdachte 1] is als enige gemachtigd op de bankrekening ([rekeningnummer] Banca Cariche Di Risparma Genova) van [bedrijf 4].

4.3.4.2. De levering van goederen door [bedrijf 1] aan [bedrijf 5], [bedrijf 6] en [bedrijf 4]

A. Leveringen blijkens de administratie

[bedrijf 5]

Volgens het verkoopboek van [bedrijf 1] heeft [bedrijf 1] in het 3e en 4e kwartaal van 2007 en het 1e, 2e en 3e kwartaal van 2008 voor in totaal € 1.650.210,86 aan goederen geleverd aan [bedrijf 5].

[bedrijf 6]

In 2006 heeft [bedrijf 1] op papier voor in totaal € 1.172.609 aan goederen aan [bedrijf 6] verkocht. In 2007 betrof dit een bedrag van € 843.522,74. Totaal € 2.016.131,74.

[bedrijf 4]

[bedrijf 4] heeft in 2004 op papier voor in totaal € 1.575.533 aan goederen gekocht van [bedrijf 1]. In 2005 betrof dit een bedrag van € 1.421.034 en in 2006 € 946.619,00. Voorts kocht [bedrijf 4] in 2007 volgens de administratie voor een bedrag van € 351.365,00 aan goederen van [bedrijf 1].

B. Het transport van de goederen

In de administratie van [bedrijf 1] zijn diverse facturen en CMR’s, aangetroffen waarop staat vermeld dat er door [bedrijf 1] goederen zijn geleverd aan bovengenoemde buitenlandse firma’s. De transporten van goederen van [bedrijf 1] naar Spanje werden volgens de boekhouding verzorgd door [getuige 2]. Goederen gefactureerd aan [bedrijf 4] in Italië werden, blijkens de CMR’s bij de facturen, vervoerd door [bedrijf 1] zelf, dan wel door [bedrijf 7][bedrijf 3] Uit diverse verklaringen van onder andere chauffeurs van [bedrijf 1] volgt echter dat de goederen nimmer bij bovengenoemde bedrijven werden afgeleverd, maar aan venters.

- Zo heeft getuige [getuige 3] (hierna: [getuige 3]) verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 2] wel goederen heeft geleverd in onder andere Italië, maar meestal werden deze goederen overgeladen bij een benzinepomp of een parkeerplaats. [medeverdachte 2] zei waar dit moest gebeuren.

- Getuige [getuige 4] (hierna: [getuige 4]) reed in de periode van 2005 tot en met 2008 voor ondernemingen van [medeverdachte 2]. Hij kreeg enkel en alleen opdrachten van [medeverdachte 2]. De te vervoeren goederen werden geladen in [woonplaats]. Bij de zending zat een vrachtbrief/CMR en een briefje waarop stond waar gelost moest worden, een zogenoemd loopbriefje. [medeverdachte 2] verschafte deze papieren. Voor getuige [getuige 4] waren de loopbriefjes belangrijk, want daar stond op waar gelost moest worden. De CMR was enkel in zoverre belangrijk dat hij die bij zich moest hebben in geval hij aangehouden zou worden door de politie. Als op de CMR bijvoorbeeld [bedrijf 4] in Italië stond en er waren vijf loopbriefjes waarop stond dat op campings gelost moest worden, dan volgde getuige [getuige 4] de loopbriefjes.

Getuige [getuige 4] heeft voorts verklaard nooit bij [bedrijf 6] en [bedrijf 4] te zijn geweest. Over het algemeen leverde hij de goederen op campings of anders werden de goederen overgeladen op parkeerplaatsen bij hotels.

- Chauffeur bij [bedrijf 1][getuige 5] (hierna: [getuige 5]) heeft eveneens verklaard dat hij in opdracht van [medeverdachte 2] goederen moest lossen bij campings, hotels of onderweg op parkeerplaatsen. Ook hij ontving enkel en alleen opdrachten van [medeverdachte 2]. Het was [medeverdachte 2] die hem de CMR’s verschafte die getuige [getuige 5] nodig had voor het transport. Op de CMR stond waar de goederen gelost moesten worden. Het kwam ook voor dat onderweg gebeld werd en dat er dan iemand naar hem toekwam waar hij de goederen bij moest lossen. Onderweg werd ook door [medeverdachte 2] gebeld, die dan opdracht gaf de goederen te lossen bij campings, hotels of parkeerplaatsen. Getuige [getuige 5] heeft verklaard nooit in Spanje te zijn geweest om daar goederen te lossen. [bedrijf 6] zegt hem niets. Hij heeft daar nimmer goederen geleverd. Dit geldt ook voor [bedrijf 4]. Wel kreeg getuige [getuige 5] CMR’s mee waar [bedrijf 4] op stond.

- De vervoerders werkzaam bij [getuige 2] hebben ook verklaard nooit bij de bedrijven [bedrijf 6] of [bedrijf 5] goederen te hebben afgeleverd. Goederen van [bedrijf 1] werden opgehaald in [woonplaats]. De goederen stonden op pallets en waren verpakt in zwart krimpfolie, waarop de naam stond voor wie de pallet bestemd was. De ontvanger was altijd een ‘kamper’. Deze ontvangers haalden de goederen op in [woonplaats] te Spanje bij de loods van [getuige 2]. Ook gebeurde het dat de ontvanger van de goederen, die normaal gesproken de goederen zou ophalen, [getuige 2] instructie gaf de spullen ergens af te leveren. Zo werden er zendingen afgeleverd op campings. [getuige 2] factureerde, op verzoek en in opdracht van [medeverdachte 2], aan [bedrijf 5] en [bedrijf 6]. De betalingen werden vervolgens door medeverdachten [medeverdachte 1] of [medeverdachte 5] gedaan. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] hadden zich bij [getuige 2] voorgesteld als de mensen van [bedrijf 1] in Spanje, aldus getuige [getuige 6] (hierna: [getuige 6]). Als er problemen waren met betalingen werd gebeld met [bedrijf 1]. [medeverdachte 2] had aan [getuige 2] toegezegd dat hij het zou regelen als er niet vanuit Spanje voor de facturen betaald werd. Daarbij gedroeg [medeverdachte 2] zich als zijnde de baas van [bedrijf 6] en [bedrijf 5], aldus getuige [getuige 7], eveneens van [getuige 2].

Daarnaast volgt uit de verklaringen van medewerkers van [getuige 2] dat er, naast de hierboven omschreven goederenstromen, ook op papier leveringen hebben plaatsgevonden aan Spaanse ondernemingen, welke in feite nooit plaats hebben gevonden. Zo heeft getuige [getuige 6] verklaard dat hij diverse zendingen van [bedrijf 1] achteraf heeft toegevoegd aan de ritadministratie van [getuige 2]. Dit betroffen ritten die niet gereden waren. Alle ritten van [getuige 2] waar meer dan twee werkdagen tussen de laaddatum en de factuurdatum zit zijn onjuist en achteraf ingevoerd in de ritadministratie van [getuige 2]. Getuige [getuige 8] heeft verklaard dat normaal gesproken gefactureerd wordt de dag nadat de goederen verzonden worden. Bepaalde klanten kregen een maand- of weekfactuur, maar dat was ten aanzien van [bedrijf 1] niet het geval.

- Getuige [getuige 9], bedrijfsleider bij [bedrijf 7], verklaard dat er nooit goederen door dit transportbedrijf werden afgeleverd bij [bedrijf 4]. [bedrijf 4] betrof enkel een factuuradres voor zendingen die vanaf [woonplaats] naar diverse locaties in Engeland werden vervoerd. De opdrachtgever was [medeverdachte 2]. [bedrijf 7] ontving geen opdrachten van [bedrijf 4]. De goederen werden naar campings gebracht van waaruit de goederen verder werden uitgevent. Alle vrachten op Engeland werden gefactureerd op [bedrijf 4].

4.3.4.3. De doorlevering van [bedrijf 5], [bedrijf 6] en [bedrijf 4] aan andere afnemers

Zoals hiervoor reeds uiteengezet werd een groot deel van de goederen door [bedrijf 1] direct in opdracht van [medeverdachte 2] afgeleverd aan zogenoemde ‘venters’ terwijl die goederen door [bedrijf 1] – op papier – werden geleverd aan [bedrijf 5], [bedrijf 6] en [bedrijf 4]. Daarnaast is er sprake van -wel- feitelijke geleverde goederen door [bedrijf 1] aan [bedrijf 5], [bedrijf 6] en [bedrijf 4] waarna deze ondernemingen deze goederen feitelijk hebben doorgeleverd aan venters, maar op papier hebben doorgeleverd aan ondernemingen die geen handel met deze bedrijven hebben gehad, dan wel geregistreerd staan als ‘missing trader’.

