Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY4038

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
23-11-2012
Datum publicatie
23-11-2012
Zaaknummer
16/710743-11 [P]
Formele relaties
Hoger beroep: ECLI:NL:GHARL:2013:CA3061, Bekrachtiging/bevestiging
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Aan verdachte (oud-rechter) zijn twee feiten van meineed ten laste gelegd. De rechtbank spreekt verdacht vrij van alle feiten wegens gebrek aan wettig en overtuigend bewijs.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/710743-11 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 23 november 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1947] te [geboorteplaats]

wonende aan [adres]

1 Het onderzoek ter terechtzitting

De strafzaak tegen de verdachte (hierna ook genoemd: [verdachte]) is gelijktijdig doch niet gevoegd behandeld met de strafzaak tegen de medeverdachte [medeverdachte] (hierna ook genoemd: [medeverdachte]). Het onderzoek ter terechtzitting heeft plaatsgevonden op 16 mei 2012, 3 september 2012, 24 oktober 2012 en 9 november 2012. De verdachte is telkens in persoon verschenen en heeft zich ter terechtzitting laten bijstaan door mr. R.W.J. Kerckhoffs en mr. J.N. de Boer, beiden advocaat te Breda.

De rechtbank heeft kennis genomen van de vordering van de officieren van justitie en van de standpunten door de raadslieden van verdachte en door de verdachte zelf naar voren gebracht.

2 De tenlastelegging

Aan de verdachte is ten laste gelegd hetgeen is vermeld in de dagvaarding. De tekst van de tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht. Deze bijlage maakt deel uit van dit vonnis.

De verdenking komt er – kort en feitelijk weergegeven – op neer dat de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meineed, door op 24 november 2010 als getuige ten overstaan van een rechter-commissaris in civiele zaken onder ede opzettelijk valselijk te hebben verklaard:

(feit 1)

"[medeverdachte] en ik zijn altijd goede collega's geweest, maar we hadden geen speciale vriendschap. Hij is geloof ik één of twee keer bij mij over de vloer geweest. Toen hij een nieuw huis had in Den Haag ben ik op zijn housewarming geweest. Verder gingen wij privé niet met elkaar om. We hadden ook zeg maar andere leefwerelden of netwerken."

en

(feit 2)

"U vraagt mij of ik weet of [medeverdachte] een bijzondere belangstelling had voor

de Chipshol-zaken die u mij net heeft genoemd. Nee, dat weet ik niet. Ik heb nooit met hem over deze zaken gesproken.”

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Inleiding

In deze zaken worden twee oud-rechters strafrechtelijk vervolgd, omdat zij opzettelijk als getuige in een (voorlopig) getuigenverhoor, onder ede een valse verklaring zouden hebben afgelegd, op de wijze zoals in de tenlastelegging is omschreven. Tegen de verdachte is tevens aangifte gedaan van ambtelijke omkoping. De officieren van justitie hebben beslist hier geen strafvervolging voor in te stellen. Tegen deze beslissing is beklag gedaan bij het gerechtshof Arnhem op grond van artikel 12 van het Wetboek van Strafvordering. Het hof heeft over het beklag nog geen beslissing genomen.

De onderzoeks- en beslissingstaak van de rechtbank beperkt zich tot de ten laste gelegde feiten. Dit betekent dat de rechtbank in deze procedure uitsluitend een oordeel geeft over de vraag of de verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan meineed zoals hierboven onder rechtsoverweging 2 omschreven.

4.1.1. Chipshol

De rechtbank zal hieronder allereerst schetsen tegen welke achtergrond deze strafvervolging is ingesteld.

Door [A] (hierna: [A] c.s.) en [B] (hierna: [B] c.s.) is eind jaren tachtig van de vorige eeuw Chipshol Forward N.V. (hierna: Chipshol) opgericht. Deze onderneming had tot doel de ontwikkeling van het gebied rondom Schiphol. Daartoe heeft Chipshol gronden verworven. Vanaf eind 1992 is tussen [A] c.s. en [B] c.s. onenigheid ontstaan over de zeggenschap in de onderneming en daarmee over de zeggenschap over de gronden. Dit heeft tot verschillende rechtszaken bij de civiele rechter geleid.

4.1.2 Rechtszaken Chipshol

Op 8 december 1994 vond in één van die rechtszaken een pleidooizitting plaats voor de meervoudige kamer van de rechtbank ’s-Gravenhage. Deze kamer stond onder voorzitterschap van de medeverdachte [medeverdachte] die daar destijds als rechter werkzaam was. De behandeling van de zaak is vervolgens aangehouden. Nadien, op 26 maart 1996, heeft er nog een comparitie van partijen plaatsgevonden, waarna de zaak opnieuw is aangehouden om partijen in de gelegenheid te stellen een minnelijke regeling te treffen.

