Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY4219

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
12-12-2012
Datum publicatie
13-12-2012
Zaaknummer
319011 - HA ZA 12-152
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Hoofdelijke mede-aansprakelijkheid. Geen voortzetting eerste overeenkomst in gewijzigde vorm. Niet kan worden vastgesteld of zich uitzondering van 1:88 lid 5 BW voordoet. Toestemming echtgenote eveneens voor tweede overeenkomst vereist.

Wetsverwijzingen
Burgerlijk Wetboek Boek 1
Burgerlijk Wetboek Boek 1 88
Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
JOR 2014/17

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 319011 / HA ZA 12-152

Vonnis van 12 december 2012

in de zaak van

de naamloze vennootschap

ABN AMRO BANK N.V.,

gevestigd te Amsterdam,

eiseres,

advocaat: mr. D.L.A. van Voskuilen te Rotterdam,

tegen

1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid

[gedaagde sub 1],

gevestigd te [vestigingsplaats] en kantoorhoudende te [plaats],

gedaagde,

niet verschenen,

2. [gedaagde sub 2],

wonende te [woonplaats],

gedaagde,

advocaat: mr. A.C.E.G. Cordesius te ‘s-Gravenhage.

Partijen zullen hierna ABN Amro, [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] genoemd worden.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 28 maart 2012;

- de akte met productie 2 van 5 juni 2012 van de zijde van [gedaagde sub 2];

- de akte met producties 9 en 10 van 14 juni 2012 van ABN Amro;

- de akte met producties 11 en 12 van 10 oktober 2012 van ABN Amro;

- het proces-verbaal van comparitie van 25 oktober 2012.

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde sub 2] is middellijk aandeelhouder en bestuurder van [gedaagde sub 1]. [gedaagde sub 2] is gehuwd geweest met [ex-echtgenote] (hierna te noemen: [ex-echtgenote]). De echtscheiding tussen [gedaagde sub 2] en [ex-echtgenote] is uitgesproken op 22 oktober 2008.

2.2. Op 10 augustus 2007 heeft ABN Amro met [gedaagde sub 1] een overeenkomst van geldlening gesloten voor een bedrag van € 20.000,00 (hierna te noemen: de eerste overeenkomst). In de overeenkomst heeft [gedaagde sub 2] zich hoofdelijk mede-aansprakelijk gesteld voor nakoming van de overeenkomst. [ex-echtgenote] heeft deze overeenkomst mede ondertekend ten blijke van haar toestemming.

2.3. ABN Amro en [gedaagde sub 1] hebben vervolgens een overeenkomst gesloten die op 2 april 2008 namens ABN Amro enerzijds en op 3 april 2008, namens [gedaagde sub 1], door [gedaagde sub 2] is ondertekend. In de overeenkomst (hierna te noemen: de tweede overeenkomst) heeft [gedaagde sub 2] zich hoofdelijk mede-aansprakelijk gesteld voor nakoming van de overeenkomst. [gedaagde sub 2] heeft de overeenkomst ook namens zichzelf ondertekend ten aanzien van de mede-aansprakelijkheid. De overeenkomst is niet ondertekend door [ex-echtgenote].

2.4. Bij brief van 27 juni 2011 heeft ABN Amro aan [gedaagde sub 1] bericht dat de kredietlimiet werd overschreden en heeft zij [gedaagde sub 1] verzocht voor 9 juli 2011 het saldo binnen de grenzen van de kredietlimiet te brengen.

2.5. Solveon Incasso, aan wie ABN Amro de incasso van haar vordering had overgedragen, heeft het verstrekte krediet in rekening-courant met onmiddellijke ingang opgezegd bij brief van 21 juli 2011 aan [gedaagde sub 1].

2.6. Bij akte van 5 juni 2012 heeft [gedaagde sub 2] een schriftelijke verklaring van [ex-echtgenote] in het geding gebracht. [ex-echtgenote] heeft daarin het volgende verklaard:

“Vernietigingsverklaring

Hierbij verklaar ik, [ex-echtgenote],

dat ik van 20 april 2000 tot 22 oktober 2008 gehuwd was met [gedaagde sub 2], dat ik er onlangs achter ben gekomen dat [gedaagde sub 2] zich bij overeenkomst van 3 april 2008 als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden voor een schuld aan ABN AMRO Bank welke is aangegaan voor [gedaagde sub 1]

Ik heb niet meegetekend voor deze overeenkomst.