[bedrijf 5]

Volgens het verkoopoverzicht van [bedrijf 5] over 2007 heeft [bedrijf 5] voor in totaal € 613.102,73 aan goederen verkocht, waarvan € 578.176 aan [bedrijf 8], [bedrijf 9] en [bedrijf 10]. Het verkoopoverzicht van 2008 laat een totale verkoop van

€ 126.314,60 zien, waarvan € 32.780,00 aan [bedrijf 10].

De bedrijven [bedrijf 8] en [bedrijf 10] hebben echter nooit enige zakelijke relatie gehad met [bedrijf 5]. Daarnaast is het veronderstelde adres van het hoofdkantoor van [bedrijf 9] onjuist. Op de bankrekening van [bedrijf 5] bij de La Caixa bank (rekeningnummer [rekeningnummer]) is niet te zien dat door deze bedrijven gelden worden overgemaakt.

[bedrijf 6]

De grootste afnemer van [bedrijf 6] was, naast een stuk of vijf, zes, zeven, kleine afnemers in Spanje, het bedrijf [naam]. Uit informatie van de Franse autoriteiten blijkt echter dat de Franse Chamber of Commerce het bedrijf [naam] (verder te noemen: [naam]) op 9 mei 2001 heeft doorgehaald in haar registers en is aangemerkt als ‘complete missing trader’. Op de bankrekeningen van [bedrijf 6] is evenmin te zien dat deze rekening gevoed wordt door gelden afkomstig van [naam]. Wel is te zien dat op de bankrekeningen grote contante geldbedragen gestort worden. Zo volgt uit de bankafschriften van de bankrekening van [bedrijf 6] (rekeningnummer [rekeningnummer] La Caixa bank) dat contante gelden op de rekeningen zijn gestort onder vermelding van ‘[bedrijf 11]’.

Tijdens de doorzoeking op het woonadres van [medeverdachte 1] zijn op een computer facturen aangetroffen van [bedrijf 6] gericht aan [bedrijf 11] [adres]. Blijkens deze facturen zou door [bedrijf 6] voor duizenden euro’s aan keukenartikelen tegen nul procent belasting zijn geleverd aan dit bedrijf. [bedrijf 11] is echter een bedrijf dat zich bezig houdt met (de verkoop van) analyse en instrumenten op het gebied van het milieu. Voorts is dit bedrijf op een ander adres dan op de facturen vermeld, gevestigd. Daarbij hoort het op de facturen vermeldde BTW-nummer (CIF/IVA: FR27443473335) bij een bedrijf genaamd [naam].

Onder het kopje ‘4.3.4.4. De betalingen door [bedrijf 5], [bedrijf 6] en [bedrijf 4] van de door [bedrijf 1] geleverde goederen’ zal nader in worden gegaan op de contante geldstortingen op de bankrekeningen van [bedrijf 6].

[bedrijf 4]

In 2005 leverde [bedrijf 4] volgens haar administratie aan een viertal klanten, waaronder [naam] en [bedrijf 6]. [naam] was de grootste afnemer. Blijkens haar verkoopboek had [bedrijf 4] in 2006 eveneens [bedrijf 6] als klant. Gedurende boekjaar 2007 werd door [bedrijf 4] geleverd aan onder meer [bedrijf 6] en [bedrijf 5].

Zoals gebleken uit de verkoopboeken van [bedrijf 4] verkocht zij een deel van haar goederen aan [naam]. Zoals reeds weergegeven volgt uit informatie van de Franse autoriteiten dat de Franse Chamber of Commerce het bedrijf [naam] op 9 mei 2001 heeft doorgehaald in haar registers en is aangemerkt als ‘complete missing trader’.

In dit verband is er door de verdediging inzake [medeverdachte 1] op gewezen dat [naam] wel degelijk een bestaand bedrijf was met, zo blijkt uit het VIES-systeem, een werkend BTW-nummer (VAT-nummer). De rechtbank zal hier ambtshalve ook in onderhavig vonnis op ingaan, te meer nu door de verdediging is aangevoerd dat bewust door het Openbaar Ministerie ontlastend materiaal bewust buiten het dossier is gehouden.

De omstandigheid dat [naam] een werkend BTW-nummer had, maakt de conclusie van de rechtbank niet anders. Uit de bewijsmiddelen blijkt dat door [medeverdachte 2] en zijn mede-verdachten in georganiseerd verband gebruik is gemaakt van een schijnconstructie. Gezien de eisen die gelden voor het rechtmatig hanteren van het nultarief, is inherent aan (het slagen van) deze constructie dat gebruik wordt gemaakt van een buitenlandse onderneming met een bestaand VAT-nummer. Voor verdachte was het, als lid van de organisatie die de schijnconstructie gebruikte, duidelijk dat er geen feitelijke handel met [naam] plaatsvond. Hij kan daarom geen beroep doen op de gegevens zoals die uit het VIES-systeem naar voren komen ter onderbouwing van zijn stelling dat hij er gerechtvaardigd op mocht vertrouwen dat [naam] een bona fide onderneming was. [medeverdachte 2] wist immers dat dit niet het geval was.

[bedrijf 6] leverde voor het overgrote deel door aan de missing trader [naam] (zie 4.3.4.3 kopje ‘[bedrijf 6]’).

[bedrijf 5] leverde volgens haar boeken voor het overgrote deel de ontvangen goederen door aan niet-bestaande bedrijven, dan wel bedrijven die nooit enige zakelijke relatie met [bedrijf 5] hebben gehad (zie 4.3.4.3. kopje ‘[bedrijf 5]’).

4.3.4.4. De betalingen door [bedrijf 5], [bedrijf 6] en [bedrijf 4] van de door [bedrijf 1] geleverde goederen

[bedrijf 5]

Op de bankafschriften van [bedrijf 5] is te zien dat in de periode van 27 juli 2007 t/m 14 april 2008 in totaal € 1.111.744,00 aan contante gelden op deze rekening is gestort. Vanaf deze rekening werd in de periode van 12 september 2007 tot en met 27 juni 2008 in totaal € 1.458.321,04 overgeboekt naar de [bedrijf 1]. Uit de rekeningafschriften volgt ook dat er in de periode van 12 september 2007 tot en met 24 juni 2008 € 165.549,00 is overgemaakt naar [bedrijf 4].

Op de privérekening bij La Caixa bank van medeverdacht [medeverdachte 4] (rekeningnummer [rekeningnummer]) is in de periode van 9 augustus 2007 t/m 14 juni 2008 in totaal een bedrag van € 141.205,00 contant gestort.

Op de tweede privérekening bij La Caixa bank van [medeverdachte 4] (rekeningnummer [rekeningnummer]) is in de periode 31 december 2007 t/m 23 juni 2008 in totaal een bedrag van € 99.000,00 contant gestort.

Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft in dit verband verklaard dat de geldbedragen die op haar privé-rekeningen werden gestort, werden overgeboekt naar de bankrekening van [bedrijf 5].

In totaal is er zodoende een bedrag van € 1.351.994,00 contant op de rekeningen van [bedrijf 5] en de rekeningen van [medeverdachte 4] gestort.

[bedrijf 6]

[bedrijf 6] heeft in 2006 en 2007 voor in totaal € 2.016.131,74 aan goederen van [bedrijf 1] gekocht. [bedrijf 1] heeft volgens VIES-systeem vanaf het 1e kwartaal 2006 tot en met het 2e kwartaal 2007 voor € 1.989.152,00 intracommunautair aan [bedrijf 6] geleverd.

Op de rekeningafschriften van [bedrijf 6] is te zien dat in de periode van 1 februari 2006 tot en met 22 december 2006 in totaal € 1.079.192,78 per bank wordt betaald aan [bedrijf 1]. In de periode van 24 januari 2007 tot en met 31 mei 2007 wordt per bank € 601.061,00 aan [bedrijf 1] overgemaakt. Hetgeen een totaalbedrag oplevert van € 1.680.253,78.