Op 3 mei 1996 heeft [medeverdachte] als kort geding rechter uitspraak gedaan in een zaak tussen kort gezegd [B] c.s. en [A] c.s. In dat kort geding zijn de vorderingen van [B] c.s. toegewezen waardoor deze, tegen de wil van [A] c.s., de gronden rondom Schiphol aan derden kon verkopen. Na het kort geding vonnis zijn [B] c.s. een bodemprocedure gestart bij de rechtbank ’s-Gravenhage. [medeverdachte] zou ook in deze zaak optreden als voorzitter van de meervoudige kamer, maar heeft zich teruggetrokken. In de bodemprocedure is op 26 maart 1997 vonnis gewezen en zijn de vorderingen van [B] c.s. toegewezen. Op 30 maart 1999 werd het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage in deze bodemprocedure vernietigd door het hof ’s-Gravenhage.

Het hof 's-Gravenhage heeft op 22 februari 2000 het hiervoor genoemde kort gedingvonnis vernietigd en de vorderingen van [B] c.s. alsnog afgewezen.

4.1.3 Anonieme brief

In 2007 is door het tijdschrift Nieuwe Revu, naar aanleiding van een eerder daarin verschenen artikel onder de titel ‘De liegende rechter [medeverdachte]’, een anonieme brief ontvangen. De inhoud van de anonieme brief, onder de titel ‘Het recht moet immers zegevieren’ luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“[medeverdachte] en [verdachte] (nu directeur NMA) waren ongeveer 20 jaar geleden beiden collega’s bij de rechtbank Haarlem, te weten in de functie van rechter. Beiden – collega’s dus en inmiddels ook bevriend geraakt – hebben gesolliciteerd bij de rechtbank Den Haag en zijn daar “vlak” na elkaar tot vice-president benoemd. Dikke vrienden van

[verdachte] zijn de broers [B], daar deed [verdachte] – die talloze nevenfuncties had – ook zaken mee. Toen de heren [B] met de zaak, waarover uw artikel gaat, in de problemen geraakten hebben zij daarvoor [verdachte] benaderd. Zij hebben hem om een oplossing van dit conflict gevraagd. Omdat [verdachte] deze zaak zelf vanwege belangenverstrengeling en vriendschap met de heren [B] niet kon doen, heeft hij zijn collega en vriendje [medeverdachte] gevraagd deze zaak als rechter te behandelen en zo is het ook gegaan. Geen haan die daar naar zou kraaien en zo kon er ook nog invloed worden uitgeoefend. Ook een ander goed vriendje, te weten [advocaat C], advocaat te Amsterdam, heeft zich op verzoek van [verdachte] met de zaak ingelaten.”

4.1.4 Voorlopig getuigenverhoor

De anonieme brief is voor [A] c.s. aanleiding geweest een voorlopig getuigenverhoor te verzoeken tegen de Staat, teneinde te onderzoeken of er door [medeverdachte] onrechtmatig jegens hen is gehandeld vanwege kort gezegd partijdigheid en welbewuste benadeling van [A] c.s. De rechtbank ’s-Gravenhage, nevenvestigingsplaats Utrecht, heeft het verzoek op 21 april 2010 toegewezen. In het kader van dat voorlopig getuigenverhoor zijn verschillende getuigen gehoord, onder wie ook [medeverdachte] en [verdachte] op respectievelijk 4 en 24 november 2010, evenals de auteur van de anonieme brief, [getuige D], die een medewerkster van de rechtbank ’s-Gravenhage bleek te zijn.

In het voorlopig getuigenverhoor is door [medeverdachte] op 4 november 2010 verklaard, nadat hem was gevraagd naar zijn privécontacten/relatie met [verdachte]:

“Over mijn relatie tot hem kan ik verder zeggen dat het een goede, vriendelijke collega is. Sinds ik hem ken ben ik één keer op zijn verjaardag geweest. Verder komen we niet bij elkaar over de vloer.”

