Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY3464

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
15-08-2012
Datum publicatie
19-11-2012
Zaaknummer
312886 - HA ZA 11-1670
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Bewijsopdracht overeenkomst van opdracht.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

Handelskamer

zaaknummer / rolnummer: 312886 / HA ZA 11-1670

Vonnis van 15 augustus 2012

in de zaak van

1. de vennootschap onder firma

[eiser sub 1] V.O.F.,

mede handelend onder de naam [eiser sub 1],

gevestigd te Utrecht en kantoorhoudende te [woonplaats],

2. [eiseres sub 2],

wonende te [woonplaats],

vennoot van eiser sub 1,

3. [eiser sub 3],

wonende te [woonplaats]

vennoot van eiser sub 1,

eisers in conventie,

verweerders in reconventie,

advocaat mr. E.C.B. Adriaanse te Amsterdam,

tegen

1. [gedaage sub 1],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in (voorwaardelijke) reconventie,

advocaat mr. M.A.J. Jansen te Amsterdam,

2. de vennootschap onder firma

[gedaagde sub 2] V.O.F.,

gevestigd te [woonplaats],

3. [gedaagde sub 3],

wonende te [woonplaats],

vennoot van gedaagde sub 2,

4. [gedaagde sub 4],

wonende te [woonplaats],

vennoot van gedaagde sub 2,

gedaagden in conventie,

eisers in reconventie,

advocaat mr. S.M. van der Zwan te Dieren.

Eisers zullen hierna afzonderlijk [eiser sub 1], [eiser sub 3], [eiseres sub 2] en gezamenlijk [eisers c.s.] worden genoemd. Gedaagden zullen worden aangeduid als [gedaagde sub 1], [gedaagde sub 2], [gedaagde sub 3] en [gedaagde sub 4]. Gedaagden 2 tot en met 4 zullen gezamenlijk [gedaagden c.s.] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 30 november 2011,

- het proces-verbaal van comparitie van 20 januari 2012, en de daarin vermelde conclusie van antwoord in reconventie, met producties,

- de akte uitlating producties van [gedaagden c.s.],

- de akte uitlating producties in (voorwaardelijke) reconventie van [gedaagde sub 1], met producties,

- de akte uitlating producties van [eisers c.s.], met producties,

- de antwoordakte van [gedaagden c.s.],

- de akte uitlating producties in (voorwaardelijke) reconventie van [gedaagde sub 1],

- de pleitaantekeningen van [eisers c.s.],

- de pleitaantekeningen van [gedaagde sub 1],

- de pleitaantekeningen van [gedaagden c.s.].

1.2. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

in conventie en in reconventie

2.1. [eiser sub 1] exploiteert een trainings- en handelsstal in sportpaarden. [eiser sub 3] en [eiseres sub 2] zijn de vennoten van [eiser sub 1]. Zij exploiteren de stal samen met hun kinderen [A] en [B] (hierna: [B]).

2.2. [gedaagde sub 2] exploiteert een handelsstal in springpaarden. De vennoten van [gedaagde sub 2] zijn [gedaagde sub 4] en [gedaagde sub 3]. Laatstgenoemde is een internationaal springruiter.

2.3. [gedaagde sub 1] is eigenaresse van de springpaarden [paard 1], geregistreerd onder levensnummer [nummer] en transpondernummer [nummer] (hierna: [paard 1]) en [paard 2], geregistreerd onder levensnummer [nummer] en transpondernummer [nummer] (hierna: [paard 2]). Tot 13 augustus 2011 was [gedaagde sub 1] tevens eigenaresse van het paard [paard 3], geregistreerd onder levensnummer [nummer] en transpondernummer [nummer] (hierna: [paard 3]).

2.4. In 2009 heeft [gedaagde sub 1] [paard 1] bij [eisers c.s.] ondergebracht. [gedaagde sub 1] heeft op enig moment ook [paard 3] en [paard 2] bij [eisers c.s.] gestald. In de periode dat de paarden bij [eisers c.s.] stonden, heeft [B] de paarden getraind en uitgebracht op springwedstrijden.

2.5. Op 28 juli 2011 heeft [gedaagde sub 1] [paard 2] en [paard 3] bij [eisers c.s.] opgehaald en naar [gedaagde sub 2] overgebracht.

