Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY3825

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
19-10-2012
Datum publicatie
21-11-2012
Zaaknummer
16/654636-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling voor diefstallen en (poging tot) woninginbraken

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/654636-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 19 oktober 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte],

geboren op [1994] te [geboorteplaats],

wonende te [adres], [woonplaats],

raadsman mr. W.C. den Daas, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 5 oktober 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1: samen met een ander of anderen een bromfiets heeft weggenomen uit een tuin behorend bij de woning aan de [adres] te Baarn;

Feit 2: samen met een ander of anderen twee bromfietsen heeft weggenomen uit een tuin behorend bij de woning aan de [adres] te Baarn;

Feit 3: samen met een ander of anderen heeft geprobeerd in te breken in een woning aan de [adres] te Baarn;

Feit 4: samen met een ander of anderen heeft ingebroken in een woning aan de [adres] te Baarn;

Feit 5: samen met een ander of anderen [aangever 1] heeft bedreigd met een misdrijf tegen het leven gericht althans met zware mishandeling.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte alle ten laste gelegde feiten heeft begaan en baseert zich daarbij op de zich in het dossier bevindende bewijsmiddelen.

4.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft geen verweer gevoerd ten aanzien van feit 1.

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van feit 2, feit 3 en feit 4 en heeft daartoe aangevoerd dat verdachte alleen op de uitkijk heeft gestaan. De raadsman is daarom van mening dat niet medeplegen, maar medeplichtigheid wettig en overtuigend bewezen kan worden. Nu medeplichtigheid niet ten laste is gelegd, is de raadsman van mening dat verdachte dient te worden vrijgesproken.

De verdediging is tevens van mening dat feit 5 niet wettig en overtuigend bewezen kan worden en heeft daartoe aangevoerd dat alleen de verklaring van de aangever als bewijs kan dienen, wat niet voldoende is voor een bewezenverklaring.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Het bewijs ten aanzien van feit 1

Aangezien verdachte deze feiten heeft bekend en de raadsman niet tot vrijspraak heeft gepleit, volstaat de rechtbank, met toepassing van artikel 359, derde lid, laatste volzin van het Wetboek van Strafvordering, met een opsomming van de bewijsmiddelen.

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het tenlastegelegde heeft begaan op basis van de volgende bewijsmiddelen:

- het proces-verbaal van aangifte, gedaan door [aangever 2] ;

- de bekennende verklaring van verdachte .

Het bewijs ten aanzien van feit 2

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 2 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

Aangever [aangever 2] heeft verklaard dat in de nacht van 4 mei 2012 op 5 mei 2012 twee bromfietsen, te weten een Peugeot Rapido en een Peugeot Speed Fight, uit zijn tuin, behorende bij de woning aan de [adres] te Baarn, zijn wegenomen.

Medeverdachte [medeverdachte 1] heeft verklaard dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) zei dat hij bromfietsen wist te staan die ze konden stelen en dat [verdachte] hen naar de woning heeft gebracht. Medeverdachte [medeverdachte 2] heeft verklaard dat [verdachte] (de rechtbank begrijpt: verdachte) met het idee kwam om brommers te jatten.

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met anderen naar de woning aan de [adres] te Baarn is gegaan en dat hij wist van het plan om bromfietsen weg te nemen. Verdachte heeft voorts verklaard dat er twee bromfietsen zijn weggenomen.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 2

De rechtbank verwerpt het verweer dat er slechts sprake was van medeplichtigheid, op grond van het volgende.

De rechtbank overweegt dat verdachte heeft verklaard dat hij wist dat er bromfietsen in de tuin stonden van de woning aan de [adres] en dat de anderen het plan hadden deze weg te nemen. Verdachte wist derhalve wat er zou gebeuren, is bij de uitvoering daarvan meegegaan naar de desbetreffende woning/tuin en heeft in ieder geval op de uitkijk gestaan. Daarnaast verklaren twee medeverdachten dat het idee om bromfietsen te stelen van verdachte afkomstig was, wat de rechtbank gelet op de bromfiets die verdachte een week eerder uit dezelfde tuin heeft gestolen (zie hierboven feit 1.) aannemelijk acht. Gelet op voornoemde is de rechtbank van oordeel dat er sprake is geweest van een nauwe en bewuste samenwerking van verdachte en zijn mededaders en derhalve dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan medeplegen.

Het bewijs ten aanzien van feit 3

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 3 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

Aangever [aangever 3] heeft verklaard dat er op 6 mei 2012 is geprobeerd in te breken in zijn woning aan de [adres] te Baarn. Het raam van de achterdeur is ingegooid en er zitten moeten in de sponningen van zijn achterdeur. Ook de schuttingdeur is opengebroken.