Gevraagd naar zijn contacten met [verdachte] heeft [medeverdachte] verklaard:

“U vraagt mij of ik in de periode tussen het pleidooiverzoek en de pleidooizitting overleg heb gehad met [verdachte] over deze zaak. Als de zaak aan mij is toebedeeld en niet aan [verdachte], heb ik daarover geen overleg gehad met hem. U vraagt mij of ik door [verdachte] of een andere Haagse rechter inhoudelijk benaderd ben over deze zaak. Ik heb daar geen herinnering aan en zoiets zou zo uitzonderlijk zijn geweest, dat ik het me had herinnerd als het was gebeurd. U vraagt mij of mijn collega’s bij de rechtbank de partijen in de Chipshol-zaak op een bijzondere manier onder de aandacht hebben gebracht. Als deze vraag gericht is op hetgeen in de anonieme brief staat vermeld, dan kan ik u zeggen dat als ik op zo’n manier door een collega zou zijn benaderd, er een aantekening in diens personeelsdossier zou zijn gemaakt. Het klopt dat ik daarmee zeg dat zoiets niet is gebeurd.”

Door [verdachte] is in het kader van het voorlopig getuigenverhoor op 24 november 2010 verklaard, nadat hem was gevraagd naar zijn privécontacten/relatie met [medeverdachte]:

“[medeverdachte] en ik zijn altijd goede collega's geweest, maar we hadden geen

speciale vriendschap. Hij is geloof ik één of twee keer bij mij over de vloer

geweest. Toen hij een nieuw huis had in Den Haag ben ik op zijn housewarming

geweest. Verder gingen wij privé niet met elkaar om. We hadden ook zeg maar

andere leefwerelden of netwerken."

Gevraagd naar zijn contacten met [medeverdachte] omtrent de Chipshol-zaak heeft [verdachte] verklaard:

"U vraagt mij of ik weet of [medeverdachte] een bijzondere belangstelling had voor

de Chipshol-zaken die u mij net heeft genoemd. Nee, dat weet ik niet. Ik heb nooit met hem over deze zaken gesproken.”

4.1.5 Aangifte

Op 19 oktober 2009 is door [A] aangifte gedaan bij de hoofdofficier van justitie bij het arrondissementsparket ‘s-Gravenhage. De aangifte is gericht tegen [medeverdachte] en ziet, voor zover hier van belang, op de verdenking van het plegen van meineed tijdens het getuigenverhoor op 12 mei 2006, waarbij [medeverdachte] blijft bij zijn ontkenning in december 1994 met [advocaat E] te hebben getelefoneerd. Omdat de aangifte van [A] rechtstreeks verband houdt met het functioneren van [medeverdachte] als rechterlijk ambtenaar heeft de hoofdofficier van justitie van het arrondissementsparket ‘s-Gravenhage de Hoge Raad verzocht een rechtbank aan te wijzen waar de (eventuele) vervolging en berechting van [medeverdachte] zou kunnen plaatsvinden. Op 10 november 2009 heeft de Hoge Raad de rechtbank Utrecht daartoe aangewezen.

In het onderzoek naar deze verdenking van meineed is de verdenking gerezen dat, naast [medeverdachte], ook [verdachte] zich bij het voorlopig getuigenverhoor op 24 november 2010 schuldig heeft gemaakt aan meineed. Dit is aanleiding geweest om tevens een strafrechtelijk onderzoek naar [verdachte] te starten.

4.2 Juridisch kader

In artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht is – samengevat – bepaald dat hij die opzettelijk een valse verklaring onder ede aflegt, wordt gestraft met een gevangenisstraf van ten hoogste zes jaren of een geldboete van de vierde categorie.

Gelet op de tekst van voornoemd artikel en de wetsgeschiedenis moet als uitgangspunt gelden dat onder een valse verklaring in de zin van dit artikel dient te worden verstaan een verklaring die voor wat betreft haar inhoud in strijd is met de waarheid. Bovendien dient, gelet op de wettekst, de getuige de valse verklaring opzettelijk te hebben afgelegd. In de jurisprudentie is uitgemaakt dat voorwaardelijk opzet voldoende is. Hiervan is sprake als een verdachte bewust de aanmerkelijke kans heeft beseft en op de koop toe heeft genomen dat hij een onjuiste verklaring aflegde.

Het voorgaande betekent dat de enkele vaststelling dat een afgelegde verklaring objectief onjuist is, niet voldoende is om aan te nemen dat opzettelijk onder ede een valse verklaring is afgelegd. Een bewezenverklaring van meineed in de zin van artikel 207 van het Wetboek van Strafrecht vereist niet alleen dat de afgelegde verklaring objectief onjuist is, maar ook dat de afgelegde verklaring opzettelijk in strijd met de waarheid is afgelegd.