2.6. Op 13 augustus 2011 heeft [gedaagde sub 1] ’s avonds – na tussenkomst van de politie – ook [paard 1] bij [eisers c.s.] opgehaald en ondergebracht bij [gedaagde sub 2].

2.7. Bij brief van 17 augustus 2011 heeft de advocaat van [eisers c.s.] [gedaagde sub 1] gesommeerd een bedrag van € 180.000,00 ter zake van [paard 1] en een bedrag van € 21.000,00 ter zake van [paard 2] en [paard 3] aan [eisers c.s.] te voldoen. Verder is [gedaagde sub 1] gesommeerd om ervoor te zorgen dat [paard 1] niet wordt uitgebracht op wedstrijden voordat [eisers c.s.] voornoemde bedragen heeft ontvangen, [paard 1] niet te verkopen zonder voorafgaande toestemming van [eisers c.s.], [eisers c.s.] van alle biedingen op [paard 1] en eventuele verkoopgesprekken op de hoogte te houden en het terrein van [eisers c.s.] niet meer te betreden.

2.8. De advocaat van [eisers c.s.] heeft [gedaagden c.s.] bij brief van 17 augustus 2011 aansprakelijk gesteld voor de door [eisers c.s.] geleden en te lijden schade en [gedaagden c.s.] – onder verwijzing naar de in 2.7 genoemde brief – gesommeerd om [paard 1] niet uit te brengen op wedstrijden en niet mee te werken aan of betrokken te zijn bij verkoop van [paard 1] voordat met [eisers c.s.] is afgerekend.

2.9. Na daartoe verkregen toestemming van de voorzieningenrechter te Arnhem heeft [eisers c.s.] op 30 augustus 2011 ten laste van [gedaagde sub 1] conservatoir derdenbeslag doen leggen onder [gedaagden c.s.] op [paard 1], [paard 3] en [paard 2] alsmede de daarbij behorende paspoorten, eigendomsbewijzen en stamboekpapieren. Daarbij is bevel gedaan om de paarden en genoemde papieren onder zich te houden, op straffe van onwaarde van elk in strijd met het beslag en bevel gedane betaling of afgifte.

2.10. Op 30 augustus 2011 heeft [eisers c.s.] voorts ten laste van [gedaagde sub 1] conservatoir beslag onder zichzelf gelegd op de stamboek- en eigendomsbewijzen van [paard 3] en [paard 2]. Op diezelfde dag heeft de deurwaarder de stamboekbewijzen van [paard 3] en [paard 2] in gerechtelijke bewaring genomen.

2.11. [gedaagde sub 1] en [gedaagden c.s.] hebben de paspoorten van de paarden niet ter bewaring aan de deurwaarder afgegeven.

3. Het geschil

in conventie

3.1. [eisers c.s.] vordert, samengevat:

a. veroordeling van [gedaagde sub 1] tot betaling van € 21.000,00, vermeerderd met de wettelijke handelsrente,

b. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagden c.s.] tot betaling van

€ 180.000,00, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente en buitengerechtelijke kosten,

c. een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] en [gedaagden c.s.] hoofdelijk jegens [eisers c.s.] aansprakelijk zijn voor de door haar geleden en nog te lijden schade als gevolg van de toerekenbare niet nakoming door [gedaagde sub 1] van haar verplichtingen jegens [eisers c.s.] en het onrechtmatig handelen van [gedaagden c.s.], met hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagden c.s.] tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat, en vermeerderd met de wettelijke (handels)rente,

d. [gedaagde sub 1] en [gedaagden c.s.] te verbieden op welke wijze dan ook, direct of indirect, mee te werken aan en/of betrokken te zijn bij gehele of gedeeltelijke verkoop, bezwaring en/of overdracht van één of meerdere van de paarden [paard 1], [paard 3] en [paard 2] aan enige partij(en), op straffe van en dwangsom,

e. [gedaagde sub 1] te bevelen [paard 1] niet zonder de uitdrukkelijke, voorafgaande, schriftelijke instemming van [eisers c.s.] te verkopen aan enige partij(en), op straffe van een dwangsom,

f. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagden c.s.] tot betaling van – ingeval van verkoop van [paard 1] – de helft van het meerdere van de door koper verschuldigde koopprijs boven € 400.000,00, vermeerderd met de wettelijke (handels)rente,

g. hoofdelijke veroordeling van [gedaagde sub 1] en [gedaagden c.s.] tot betaling van de proceskosten, beslagkosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.2. [gedaagde sub 1] en [gedaagden c.s.] voeren verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in (voorwaardelijke) reconventie

