Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY5334

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
28-11-2012
Datum publicatie
06-12-2012
Zaaknummer
329179 - HA ZA 12-1049
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

consequentie niet tijdige betaling griffierecht door eiser

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 329179 / HA ZA 12-1049

Vonnis van 28 november 2012

in de zaak van

[eiser],

wonende te [woonplaats],

eiser,

advocaat mr. S. Veenstra,

tegen

1. de naamloze vennootschap

ASR SCHADEVERZEKERING N.V.,

gevestigd te Utrecht,

advocaat mr. P. Oskam,

2. [gedaagde 2],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. P. Oskam,

3. de naamloze vennootschap

REAAL SCHADEVERZEKERINGEN VERZEKERINGEN N.V.,

gevestigd te Zoetermeer,

advocaat mr. W.A.M. Rupert,

4. [gedaagde 4],

wonende te [woonplaats],

advocaat mr. W.A.M. Rupert,

5. [gedaagde 5],

wonende te [woonplaats],

niet verschenen,

gedaagden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- de dagvaarding

- het tegen gedaagde sub 5 verleende verstek

- de brief van de griffier d.d. 16 oktober 2012 aan mr. S. Veenstra inzake niet of te laat betalen van het griffierecht

- het faxbericht van mr. Veenstra van 22 oktober 2012

- de akte houdende uitlating betaling griffierecht van eiser.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De beoordeling

2.1. Eiser is griffierecht verschuldigd vanaf de eerste uitroeping van de zaak ter terechtzitting en dient te zorgen dat het griffierecht binnen vier weken nadien is bijgeschreven op de rekening van het gerecht waar de zaak dient dan wel daar ter griffie is gestort.

2.2. De griffier heeft geconstateerd dat eiser het griffierecht niet tijdig heeft voldaan en heeft de advocaat van eiser aangeschreven om te reageren op het feit dat er niet tijdig is betaald.

2.3. In reactie hierop voert mr. Veenstra aan zich primair op het standpunt te stellen dat het griffierecht, hoewel per abuis overgemaakt naar het rekeningnummer van de rechtbank te Leeuwarden, tijdig betaald is. Voorts geeft hij aan dat indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat het griffierecht niet tijdig betaald is, er als gevolg van ontslag van instantie sprake zou zijn van een onbillijkheid van overwegende aard, nu de zaak dan opnieuw zou moeten worden aangebracht en dit tijdverlies oplevert. Dit te meer nu gedaagden tot op heden geen proceshandelingen hebben verricht en geen belang zouden hebben bij ontslag van instantie.

2.5. Nu de rechtbank te Utrecht het verschuldigde griffierecht niet tijdig heeft ontvangen, is er naar het oordeel van de rechtbank sprake van niet tijdige betaling van het griffierecht door eiser. Het feit dat eiser het verschuldigde griffierecht aan de rechtbank te Leeuwarden heeft overgemaakt en sprake is van een menselijke fout van de advocaat van eiser doet daar niet aan af (vgl. Hoge Raad 4 november 2011 LJN:BQ4182). Ook het na afloop van de betalingstermijn alsnog aan de rechtbank Utrecht betalen van het griffierecht doet niet af aan de constatering van niet tijdige betaling van het griffierecht.

Verder merkt de rechtbank op dat het genoemde tijdverlies als gevolg van het opnieuw aanbrengen van de zaak een beoogd gevolg van de wetgever is bij niet tijdige betaling van het griffierecht door de eisende partij.

2.6. De door eiser aangevoerde argumenten kunnen dan ook niet tot de conclusie leiden dat het verbinden van gevolgen aan de niet tijdige betaling een onbillijkheid van overwegende aard oplevert. De niet tijdige betaling van het griffierecht moet derhalve op grond van artikel 127a Rv leiden tot ontslag van instantie, met veroordeling van eiser in de kosten. De kosten van respectievelijk gedaagden sub 1 en 2 en gedaagden sub 3 en 4 worden tot op heden begroot op € 575,00 aan verschuldigd griffierecht. De kosten van gedaagde sub 5 worden tot op heden begroot op nihil.

3. De beslissing

De rechtbank:

3.1. ontslaat gedaagden van instantie;

3.2. veroordeelt eiser in de kosten van het geding, tot op heden aan de zijde van gedaagden sub 1 en 2 begroot op € 575,00, aan de zijde van gedaagden sub 3 en 4 begroot op € 575,00 en aan de zijde van gedaagde sub 5 begroot op nihil.

Dit vonnis is gewezen door mr. S.C. Hagedoorn en in het openbaar uitgesproken op 28 november 2012.?