4.3 Het standpunt van de officieren van justitie

4.3.1 Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De officieren van justitie achten het onder 1 tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen, met uitzondering van de daarin opgenomen zinnen: “[medeverdachte] en ik zijn altijd goede collega's geweest, maar we hadden geen speciale vriendschap. We hadden ook zeg maar andere leefwerelden of netwerken.” Voor dit gedeelte van het onder 1 ten laste gelegde feit hebben de officieren van justitie tot partiële vrijspraak gerequireerd. Aldus resteert de door de verdachte afgelegde verklaring “Hij is geloof ik één of twee keer bij mij over de vloer geweest. Toen hij een nieuw huis had in Den Haag ben ik op zijn housewarming geweest. Verder gingen wij privé niet met elkaar om”.

In de opvatting van de officieren van justitie bestaan er in het dossier grofweg twee lezingen over de omgang tussen de verdachten. Aan de ene kant staat de lezing van de verdachten die overeenkomt met de verklaringen die zij daarover onder ede hebben afgelegd en aan de andere kant de lezing van, voornamelijk, de getuige [getuige F], de ex-echtgenote van [verdachte], ondersteund door andere bewijsmiddelen.

Volgens de officieren van justitie leveren de door de getuige [getuige F] bij de Rijksrecherche afgelegde verklaringen voldoende wettig en overtuigend bewijs op, omdat deze verklaringen op onderdelen worden ondersteund door zich in het dossier bevindende tapgesprekken van de getuige zelf en daarnaast door andere getuigenverklaringen. Daarnaast zijn die verklaringen, zo stellen de officieren van justitie, betrouwbaar. Dat de getuige [getuige F] in latere verhoren probeert terug te komen op haar verklaringen bij de Rijksrecherche, is geen reden om deze als onbetrouwbaar buiten beschouwing te laten.

Voorts hebben de officieren van justitie zich op het standpunt gesteld dat verdachte zich van de valsheid van zijn verklaring bewust moet zijn geweest en dat hij deze valse verklaring derhalve opzettelijk heeft afgelegd.

4.3.2 Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

Voor het onder 2 tenlastegelegde hebben de officieren van justitie vrijspraak gerequireerd. In de opvatting van de officieren van justitie zou een veroordeling voor dit feit uitsluitend zijn te baseren op de verklaringen van de schrijver van de anonieme brief aan Nieuwe Revu uit 2007, de getuige [getuige D].

Door de officieren van justitie is betoogd dat hoewel de verklaringen van de getuige [getuige D] als geloofwaardig en betrouwbaar kunnen worden aangemerkt, er onvoldoende wettig en overtuigend bewijs aanwezig is dat verdachte het hem ten laste gelegde feit heeft begaan. In het dossier bevinden zich verder geen verklaringen of stukken waaruit kan worden afgeleid dat er tussen de verdachten over Chipshol is gesproken op de wijze zoals door de getuige [getuige D] is verklaard. De verhoren van de getuigen en de verdachten bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting hebben geen nieuw dan wel aanvullend bewijs opgeleverd, aldus de officieren van justitie.

4.4 Het standpunt van de verdediging

4.4.1 Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

De verdediging heeft vrijspraak van het onder 1 tenlastegelegde bepleit. Daartoe heeft de verdediging betoogd, dat de verklaringen die de getuige [getuige F] bij de Rijksrecherche heeft afgelegd niet betrouwbaar zijn omdat de inhoud van de verklaringen laat zien dat haar geheugen haar in de steek laat. Daarnaast stelt de verdediging vast dat deze verklaringen het enige belastende bewijsmiddel zijn. Nu op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering het bewijs niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige en zich in het dossier voor die verklaringen geen steunbewijs bevindt, dient verdachte te worden vrijgesproken. Zelfs indien de rechtbank zou aannemen dat uit de verklaringen van de getuige [getuige F] volgt dat de verdachten vaker dan één of twee keer bij elkaar over de vloer zijn geweest, dan nog staat artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering aan een bewezenverklaring in de weg, aldus de verdediging. Bovendien is in het dossier geen aanwijzing te vinden voor het feit dat verdachte op

24 november 2010 ten overstaan van de rechter-commissaris willens en wetens een onjuiste verklaring heeft afgelegd.

4.4.2 Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De verdediging heeft eveneens vrijspraak van het onder 2 tenlastegelegde bepleit. De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de verklaringen van de getuige [getuige D] volstrekt onbruikbaar zijn voor het bewijs, nu deze op een aantal essentiële onderdelen aantoonbaar onjuist zijn; van een betrouwbare getuige is geen sprake. De verklaring van [getuige D] is bovendien de enige verklaring die tot het bewijs kan worden gebruikt en in het dossier is geen steunbewijs te vinden, aldus de verdediging.