Ik ben in februari 2012 pas erachter gekomen dat mijn toenmalige echtgenoot zich had verbonden als hoofdelijk medeschuldenaar.

Ik vernietig bij deze conform artikel 1:89 lid 1 BW de rechtshandeling van 3 april 2008 waarbij [gedaagde sub 2] zich als hoofdelijk medeschuldenaar heeft verbonden jegens ABN AMRO voor de lening aan [gedaagde sub 1].

(…)”

3. Het geschil

3.1. ABN Amro vordert – samengevat – hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. tot betaling van € 33.477,56, primair te vermeerderen met contractuele rente ad 9,95% per jaar, subsidiair met wettelijke handelsrente en meer subsidiair met wettelijke rente, over een bedrag van € 31.154,27 vanaf 14 december 2011 tot de dag der algehele voldoening. Dit alles met veroordeling van [gedaagde sub 1] c.s. in de proceskosten.

3.2. [gedaagde sub 1] is niet verschenen. Tegen haar is verstek verleend.

3.3. [gedaagde sub 2] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vordering.

3.4. Op de stellingen van ABN Amro en [gedaagde sub 2] wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. ABN Amro vordert in deze procedure van [gedaagde sub 1] en [gedaagde sub 2] nakoming van de verbintenis tot (terug)betaling van de gestelde restschuld, vermeerderd met rente. [gedaagde sub 1] is gehouden tot betaling omdat zij de overeenkomst van geldlening (genoemd onder 2.3.) heeft gesloten en [gedaagde sub 2] omdat hij zich in de overeenkomst van april 2008 hoofdelijk mede-aansprakelijk heeft gesteld voor de nakoming van deze verbintenis, aldus ABN Amro. [gedaagde sub 2] betwist gehouden te zijn tot nakoming omdat [ex-echtgenote], zijn voormalig echtgenote, geen toestemming voor de mede-aansprakelijkheid van [gedaagde sub 2] heeft gegeven, de tweede overeenkomst niet mede heeft ondertekend en de vernietiging daarvan heeft ingeroepen.

Vorderingen jegens [gedaagde sub 2]

4.2. Op grond van artikel 1:88 lid 1 onder c BW behoeft een echtgenoot de toestemming van de andere echtgenoot voor rechtshandelingen die ertoe strekken dat hij, anders dan in de normale uitoefening van zijn beroep of bedrijf, zich als borg of hoofdelijk medeschuldenaar verbindt, zich voor een derde sterk maakt, of zich tot zekerheidstelling voor een schuld van de derde verbindt. Toestemming voor een rechtshandeling als bedoeld in lid 1 onder c is op grond van lid 5 van voornoemd artikel niet vereist, indien zij wordt verricht door een bestuurder van een besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid, die daarvan alleen of met zijn medebestuurders de meerderheid der aandelen houdt en mits zij geschiedt ten behoeve van de normale uitoefening van het bedrijf van die vennootschap.

4.3. De vraag of de toestemming van [ex-echtgenote] nodig was en zij de tweede overeenkomst mede diende te ondertekenen zal eerst worden beantwoord. Immers, indien zij op grond van artikel 1:88 BW geen toestemming behoefde te verlenen aan [gedaagde sub 2] om zich te verbinden als hoofdelijk medeschuldenaar, is [gedaagde sub 2] op grond van de tweede overeenkomst hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming daarvan, ongeacht het antwoord op de vraag of deze overeenkomst een voortzetting is van de eerste overeenkomst, zoals ABN Amro stelt.

4.4. Of zich de in artikel 1:88 lid 5 BW genoemde uitzondering op het vereiste van de benodigde toestemming voordoet kan niet worden vastgesteld omdat niet uit de stellingen van ABN Amro volgt dat [gedaagde sub 2] ten tijde van het sluiten van de tweede overeenkomst – al dan niet door één of meer tussengeschakelde vennootschappen en met een medebestuurder – de meerderheid der aandelen in [gedaagde sub 1] hield (vgl. HR 11 juli 2003, NJ 2004, 173). Het enkele feit dat [gedaagde sub 2], zoals ABN Amro wel aanvoert, indirect bestuurder en aandeelhouder is van [gedaagde sub 1] vormt onvoldoende onderbouwing voor haar beroep op artikel 1:88 lid 5 BW. Dit leidt tot de slotsom dat [gedaagde sub 2] voor het aangaan van de rechtshandeling, waarbij hij zich hoofdelijk verbond voor de nakoming van de verplichtingen van [gedaagde sub 1] uit de tweede overeenkomst, in beginsel de toestemming van [ex-echtgenote] behoefde.