Op de bankrekening van [bedrijf 6] bij La Caixa bank met nummer [rekeningnummer] is in de periode van 18 januari 2006 tot en met 28 december 2006 € 281.090,00 aan contante gelden gestort. Op het rekeningoverzicht van [bedrijf 6] (rekeningnummer [rekeningnummer] La Caixa bank) over periode 24 juni 2006 t/m 17 december 2007 is te zien dat grote contante geldbedragen, variërend tussen € 4.300,00 en € 88.000,00 worden gestort. In totaal is gedurende 2006 en 2007 op laatst genoemd rekeningnummer € 792.670,00 gestort. In totaal is gedurende 2006 en 2007 € 1.073.760,00 contant op de bankrekeningen van [bedrijf 6] gestort. Uit de bankafschriften van de bankrekening van [bedrijf 6] (rekeningnummer [rekeningnummer] La Caixa bank) volgt voorts dat grote contante geldbedragen op de rekeningen zijn gestort onder vermelding van ‘[bedrijf 11]’.

[bedrijf 4]

In 2005 wordt de bank van [bedrijf 4] voor een deel gevoed door stortingen en overschrijvingen van andere banken. Zo is er

€ 1.478.615,00 van [naam] ontvangen, € 152.241,00 van [naam] en is er € 129.474,00 aan contante stortingen binnengekomen.

In 4.3.4.3. is reeds beschreven dat [naam] een missing trader is. Uit het navolgende blijkt dat de betalingen die blijkens de administratie door [naam] aan [bedrijf 4] zouden zijn verricht, in werkelijkheid niet van [naam] afkomstig zijn. Een deel van de betalingen heeft plaats gehad vanaf een Nederlandse bankrekening ([rekeningnummer] ABN AMRO) ten name van [bedrijf 4] met als adres het woonadres van [medeverdachte 1]. Hierop is te zien dat in 2005 € 759.991,00 middels kasstortingen in Ermelo op de rekening zijn gestort, waarbij als omschrijving [naam] staat vermeld. Deze geldbedragen werden vervolgens overgeboekt naar de Italiaanse rekening van [bedrijf 4] (rekeningnummer [rekeningnummer] Banca Carige) onder vermelding van ‘ontvangen [naam]’. Op de bankspecificaties van [bedrijf 4] (rekeningnummer [rekeningnummer] Banca Carige) is te zien dat deze geldbedragen binnenkomen als zijnde betalingen van [naam].

Ook is in 2005 een bedrag van € 249.609,00 contant gestort op de rekening van [bedrijf 4], waarbij als tegenrekening [nummer] is opgenomen. Het nummer [nummer] is, aldus de grootboekrekening van [bedrijf 4], toegekend aan [naam].

Voorts is een bedrag van € 380.753,00 overgemaakt op de Italiaanse bankrekening van [bedrijf 4] ter betaling van facturen aan [naam], terwijl uit de administratie van [bedrijf 4] volgt dat dit bedrag afkomstig is van [naam]. Dit geldt teven met betrekking tot een bedrag van € 84.590,00 afkomstig van [naam].

In 2005 wordt de Italiaanse bankrekening van [bedrijf 4] ook gevoed door ontvangen bankoverschrijvingen van [naam] Ltd, à € 152.241,00. Uit de verkoopboeken van [bedrijf 4] volgt echter dat er geen handel is geweest met [naam] (zie 4.3.4.3.).

Daarbij is de Italiaanse bankrekening van [bedrijf 4] in 2005 ook gevoed door contante stortingen voor een bedrag groot

€ 129.474,00.

In 2006 wordt de bank van [bedrijf 4] voor een deel gevoed door overschrijvingen van [bedrijf 6] , in totaal € 918.484,34 alsmede kasstortingen van in totaal € 97.946,00.

Voor de betalingen van [bedrijf 6] aan [bedrijf 4] geldt deels hetzelfde als voor de zogenoemde betalingen door [naam]. Naar de Italiaanse rekening van [bedrijf 4] wordt in 2006 € 115.986,99 overgemaakt onder vermelding van ‘[bedrijf 6] (invoice) Spain’, dan wel ‘Alvas del pi Spanje’. De begunstigde van het overgeboekte geldbedrag is telkens de Nederlandse bankrekening van [bedrijf 4]. Welke rekening gevoed wordt door contante sealbagstortingen. De overgeboekte bedragen komen (minus de kosten) overeen met de op de Italiaanse rekening van [bedrijf 4] ontvangen bedragen.

Het overige bedrag (€ 802.497,35) dat bij [bedrijf 4] is binnengekomen onder vermelding van de tegenrekening van [bedrijf 6] , te weten 7/0019 , komt overeen met de afboekingen van de rekeningen van [bedrijf 6].

Voorts wordt de bank van [bedrijf 4] in 2006 gevoed door een bedrag van € 97.946,00 aan contante stortingen.

In 2007 wordt de bankrekening van [bedrijf 4] voor een deel gevoed door overschrijvingen van [bedrijf 6] van in totaal

€ 252.006,00. Dit bedrag komt overeen met de op de bankrekening van [bedrijf 6] vermeldde afboekingen. Voorts wordt in totaal een bedrag van € 23.000,00 door [bedrijf 5] overgeschreven. Ten aanzien van [bedrijf 5] zij verwezen naar 4.3.4.7. waarin is omschreven dat de bankrekening van [bedrijf 5] hoofdzakelijk wordt gevoed door contante stortingen door medeverdachten [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] en in ieder geval niet gevoed worden door de bedrijven waaraan [bedrijf 5] volgens haar verkoopboeken aan levert.

Contant komt in 2007 nog eens € 23.158,00 binnen op de rekening van [bedrijf 4].

In 2008 wordt de bank van [bedrijf 4] voor een deel gevoed door overschrijvingen van [bedrijf 5] van in totaal € 165.594,00. Ook wordt namens [bedrijf 5] een bedrag van € 42.200,00 per kas gestort. Voorts is een bedrag van € 14.500,00 per kas op de bank van [bedrijf 4] gestort.

In totaal is er in de jaren 2005 tot en met 2008 € 3.296.718,00 aan contante stortingen en overboekingen van [naam], [naam], [bedrijf 6] en [bedrijf 5] op de rekening van [bedrijf 4] terecht gekomen.

4.3.4.5. De rol van verdachte, zijn mededaders en hun onderlinge relaties

[medeverdachte 2] was degene, aldus [medeverdachte 3] en [verdachte], die de leiding gaf aan het [bedrijf 1]/[bedrijf 2]. Hij gaf de opdrachten, nam bestellingen aan en regelde de verkopen. Klanten belden voor het overgrote deel naar [medeverdachte 2] om goederen te bestellen. Door [medeverdachte 2] werd dan op een bestelblok aangestreept wat er besteld werd en dat werd dan bij elkaar gezocht. ’s Ochtends gaf [medeverdachte 2] aan wat er die betreffende dag gedaan moest worden. [medeverdachte 2] gaf aan [medeverdachte 3] en [verdachte] opdracht om facturen op te maken. Hij vertelde voor wie de factuur was, welk adres en wat er geleverd moest worden. Ook besliste [medeverdachte 2] of een factuur per post aan de klant werd verzonden of met een zending mee werd gestuurd. Wanneer en factuur niet betaald werd, werd door [medeverdachte 2] contact opgenomen met het betreffende bedrijf. Wanneer [medeverdachte 2] afwezig was, werden door hem telefonisch opdrachten gegeven. Facturen werden dan door [medeverdachte 3] of [verdachte] opgemaakt. Bankbetalingen en cheques verzorgde [medeverdachte 2].

Ook gaf [medeverdachte 2] de opdrachten betreffende het vervoer van de bestelde goederen en de plaats van aflevering. [medeverdachte 2] voorzag zijn chauffeurs van zogenoemde loopbriefjes waarop stond waar de lading gelost moest worden. Tijdens het transport was het [medeverdachte 2] die opbelde naar de betreffende chauffeur met de opdracht waar de goederen te lossen.

Medeverdachten [medeverdachte 3] en [verdachte] werkten beiden op het kantoor van [bedrijf 1]/[bedrijf 2]. Zij verzorgden de boekhouding en maakten facturen op. Onder de boekhouding dient, aldus [medeverdachte 3], verstaan te worden het bijhouden van het kasboek en de betalingen, alsmede ervoor zorgen dat buitenlandse cheques naar de bank gaan. Ook hielden [medeverdachte 3] en van [verdachte] elke dag de voorraad bij. Verschillen werden elke dag bij- of afgeboekt. De werkzaamheden van [medeverdachte 3] en [verdachte] waren, aldus [medeverdachte 3], meestal hetzelfde. Enig verschil hierin was dat [verdachte] geen betalingen deed en [medeverdachte 3] wel.