4.5 Het oordeel van de rechtbank

4.5.1 Ten aanzien van het onder 1 tenlastegelegde

Beoordeeld dient te worden of de verdachte op 24 november 2010 opzettelijk in strijd met de waarheid als volgt heeft verklaard:

"[medeverdachte] en ik zijn altijd goede collega's geweest, maar we hadden geen speciale vriendschap. Hij is geloof ik één of twee keer bij mij over de vloer geweest. Toen hij een nieuw huis had in Den Haag ben ik op zijn housewarming geweest. Verder gingen wij privé niet met elkaar om. We hadden ook zeg maar andere leefwerelden of netwerken."

[medeverdachte] en [verdachte] waren begin jaren tachtig van de vorige eeuw als collega’s, beiden als rechter, werkzaam in de rechtbank Haarlem. Over die periode zijn door [getuige F] als getuige verschillende verklaringen afgelegd.

Door deze getuige zijn in eerste instantie bij de Rijksrecherche twee voor de verdachte belastende verklaringen afgelegd, die onder meer inhouden dat [medeverdachte] en [verdachte] indertijd met elkaar bevriend waren en dat [medeverdachte] ‘vaak’ en ‘een heel aantal keren’ bij [verdachte] over de vloer is geweest. Deze verklaringen zijn vervolgens door [getuige F] bij de rechter-commissaris grotendeels herroepen. Hierop is [getuige F] ter terechtzitting van 24 oktober 2012 onder ede gehoord. Bij die gelegenheid is ook de audio-opname van haar tweede verhoor bij de Rijksrecherche afgespeeld.

De rechtbank dient allereerst te beoordelen of de verklaringen van de getuige [getuige F] bij de Rijksrecherche betrouwbaar zijn.

Door de getuige [getuige F] is in haar eerste verhoor op 20 mei 2011 bij de Rijksrecherche onder meer het volgende verklaard.

“vraag: Kent u [medeverdachte]?

antwoord: Ja natuurlijk. Mijn man en hij, [medeverdachte], waren ook bevriend met elkaar. Zij waren collega’s en hij kwam ook wel eens bij ons thuis eten. [medeverdachte] was toen nog vrijgezel volgens mij. Ik ken hem vanaf de tijd dat hij een collega was van mijn man in Haarlem. Vanuit de rechtbank was er een clubje dat regelmatig met elkaar ging eten.”

In haar tweede verklaring bij de Rijksrecherche op 23 juni 2011 is door de getuige [getuige F] als volgt verklaard.

“U moet zich voorstellen, op de rechtbank hadden wij…was er een groep rechters, een kleine groep van ongeveer dezelfde leeftijd, die ongeveer dezelfde tijd op die rechtbank waren gearriveerd, hetzelfde deden en dan kwam je altijd bij elkaar op verjaardagen, borrels drinken, eten, enzovoort. Dat was een redelijk vriendschappelijke situatie.”

en

“vraag: U vertelde ook dat [medeverdachte] hier ook kwam eten?

antwoord: Daar? Bij mij thuis wel eens. Ja.

vraag: En hoe vaak gebeurde dat?

antwoord: Ja, wanneer dat zo uit kwam, er zat niet een bepaalde regelmaat in. Meneer [medeverdachte] was toen nog niet getrouwd en mijn man zei dan van: ‘God, [medeverdachte] komt eten en zo’. Nou, dan kwam [medeverdachte] eten.

vraag: Uit het werk vandaan? Zonder dat er echt een afspraak gemaakt was, kwam hij gewoon uit het werk vandaan mee.

antwoord: Ja, ja, zo ging dat.

vraag: Hoe vaak is hij (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte]) bij u thuis geweest?

antwoord: Dat weet ik niet meer, maar een heel aantal keren.”

“vraag: En zij zeggen beiden: we zien elkaar als goede collega’s. We zijn één keer bij elkaar over de vloer geweest.

antwoord: Eén keer in hun hele periode?

vraag: Ja.

antwoord: Nou, dat is niet waar. (…) Nou, dat is echt onzin, dat is absoluut…nee, dat is niet waar.

vraag: Nou ja, ze zeggen wel dat ze elkaar vaker hebben gezien, maar dan op het werk, maar ze zijn één keer bij elkaar thuis geweest.

antwoord: Nee, absoluut niet. Nee, regelmatig.”