4.5. De rechtbank volgt ABN Amro niet waar zij stelt dat de tweede overeenkomst een voortzetting is van de eerste, zodat de voormalig echtgenote van [gedaagde sub 2] de tweede overeenkomst niet mede behoefde te ondertekenen op grond van artikel 1:88 BW. Hiertoe overweegt de rechtbank het volgende.

4.6. Noch uit de tekst van de tweede overeenkomst noch uit de toelichting van partijen daarop, blijkt de bedoeling van partijen om de eerste overeenkomst voort te zetten. In de overeenkomst wordt geen melding gemaakt van de eerste overeenkomst of over de wijze waarop deze overeenkomst al dan niet zou worden gewijzigd en/of voortgezet. Wel worden een kredietbedrag van € 30.000,00 en een andere contractuele rente dan in de eerste overeenkomst vermeld en is een bepaling opgenomen waar de geregistreerd partner of echtgeno(o)t(e) van de hoofdelijk medeschuldenaar de overeenkomst dient te ondertekenen ten blijke van zijn of haar toestemming. Dit duidt op een nieuwe overeenkomst die de eerste vervangt. Dit voorgaande wordt onderstreept door de brief van 23 februari 2012 van ABN Amro aan [gedaagde sub 1] waarnaar [gedaagde sub 2] verwijst. In deze brief schrijft ABN Amro dat zij een kopie verstrekt van het “Ondernemers Rekening Courant Krediet van EUR 30.000,=, welke in de plaats van het eerdere krediet van EUR 20.000,= aan u (dit is [gedaagde sub 1], rechtbank) werd verstrekt”.

ABN Amro heeft bovendien niet de stelling van [gedaagde sub 2] weersproken dat de eerste overeenkomst van geldlening is afgelost met het geld dat [gedaagde sub 1] op grond van de tweede overeenkomst van ABN Amro leende, zodat op grond van dit vaststaande feit kan worden aangenomen dat, zoals [gedaagde sub 2] betoogt, de tweede overeenkomst de eerste verving. Op grond van het hiervoor vermelde hadden partijen moeten begrijpen en mocht [gedaagde sub 1] daar ook op vertrouwen, dat een nieuwe kredietovereenkomst werd aangegaan. Daar doet niet aan af dat het de bedoeling van ABN Amro was om de eerste overeenkomst voort te zetten. Die bedoeling had [gedaagde sub 1] immers niet hoeven af te leiden uit de hiervoor besproken omstandigheden.

4.7. Hieruit volgt dat sprake is van een nieuwe overeenkomst waarvoor [ex-echtgenote] eveneens toestemming diende te verlenen, hetgeen niet is geschied.

4.8. Dan komt aan de orde de vraag of het beroep van ABN Amro op verjaring van de rechtsvordering van [ex-echtgenote] tot vernietiging van de tweede overeenkomst slaagt. ABN Amro voert aan dat zij de vernietigingsverklaring van [ex-echtgenote] niet zelf heeft ontvangen en weerspreekt dat het beroep op vernietiging heeft plaatsgevonden binnen drie jaren vanaf het tijdstip waarop [ex-echtgenote] met deze overeenkomst daadwerkelijk bekend is geworden.

4.9. Het standpunt van ABN Amro dat zij de vernietigingsverklaring van [ex-echtgenote] niet zelf heeft ontvangen wordt verworpen. Haar advocaat heeft, als gevolmachtigde van ABN Amro in deze procedure waarin de buitengerechtelijke vernietiging door [ex-echtgenote] van het beding waarop ABN Amro zich beroept aan de orde is, de verklaring van [ex-echtgenote] ontvangen bij akte van 5 juni 2012. Deze inontvangstneming door haar advocaat kan zodoende aan ABN Amro worden toegerekend. Daarmee moet de vernietigingsverklaring geacht worden ABN Amro te hebben bereikt op het moment dat deze haar advocaat heeft bereikt. Door ABN Amro zijn geen feiten of omstandigheden aangevoerd die leiden tot een ander oordeel.