3.3. [gedaagde sub 1] vordert, samengevat:

I. opheffing van de op 24 en 30 augustus 2011 ten laste van [gedaagde sub 1] gelegde conservatoire derdenbeslagen op [paard 1], [paard 3] en [paard 2] en de bij die paarden behorende paspoorten en stamboek-/eigendomsbewijzen,

II. opheffing van de op 24 en 30 augustus 2011 ten laste van [gedaagde sub 1] gelegde conservatoire beslagen tot afgifte op [paard 1], [paard 3] en [paard 2] en de bij die paarden behorende paspoorten en stamboek-/eigendomsbewijzen,

III. [eisers c.s.] te bevelen de bij [paard 3] en [paard 2] behorende stamboek-/eigendomsbewijzen aan [gedaagde sub 1] ter hand te stellen, met bevel om schriftelijk een verzoek te doen aan de bewaarder om ervoor te zorgen dat deze documenten op kosten van [eisers c.s.] aan [gedaagde sub 1] ter hand worden gesteld, op straffe van een dwangsom,

IV. [eisers c.s.] te bevelen de vermelding van [paard 1] en de daarbij behorende filmpjes van haar website te verwijderen, althans daarbij te vermelden dat [paard 1] eigendom is van [gedaagde sub 1] en/of internationaal wordt uitgebracht door [gedaagde sub 3], op straffe van een dwangsom,

V. een verklaring voor recht dat [eisers c.s.] aansprakelijk is voor de door [gedaagde sub 1] als gevolg van de onder I tot en met III genoemde beslagleggingen en inbewaarneming geleden en nog te lijden schade, nader op te maken bij staat, en vermeerderd met de wettelijke rente,

VI. veroordeling van [eisers c.s.] in de proceskosten en nakosten, vermeerderd met de wettelijke rente.

3.4. [gedaagden c.s.] vordert, samengevat:

I. een verklaring voor recht dat [eisers c.s.] ten aanzien van [paard 1] en [paard 2] geen enkele bevoegdheid meer heeft, meer in het bijzonder niet de bevoegdheid om [gedaagden c.s.] instructies te geven of aansprakelijk te stellen voor enige daad van beheer of beschikking welke in opdracht van de rechthebbende ([gedaagde sub 1] of haar rechtsopvolger) zou worden verricht,

II. opheffing van de ten verzoeke van [eisers c.s.] gelegde beslagen en haar te verbieden meer of andere beslagen te doen leggen, op straffe van een dwangsom,

III. (hoofdelijke) veroordeling van [eisers c.s.] tot betaling van schadevergoeding, nader op te maken bij staat, en vermeerderd met de wettelijke rente,

IV. (hoofdelijke) veroordeling van [eisers c.s.] in de proceskosten.

3.5. [eisers c.s.] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. [eisers c.s.] heeft het volgende aan haar vorderingen jegens [gedaagde sub 1]

ten grondslag gelegd. Op 1 juli 2009 heeft [gedaagde sub 1] [paard 1] bij [eisers c.s.] ondergebracht om te worden getraind, te worden uitgebracht in de sport en vervolgens met winst te worden verkocht. Omdat [gedaagde sub 1] niet het geld had om daarvoor te betalen, was [eisers c.s.] bereid om de kosten voor te schieten en achteraf af te rekenen. Partijen zijn daarom overeengekomen bij verkoop van [paard 1] het meerdere boven de door [gedaagde sub 1] vastgestelde aanvangswaarde van € 40.000,00 bij helfte te verdelen. Voorts is overeengekomen dat [eisers c.s.] een voorkeursrecht heeft bij instemming van verkoop. Eén en ander is vastgelegd in een schriftelijke overeenkomst van 1 juli 2009 (productie 1.1, hierna: de trainingsovereenkomst), die namens [gedaagde sub 1] door [C] (hierna: [C]), de zoon van de echtgenoot van [gedaagde sub 1], is ondertekend. Op 1 september 2009 respectievelijk 1 mei 2010 heeft [gedaagde sub 1] ook de paarden [paard 3] en [paard 2] aan [eisers c.s.] in stalling en training gegeven. Ten aanzien van deze paarden is mondeling een tarief van