Verdachte heeft verklaard dat hij met [medeverdachte 3], [medeverdachte 2] en [aangever 1] was en dat zij wilden gaan inbreken in de woning aan de [adres] te Baarn. Verdachte heeft voorts verklaard dat de poortdeur is opengebroken, dat er een steen door de ruit is gegooid en dat hij ook is meegegaan naar de woning.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 3

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat er geen sprake was van medeplegen maar van medeplichtigheid op grond van het volgende.

De rechtbank overweegt dat verdachte samen met anderen naar de woning is toegegaan en dat zij reeds het plan hadden om daar in te gaan breken. Verdachte heeft verklaard dat hij op de uitkijk heeft gestaan, maar medeverdachten hebben verklaard dat verdachte degene is die de steen door de ruit heeft gegooid. De rechtbank is van oordeel dat verdachte door –met wetenschap van het voorgenomen plan- mee te gaan naar de woning en door op zijn minst op de uitkijk te hebben gestaan, zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van een poging tot woninginbraak.

Het bewijs ten aanzien van feit 4

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 4 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

Aangever [aangever 4] heeft namens [naam] aangifte gedaan van een woninginbraak aan de [adres] te Baarn in de periode van 9 juni 2012 tot en met 13 juni 2012.

Bij deze inbraak zijn weggenomen een laptop merk Acer, kleur zwart, twee kluizen, een hoeveelheid kentekenbewijzen en waardepapieren, een hoeveelheid munten en postzegels, een hoeveelheid sieraden en een hoeveelheid sleutels.

Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft verklaard dat hij samen met verdachte heeft ingebroken. Medeverdachte [medeverdachte 3] heeft voorts verklaard dat hij het zijraam heeft opengebroken en dat verdachte en hij samen de woning zijn binnengegaan. Uit de woning hebben zij een laptop en een kluis met daarin papieren, een ketting en een hoeveelheid munten meegenomen.

Verdachte heeft verklaard dat hij met anderen was en dat zij wilden gaan inbreken in de woning aan de [adres] te Baarn. Verdachte heeft verklaard dat een ander het raam heeft opengebroken en dat die anderen een kluis uit de woning mee hebben genomen naar het speeltuintje om de kluis daar open te breken. Van het geld dat in de kluis zat, hebben verdachte en die anderen sigaretten gekocht.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 4

De rechtbank verwerpt het verweer van de raadsman dat er geen sprake was van medeplegen maar van medeplichtigheid op grond van het volgende.

De rechtbank overweegt dat verdachte naar aanleiding van een vooropgezet plan om in te breken naar de woning is gegaan. Verdachte heeft verklaard dat het raam door anderen is opengebroken en dat hij heeft gedeeld in de opbrengst van de inbraak. De rechtbank is van oordeel dat de rol van verdachte zodanig is dat gesproken kan worden van een bewuste en nauwe samenwerking met zijn mededader(s) en dat derhalve dat sprake is van medeplegen.

Het bewijs ten aanzien van feit 5

De rechtbank acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 5 tenlastegelegde heeft begaan op grond van het navolgende.

Aangever [aangever 1] heeft verklaard dat verdachte hem samen met [medeverdachte 4] op 14 juni 2012 te Baarn heeft bedreigd door te zeggen “we komen terug, we maken korte metten met je” en “ik sla je nog in elkaar”.

Getuige [getuige] heeft verklaard dat zij [medeverdachte 4] (de rechtbank begrijpt: [medeverdachte 4]) heeft horen roepen “we krijgen je nog wel, we pakken je nog wel”.

Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft verklaard dat hij samen met verdachte naar de woning van aangever is gegaan en dat hij heeft geroepen “we komen terug, we maken wel korte metten met je”. Medeverdachte [medeverdachte 4] heeft tevens verklaard dat verdachte ‘ook zoiets’ heeft geroepen.

Verdachte heeft verklaard dat hij samen met [medeverdachte 4] naar de woning van aangever is gegaan, omdat aangever hun namen had genoemd bij de politie in verband met diefstal van een brommer. Verdachte heeft voorts verklaard dat [medeverdachte 4] vervolgens uit zijn vel is gesprongen en heeft gezegd “we pakken je nog wel” en dat hij zelf ook boos was. Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij, verdachte, boos op [aangever 1] was.

Bewijsoverwegingen ten aanzien van feit 5

De rechtbank overweegt dat verdachte samen met [medeverdachte 4] naar de woning van aangever [aangever 1] is gegaan en dat verdachte boos op aangever was vanwege de aangifte. Zowel aangever als medeverdachte [medeverdachte 4] hebben verklaard dat verdachte ook bedreigingen heeft geuit. Daarnaast blijkt niet uit het dossier dat verdachte op enigerlei wijze afstand heeft genomen van de bedreigingen die medeverdachte [medeverdachte 4] heeft geuit: samen zijn zij naar aangever toe gegaan en verdachte is erbij gebleven toen [medeverdachte 4] de dreigementen uitte en verdachte heeft ook iets geroepen.