[verdachte] heeft op zijn beurt verklaard dat hij binnen [bedrijf 1] de facturen opmaakte. In opdracht van [medeverdachte 2] en [medeverdachte 3] maakte hij valse facturen op. Zo gebeurde het wel dat mensen goederen kwamen ophalen bij [bedrijf 1], maar niet wilden dat hun naam op de factuur kwam te staan. In zo’n geval werd op de factuur bijvoorbeeld de naam [bedrijf 5] gezet. Het kon ook de naam [bedrijf 4] of [bedrijf 6] zijn die dan op de factuur werd gezet.

[verdachte] facturen had opgemaakt bewaarde hij deze in een map en gaf ze vervolgens aan [medeverdachte 2]. Vervolgens bleek [medeverdachte 1] over deze facturen te beschikken. Dit betroffen onder meer de valselijk opgemaakt facturen. [medeverdachte 1] informeerde ook bij [verdachte] of de betalingen van onder andere [bedrijf 4], [bedrijf 6] en [bedrijf 5] binnen waren bij [bedrijf 1]. Als er problemen betreffende deze bedrijven waren nam [medeverdachte 1] contact op met [verdachte] om een en ander op te lossen. [medeverdachte 1] was voorts de enige die contact had met [medeverdachte 2] aangaande deze bedrijven.

[getuige 2] factureerde, op verzoek en in opdracht van [medeverdachte 2], aan [bedrijf 5] en [bedrijf 6]. Er werd met [bedrijf 1] gebeld als er problemen waren met de betalingen. [medeverdachte 2] had aan [getuige 2] toegezegd dat hij het zou regelen als er niet vanuit Spanje voor de facturen betaald werd. [medeverdachte 2] gedroeg zich als zijnde de baas van [bedrijf 6] en [bedrijf 5], aldus getuige [getuige 2]. De betalingen werden vervolgens door [medeverdachte 1] of [medeverdachte 5] gedaan. [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] hadden zich bij [getuige 2] voorgesteld als de mensen van [bedrijf 1] in Spanje, aldus getuige [getuige 6]. [getuige 2] was [medeverdachte 1] eveneens contactpersoon. Telefonische contacten betreffende achterstallige betalingen hadden met hem plaats. Facturen voor [bedrijf 5] werden naar [medeverdachte 1] gefaxt.

[medeverdachte 1] heeft aan [medeverdachte 6] voorgesteld om ook in de handel in potten, pannen en messensets te gaan en [medeverdachte 6] voorgesteld aan [medeverdachte 2]. [medeverdachte 1] stelde aan [medeverdachte 2] voor dat [medeverdachte 6] een geschikte persoon zou zijn voor de handel op Spanje. [medeverdachte 2] ging hiermee, aldus [medeverdachte 6], akkoord. Hiertoe hebben [medeverdachte 1] en [medeverdachte 6] de firma [medeverdachte 7] (hierna: [medeverdachte 7]) opgericht. [medeverdachte 1] bracht de eerste klant, te weten [naam], aan. Ook haalde [medeverdachte 1] wel eens goederen op, leverde goederen af en nam cheques van afnemers in ontvangst. In 2004/2005 is in overleg met [medeverdachte 1] besloten de handel met [medeverdachte 7] te staken. [bedrijf 6] werd opgericht als voortzetting van [medeverdachte 7]. [medeverdachte 6] nam de aandelen van [medeverdachte 1] van [medeverdachte 7] over. Gemiddeld eens in de twee maanden vloog [medeverdachte 6] naar Spanje. Hij zorgde ervoor dat de bestellingen van afnemers op de juiste plaatsen werden afgeleverd. Bij de feitelijke aflevering van de goederen was hij vaak zelf aanwezig. In voorkomende gevallen haalde [medeverdachte 6] ook het contant geld op voor leveringen aan klanten. [medeverdachte 2] heeft [medeverdachte 6] op enig moment verzocht een tweetal nieuwe firma’s in Spanje op te richten om de activiteiten van [bedrijf 6] over te nemen. In april 2007 is [medeverdachte 6] gedetineerd geraakt.

Vervolgens heeft [medeverdachte 5] wat zaken voor [bedrijf 6] afgehandeld. [medeverdachte 4] heeft verklaard dat [medeverdachte 5] contact heeft gehad met de boekhouder in Spanje in verband met [bedrijf 6]. Uit een brief die [medeverdachte 6] vanaf zijn detentieadres verstuurde aan [medeverdachte 5] d.d. 4 februari 2008 blijkt voorts dat [medeverdachte 6] een afspraak wil maken met [medeverdachte 5] om ‘de cijfers door te nemen’.

[medeverdachte 5] werkte samen met [medeverdachte 4]. De werkzaamheden zie zij samen verrichtten voor [bedrijf 5] betroffen het letten op de invoer van de goederen, het uitleveren van de goederen in Spanje, facturatie en betaling, aldus [medeverdachte 5]. Bestellingen van klanten werden door [medeverdachte 5] over het algemeen bij [bedrijf 1] geplaatst. Overboekingen van de bankrekening van [bedrijf 5] werden enkel door [medeverdachte 5] verzorgd.

Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft ten aanzien van [bedrijf 5] verklaard dat zij midden zomer 2007 een privérekening geopend heeft bij de La Caixa bank in Spanje, waar grote geldbedragen op werden gestort. In die periode is ook een aanvraag gedaan om een rekening te openen voor [bedrijf 5].

[medeverdachte 4] heeft in eerste instantie verklaard dat zij in een periode van 12 maanden maandelijks met [medeverdachte 5] naar Spanje ging. Later verklaarde zij dat zij gemiddeld twee keer per maand met [medeverdachte 5] naar Spanje ging. Van [medeverdachte 5] hoorde zij wanneer ze naar Spanje zouden gaan. Zij namen dan geld mee. [medeverdachte 4] kreeg van [medeverdachte 5] het geld dat vervoerd moest worden. Eenmaal in Spanje bezochten ze diverse campings in de omgeving van Altea, alwaar zij mensen ontmoetten die potten en pannen en dergelijke verkochten. Deze mensen gaven geld aan [medeverdachte 5]. Deze in sealbags ontvangen gelden stortten ze vervolgens bij diverse bankenfilialen. De te storten bedragen mochten niet te groot zijn, anders zou de bank vragen gaan stellen over de herkomst van het geld. Ook het geld dat vanuit Nederland werd meegenomen werd gestort. Zo’n 30% tot 40% van de totale stortingen kwam terecht op de privérekening van [medeverdachte 4], de overige geldbedragen werden direct op de rekening van [bedrijf 5] gestort. Uiteindelijk werden de geldbedragen op de privérekening van [medeverdachte 4] overgeboekt naar de rekening van [bedrijf 5]. De geldbedragen op de rekening van [bedrijf 5] werden onder meer doorgeboekt naar [bedrijf 1].

Voordat [bedrijf 5] werd opgericht zijn [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] samen naar Spanje geweest. [medeverdachte 1] heeft [medeverdachte 5] toen voorgesteld aan de reizigers, aldus [medeverdachte 4].

[medeverdachte 4] heeft verder verklaard dat zij telkens wanneer zij naar Spanje vloog met geld, zij [medeverdachte 1] moest bellen als zij aangekomen was. Als er problemen zouden komen over het geld, moest [medeverdachte 4] zeggen dat het geld van [medeverdachte 1] was en dat het goed geld was. Het te vervoeren geld naar Spanje werd door [medeverdachte 5] opgehaald bij [medeverdachte 1], aldus [medeverdachte 4].

Zo volgt uit een getapt telefoongesprek dat [medeverdachte 4] op 8 juli 2008 naar [medeverdachte 1] belt op het moment dat [medeverdachte 5] werd aangehouden op Schiphol. Een dag later vindt een gesprek plaats tussen [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1], waarin zij praten over de aanhouding van [medeverdachte 5] op Schiphol. Bij die aanhouding, die plaats had op 5 juli 2007 werd, bij een onderzoek aan de bagage en kleding van [medeverdachte 5] een contact bedrag van totaal

€ 86.010,00 aangetroffen. Tijdens dit gesprek praten [medeverdachte 2] en [medeverdachte 1] over het aantreffen van het geld bij [medeverdachte 5]. [medeverdachte 1] zegt tijdens dit gesprek dat [medeverdachte 5] zal moeten bewijzen dat ‘ie ehh handel uit Nederland naar Spanje verkoopt ehh inkoopt. Maar hij moet ook effe bewijzen dat ie daar werkelijk klanten hebt. En daarom heeft ie van een paar ouwe klanten facturen nodig’.