€ 600,00 per maand per paard afgesproken. Op enig moment gaf [gedaagde sub 1] aan [eisers c.s.] te kennen de paarden te willen verkopen. [eisers c.s.] heeft de verkoop ter hand genomen. Springruiter [D] had interesse in [paard 1] en heeft het paard op 5 juli 2011 uitgeprobeerd op het springterrein van Veldstar Stables in Zeewolde. In overleg met [gedaagde sub 1] heeft [eisers c.s.] een vraagprijs genoemd van € 400.000,00. Daarover wilde [D] onderhandelen. [gedaagde sub 1] wilde dat niet, waarop de verkoop is afgeketst. [gedaagde sub 1] is vervolgens in onderhandeling getreden met [gedaagden c.s.]. Zij wilde dat [gedaagden c.s.] [paard 1], [paard 2] en [paard 3] zou uitbrengen op het allerhoogste niveau zodat de waarde verder zou toenemen. Op 28 juli 2011 heeft [gedaagde sub 1] [paard 3] en [paard 2] zonder vooroverleg bij [eisers c.s.] opgehaald en naar de stal van [gedaagden c.s.] overgebracht. [gedaagde sub 1] heeft echter verzuimd om met [eisers c.s.] af te rekenen. [eisers c.s.] vordert onder a nakoming van de betalingsverplichtingen uit hoofde van de mondelinge overeenkomst ter zake [paard 3] en [paard 2], zijnde een bedrag van € 21.000,00 (35 maanden x € 600,00).

4.2. [eisers c.s.] heeft verder met betrekking tot [paard 1] gesteld dat met [gedaagden c.s.] is gesproken over een regeling waarbij [gedaagden c.s.] [eisers c.s.] zou uitkopen voor een bedrag van € 90.000,00. Daarmee zou [gedaagden c.s.] voor 25% mede-eigenaar worden van [paard 1]. [eisers c.s.] heeft daartoe een conceptovereenkomst (productie 1.2) opgesteld, die zij op 2 augustus 2011 aan [gedaagde sub 1] heeft gemaild. Deze overeenkomst (hierna: de conceptovereenkomst) is echter niet tot stand gekomen, omdat [gedaagde sub 1] en [gedaagden c.s.] deze niet hebben ondertekend. Wel heeft [gedaagde sub 1] [paard 1] op 13 augustus 2011 zonder enig overleg en in strijd met de trainingsovereenkomst bij [eisers c.s.] opgehaald en ondergebracht bij [gedaagden c.s.]. Zij is daarmee toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van deze overeenkomst. [eisers c.s.] vordert onder b nakoming van deze overeenkomst door [gedaagde sub 1], in die zin dat [gedaagde sub 1] dient af te rekenen als ware [paard 1] zou zijn verkocht. De waarde van [paard 1] bedroeg bij het vertrek op 13 augustus 2011 ten minste € 400.000,00. Aan [eisers c.s.] komt op grond van de trainingsovereenkomst derhalve een bedrag van € 180.000,00 toe (te weten € 400.000,00 – € 40.000,00 : 2).