De rechtbank acht, gelet op de reden van het opzoeken van aangever en het gegeven dat verdachte boos op aangever was, wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich samen met een ander schuldig heeft gemaakt aan bedreiging.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 29 april 2012 of 30 april 2012 te Baarn met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een tuin behorend bij de woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen een bromfiets merk Peugeot, type Speed Fight 4 toebehorende aan [aangever 2];

2.

op 4 mei 2012 en/of 5 mei 2012 te Baarn, tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een tuin behorend bij de woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen twee bromfietsen merk Peugeot, type Rapido en merk Peugeot, type Speed Fight, toebehorende aan [aangever 2], waarbij verdachte en/of zijn mededaders zich de toegang tot de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van

inklimming over een schutting;

3.

op 6 mei 2012 te Baarn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om tezamen en in vereniging met anderen, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] weg te nemen goederen en/of geld, toebehorende aan [aangever 3], en zich daarbij de toegang tot voornoemde woning te verschaffen door middel van braak tezamen en in vereniging met anderen, als volgt heeft gehandeld: hebbende hij, verdachte, en/of zijn mededaders

- met een steen een ruit ingegooid en

- een breekvoorwerp tussen de sponningen van een deur gezet en getracht deze deur te openen en

- een opzetslot van een schuttingdeur opengebroken,

zijnde de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet voltooid;

4.

op een tijdstip in de periode van 9 juni 2012 tot en met 13 juni 2012 te Baarn, tezamen en in vereniging met een ander, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening uit een woning gelegen aan de [adres] heeft weggenomen

- een laptop merk Acer, kleur zwart en

- twee kluizen en

- een hoeveelheid kentekenbewijzen en waardepapieren en

- een hoeveelheid munten en postzegels en

- een hoeveelheid sieraden en

- een hoeveelheid sleutels,

toebehorende aan [naam], waarbij verdachte en/of zijn mededader zich de toegang tot

de plaats des misdrijfs hebben verschaft door middel van braak op een ruit;

5.

op 14 juni 2012 te Baarn, tezamen en in vereniging met een ander, [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers hebben verdachte en/of zijn mededader opzettelijk dreigend tegen die [aangever 1] gezegd: "we komen terug, we maken wel korte metten met je" en "ik sla je nog in elkaar" en "we krijgen je nog wel,

we pakken je nog wel", althans woorden van gelijke dreigende aard of strekking.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op.

Feit 1: diefstal;

Feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

Feit 3: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 5: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Drs. F. Jonker, GZ-psycholoog, heeft een de verdachte betreffend pro justitia rapport d.d. 28 augustus 2012 opgesteld. De psycholoog heeft vastgesteld dat er bij verdachte sprake is van een ziekelijke stoornis in de zin van cannabisafhankelijkheid en een gebrekkige ontwikkeling van de geestvermogens in de zin van zwakbegaafdheid. Deze stoornissen hebben de keuzes en gedragingen ten tijde van het tenlastegelegde beïnvloed. De psycholoog adviseert om verdachte verminderd toerekeningsvatbaar te verklaren.

De rechtbank neemt dit advies over en maakt dit tot het hare. De rechtbank acht verdachte verminderd toerekeningsvatbaar en zal hiermee rekening houden bij de strafoplegging.

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid geheel uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen:

- een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 73 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod, een behandelverplichting en het meewerken aan urinecontroles;

- een werkstraf voor de duur van 150 uren te vervangen door 75 dagen hechtenis.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft verzocht een lagere werkstraf op te leggen dan door de officier van justitie is gevorderd. De verdediging heeft voorts opgemerkt dat de gevorderde voorwaardelijke gevangenisstraf met bijzondere voorwaarden recht doet aan de persoon van de verdachte.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straffen heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich (samen met anderen) schuldig gemaakt aan een diefstal, diefstal door middel van inklimming, diefstal uit een woning door middel van braak, een poging tot diefstal door middel van braak en een bedreiging.

De rechtbank overweegt dat dit ernstige en “volwassen” feiten zijn, waarbij verdachte puur gericht leek te zijn op zijn eigenbelang en waarbij verdachte geen enkele rekening heeft gehouden met de gevolgen die dergelijke feiten voor anderen kunnen hebben. De rechtbank merkt daartoe op dat woninginbraken en bedreigingen nog lange tijd voor angstgevoelens kunnen zorgen bij de benadeelden. Voorts zorgt dit soort feiten voor een gevoel van onveiligheid in de maatschappij. De rechtbank neemt dit verdachte bijzonder kwalijk en vindt dat extra zorgelijk gelet op de nog jonge leeftijd van verdachte.