[medeverdachte 4] moest met [medeverdachte 1] alles bespreken wat met het onder [medeverdachte 5] in beslag genomen geld te maken had en zijn situatie. Zo is [medeverdachte 4] op 18 juli 2008 bij [medeverdachte 1] langs geweest. Zij spraken over de situatie rond de aanhouding van [medeverdachte 5]. [medeverdachte 1] vertelde [medeverdachte 4] dat wanneer het onderzoek door de FIOD zou worden gedaan de kans bestond dat er belastingcontroles zouden worden gedaan. Ook [medeverdachte 2] begon onrustig te worden.

4.3.5. Bewijsoverwegingen per ten laste gelegd feit

Ten aanzien van feit 1

Documenten’ v tot en met z’ en ‘aa tot en met gg’

[medeverdachte 2] is de directeur van het [bedrijf 1], gevestigd aan de [adres] te [woonplaats] (Duitsland).

De rechtbank stelt vast dat van de in de tenlastelegging opgenomen CMR’s en verkoopfacturen (opgenomen onder de letters v tot en met z en aa tot en met gg) gericht aan [bedrijf 1] niet vastgesteld kan worden of deze facturen zien op een goederenstroom tussen [bedrijf 1] te [woonplaats] en [bedrijf 1] GmbH die daadwerkelijk heeft plaats gevonden of een goederenstroom die niet heeft plaats gevonden. De rechtbank is dan ook van oordeel dat niet wettig en overtuigend bewezen kan worden dat deze CMR’s en verkoopfacturen vals zijn. De rechtbank zal van [verdachte] dan ook vrijspreken van het medeplegen van het valselijk opmaken van de documenten opgenomen onder v tot en met z’ en ‘aa tot en met gg’

Documenten ’a tot en met h’

In het dossier bevindt zich een viertal verkoopfacturen (genummerd D-252, D-060, D-073a en D-240b) afkomstig van [bedrijf 1] te Soesterberg gericht aan [bedrijf 5] te Spanje, over de periode 16 november 2007 tot en met 12 juni 2008. Daarnaast bevindt zich in het dossier een viertal CMR’s (genummerd D-252, D-060, D-073 en D-240) behorende bij deze facturen. Op deze CMR’s staat [bedrijf 1] vermeld als afzender van de goederen. Als geadresseerde staat [getuige 2], [adres] vermeld.

De zending behorende bij D-252 is op 16 november 2007 volgens de CMR vervoerd. De datum waarop [getuige 2] de kosten voor het vervoer de heeft gefactureerd aan [bedrijf 5] is 31 december 2007.

De zending behorende bij D-060 is op 27 november 2007 volgens de CMR vervoerd. Dat datum waarop [getuige 2] de kosten voor het vervoer heeft gefactureerd aan [bedrijf 5] is 31 december 2007.

De zending behorende bij D-073 is op 19 maart 2008 volgens de CMR vervoerd. De datum waarop [getuige 2] de kosten voor het vervoer heeft gefactureerd aan [bedrijf 5] is 2 mei 2008.

De zending behorende bij D-240 is op 13 juni 2008 volgens de CMR vervoerd. De datum waarop [getuige 2] de kosten voor het vervoer heeft gefactureerd aan [bedrijf 5] is 7 juli 2008.

Ten aanzien van de zendingen behorende bij D-252 en D-060 heeft getuige [getuige 6] verklaard dat dit ritten betreft die niet gereden zijn. De dag nadat de goederen verzonden worden, wordt door [getuige 2] gefactureerd. Alle ritten waar meer dan twee werkdagen tussen de laaddatum en factuurdatum zit zijn onjuist en achteraf ingevoerd in de ritadministratie.

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat de betreffende verkoopfacturen en CMR’s vals zijn, nu deze ritten in werkelijkheid nooit gereden zijn. Tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 5], [medeverdachte 3] en [verdachte] bestond bij de uitvoering van de schijnconstructie ten aanzien van [bedrijf 5] een nauwe en bewuste samenwerking, zie ook 4.3.4, en meer specifiek 4.3.4.2,, onderdeel B, 4.3.4.4 en 4.3.4.5. De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee eveneens verworpen.

Documenten ’i tot en met t’

In het dossier bevindt zich een zestal verkoopfacturen (genummerd D-309, D-110a, D-272, D-282, D-164 en D-152) afkomstig van [bedrijf 1] te [woonplaats] gericht aan [bedrijf 4], over de periode 8 november 200 tot en met 27 februari 2007. Daarnaast bevindt zich in het dossier een zestal CMR’s (D-309a, D-110a, D-272, D-282, D-164 en D-152) behorende bij deze facturen. Op deze CMR’s staat [bedrijf 1] vermeld als afzender van de goederen. Als geadresseerde staat [bedrijf 4] vermeld.

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat de betreffende verkoopfacturen en CMR’s vals zijn. [medeverdachte 2] en zijn medeverdachten hebben immers slechts voorgewend dat de betreffende goederen feitelijk dan wel juridisch aan [bedrijf 4] werden geleverd om op die manier BTW te ontlopen. Tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 3] en [verdachte] bestond bij de uitvoering van de schijnconstructie ten aanzien van [bedrijf 4] een nauwe en bewuste samenwerking, zie ook 4.3.4, en meer specifiek 4.3.4.2, onderdeel B, 4.3.4.4 en 4.3.4.5..De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee eveneens verworpen.

Voor wat betreft de transporten behorende bij D-309a, D-110a, D-272 en D-282 wordt verwezen naar hetgeen in 4.3.4.2. onderdeel B is omschreven.

Documenten ’hh tot en met kk’

In het dossier bevindt zich een tweetal verkoopfacturen (genummerd D-259 en D-877) afkomstig van [bedrijf 1] te Soesterberg gericht aan [bedrijf 6] [bedrijf 6], d.d. 12 februari 2007 en 26 maart 2007. Daarnaast bevindt zich in het dossier een tweetal CMR’s (D-259 en D-877) behorende bij deze facturen. Op deze CMR’s staat [bedrijf 1] vermeld als afzender van de goederen. Als geadresseerde staat [bedrijf 6] [bedrijf 6] vermeld.

Uit hetgeen de rechtbank hiervoor heeft overwogen volgt dat de betreffende verkoopfacturen en CMR’s vals zijn. [medeverdachte 2] en zijn medeverdachten hebben immers slechts voorgewend dat de betreffende goederen feitelijk dan wel juridisch aan [bedrijf 6] werden geleverd, om op die manier BTW te ontlopen. De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee eveneens verworpen.

Tussen [medeverdachte 1], [medeverdachte 2], [medeverdachte 6], [medeverdachte 3] en [verdachte] bestond bij de uitvoering van de schijnconstructie ten aanzien van de handel tussen [bedrijf 1] en [bedrijf 6] een nauwe en bewuste samenwerking, zie ook 4.3.4, en meer specifiek 4.3.4.2, onderdeel B, 4.3.4.4 en 4.3.4.5.

Gelet op bovenstaande feiten en is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] in nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders opzettelijk de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] onjuist heeft opgemaakt door daarin valse verkoopfacturen en CMR’s op te nemen.

Ten aanzien van feit 2

In het dossier bevindt zich een tweetal verkoopfacturen (genummerd D-693 en D-749) afkomstig van [bedrijf 1] te [woonplaats] gericht aan [bedrijf 4] d.d. 14 januari 2004 en 13 december 2004. Daarnaast bevindt zich in het dossier een tweetal CMR’s (D-693 en D-749) behorende bij deze facturen. Op deze CMR’s staat [bedrijf 1] vermeld als afzender van de goederen. Als geadresseerde/ontvanger staat [bedrijf 4] vermeld.

In 2004 dreef [medeverdachte 2] de eenmanszaak [naam].

Tussen [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [medeverdachte 1] en [verdachte] bestond bij de uitvoering van de schijnconstructie ten aanzien van de handel tussen [naam] en [bedrijf 4] een nauwe en bewuste samenwerking, zie ook 4.3.4, en meer specifiek 4.3.4.2, onderdeel B, 4.3.4.4 en 4.3.4.5.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat [verdachte] in nauwe en bewuste samenwerking met zijn mededaders opzettelijk de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] onjuist heeft opgemaakt door daarin valse verkoopfacturen en CMR’s op te nemen. De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee eveneens verworpen.

Ten aanzien van feit 3

[verdachte] wordt onder feit 3 - zakelijk weergegeven - verweten dat hij al dan niet tezamen met anderen in de periode van 1 januari 2003 tot en met 14 oktober 2008 zich heeft schuldig gemaakt aan (gewoonte) witwassen.

