Feedback

Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY3935

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
21-11-2012
Datum publicatie
22-11-2012
Zaaknummer
SBR 12-1914
Rechtsgebieden
Bestuursrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Eiser ontvangt sinds zijn 65-jarige leeftijd een aanvullende inkomensvoorziening ouderen op grond van de WWB op zijn AOW-pensioen. Deze AIO is gebaseerd op de WWB en is in de plaats gekomen van eisers WWB-uitkering. Verweerder heeft de aan eiser toegekende AIO-aanvulling herzien en verlaagd wegens de hoogte van eisers vermogen en afgestemd op de feitelijke behoefte van eiser. Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat het beleid dat 10% van de bijstandsnorm per maand mag worden gespaard nog in ontwikkeling is en nergens is vastgelegd. Niet in geschil is dat eiser gespaard heeft gedurende de periode dat hij recht had op bijstand en de spaargelden zijn opgebouwd uit ontvangen gelden van de bijstand. Op grond van artikel 34, tweede lid, onder c, van de WWB worden deze spaargelden niet als vermogen in aanmerking genomen. Er zijn geen regels neergelegd in de WWB en er is door verweerder geen voor een ieder kenbaar beleid vastgesteld over de toepassing van de afstemming door verweerder. De rechtbank is van oordeel dat slechts in zeer bijzondere situaties tot afstemming van de bijstand mag worden overgegaan. In de situatie van eiser is van een dergelijke bijzondere situatie geen sprake. Iemand die bijstand ontvangt heeft de vrijheid de bijstand te besteden op een wijze die hem goeddunkt. Eiser heeft van deze keuzevrijheid gebruik gemaakt door sober te leven, hetgeen niet onverenigbaar is met bijstandverlening. Verweerder heeft de AIO-aanvulling van eiser niet mogen afstemmen op de feitelijke behoefte en dus niet mogen verlagen. Beroep gegrond.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector bestuursrecht

zaaknummer: SBR 12/1914

uitspraak van de enkelvoudige kamer van 21 november 2012 in de zaak tussen

[eiser], te [woonplaats], eiser

(gemachtigde: mr. M.J. Hoogendoorn),

en

de Raad van bestuur van de Sociale verzekeringsbank, verweerder

(gemachtigde: mr. N. Zuidersma).

Procesverloop

Bij besluit van 22 november 2012 heeft verweerder de aan eiser toegekende aanvullende inkomensvoorziening ouderen (AIO) op grond van de Wet werk en bijstand (WWB) met ingang van december 2011 herzien wegens de hoogte van eisers vermogen.

Bij besluit van 23 april 2012 (het bestreden besluit) heeft verweerder het bezwaar van eiser ongegrond verklaard.

Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld.

Verweerder heeft een verweerschrift ingediend.

Het onderzoek ter zitting heeft plaatsgevonden op 23 augustus 2012. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde.

Overwegingen

1. De rechtbank neemt de volgende, door partijen niet betwiste, feiten als vaststaand aan.

Sinds oktober 1990 ontvangt eiser een uitkering op grond van de Bijstandswet, thans WWB. Vanaf 1 mei 2009 heeft verweerder, omdat eiser de 65-jarige leeftijd heeft bereikt, een AIO op eisers Algemene Ouderdomswet (AOW)-pensioen toegekend. Deze AIO is ook gebaseerd op de WWB en is in de plaats gekomen van eisers WWB-uitkering van de gemeente Utrecht.

2. Het bestreden besluit gaat over toepassing van een korting op eisers AIO van € 182,44 per maand (18% van de bijstandsnorm) vanaf december 2011, omdat uit de groei van eisers vermogen is gebleken dat eiser een hogere AIO ontving dan voor eiser noodzakelijk was. Naar aanleiding van een onderzoek naar eisers vermogen is volgens verweerder gebleken dat eiser over de periode van januari 2006 tot en met augustus 2011 in totaal een bedrag van

€ 25.024,10 heeft gespaard uit de ontvangen bijstandsgelden. Na omrekening blijkt dat eiser

€ 368,- per maand heeft gespaard. Dit is 36% van de bijstandsnorm.

3. Eiser heeft aangevoerd dat, nu tijdens de bijstand gespaarde gelden niet in het kader van de vermogensnorm in aanmerking mogen worden genomen, deze ook niet via een omweg, namelijk via een gestelde verminderde behoefte, tot verlaging of gedeeltelijke ontzegging van het recht op bijstand kunnen leiden. Afstemming van bijstand kan slechts plaatsvinden in geval van misdragingen en tekortschietend verantwoordelijkheidsbesef. Het zuinig omgaan met bijstand valt daar niet onder. In de WWB is ervoor gekozen om de behoefte van de gerechtigde te stellen op de toepasselijke bijstandsnorm, ongeacht de werkelijke behoefte van de bijstandsgerechtigde.