Wat betreft de persoon van de verdachte heeft de rechtbank gelet op:

- een de verdachte betreffend uittreksel uit de justitiële documentatie d.d. 20 augustus 2012, waaruit blijkt dat verdachte niet eerder is veroordeeld voor een strafbaar feit;

- een de verdachte betreffend beknopt reclasseringsrapport d.d. 11 juli 2012;

- een de verdachte betreffend pro justitia rapport, opgesteld door F. Jonker, GZ-psycholoog.

De psycholoog adviseert om aan verdachte een deels voorwaardelijke straf op te leggen met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod bij de reclassering, een sociale vaardigheidstraining en het meewerken aan urinecontroles. De psycholoog geeft de rechtbank voorts in overweging het minderjarigenstrafrecht toe te passen. In het kader van de schorsing is reeds reclasseringscontact opgelegd, wat goed loopt aldus de psycholoog.

De rechtbank ziet, met de officier van justitie en de verdediging, geen aanleiding het minderjarigenstrafrecht toe te passen.

Alles afwegende is de rechtbank van oordeel dat de door de officier van justitie gevorderde straf recht doet aan de ernst van de feiten en de persoon van de verdachte. De rechtbank zal verdachte derhalve een gevangenisstraf voor de duur van 90 dagen, waarvan 73 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van 2 jaren met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod, een behandelverplichting en het meewerken aan urinecontroles en een werkstraf voor de duur van 150 uren te vervangen door 75 dagen hechtenis opleggen.

7. De benadeelde partij

De benadeelde partij [aangever 2]

De benadeelde partij [aangever 2] vordert een schadevergoeding van € 800,-- voor feit 2.

De rechtbank is van oordeel dat de schade, in redelijkheid geschat op een bedrag van € 400,- ter zake van materiële schade, een rechtstreeks gevolg is van dit bewezen verklaarde feit en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde acht zij tot dat bedrag voldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de vordering tot dat bedrag toewijzen.

Voor het overige acht de rechtbank het gevorderde bedrag onvoldoende aannemelijk gemaakt en zij zal de benadeelde partij daarom voor dat deel niet-ontvankelijk verklaren in haar vordering. Voor dat deel kan de benadeelde partij haar vordering bij de burgerlijke rechter aanbrengen.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de gevorderde wettelijke rente toekennen en de schademaatregel opleggen.

De benadeelde partij afvalverwerking Utrecht

De benadeelde partij afvalverwerking Utrecht vordert een schadevergoeding van € 1.716,-- voor brandstichting in een textielcontainer.

Dit feit is niet ten laste gelegd aan verdachte en de rechtbank zal deze vordering daarom afwijzen.

8. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 45, 47, 57, 285, 310 en 311 van het Wetboek van Strafrecht zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

9. De beslissing

De rechtbank:

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Feit 1: diefstal;

Feit 2: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van inklimming;

Feit 3: poging tot diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 4: diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige zich de toegang tot de plaats van het misdrijf heeft verschaft door middel van braak;

Feit 5: medeplegen van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 90 dagen, waarvan 73 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd (een van) de bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland;

* dat verdachte zich hiertoe moet melden binnen vijf dagen na het onherroepelijk worden van dit vonnis bij Reclassering Nederland aan het Vivaldiplantsoen 200 te Utrecht en dat verdachte zich hierna moet blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* dat verdachte mee moet werken aan een behandeling voor zijn psychische en verslavingsproblematiek bij een forensische verslavingspolikliniek of een soortgelijke instelling voor ambulante forensische verslavingszorg;

* dat verdachte geen hasj/wiet en alcohol gebruikt en ter controle daarvan meewerkt aan urinecontroles;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 150 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 75 dagen;

Benadeelde partijen

Benadeelde partij [aangever 2]

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 2] van € 400,--, ter zake van materiële schade en vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 5 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de benadeelde partij te betalen;

- verklaart de benadeelde partij in het overige gedeelte van de vordering niet-ontvankelijk en bepaalt dat die vordering bij de burgerlijke rechter kan worden aangebracht;

- veroordeelt verdachte tevens in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 2], € 400,--, vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van 5 mei 2012 tot aan de dag der algehele voldoening, te betalen, bij niet betaling te vervangen door 8 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat voor zover dit bedrag door één of meer mededaders is betaald, verdachte niet gehouden is dit bedrag aan de Staat te betalen;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Benadeelde partij afvalverwerking Utrecht

- bepaalt dat de vordering van de benadeelde partij afvalverwerking Utrecht wordt afgewezen;

- bepaalt dat de benadeelde partij en de verdachte ieder de eigen kosten dragen;

Voorlopige hechtenis

- heft op het -reeds geschorste- bevel tot voorlopige hechtenis met ingang van het moment waarop het vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. M.A.E. Somsen en mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. R. Willemsen, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 19 oktober 2012.

De griffier en mr. Somsen zijn buiten staat dit vonnis mee te ondertekenen.