De rechtbank stelt voorop dat uit het voorgaande, meer specifiek paragraaf 4.3.4.4, volgt dat alle contante stortingen op de bankrekeningen van [bedrijf 5], [bedrijf 6] en [bedrijf 4] zijn gedaan ter betaling van facturen van [bedrijf 1] betreffende leveringen aan deze bedrijven, welke leveringen feitelijk niet aan deze bedrijven plaats hebben gevonden.

Aan de orde is dan allereerst de vraag of de gelden waarmee deze betalingen zijn gedaan, afkomstig zijn uit een voorafgaand gepleegd misdrijf, zoals artikel 420bis Sr vereist.

Dit is het geval. Uit paragraaf 4.3.4, waarin de door de rechtbank aangenomen vaststaande feiten zijn beschreven, komt immers een constructie naar voren, die er mede ertoe strekte dat een deel van de goederen van [bedrijf 1], op een wijze die door de fiscus niet te achterhalen is, “zwart” konden worden verkocht aan venters, dan wel onbekend gebleven derden.

Deze goederen werden door [bedrijf 1] op papier echter doorgeleverd aan [bedrijf 5], [bedrijf 6] en [bedrijf 4], allen gevestigd buiten Nederland, doch binnen de Europese Unie. Ter onderbouwing van deze leveringen werden valse facturen en CMR’s opgemaakt, als gevolge waarvan [bedrijf 1] - ten onrechte - het nultarief voor de omzetbelasting kon hanteren. Hierdoor heeft [bedrijf 1]/[medeverdachte 2] zich schuldig gemaakt aan misdrijven zoals bedoeld in de artikelen 225 Sr en 69, tweede lid van de Algemene wet inzake rijksbelastingen.

Door het vervolgens storten dan wel giraal overmaken van contant geld dan wel cheques, afkomstig van deze “zwarte” verkopen, op de bankrekeningen van [bedrijf 5], [bedrijf 6] en [bedrijf 4] en het met deze gelden voldoen van voornoemde valse facturen, werd door verdachten de werkelijke aard en de herkomst van de bedragen, van in totaal een bedrag van

€ 5.722.472 verhuld.

Nu uit het voorgaande volgt dat het geld ten aanzien waarvan deze handelingen werden verricht afkomstig was uit de misdrijven valsheid in geschrifte en belastingfraude, moeten deze handelingen worden gekwalificeerd als witwassen.

Dat bij [verdachte] wetenschap bestond, dat deze geldbedragen afkomstig waren uit misdrijven, staat gelet op hetgeen is omschreven in de paragrafen 4.3.3 en 4.3.4, meer specifiek het feit dat [verdachte] valse facturen voor [bedrijf 1] opmaakte, vast.

Gelet op de langere duur waarin volgens dit vaste concept werd gewerkt, is er tevens bewijs geleverd voor de strafverzwarende variant van gewoontewitwassen.

Uit hetgeen in paragraaf 4.3.4.6 reeds naar voren is gekomen,volgt dat tussen [medeverdachte 2], [medeverdachte 3], [verdachte], [medeverdachte 6], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 1] bij de uitvoering van de schijnconstructie, sprake was van een nauwe en bewuste samenwerking.

Op grond het voorgaande acht de rechtbank dan ook wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen van gewoontewitwassen. De bewijsverweren die de verdediging op dit punt heeft aangevoerd zijn hiermee eveneens verworpen.

Ten aanzien van feit 4

Aan [verdachte] is onder feit 4 ten laste gelegd dat hij in de periode van 1 januari 2003 tot en met 14 oktober 2008 deel zou hebben genomen aan een criminele organisatie.

In paragrafen 4.3.3 en 4.3.4 is reeds uiteengezet dat [verdachte] meewerkte aan het in stand houden van een schijnconstructie, waarbij belastingfraude werd gepleegd door op papier voor te wenden alsof goederen door [bedrijf 1] naar buitenlandse firma’s werden vervoerd en aldaar werden afgeleverd, terwijl dat in werkelijkheid niet het geval was. Door het opmaken van valse facturen en CMR’s werd voorgewend alsof deze leveringen daadwerkelijk plaats hadden gevonden. Om vervolgens de cirkel rond te maken werden vanaf de bankrekening van de buitenlandse firma’s de facturen van [bedrijf 1] betaald.

Aanvullende bewijsoverweging ten aanzien van feit 4, betreffende de criminele organisatie

Volgens de huidige jurisprudentie (zie onder andere Hoge Raad 22 januari 2008, NJ 2008, 72) moet onder een criminele organisatie worden verstaan ‘een samenwerkingsverband, met een zekere duurzaamheid en structuur, tussen de verdachte en ten minste één andere persoon’. Om als deelnemer aangemerkt te worden, hoeft echter niet vast te komen staan dat de betreffende persoon bekend moet zijn geweest met alle andere personen die deel uitmaken van de organisatie. Evenmin is vereist dat het samenwerkingsverband steeds hetzelfde is.

Voorts moet vast komen te staan dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk had, waaronder ook het naaste doel van de organisatie wordt gerekend. Overigens is niet vereist dat het plegen van misdrijven de voornaamste bestaansgrond van de organisatie is (zie Hoge Raad zie Hoge Raad 15 juni 2010, NJ 2010, 357). Daarnaast moet de verdachte een aandeel hebben in het samenwerkingsverband dan wel moet de verdachte de gedragingen, die strekken tot of rechtstreeks verband houden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie ondersteunen (zie onder andere Hoge Raad 3 juli 2012, LJN: BW5161). Tot slot moet bewezen kunnen worden dat de verdachte opzet had op het deelnemen aan de organisatie. Voldoende daarvoor is dat de verdachte in zijn algemeenheid wist dat de organisatie het plegen van misdrijven tot oogmerk heeft. Niet is vereist dat de verdachte enige opzet heeft gehad op de door de criminele organisatie beoogde concrete misdrijven.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat [medeverdachte 2], [medeverdachte 1], [medeverdachte 3], [verdachte], [medeverdachte 6], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 4] deel hebben genomen aan een organisatie die tot oogmerk het plegen van BTW-fraude, valsheid in geschrift en gewoontewitwassen had. Zij hebben een gestructureerd samenwerkingsverband gevormd en hebben ieder een aandeel gehad in, dan wel ondersteunende gedragingen verricht die strekten tot of rechtstreeks verband hielden met de verwezenlijking van het oogmerk van de organisatie.

[verdachte] was werkzaam binnen [bedrijf 1], het bedrijf van [medeverdachte 2]. Hij verzorgde de administratie en maakte valse verkoopfacturen op. Gedurende vele jaren werd voorgewend dat er goederen werden geleverd van [bedrijf 1] te [woonplaats] aan de firma’s van de medeverdachten [medeverdachte 1], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 5] in Italië dan wel Spanje. [medeverdachte 3] en [verdachte] maakten, in opdracht van [medeverdachte 2], valse verkoopfacturen op.

In werkelijkheid werden de goederen niet aan de firma’s van [medeverdachte 1], [medeverdachte 5] en [medeverdachte 6] geleverd, maar aan onbekend gebleven derden. Door echter voor te wenden dat de goederen aan de buitenlandse fima’s van de medeverdachten werden geleverd, kon door [bedrijf 1] gebruik worden gemaakt van het nultarief bij intra communautaire leveringen. Om vervolgens de facturen gericht aan de firma’s van [medeverdachte 5], [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] te dekken, werden grote contante geldbedragen op de bankrekeningen van deze firma’s gestort. Hiermee werden vervolgens de facturen van [bedrijf 1] voldaan en werd de toepassing van het nultarief ‘gerechtvaardigd’. Zowel medeverdachte [medeverdachte 4] als [medeverdachte 5] vlogen met grote cash geldbedragen naar Spanje om daar de bankrekening van [bedrijf 5] meer te voeden. Medeverdachte [medeverdachte 1] deed dit ten aanzien van [bedrijf 4], door op de Nederlandse bankrekening van [bedrijf 4] grote contante bedragen te storten en deze bedragen vervolgens weer door te storten naar de rekening van [bedrijf 4] in Spanje.

Gelet op bovenstaande feiten en omstandigheden is de rechtbank van oordeel dat sprake was van een criminele organisatie waaraan [verdachte] deel heeft genomen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat [verdachte]

1.

in de periode van 1 januari 2005 tot en met 14 oktober 2008 in Nederland en Spanje en Italië tezamen en in vereniging met anderen een bedrijfsadministratie, zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen telkens opzettelijk valselijk hebben opgemaakt, hebbende [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en/of zijn mededaders, toen

daar opzettelijk in de bedrijfsadministratie van [bedrijf 1] en [bedrijf 2] , zijnde telkens een samenstel van geschriften bestemd tot bewijs van het daarin vermelde te dienen, valse (afschrift(en) van) CMR('s) en verkoopfacturen, te weten, in ieder geval

a)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 5] d.d.