4.3. [gedaagde sub 1] heeft de door [eisers c.s.] gestelde overeenkomsten met betrekking tot [paard 1], [paard 3] en [paard 2] betwist. Zij heeft daartoe het volgende aangevoerd. De door [eisers c.s.] overgelegde schriftelijke trainingsovereenkomst van 1 juli 2009 is een vervalsing. De handtekening op deze overeenkomst is niet van [C]. [C] was ook niet bevoegd om deze overeenkomst te ondertekenen, nu [paard 1] in eigendom toebehoort aan [gedaagde sub 1] en zij hem niet heeft gemachtigd om de trainingsovereenkomst namens haar te ondertekenen. Verder was [B] destijds minderjarig en handelingsonbekwaam, zodat toestemming van beide ouders is vereist. De overeenkomst bevat echter geen handtekening van vader en moeder [ouders] als wettelijk vertegenwoordigers van [B]. Volgens [gedaagde sub 1] was de afspraak dat de toen 16-jarige [B] het talentvolle (leer)paard [paard 1] in de sport zou uitbrengen. Op die manier kon hij als beginnend sportruiter ervaring opdoen. Om die reden heeft [gedaagde sub 1] [paard 1] in december 2009 bij [eisers c.s.] ondergebracht. Als tegenprestatie betaalde [eisers c.s.] in natura een leasebedrag, door stalling, verzorging en fourage aan [paard 1] te verschaffen ter waarde van € 200,00 per maand. Omdat [B] regelmatig met [paard 1] uitkwam op wedstrijden en het eenvoudiger was om meer successen te boeken door met meer paarden tegelijk naar wedstrijden te gaan, heeft [gedaagde sub 1] in september 2010 ook [paard 3] en [paard 2] aan [B] in lease gegeven, eveneens in ruil voor stalling, verzorging en fourage door [eisers c.s.]. Het was uitdrukkelijk niet de bedoeling van partijen dat de waarde van de paarden, indien deze in de toekomst zouden worden verkocht, zou worden gedeeld. [B] was te jong en een te onervaren springruiter – [B] reed pas op L(icht)/M(iddel) niveau – voor een dergelijk financieel belang. Bovendien werd de waarde van de paarden, voor zover deze onder het zadel van [B] toenam, ruimschoots vergoed. [gedaagde sub 1] ontving immers per maand slechts een leasebedrag van € 200,00 per paard (in natura) in plaats van het in de paardenwereld gebruikelijke leasebedrag van

€ 700,00 of meer. Overigens heeft [gedaagde sub 1] [eisers c.s.] geen opdracht gegeven om een koper voor de paarden te zoeken. [paard 1] was vanwege zijn gebrekkige gezondheid niet verkoopbaar. [paard 3] was wel bestemd voor verkoop, maar niet door of via [eisers c.s.]. [gedaagde sub 1] heeft de paarden bij [eisers c.s.] weggehaald omdat [B] de paarden niet naar een hoger niveau kon rijden. [gedaagden c.s.] kon dat wel. [gedaagde sub 1] wilde met [gedaagden c.s.] een deal sluiten waarbij [gedaagden c.s.] 25% eigenaar van [paard 1] zou worden. Zij heeft daarbij bedongen dat [gedaagden c.s.] een bedrag van € 5.000,00 aan [B] zou betalen voor zijn goede bewezen diensten. In dat kader is [eisers c.s.], die ook een administratiekantoor exploiteert, verzocht om dit op schrift te zetten. Deze deal is echter niet doorgegaan. De door [eisers c.s.] overgelegde conceptovereenkomst heeft [gedaagde sub 1] tot de aanvang van deze procedure niet gezien, aldus nog steeds [gedaagde sub 1]. Tot slot heeft [gedaagde sub 1] aangevoerd dat indien wel sprake zou zijn van de vermeende trainingsovereenkomst, [eisers c.s.] heeft gesteld dat de daaruit voortvloeiende vorderingen op [gedaagde sub 1] zijn overgedragen aan [B]. In dat geval is [eisers c.s.] volgens [gedaagde sub 1] niet-ontvankelijk in haar vorderingen.

[paard 1]

Ten aanzien van [gedaagde sub 1]

4.4. Niet in geschil is dat [gedaagde sub 1] [paard 1] in 2009 heeft ondergebracht bij [eisers c.s.] en dat [B] dit paard tot 13 augustus 2011 heeft getraind en heeft uitgebracht op wedstrijden. Partijen verschillen echter van mening over de aard, inhoud en geldigheid van de overeenkomst die daaraan ten grondslag ligt. Hierna zal bij de beoordeling van de vorderingen met betrekking tot [paard 1] veronderstellenderwijs worden uitgegaan van de door [eisers c.s.] gestelde situatie.