4. Verweerder heeft zich hierover op het standpunt gesteld dat artikel 47c, eerste lid, van de WWB de SVB de verplichting oplegt om de algemene bijstand als AIO en de daaraan verbonden verplichtingen af te stemmen op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende. Deze bepaling geeft inhoud aan één van de uitgangspunten van de WWB, te weten dat de bijstand wordt afgestemd op de feitelijke behoefte in het individuele geval. Deze verplichting kan met zich meebrengen dat een verlaging van de uitkering is aangewezen. Verweerder heeft, onder verwijzing naar twee uitspraken van de Centrale Raad van Beroep (CRvB) van 3 januari 2006 (LJN: AU 9217) en 24 november 2009 (LJN: BK 5133) zich op het standpunt gesteld dat in eisers geval sprake is van een zeer bijzondere situatie die afstemming van de uitkering rechtvaardigt. Volgens verweerder is het toegestaan om te sparen tijdens de bijstandsperiode tot een bedrag van 10% van de bijstandsnorm per maand. Als er echter over lange perioden meer dan 10% van de bijstandsnorm wordt gespaard, moet worden nagegaan in hoeverre de uitkering noodzakelijk is. De SVB voert het beleid om in dit geval een korting toe te passen conform de levensbehoefte van de uitkeringsgerechtigde. Verweerder heeft in eisers situatie een korting toegepast op zijn AIO van € 182,44 per maand (18% van de bijstandsnorm). Ter zitting heeft verweerder nader toegelicht dat dit beleid nog in ontwikkeling is en nergens is vastgelegd.

5. De rechtbank ziet zich derhalve geplaatst voor de vraag of verweerder de AIO van eiser heeft mogen afstemmen op de feitelijke behoefte van eiser en vervolgens heeft mogen verlagen met 18%.

6. De rechtbank stelt voorop dat niet in geschil is dat eiser gespaard heeft gedurende de periode dat hij recht had op bijstand en dat de spaargelden zijn opgebouwd uit ontvangen gelden van de bijstand. Op grond van artikel 34, tweede lid, onder c, van de WWB worden deze spaargelden niet als vermogen in aanmerking genomen. De besparingen moeten dus bij de bijstandsverlening buiten beschouwing worden gelaten. De rechtbank vindt hiervoor steun in onder meer een uitspraak van de CRvB van 13 november 2007 (JWWB 2008/15).

7. In artikel 47c, eerste lid, van de WWB is bepaald dat de SVB de algemene bijstand als aanvullende inkomensvoorziening ouderen en de daaraan verbonden verplichtingen afstemt op de omstandigheden, mogelijkheden en middelen van de belanghebbende.

Op grond van artikel 47c, tweede lid, van de WWB verlaagt de SVB de algemene bijstand ter zake van het niet of onvoldoende nakomen van de uit deze wet voortvloeiende verplichtingen, waaronder begrepen het zich jegens de SVB zeer ernstig misdragen dan wel indien de belanghebbende naar het oordeel van de SVB tekortschietend besef van verantwoordelijkheid betoont voor de voorziening in het bestaan. Van een verlaging wordt afgezien, indien elke vorm van verwijtbaarheid ontbreekt.

8. De rechtbank stelt vast dat uit de Memorie van Toelichting bij de WWB (TK 2008-2009, 32037, nr. 3, p. 25) blijkt dat artikel 47c van de WWB regelt voor de SVB wat artikel 18 van de WWB voor het college regelt. In principe zijn er geen regels neergelegd in de WWB en is er door verweerder geen voor een ieder kenbaar beleid vastgesteld over de toepassing van de afstemming door de SVB. In navolging van de vaste jurisprudentie van de CRvB over afstemming van de bijstand is de rechtbank van oordeel dat slechts in zeer bijzondere situaties tot afstemming mag worden overgegaan. In de situatie van eiser is van een dergelijke bijzondere situatie geen sprake. De rechtbank neemt hierbij in aanmerking dat de algemene bijstand wordt verleend naar een all-in-norm, hetgeen impliceert dat degene die algemene bijstand ontvangt de vrijheid heeft de bijstand te besteden op een wijze die hem goeddunkt. Eiser heeft van deze keuzevrijheid gebruik gemaakt door sober te leven, hetgeen niet onverenigbaar is met bijstandsverlening, zodat eiser de daardoor gespaarde bijstand in de toekomst kan aanwenden. De conclusie is dat verweerder de AIO van eiser niet heeft mogen afstemmen op de feitelijke behoefte en de AIO dus niet heeft mogen verlagen.

9. Het beroep is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding de rechtsgevolgen van het bestreden besluit in stand te laten, zelf in de zaak te voorzien of de zogenaamde bestuurlijke lus toe te passen, omdat het besluit is gebaseerd op een onjuiste grondslag. Verweerder zal daarom een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken.

10. De rechtbank veroordeelt verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 874,- (1 punt voor het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, wegingsfactor 1, waarde per punt € 437,-). Ook dient verweerder aan eiser het betaalde griffierecht te vergoeden.

Beslissing

De rechtbank:

- verklaart het beroep gegrond;

- vernietigt het bestreden besluit;

- draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op het bezwaar met inachtneming van hetgeen in deze uitspraak is overwogen;

- veroordeelt verweerder in de proceskosten tot een bedrag van € 874, te betalen aan eiser;

- draagt verweerder op het betaalde griffierecht van € 42,- aan eiser te vergoeden.

Deze uitspraak is gedaan door mr. R.J. Praamstra, rechter, in aanwezigheid van

mr. M.M. van Luijk-Salomons, griffier. De beslissing is in het openbaar uitgesproken op 21 november 2012.

griffier rechter

Afschrift verzonden aan partijen op:

Rechtsmiddel

Tegen deze uitspraak kan binnen zes weken na de dag van verzending daarvan hoger beroep worden ingesteld bij de Centrale Raad van Beroep.