Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY5403

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
04-12-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
16-655797-12, 16-656075-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Winkeldiefstal en openlijk geweld.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummers: 16-655797-12, 16-656075-12, 16-656252-12, 16-655510-12 (tul),

16-031929-12 (tul), 16-293956-11 (tul) [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 4 december 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1978] te [geboorteplaats]

wonende te Utrecht

thans gedetineerd in de penitentiaire inrichting Utrecht, locatie Wolvenplein te Utrecht

raadsvrouw mr. D.I.A. Schröder, advocaat te Utrecht.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 20 november 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

Ter terechtzitting zijn ook de vorderingen tot tenuitvoerlegging behandeld met bovenvermelde parketnummers en zijn overeenkomstig artikel 285 van het Wetboek van Strafvordering de zaken onder voormelde parketnummers gevoegd.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

parketnummer 16/655797-12: goederen bij een supermarkt heeft gestolen;

parketnummer 16/656075-12: openlijk geweld heeft gepleegd.

parketnummer 16/656252-12: goederen bij een supermarkt heeft gestolen en lokaalvredebreuk heeft gepleegd;

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaardingen geldig zijn, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

Ten aanzien van parketnummer 16/655797-12

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte twee sixpacks bier heeft gestolen. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van [aangever 1], op het proces-verbaal van bevindingen, inhoudende wat verbalisant op de camerabeelden heeft gezien en op de bekennende verklaring van verdachte.

Ten aanzien van parketnummer 16/656075-12

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte openlijk geweld heeft gepleegd en baseert zich hierbij op de aangifte van [aangever 2], op de getuigenverklaring van [getuige 1] en op de verklaring van medeverdachte [medeverdachte].

Ten aanzien van parketnummer 16/656252-12

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte twintig blikken bier en twee pakken garnalen heeft gestolen en lokaalvredebreuk heeft gepleegd. Zij baseert zich daarbij op de aangifte van [aangever 3], op de getuigenverklaring van [getuige 2], op de aan verdachte gerichte winkelontzegging en op de bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

Ten aanzien van parketnummer 16/655797-12

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het tenlastegelegde.

Ten aanzien van parketnummer 16/656075-12

De verdediging is van oordeel dat voor de ten laste gelegde openlijke geweldpleging wettig en overtuigend bewijs ontbreekt en dat verdachte hiervan dient te worden vrijgesproken.

Ten aanzien van parketnummer 16/656252-12

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van het tenlastegelegde.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Ten aanzien van parketnummer 16/655797-12

Nu verdachte het ten laste gelegde feit heeft bekend en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- een geschrift, p. 4 tot en met 11 van het proces-verbaal, nummer PL091A 2012103503, voor zover inhoudende de aangifte van [aangever 1], namens Plus Voorstraat B.V.;

- een ambtsedig proces-verbaal, nummer PL091A 2012103503-9, opgemaakt door [verbalisant 1], p. 19 en 20 van het proces-verbaal, nummer PL091A 2012103503, voor zover inhoudende het relaas van voornoemde verbalisant;

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

Ten aanzien van parketnummer 16/656075-12

De rechtbank overweegt omtrent het ten laste gelegde feit het volgende .

Verdachte en diens broer [medeverdachte] hadden op 17 juli 2012 ruzie met enkele andere personen, waaronder aangever [aangever 2], buiten voor de daklozenopvang Catharijnehuis aan de Catharijnesteeg te Utrecht. Verdachte was boos en wilde aangever aanvliegen. Hij werd echter tegengehouden. De Catharijnesteeg te Utrecht is een openbare weg.

De aangever zag dat verdachte hem wilde aanvallen en dat dit hem werd verhinderd doordat hij door omstanders werd tegengehouden. Hij hoorde verdachte roepen “Ik maak je dood, let maar op ik maak je dood.” Vervolgens zag en voelde hij dat verdachtes broer [medeverdachte] de punt van een paraplu in aangevers linkerwang en in zijn keel prikte.