“Ja, ik begrijp de…ik begrijp… dat is eigenlijk het feit dat ik in de krant of in de… ik weet niet waar ik het las, dat mijn man zegt dat ze elkaar… nou, ik denk hoe kan dat nou, want die man zat altijd bij ons thuis te eten. Dat begrijp ik dus niet, dat soort dingen. Ik begrijp ook niet waarom daarover gelogen wordt. Daar snap ik helemaal niks van.”

Door de getuige [getuige F] is ter terechtzitting op 24 oktober 2012 verklaard dat zij in haar tweede verklaring bij de Rijksrecherche te stellig is geweest en dat zij op de audio-opname wellicht relaxed overkomt, maar dat dit slechts een indruk is.

Van de getuige [getuige F] zijn in de periode van 15 tot en met 29 oktober 2012, dus voorafgaande aan het verhoor als getuige ter terechtzitting op 24 oktober 2012 en daarna, telefoongesprekken afgeluisterd. Uit de afgeluisterde telefoongesprekken komt naar voren dat [getuige F] meermalen heeft gesproken over haar verhoren bij de rechter-commissaris en ter terechtzitting.

Zo zegt [getuige F] in een op 25 oktober 2012 afgeluisterd telefoongesprek:

“Die verklaring van de recherche, die ik in een bandje had ingesproken, die hebben ze me niet laten lezen, die heb ik ook niet gezien. Van anderhalf jaar geleden. Daar heb ik gezegd dat ik hem vaak gezien heb. Ja, heb ik ook eerlijk gezegd. Maar, het ging er om hoe vaak hij was komen eten. En toen heb ik gezegd, dat weet ik niet meer, maar meer…want [verdachte] had gezegd dat hij één keer was komen eten. Ik zeg, nee, dat is onzin, hij is meer dan één keer bij ons geweest, want anders weet ik dat niet. En [verdachte] had gezegd dat hij hem maar één keer gezien had, dus dat klopt niet, dat verhaal. Maar ja, ik moet natuurlijk iets zeggen wat voor [verdachte] wel uitkomt, maar dat kan ik niet doen, want ik kan niet iets zeggen wat voor [verdachte] uitkomt, want [verdachte] liegt gewoon.”

In een ander op 25 oktober 2012 afgeluisterd telefoongesprek zegt [getuige F]:

“Ja, dat was dus x keer, maar niet als z’n vriendje. Het was geen vriend van ons, kom even leuk op de borrel. (…) Ja, die kwam uit de rechtbank en die man was vrijgezel, dus dan zei [verdachte]: God, kan die even komen eten? Ja, dan kwam die even mee eten. Maar dat is niet een echte vriend.”

De rechtbank overweegt dat de verklaringen van de getuige [getuige F] bij de Rijksrecherche consistent en gedetailleerd zijn en voorts, gelet op de wijze waarop het verhoor is verlopen, mede blijkend uit de ter zitting afgespeelde audio-opname, betrouwbaar aandoen. [getuige F] komt ontspannen over en verklaart op een spontane manier. Dat [getuige F] deze verklaringen later heeft herroepen, kennelijk toen pas doordrongen van de implicaties daarvan voor [verdachte], doet aan de betrouwbaarheid niet af, maar versterkt deze juist. Voorts bevestigt ook de inhoud van de afgeluisterde telefoongesprekken de juistheid van de bij de Rijksrecherche afgelegde verklaringen. De slotsom is dat deze verklaringen naar het oordeel van de rechtbank voor het bewijs kunnen worden gebruikt.

Vervolgens ziet de rechtbank zich gesteld voor de vraag of aan het wettelijk bewijsminimum is voldaan omdat op grond van artikel 342, tweede lid, van het Wetboek van Strafvordering het bewijs dat de verdachte het ten laste gelegde feit heeft begaan niet uitsluitend kan worden aangenomen op de verklaring van één getuige.

De rechtbank is, anders dan de officieren van justitie, van oordeel dat de zich in het dossier bevindende tapgesprekken van de getuige [getuige F] geen steunbewijs kunnen leveren, in de zin dat steun wordt gegeven aan details in de bij de Rijksrecherche afgelegde verklaringen. Deze tapgesprekken vormen geen tweede bewijsbron, maar bevestigen naar het oordeel van de rechtbank uitsluitend de juistheid van de inhoud van de verklaringen bij de Rijksrecherche.

De officieren van justitie zien ook in de door de getuige [getuige G] afgelegde verklaringen steun voor de verklaring van de getuige [getuige F] tijdens haar tweede verhoor bij de Rijksrecherche.