4.5. [eisers c.s.] heeft zich primair op het standpunt gesteld dat uit de trainings-overeenkomst volgt dat [paard 1] bij [eisers c.s.] gestald en in training zou blijven totdat in overleg een verkoop zou zijn gerealiseerd. Door [paard 1] zonder instemming van [eisers c.s.] vóór verkoop weg te halen, zonder overigens de overeenkomst op te zeggen, is [gedaagde sub 1] jegens [eisers c.s.] toerekenbaar tekortgeschoten in de nakoming van haar verplichtingen uit de trainingsovereenkomst, aldus [eisers c.s.]. [gedaagde sub 1] heeft daartegen ingebracht dat zij de trainingsovereenkomst op 13 augustus 2011 heeft opgezegd door [paard 1] op te halen. Volgens [gedaagde sub 1] stond het haar ingevolge artikel 7:408 lid 1 Burgerlijk Wetboek (BW) in verbinding met artikel 7:413 lid 2 BW, dan wel vanwege een toerekenbare tekortkoming van [eisers c.s.], vrij om de overeenkomst te beëindigen. [eisers c.s.] heeft dit bestreden. Wat daarvan ook zij, ook indien tussentijdse beëindiging niet mogelijk was en [gedaagde sub 1] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming van de trainingsovereenkomst door [paard 1] bij [eisers c.s.] weg te halen, geldt dat de vordering onder b op deze grondslag niet toewijsbaar is. [eisers c.s.] vordert immers geen nakoming van de verplichting om [paard 1] bij [eisers c.s.] te stallen en te laten trainen – hetgeen gezien de gang van zaken op 13 augustus 2011 invoelbaar is – maar van de op [gedaagde sub 1] rustende betalingsverplichting. Deze verplichting is, zoals [gedaagde sub 1] terecht heeft aangevoerd, gelet op de tekst van de trainingsovereenkomst eerst opeisbaar wanneer [paard 1] boven de in deze overeenkomst opgenomen aanvangswaarde van € 40.000,00 is verkocht. Vaststaat dat dit tot op heden niet is gebeurd. Of [gedaagde sub 1] eraan in de weg heeft gestaan dat [paard 1] in de zomer van 2011 kon worden verkocht, zoals [eisers c.s.] heeft gesteld en [gedaagde sub 1] heeft weersproken, is niet relevant. Gesteld noch gebleken is dat [gedaagde sub 1] uit hoofde van de trainingsovereenkomst verplicht was om tot verkoop van [paard 1] over te gaan zodra [eisers c.s.] een koper had gevonden.

4.6. De vordering onder b komt in feite neer op vervangende schadevergoeding, bestaande uit waardeafrekening. [eisers c.s.] heeft de gestelde verplichting van [gedaagde sub 1] om [paard 1] bij [eisers c.s.] te stallen en te laten trainen echter niet op de voet van artikel 6:87 lid 1 BW omgezet in een verbintenis tot vervangende schadevergoeding. De aanmaning van 17 augustus 2011 aan [gedaagde sub 1] heeft, zoals ook door [eisers c.s.] zelf bij herhaling is gesteld, niet het karakter van een omzettingsverklaring.

4.7. Subsidiair heeft [eisers c.s.] de vordering onder b gebaseerd op ongerecht-vaardigde verrijking. Zij heeft daartoe gesteld dat [gedaagde sub 1] [paard 1] in de periode dat hij bij [eisers c.s.] was ondergebracht niet heeft hoeven te onderhouden, voeren en trainen, zodat zij zich die kosten heeft bespaard. Bovendien heeft [gedaagde sub 1] geprofiteerd van de training door [eisers c.s.] en de wedstrijdervaring die [paard 1] daar heeft opgedaan. Dat [gedaagden c.s.] belangstelling had voor [paard 1] dankt [gedaagde sub 1] aan de inspanningen en investeringen van [eisers c.s.]. [gedaagde sub 1] is derhalve verrijkt ten koste van [eisers c.s.], die is verarmd.

4.8. [gedaagde sub 1] heeft betoogd dat de rechtbank deze subsidiaire grondslag buiten beschouwing dient te laten, nu [eisers c.s.] deze eerst bij pleidooi aan de orde heeft gesteld. De rechtbank volgt [gedaagde sub 1] hierin niet. [eisers c.s.] heeft deze grondslag reeds bij conclusie van antwoord in reconventie voldoende duidelijk naar voren gebracht, zodat [gedaagde sub 1] daarop al ter gelegenheid van de comparitie had kunnen reageren. Van strijd met de goede procesorde is dan ook geen sprake.