De getuige [getuige 1] hoorde verdachte tegen aangever roepen “Ik sla je in elkaar”, of woorden van gelijke strekking en zag dat iemand verdachte tegenhield. Vervolgens zag hij dat verdachtes broer [medeverdachte] met een paraplu een stekende beweging maakte in de richting van aangever, en dat deze hierbij in zijn nek werd geraakt door de paraplu. Daarna zag hij dat aangever door [medeverdachte] nogmaals werd geraakt met de paraplu.

bewijsoverweging

De raadsvrouw heeft aangevoerd dat het plegen van openlijke geweldpleging door verdachte niet bewezen kan worden verklaard, nu het bij de keel grijpen of wegduwen van aangever, zoals ten laste is gelegd, enkel volgt uit de verklaring van aangever zelf. Dat verdachtes broer, [medeverdachte], aangever met een paraplu raakte, gebeurde niet opzettelijk, maar was een gevolg van het tussenbeide komen door [medeverdachte] bij de ruzie van verdachte en aangever, aldus de raadsvrouw.

De rechtbank stelt voorop dat zij uit de verklaringen van aangever en van getuige [getuige 1] de overtuiging heeft gekregen dat [medeverdachte] door het maken van stekende bewegingen met een paraplu geweld heeft gepleegd dat was gericht tegen aangever. De rechtbank acht daartoe van belang dat [medeverdachte] meerdere stekende bewegingen heeft gemaakt. Reeds in deze gewelddadige handelingen ligt naar het oordeel van de rechtbank het opzet van [medeverdachte] op die geweldpleging besloten.

De rechtbank overweegt voorts dat van verdachte zelf geen gewelddadige handeling is uitgegaan, doordat dit hem door omstanders werd belet. Verdachte zal van het tenlastegelegde worden vrijgesproken voor zover is ten laste gelegd dat het geweld bestond uit het bij de keel grijpen en het wegduwen van aangever. Verdachte heeft echter geroepen in de richting van het slachtoffer en heeft zich agressief in diens richting geuit, zoals ook blijkt uit hetgeen verdachte ter terechtzitting heeft verklaard. Hiermee heeft verdachte naar het oordeel van de rechtbank een wezenlijke bijdrage geleverd aan het openlijk geweld. Verdachte had dan ook tevens opzet op het medeplegen van dit geweld.

Ten aanzien van parketnummer 16/656252-12

Nu verdachte de ten laste gelegde feiten heeft bekend en de verdediging geen vrijspraak heeft bepleit, volstaat de rechtbank, gelet op het bepaalde in artikel 359, derde lid, tweede volzin, van het Wetboek van Strafvordering, met een opgave van de bewijsmiddelen. De rechtbank acht het tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen gelet op:

- een geschrift, p. 4 tot en met 11 van het proces-verbaal, nummer PL091A 2012199850, voor zover inhoudende de aangifte van [aangever 3], namens Albert Heijn;

- een geschrift, p. 20 van het proces-verbaal, nummer PL091A 2012199850, voor zover inhoudende de verklaring van de getuige [getuige 2];

- een geschrift, p. 27 van het proces-verbaal, nummer PL091A 2012199850, voor zover inhoudende een ontzegging van 27 november 2011, gericht aan verdachte, zich in de periode van 27 november 2011 tot 27 november 2012 in het filiaal van Albert Heijn aan de Nachtegaalstraat 55 te Utrecht te begeven;

- de verklaring van verdachte ter terechtzitting.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte:

Ten aanzien van parketnummer 16/655797-12

op 08 mei 2012 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twee six-packs (Heineken) bier, geheel toebehorende aan (supermarkt) Plus Voorstraat B.V.;