Door de getuige [getuige G] is op 8 juli 2011 – onder meer – verklaard:

“Mijn man was ook werkzaam in Haarlem als vice-president en [medeverdachte] en [verdachte], die waren ook bij de rechtbank als rechter. Ja, wij kwamen bij elkaar over de vloer. Wij aten bij elkaar en wij vierden verjaardagen bij elkaar. Wij kwamen voortdurend…nou, niet voortdurend, maar heel veel bij elkaar over de vloer.”

en

“Ik meen dat zij (de rechtbank begrijpt: de getuige [getuige F]) gezegd heeft dat meneer [medeverdachte] wel bij haar aan de tafel aanschoof. Ze heeft niets gezegd over de frequentie. Ze zei alleen: ‘[medeverdachte] bleef wel eens mee-eten’. Ik weet niets over de onderlinge verhouding tussen de heren [medeverdachte] en [verdachte]. Ik weet dat ze elkaar wel eens zagen, maar ik weet niet hoe vaak zij elkaar zagen.”

De rechtbank stelt vast dat door de getuige [getuige G] niet uit eigen wetenschap is verklaard dat [medeverdachte] bij [verdachte] over de vloer kwam. Zij geeft uitsluitend weer wat zij heeft begrepen van de getuige [getuige F]. Daarmee kan haar verklaring niet dienen als steunbewijs. De overige zich in het dossier bevindende verklaringen van oud-collega’s van verdachten leveren naar het oordeel van de rechtbank geen steunbewijs op voor de verklaringen van de getuige [getuige F], nu deze getuigen hebben verklaard dat zij niets weten over het aantal keren dat [medeverdachte] bij [verdachte] thuis is geweest en dat zij ook niet kunnen verklaren over de onderlinge verhouding tussen beiden, anders dan dat verdachten als goede collega’s met elkaar omgingen. Ook uit de verklaringen van [getuige D], de auteur van de anonieme brief, kan niet meer worden afgeleid dan dat verdachten in de periode dat zij met hen werkte als goede collega’s met elkaar omgingen.

Er bevinden zich in het dossier geen andere stukken of verklaringen van anderen die de verklaringen van de getuige [getuige F] kunnen ondersteunen. Uit alle verklaringen blijkt dat verdachten in de periode dat zij samenwerkten als goede collega’s vriendschappelijk met elkaar omgingen. Niet is komen vast te staan dat de contacten verder gingen dan dat.

Dit betekent dat, nu de verklaringen van de getuige [getuige F] op geen enkele manier worden ondersteund door ander bewijsmateriaal, de verdachte dient te worden vrijgesproken van het onder 1 tenlastegelegde.

4.5.2 Ten aanzien van het onder 2 tenlastegelegde

De rechtbank is van oordeel dat het onder 2 tenlastegelegde ook niet wettig en overtuigend kan worden bewezen. Daartoe wordt in de eerste plaats ingegaan op de verklaringen die zijn afgelegd door de getuige [getuige D].

De rechtbank stelt voorop dat deze verklaringen zien op een situatie die zich enkele decennia geleden zou hebben afgespeeld. Verklaringen die na een dergelijk tijdsverloop zijn afgelegd dienen naar het oordeel van de rechtbank met de nodige behoedzaamheid te worden beoordeeld. Het is immers voorstelbaar dat andere, misleidende, informatie zich in de loop der tijd met de oorspronkelijke herinnering heeft vermengd. Hiernaast moet worden opgemerkt dat het opvallend is dat op veel plaatsen in de verklaringen van [getuige D] de nodige, relevante details ontbreken, ondanks het feit dat zij door de politie, de rechter-commissaris maar ook ter zitting intensief is ondervraagd.

De rechtbank stelt verder vast dat uit de verklaringen van [getuige D], daaronder begrepen de door haar aan het tijdschrift Nieuwe Revu verzonden anonieme brief, een tijdslijn is te destilleren die zich niet verdraagt met uit het dossier af te leiden objectieve feiten en omstandigheden. [getuige D] heeft verklaard dat zij met de verdachte naar Amsterdam is geweest, voor een etentje bij de getuige [advocaat C]. Op de terugreis zou zij van de verdachte hebben begrepen dat de heren hadden gesproken over de problemen die speelden rondom de gronden rond Schiphol. De verdachte zou haar enige tijd daarvoor hebben verteld dat hij een telefoontje van [B] had gehad, die grote ruzie bleek te hebben. De verdachte zou [medeverdachte] hebben gevraagd om, als er een zaak van zou komen, deze te behandelen. Uit de verklaring van [advocaat C] kan echter worden afgeleid dat deze in de tweede helft van 1990 van zijn woning aan [straat] te Amsterdam is verhuisd naar een woning in Kennemerland. Dit plaatst het door [getuige D] gememoreerde etentje vóór die tijd, terwijl naar het oordeel van de rechtbank uit het dossier niet onomstotelijk kan worden vastgesteld dat de problemen die hebben geleid tot de Chipshol-zaak, in welke zaak op 8 december 1994 de pleidooien plaatsvonden, reeds voor de tweede helft van 1990 speelden. De rechtbank wijst hierbij op het vonnis van de rechtbank ’s-Gravenhage van 26 maart 1997, gewezen in de zaak tussen [B] c.s. tegen [A] c.s., waarin in overweging 2.3 onder ‘vaststaande feiten’ is opgenomen:

“Tussen partijen (en een aantal derden) zijn vanaf omstreeks 1992 verschillen van mening ontstaan over (onder meer) de te volgen koers bij het tot ontwikkeling brengen van de gronden, hetgeen heeft geleid tot een groot aantal procedures voor (onder meer) deze rechtbank.”

Ook uit de namens [A] c.s. tegen de verdachte gedane aangifte van 26 april 2011 volgt, zoals daarin onder punt 7 is aangegeven, dat vanaf eind 1992 een strijd is ontbrand tussen Chipshol c.s. en [B] c.s. om de zeggenschap over Chipshol Forward N.V. en daarmee de zeggenschap over de gronden.

De rechtbank overweegt voorts dat de getuige [getuige D] op een aantal punten wisselend heeft verklaard over de contacten die zij met de medeverdachte [medeverdachte] heeft gehad. Zo heeft [getuige D] ter terechtzitting van 3 september 2012 bijvoorbeeld verklaard, dat zij haar anonieme brief heeft geschreven naar aanleiding van een in het tijdschrift Nieuwe Revu gepubliceerd artikel onder de titel ‘De liegende rechter [medeverdachte]’. Nadat zij dit artikel zou hebben gelezen, zouden er bij [getuige D] gevoelens van onrechtvaardigheid, verontwaardiging en boosheid naar boven zijn gekomen, omdat zij ‘er meer van wist’. De inhoud van deze verklaring laat zich naar het oordeel van de rechtbank niet verenigen met een zich in het dossier bevindende e-mail van [getuige D] aan [medeverdachte] van februari 2006, waarin zij hem schrijft over zijn procedure tegen mr. [advocaat E] te hebben gelezen in het weekblad HP/De Tijd, dat in november 2005 een artikel onder de titel ‘De vechtende rechter’ uitbracht en met een op 8 februari 2008 aan [medeverdachte] verzonden e-mail, waarin zij hem feliciteert met zijn overwinning op mr. [advocaat E]. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank, dat [getuige D] al vóór het artikel in Nieuwe Revu, in 2007, wist dat [medeverdachte] en mr. [advocaat E] in een civiele zaak waren verwikkeld die te maken had met de Chipshol-zaak.

De slotsom van het voorgaande is dat de verklaringen van de getuige [getuige D] onvoldoende betrouwbaar zijn om voor het bewijs te kunnen worden gebruikt. Daarnaast is het zo dat, zoals ook de officieren van justitie hebben betoogd, haar verklaringen niet door enig ander bewijsmateriaal worden ondersteund. Dit betekent dat, ook als de rechtbank de verklaringen van de getuige [getuige D] wel betrouwbaar zou achten, het dossier onvoldoende aanknopingspunten biedt om tot een veroordeling te komen. Verdachte zal van het onder 2 tenlastegelegde worden vrijgesproken.

5 De benadeelde partij

De benadeelde partijen [A], Chipshol Holding B.V., Chipshol 2000 B.V. en B.V. Landvision zijn van mening dat zij als gevolg van de ten laste gelegde feiten immateriële schade hebben geleden.

Verdachte zal worden vrijgesproken van de feiten waaruit de schade zou zijn ontstaan. De rechtbank zal daarom de benadeelde partijen niet-ontvankelijk verklaren in hun vorderingen.

6 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de hem onder 1 en 2 ten laste gelegde feiten;

Benadeelde partijen

- verklaart de benadeelde partijen [A], Chipshol Holding B.V., Chipshol 2000 B.V. en B.V. Landvision niet-ontvankelijk in hun vorderingen en bepaalt dat die vorderingen bij de burgerlijke rechter kunnen worden aangebracht.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.R. Krol, voorzitter, mr. E.A. Messer en mr. Z.J. Oosting, rechters, in tegenwoordigheid van mr. J.A. van Wageningen en mr. M.J.C.J. Evers, griffiers, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 23 november 2012.