4.10. De door ABN Amro gestelde eerdere wetenschap dan februari 2012 van [ex-echtgenote] van de tweede overeenkomst volgt niet uit de echtscheiding tussen [gedaagde sub 2] en [ex-echtgenote] op 22 oktober 2008 of uit alimentatieafspraken die volgens ABN Amro zijn gemaakt. Vaststaat dat de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap tussen [gedaagde sub 2] en [ex-echtgenote] ten tijde van de comparitie van partijen op 25 oktober 2012 nog niet was afgerond. Bezien in dit licht en dat van de schriftelijke verklaring van [ex-echtgenote] dat zij in februari 2012 op de hoogte is geraakt van de mede-aansprakelijkstelling van [gedaagde sub 2], diende ABN Amro haar beroep op verjaring nader uit te werken en te onderbouwen. Dit heeft ABN Amro niet gedaan. Het aanbod van ABN Amro om alsnog bewijs aan te dragen van haar stelling dat [ex-echtgenote] eerder dan drie jaren voorafgaand aan 5 juni 2012 bekend was met de schuld van € 30.000,00 zal daarom worden gepasseerd.

4.11. Omdat het beroep op verjaring van ABN Amro wordt verworpen en [ex-echtgenote] de tweede overeenkomst schriftelijk buitengerechtelijk heeft vernietigd, is [gedaagde sub 2] niet hoofdelijk aansprakelijk voor de nakoming van deze overeenkomst. De vorderingen tegen hem zullen daarom worden afgewezen.

4.12. ABN Amro zal, als de in de procedure tegen [gedaagde sub 2] in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde sub 2] worden begroot op € 1.979,00, zijnde € 821,00 aan griffierecht en € 1.158,00 (2 punten × tarief € 579,00) aan salaris advocaat.

Vorderingen jegens [gedaagde sub 1]

4.13. De gevorderde veroordeling van [gedaagde sub 1] tot nakoming van de verbintenis tot (terug)betaling van de gestelde restschuld komt de rechtbank niet onrechtmatig of ongegrond voor. Deze zal als volgt worden toegewezen.

4.14. Nu ABN Amro in deze procedure nakoming van de verbintenis tot (terug)betaling van de gestelde restschuld vordert en geen schadevergoeding, is het bepaalde in afdeling 6.1.10 van het Burgerlijk Wetboek dientengevolge niet (zonder meer) toepasselijk. Door ABN Amro zijn geen feiten of omstandigheden gesteld die tot een ander oordeel moeten leiden. De buitengerechtelijke incassokosten, waarvan ABN Amro betaling vordert op grond van artikel 6:96 lid 2 aanhef en onder c BW, zullen daarom worden afgewezen.

4.15. [gedaagde sub 1] zal, als de in de procedure tegen haar grotendeels in het ongelijk gestelde partij, in de proceskosten worden veroordeeld. Omdat een deel van het gevorderde bedrag wordt afgewezen, begroot de rechtbank de proceskosten aan de zijde van ABN Amro op basis van het toegewezen bedrag op:

- dagvaarding € 45,40 (1/2 × € 90,81)

- griffierecht 1.789,00

- salaris advocaat 579,00 (1 punt × tarief € 579,00)

Totaal € 2.413,40

5. De beslissing

De rechtbank

in de procedure tegen [gedaagde sub 1]

5.1. veroordeelt [gedaagde sub 1] om aan ABN Amro te betalen een bedrag van € 32.287,56 (tweeëndertig duizendtweehonderdzevenentachtig euro en zesenvijftig eurocent), te vermeerderen met de contractuele rente van 9,95% per jaar over het bedrag van € 31.154,27 vanaf 14 december 2011 tot de dag van volledige betaling,

5.2. veroordeelt [gedaagde sub 1] in de proceskosten, aan de zijde van ABN Amro tot op heden begroot op € 2.413,40,

5.3. verklaart dit vonnis ten aanzien van 5.1. en 5.2. uitvoerbaar bij voorraad,

5.4. wijst het meer of anders gevorderde af,

in de procedure tegen [gedaagde sub 2]

5.5. veroordeelt ABN Amro in de proceskosten, aan de zijde van [gedaagde sub 2] tot op heden begroot op € 1.979,00,

5.6. verklaart dit vonnis ten aanzien van 5.4. uitvoerbaar bij voorraad,

5.7. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. L.A.C. de Vaan en in het openbaar uitgesproken op 12 december 2012.?