4.9. Het vorenstaande kan [eisers c.s.] echter niet baten, nu [eisers c.s.] de subsidiaire grondslag onvoldoende heeft onderbouwd. De enkele stelling van [eisers c.s.] dat [gedaagde sub 1] is verrijkt en [eisers c.s.] is verarmd aangezien [gedaagde sub 1] nooit voor de door [eisers c.s.] geleverde diensten heeft betaald, acht de rechtbank onvoldoende.

Het had op de weg van [eisers c.s.] gelegen om gemotiveerd te stellen voor welk bedrag zij is verarmd c.q. schade heeft geleden. Dit heeft zij nagelaten. Ook de subsidiaire grondslag kan derhalve niet tot toewijzing van de vordering onder b leiden.

4.10. Tot slot heeft [eisers c.s.] – eerst bij pleidooi – meer subsidiair gesteld dat [gedaagde sub 1] in ieder geval het gebruikelijke en redelijke loon dient te betalen, hetgeen neerkomt op € 15.300,00 (25,5 maanden x € 600,00). Nog daargelaten de vraag of, gelet op artikel 130 Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv), de grondslag van de vordering bij pleidooi kan worden aangevuld, heeft [eisers c.s.] deze nieuwe grondslag in het geheel niet nader toegelicht en onderbouwd. De rechtbank gaat daaraan dan ook voorbij.

4.11. Nu [eisers c.s.] geen andere feiten en omstandigheden aan haar vordering onder b ten grondslag heeft gelegd, zal deze vordering worden afgewezen.

4.12. [eisers c.s.] vordert onder c een verklaring voor recht dat [gedaagde sub 1] jegens [eisers c.s.] aansprakelijk is voor de door haar geleden en te lijden schade als gevolg van de niet nakoming door [gedaagde sub 1] van haar verplichtingen jegens [eisers c.s.] met veroordeling van [gedaagde sub 1] tot vergoeding van die schade, nader op te maken bij staat. Dit betreft volgens [eisers c.s.] geen schade terzake van opzegging of vervangende schade, maar aanvullende schade naast haar vordering tot nakoming van de trainingsovereenkomst. Nakoming van deze overeenkomst zou betekenen dat [paard 1] weer bij [eisers c.s.] in stalling en training wordt gezet totdat [paard 1] is verkocht. Dit is – zoals [eisers c.s.] ook zelf stelt – nog steeds mogelijk, aangezien [paard 1] nog altijd in eigendom toebehoort aan [gedaagde sub 1]. [eisers c.s.] heeft echter meerdere malen verklaard dat zij [gedaagde sub 1] niet meer op haar erf wil hebben. Zij wenst dus in wezen geen nakoming van de trainingsovereenkomst, zodat de vordering onder c niet kan worden toegewezen.

4.13. De vorderingen onder d, e en f met betrekking tot [paard 1] zijn eveneens gebaseerd op nakoming van de gestelde trainingsovereenkomst. Uit hetgeen hiervoor is overwogen, volgt dat deze vorderingen evenmin kunnen worden toegewezen.

Ten aanzien van [gedaagden c.s.]