Ten aanzien van parketnummer 16/656075-12

op 17 juli 2012 te Utrecht met een ander, op de openbare weg, de Catharijnesteeg, openlijk in vereniging geweld heeft gepleegd tegen [aangever 2], welk geweld bestond uit het meermalen prikken met de punt van een paraplu in/tegen de wang en de nek/hals van die [aangever 2] en dreigend die [aangever 2] de woorden toe te voegen: "ik maak je dood, let maar op ik maak je dood" en "ik sla je in elkaar";

Ten aanzien van parketnummer 16/656252-12

1.

op 07 september 2012 te Utrecht, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen twintig blikken bier en twee pakken garnalen, geheel toebehorende aan Albert Heijn (vestiging Nachtegaalstraat 55);

2.

op 07 september 2012 te Utrecht wederrechtelijk is binnengedrongen in een besloten lokaal gelegen aan de Nachtegaalstraat 55 en in gebruik bij winkelbedrijf Albert Heijn.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Ten aanzien van parketnummer 16/655797-12: Diefstal.

Ten aanzien van parketnummer 16/656075-12: Openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

Ten aanzien van parketnummer 16/656252-12:

Feit 1: Diefstal;

Feit 2: In het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen zij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf van 6 maanden, waarvan 2 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaar, met de bijzondere voorwaarde dat verdachte de aanwijzingen van de reclassering zal opvolgen, ook als dit inhoudt de klinische behandeling voor de duur van maximaal 9 maanden bij ACT Altrecht, afdeling P&V1. In het reclasseringsrapport van 30 oktober 2012 heeft de reclassering geadviseerd om, indien verdachte schuldig wordt bevonden, de maatregel tot plaatsing van verdachte in een inrichting voor stelselmatige daders (ISD) op te leggen. De officier van justitie heeft aangegeven dat er mede gelet op de toelichting ter zitting van de getuige-deskundige onvoldoende onderbouwing ligt voor dit advies.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging betoogt dat de ISD-maatregel in dit geval niet de juiste is, nu niet in voldoende mate door een deskundige is geadviseerd over de noodzakelijkheid van deze maatregel.

De verdediging is van mening dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf die gelijk is aan de tijd dat verdachte in voorarrest heeft doorgebracht voldoende is. Zij kan zich vinden in de eis van de officier van justitie voor wat betreft het opleggen van een voorwaardelijke gevangenisstraf met een daaraan te koppelen bijzondere voorwaarde van behandeling, maar geeft daarbij aan dat verdachte de voorkeur heeft voor een ambulante behandeling.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich samen met zijn broer schuldig gemaakt aan openlijke geweldpleging. Hij uitte zich agressief in de richting van het slachtoffer, waarop de broer van verdachte het slachtoffer tweemaal met een paraplu prikte in diens wang en nek/hals. Gelet op de houding van verdachte heeft hij een bijdrage geleverd aan dit geweld en heeft hij zich hiervan niet gedistantieerd. Naast de aantasting van de persoonlijke integriteit van het slachtoffer dragen geweldplegingen zoals door verdachte en zijn broer zijn gepleegd, bij aan een gevoel van onveiligheid in de samenleving.

Voorts heeft verdachte zich tweemaal schuldig gemaakt aan winkeldiefstal, en aan lokaalvredebreuk. Dit zijn feiten die de betrokken ondernemer overlast en financiële schade berokkenen.

Wat betreft de persoon van verdachte heeft de rechtbank kennis genomen van het uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 10 oktober 2012, waaruit blijkt dat verdachte een groot aantal malen is veroordeeld voor vergelijkbare feiten. Dit heeft hem er niet van weerhouden opnieuw strafbare feiten te plegen.

De rechtbank stelt vast dat is voldaan aan de formele vereisten van artikel 38m, eerste lid, van het Wetboek van Strafrecht voor het opleggen van de ISD-maatregel. Immers, verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan een misdrijf waarvoor voorlopige hechtenis is toegelaten, terwijl verdachte in de vijf jaren voorafgaand aan de door hem begane misdrijven tenminste driemaal wegens een misdrijf onherroepelijk tot een vrijheidsbenemende straf is veroordeeld en de feiten begaan zijn na tenuitvoerlegging van deze straffen.