16-11-2007, factuurnummer 302312 en

b)een CMR met nummer 439415 d.d. 16-11-2007 en

c)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 5] d.d.

27-11-2007, factuurnummer 302372 en

d)een CMR met nummer 439435 d.d. 27-11-2007

e)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 5] d.d.

17-03-2008, factuurnummer 303079 en

f)een CMR met nummer 891809 d.d. 19-03-2008 en

g)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 5] d.d.

12-06-2008, factuurnummer 303608 en

h)een CMR met nummer 891401 d.d. 13-06-2008

i)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 4] d.d.

08-11-2005, factuurnummer 241859 en

j)een CMR met nummer 330281 d.d. 08-11-2005 en

k)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 4] d.d.

21-12-2005, factuurnummer 242051 en

l)een CMR met nummer 330308 d.d. 21-12-2005 en

m)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 4] d.d.

09-06-2006, factuurnummer 250761 en

n)een CMR met nummer 076731 d.d. 09-06-2006 en

o)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 4] d.d.

02-03-2006, factuurnummer 250248 en

p)een CMR met nummer 076506 d.d. 02-03-2006 en

q)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 4] d.d.

03-09-2007, factuurnummer 301817 en

r)een CMR met nummer 439258 d.d. 03-09-2007 en

s)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 4] d.d.

27-02-2007, factuurnummer 300387 en

t)een CMR met nummer 498030 d.d. 27-02-2007 en

u)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 1] GmbH d.d. 07-09-2006,

factuurnummer 251358 en

hh)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 6] [bedrijf 6] d.d.

12-02-2007, factuurnummer 300277 en

ii)een CMR met nummer 950454 d.d. 12-02-2007 en

jj)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 6] [bedrijf 6] d.d.

26-03-2007, factuurnummer 300574 en

kk)een CMR met nummer 498130 d.d. 26-03-2007

opgenomen en geboekt en verwerkt bestaande die valsheid telkens hierin dat - zakelijk weergegeven – telkens valselijk en/of in strijd met de waarheid op die

voornoemde CMR('s)

(b, d, f, h,)

- [getuige 2] ([adres]) te Espagna als

geadresseerde en/of plaats voor de aflevering is opgenomen en

- Wordt voorgewend dat [getuige 2] (in opdracht van [bedrijf 1]) de in de

CMR('s) genoemde goederen heeft afgeleverd bij [getuige 2] te Espagna.

(j, l, n, p, r, t,)

- Wordt voorgewend dat [bedrijf 4] de in de CMR('s)

genoemde goederen heeft ontvangen.

(ii, kk)

- Wordt voorgewend dat [bedrijf 1] de in de CRM('s) genoemde goederen heeft

afgeleverd bij [bedrijf 6] [bedrijf 6]

en/of verkoopfactu(u)r(en)

(a, c, e, g)

- Wordt voorgewend dat [bedrijf 1] de daarop genoemde goederen aan [bedrijf 5] heeft verkocht.

(i, k, m, o, q, s,)

- Wordt voorgewend dat [bedrijf 1] de daarop genoemde goederen aan [bedrijf 4] heeft verkocht.

(hh, jj)

- Wordt voorgewend dat [bedrijf 1] de daarop genoemde goederen aan [bedrijf 6]

Import [bedrijf 6] heeft verkocht, vervoerd en/of heeft afgeleverd bij [bedrijf 6] [bedrijf 6]

zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als

echt en onvervalst te gebruiken.

2.

In de periode van 1 januari 2004 tot en met 31 december 2004 in Nederland en Italië, tezamen en in vereniging anderen een bedrijfsadministratie, zijnde geschriften die bestemd zijn om tot bewijs van enig feit te dienen opzettelijk valselijk heeft opgemaakt, hebbende hij, verdachte, en zijn mededaders, toen daar opzettelijk in de bedrijfsadministratie van medeverdachte [medeverdachte 2], al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1], zijnde telkens een samenstel van geschriften bestemd tot bewijs van het daarin vermelde te dienen, valse (afschriften) van CMR's en/of verkoopfacturen, te weten (in ieder geval)

a)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 4] d.d.

14-01-2004, factuurnummer 234059 en

b)een CMR met nummer 608420 d.d. 24-01-2004 en

c)een verkoopfactuur (van [bedrijf 1]) aan [bedrijf 4] d.d.

13-12-2004, factuurnummer 236338 en

d)een CMR met nummer 619169 d.d. 13-12-2004

opgenomen en geboekt en verwerkt

bestaande die valsheid telkens hierin dat - zakelijk weergegeven - telkens

valselijk en/of in strijd met de waarheid op die

voornoemde CMR('s)

- wordt voorgewend dat [bedrijf 4] de in de CMR('s) genoemde goederen

heeft ontvangen.

En verkoopfactu(u)r(en)

- wordt voorgewend dat verdachte, al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1] de daarop genoemde goederen aan [bedrijf 4] heeft verkocht

zulks telkens met het oogmerk om dat samenstel van geschriften als echt en onvervalst te gebruiken.

3.

in de periode van 01 januari 2003 tot en met 14 oktober 2008 in Nederland en Spanje en Italië tezamen en in vereniging met anderen, van het plegen van witwassen een gewoonte heeft gemaakt, immers hebben hij, verdachte en zijn mededaders telkens,

- van meerdere geldbedragen van in totaal ongeveer 5.722.472 euro (1.351.994 euro en 3.296.718 euro en 1.073.760 euro) de werkelijke aard en de herkomst verhuld door geldbedragen contant en/of giraal op rekeningen van [bedrijf 5] en/of [bedrijf 4] en/of [bedrijf 6] [bedrijf 6] te storten en vervolgens verkoopfacturen met dit geld te betalen

en

- geldbedragen van in totaal ongeveer 20.627.285 euro (1.351.994 euro en 3.416.830 euro en 1.073.760 euro en 14.784.737,voorhanden gehad en overgedragen terwijl zij en haar mededaders wisten dat voornoemde geldbedragen afkomstig waren uit enig misdrijf, te weten valsheid in geschrifte en belastingfraude.

4.

in de periode van 01 januari 2003 tot en met 14 oktober 2008 in Nederland heeft deelgenomen aan een organisatie, zijnde een samenwerkingsverband tussen

- natuurlijke personen, te weten verdachte, al dan niet handelend onder de naam [bedrijf 1] en [verdachte] en [medeverdachte 6] en [medeverdachte 1] en [medeverdachte 5] en [medeverdachte 3] en [medeverdachte 4] en

- rechtspersonen, te weten [bedrijf 1] en [bedrijf 2] en [bedrijf 5] en [bedrijf 4] en [bedrijf 6],

welke organisatie tot oogmerk had het plegen van misdrijven , te weten het

misdrijf van:

- valsheid in geschrift (artikel 225 lid 1 en/of lid 2 WvSr)

- belastingfraude (artikel 69 Awr)

- gewoontewitwassen (artikel 420bis en/of 420ter WvSr)

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feiten 1 en 2: Telkens, medeplegen van valsheid in geschrift.

Feit 3: Medeplegen van gewoontewitwassen.

Feit 4: Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een werkstraf voor de duur van 240 uren, subsidiair 120 dagen vervangende hechtenis, alsmede een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 4 maanden..

6.2. Het standpunt van de verdediging

Primair heeft de raadsman vrijspraak bepleit. Subsidiair heeft de raadsman aangevoerd om bij een eventuele strafoplegging rekening te houden met de volgende omstandigheden:

- de proceshouding van verdachte;

- de beperkte en onderschikte rol van verdachte. Verdachte heeft slechts uitvoerende handelingen verricht in opdracht van zijn werkgever [medeverdachte 2] en soms [medeverdachte 3]. Bovendien was verdachte bang zijn baan te verliezen;

- verdachte is bedreigd door [medeverdachte 2];

- de gezondheidstoestand van verdachte. Verdachte lijdt aan longembolie, trombose, bloedingen, pijn op de borst, braken bij hoesten, stemmingswisselingen, concentratiestoornissen, hoofdpijn en stress. Voorts slikt verdachte medicatie tegen epileptische aanvallen en kan hij maar 500 meter lopen zonder hulpmiddel;

- de ten laste gelegde feiten behoren bij een feitencomplex. Er is sprake van samenloop;

- de redelijke termijn is geschonden. Het gehele proces heeft langer dan vier jaar geduurd. De overschrijding van deze termijn kan niet aan verdachte worden toegerekend en dient te worden verdisconteerd in de strafmaat.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte. Gelet op het samenstel van feiten dat bewezen is verklaard, zal de rechtbank niet per feit beoordelen welke straf hiervoor passend is, maar volstaan met het opleggen van één straf alle feiten omvattend.

[verdachte] heeft deel uitgemaakt van een georganiseerd crimineel verband, waarin gebruik werd gemaakt van een schijnconstructie om door middel van valse documenten afdracht van BTW te ontlopen en gelden wit te wassen. Deze schijnconstructie bestond uit diverse bedrijven gevestigd in Spanje dan wel Italië, waaraan [bedrijf 1]/[medeverdachte 2] –op papier– goederen leverde. De goederen werden in werkelijkheid (voor een groot deel) aan onbekend gebleven derden geleverd, die voor een groot deel contant voor de goederen betaalde. Hierdoor ontstond een belastingvoordeel. Om het te doen lijken alsof de goederen wel door de bedrijven in Spanje en Italië werden afgenomen, werden er facturen op naam van deze bedrijven gemaakt en betaald via de bankrekening van deze buitenlandse firma’s. Deze facturen werden vervolgens voldaan, maar niet voordat eerst een geldtransport naar Spanje respectievelijk Italië had plaatsgevonden, dan wel de cash gelden bij de onbekend gebleven derden werden opgehaald.

Door zijn handelen heeft [verdachte] eraan bijgedragen dat de fiscus en daarmee ook de Staat der Nederlanden en de samenleving voor een aanzienlijk geldbedrag, (door de rechtbank begroot op € 913.672,00, zijnde 19/119 x € 5.722.472,00) is benadeeld. Uit het dossier is niet is gebleken dat [verdachte] direct heeft gedeeld in deze ‘winst’, wel heeft hij eraan bijgedragen dat de onderneming waarvoor hij werkzaam was voordeel heeft behaald met zijn handelingen.

[verdachte] heeft zich schuldig gemaakt aan gewoonte witwassen en daarmee deelgenomen aan een criminele organisatie. Gelet op de rol die [verdachte] in het geheel heeft gespeeld in vergelijking met de rollen en posities van de overige betrokken personen, is de rechtbank van oordeel dat niet vastgesteld kan worden dat [verdachte] een even groot aandeel heeft gehad in de strafbare feiten als al zijn mededaders. De rechtbank zal de beperkte(re) rol van verdachte in de strafmaat laten meewegen. In dit verband merkt de rechtbank op dat de rol van medeverdachte [medeverdachte 3] identiek is aan de rol van [verdachte]. De rechtbank ziet evenwel aanleiding om aan [verdachte] een lagere straf op te leggen dan aan medeverdachte [medeverdachte 3] is opgelegd. De reden hiervan is gelegen in het feit dat [verdachte] in tegenstelling tot [medeverdachte 3] openheid van zaken heeft gegeven.

De rechtbank heeft ten aanzien van de persoon van verdachte rekening gehouden met het haar betreffende Uittreksel uit de Justitiële Documentatie d.d. 14 september 2012. Daaruit blijkt dat [verdachte] in 1997 door de Politierechter is veroordeeld maar hiermee zal de rechtbank, gelet op het feit dat dit een zeer oude veroordeling betreft, geen rekening houden bij het bepalen van de op te leggen straf.

De door de raadsman van [verdachte] ter terechtzitting naar voren gebrachte persoonlijke omstandigheden zijn niet dusdanig van aard dat zij kunnen leiden tot matiging van de bij dit soort delicten gebruikelijk op te leggen straf.

Door de verdediging is aangevoerd dat bij het bepalen van de strafmaat in matigende zin rekening gehouden dient te worden met de omstandigheid dat ruim vier jaar zijn verstreken tussen de aanhouding van verdachte en de start van de inhoudelijke behandeling. De redelijke termijn als bedoeld in artikel 6 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) is hierdoor overschreden. Zij overweegt daartoe het volgende.

Vooropgesteld moet worden dat als uitgangspunt heeft te gelden dat de behandeling van een zaak ter terechtzitting dient te zijn afgerond met een eindvonnis binnen twee jaar nadat de op zijn redelijkheid te beoordelen termijn is aangevangen, tenzij sprake is van bijzondere omstandigheden. Als omstandigheden waarvan de redelijkheid van de duur van een zaak afhankelijk is hebben onder meer te gelden de ingewikkeldheid van een zaak, waartoe ook de omvang van het verrichte onderzoek en de gelijktijdige berechting van zaken tegen medeverdachten wordt gerekend, de invloed van verdachte en zijn raadsman op het procesverloop alsmede de wijze waarop de zaak door de bevoegde autoriteiten is behandeld.

De rechtbank ziet in de concrete omstandigheden van deze zaak aanleiding te bepalen dat de termijn een aanvang heeft genomen op het moment dat de doorzoekingen hebben plaatsgevonden, te weten 14 oktober 2008. Daarom kan met de verdediging worden vastgesteld dat op het moment dat in eerste aanleg vonnis wordt gewezen, de vervolging van verdachte meer dan vier jaar in beslag heeft genomen. De rechtbank acht deze duur onredelijk. Zij neemt daarbij in de eerste plaats in aanmerking dat alhoewel de omvang van het door de FIOD-ECD verrichte onderzoek groot is, pas op 2 september 2011 –bijna drie jaar na de doorzoekingen- het eindproces-verbaal gereed is gekomen. Hierna heeft in 2012 een tweetal regiezittingen plaatsgevonden, waarbij diverse verzoeken door de verdediging in de zaak van [medeverdachte 2] en in de zaken van de medeverdachten zijn ingediend en –deels– zijn toegewezen. Voortvarend optreden van de zijde van de rechter-commissaris heeft er uiteindelijk toe geleid dat in oktober van dit jaar is aangevangen met de inhoudelijke behandeling van de zaak. Desalniettemin zijn ruim vier jaren verstreken sinds de eerste aanhouding van verdachte en de start van de inhoudelijke behandeling van de strafzaak, welke lange duur met name gelegen is in de periode tussen de inverzekeringstelling van verdachte en het gereed komen van het eindproces-verbaal. Dit kan niet aan de verdediging worden toegerekend. De rechtbank zal hiermee in strafmatigende zin rekening houden.

Ook heeft de rechtbank acht geslagen op het door de verdediging inzake medeverdachte [medeverdachte 6] gevoerde verweer dat enkele vragen van de verdediging omtrent de voorfase en/of de samenstelling van het dossier onbeantwoord zijn gebleven. Gelet op het feit dat het strafrechtelijk onderzoek ten aanzien van [verdachte] op hetzelfde moment is aangevangen als dat tegen [medeverdachte 6], zal de rechtbank met dit verweer ambtshalve rekening houden.

Vast staat dat enkele vragen van de verdediging omtrent de voorfase van het onderzoek en/of de samenstelling van het dossier, ontbeantwoord zijn gebleven. Ook hiermee zal in het voordeel van verdachte rekening worden gehouden bij het bepalen van de op te leggen straf.

Alles afwegend is de rechtbank van oordeel dat, gelet op de ernst van de feiten, de rol van verdachte en de periode waarin het bewezenverklaarde is gepleegd, een werkstraf voor de duur van 210 uren, subsidiair 105 dagen vervangende hechtenis passend en geboden. Gelet evenwel op de overschrijding van de redelijke termijn, alsmede het feit dat vragen van de verdediging ontbeantwoord zijn gebleven, zal de rechtbank in plaats daarvan een werkstraf van 180 uren, subsidiair 90 dagen vervangende hechtenis aan verdachte opleggen.

Voor het opleggen van een voorwaardelijk strafdeel ziet de rechtbank geen aanleiding, mede gelet op het tijdsverloop.

7. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 22c, 22d, 47, 57, 140, 225, 420ter van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feiten 1 en 2: Telkens, medeplegen van valsheid in geschrift.

Feit 3: Medeplegen van gewoontewitwassen.

Feit 4: Het deelnemen aan een organisatie die tot oogmerk heeft het plegen van misdrijven.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 180 (honderdentachtig) uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 90 (negentig) dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de uitvoering van de werkstraf naar rato van twee uur per dag.

Dit vonnis is gewezen door mr. A. van Maanen, voorzitter, mr. L.M.G. de Weerd en mr. M.S. Koppert, rechters, in tegenwoordigheid van mrs. L.P. Stapel en D.A. Groenevelt-Timmer, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 6 december 2012.