De rechtbank gaat echter niet over tot het opleggen van de ISD-maatregel, nu naar haar oordeel uit het door Reclassering Nederland opgestelde advies onvoldoende blijkt van de wenselijkheid of noodzakelijkheid daartoe. Hierbij neemt zij in aanmerking de ter terechtzitting gegeven toelichting van de getuige-deskundige L. Scheffers, reclasseringswerker, op het advies. De getuige-deskundige heeft verklaard dat niet kan worden gezegd dat een klinische behandeling van verdachte bij ACT Altrecht, afdeling P&V1, in dit geval onvoldoende waarborgen biedt.

De rechtbank acht het met de deskundige wenselijk dat verdachte aansluitend aan zijn detentie opgenomen en behandeld wordt.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat een gevangenisstraf van 7 maanden waarvan 3 voorwaardelijk, met daaraan verbonden een bijzondere voorwaarde, passend en geboden is.

7 De vorderingen tot tenuitvoerlegging

7.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gevorderd dat ten uitvoer zullen worden gelegd:

- de voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 4 mei 2012;

- de voorwaardelijke gevangenisstraf van 2 weken die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 23 maart 2012;

- de voorwaardelijke gevangenisstraf van 1 week die aan verdachte is opgelegd bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 21 maart 2012.

7.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging acht het niet opportuun om de vorderingen toe te wijzen, nu met de detentie van verdachte een mogelijke behandeling doorkruist zou worden.

7.3 Het oordeel van de rechtbank

De rechtbank stelt vast dat verdachte zich voor het einde van de proeftijden schuldig heeft

gemaakt aan nieuwe strafbare feiten en daarmee de algemene voorwaarde van de

voorwaardelijke veroordelingen heeft overtreden. De rechtbank zal de vorderingen daarom toewijzen.

8 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 14g, 57, 138, 141 en 310 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezenverklaarde.

9 De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezenverklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

- parketnummer 16/655797-12: diefstal.

- parketnummer 16/656075-12: openlijk in vereniging geweld plegen tegen personen.

- parketnummer 16/656252-12:

Feit 1: diefstal;

Feit 2: in het besloten lokaal, bij een ander in gebruik, wederrechtelijk binnendringen.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 7 maanden waarvan 3 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

- omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

- omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

- omdat verdachte geen medewerking verleent aan het reclasseringstoezicht, bedoeld in artikel 14d, tweede lid, van het Wetboek van Strafrecht de medewerking aan huisbezoeken daaronder begrepen;

- omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarde dat verdachte zich houdt aan de aanwijzingen die reclasseringsinstelling Centrum Maliebaan hem geeft, ook als dit inhoudt klinische behandeling bij ACT Altrecht, afdeling P&V1, of een soortgelijke instelling, voor de duur van maximaal 10 maanden of zoveel korter als de leiding van de inrichting dat in overleg met de reclasseringsinstelling wenselijk acht;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

Heft het bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het tijdstip waarop de duur van de voorlopige hechtenis gelijk wordt aan die van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Vorderingen tenuitvoerlegging

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 4 mei 2012 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16-655510-12 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 23 maart 2012 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16-031929-12 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten gevangenisstraf voor de duur van 2 weken;

- gelast dat de voorwaardelijke straf die bij vonnis van de politierechter in deze rechtbank van 21 maart 2012 is opgelegd in de zaak onder parketnummer 16-293956-11 ten uitvoer zal worden gelegd, te weten gevangenisstraf voor de duur van 1 week.

Dit vonnis is gewezen door mr. S. Wijna, voorzitter, mr. R.P. den Otter en mr. Y.A.T. Kruijer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K. de Meulder, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 4 december 2012.