4.14. [eisers c.s.] heeft de vorderingen onder b, c, d en f met betrekking tot [paard 1] ook tegen [gedaagden c.s.] ingesteld op grond van artikel 6:162 BW. [eisers c.s.] heeft daartoe gesteld dat [gedaagden c.s.] misbruik heeft gemaakt van de wanprestatie door [gedaagde sub 1]. [gedaagden c.s.] was volgens [eisers c.s.] op de hoogte van de trainingsovereenkomst met [gedaagde sub 1] toen hij op 13 augustus 2011 [paard 1] onder zijn hoede nam. [eisers c.s.] heeft in dat verband gewezen op de onder 4.3 genoemde conceptovereenkomst waarin [gedaagden c.s.] als contracts-partij wordt genoemd, alsmede de specificatie van de telefoonrekening van [eisers c.s.] waaruit blijkt dat [eisers c.s.] op onder meer 16 juli en 13 augustus 2011 met [gedaagden c.s.] heeft gebeld (productie 25 van [eisers c.s.]). [gedaagden c.s.] wist volgens [eisers c.s.] voorts dat [gedaagde sub 1] niet met [eisers c.s.] had afgerekend en dat [gedaagde sub 1] [paard 1] op zaterdagavond 13 augustus 2011 met ruzie bij [eisers c.s.] had weggehaald. Naar het standpunt van [eisers c.s.] mocht [gedaagden c.s.] er gelet op deze wetenschap niet vanuit gaan dat [gedaagde sub 1] vrij was om [paard 1] naar hem over te brengen. Om die reden had [gedaagden c.s.] [paard 1] niet aan mogen nemen, laat staan [paard 1] op (internationale) wedstrijden uit mogen brengen. Door dit toch te doen, heeft [gedaagden c.s.] de wanprestatie van [gedaagde sub 1] gefaciliteerd, aldus [eisers c.s.]. [gedaagden c.s.] heeft het betoog van [eisers c.s.] gemotiveerd betwist.

4.15. Indien (wederom) veronderstellenderwijs wordt uitgegaan van het bestaan van de door [eisers c.s.] gestelde trainingsovereenkomst met [gedaagde sub 1], alsmede de gestelde wanprestatie en wetenschap van [gedaagden c.s.] daaromtrent, betekent dat naar het oordeel van de rechtbank nog niet dat [gedaagden c.s.] onrechtmatig jegens [eisers c.s.] handelt. Volgens vaste jurisprudentie is het profiteren van andermans wanprestatie pas onrechtmatig indien aan twee cumulatieve vereisten is voldaan: (a) de aangesproken partij (in dit geval [gedaagden c.s.]) weet of behoort te weten dat zijn wederpartij ([gedaagde sub 1]), kort gezegd, wanprestatie pleegt tegenover een derde ([eisers c.s.]) en (b) er sprake is van bijkomende omstandigheden die op zichzelf of samen met de kennis over de wanprestatie, onrecht-matigheid meebrengen. Daargelaten of voldaan wordt aan het vereiste sub a, is van bijkomende omstandigheden als bedoeld in sub b in deze procedure onvoldoende gebleken. De jegens [gedaagden c.s.] ingestelde vorderingen moeten reeds om die reden worden afgewezen.

Slotsom [paard 1]

4.16. Gezien het bovenstaande kan in het midden blijven of de door [eisers c.s.] gestelde trainingsovereenkomst daadwerkelijk rechtsgeldig tussen [eisers c.s.] en [gedaagde sub 1] tot stand is gekomen en zo ja, of [gedaagde sub 1] toerekenbaar tekortgeschoten is in de nakoming daarvan. Voorts kan in het midden blijven of [gedaagden c.s.] daarvan op de hoogte was. Aan bewijslevering op die punten wordt dan ook niet toegekomen.

4.17. Omdat, zoals hierna zal worden overwogen, de beslissing ten aanzien van de vorderingen terzake [paard 3] en [paard 2] zal worden aangehouden, zullen uit praktische overwegingen ook bovenstaande beslissingen met betrekking tot [paard 1] worden aangehouden.

[paard 3] en [paard 2]

4.18. De rechtbank stelt vast dat de vordering onder a en d met betrekking tot [paard 3] en [paard 2] uitsluitend tegen [gedaagde sub 1] zijn ingesteld. Wanneer hierna over “partijen” wordt gesproken, worden dan ook [eisers c.s.] en [gedaagde sub 1] bedoeld.

Overeenkomst

4.19. Vaststaat dat [gedaagde sub 1] de paarden [paard 3] en [paard 2] bij [eisers c.s.] heeft ondergebracht om te worden getraind en te worden uitgebracht op wedstrijden. In geschil is of daaraan een overeenkomst van opdracht of een – zo door [gedaagde sub 1] genoemde – leaseovereenkomst ten grondslag ligt. Partijen verschillen voorts van mening over de datum waarop de paarden bij [eisers c.s.] zijn ondergebracht. Vaststaat evenwel dat de paarden op 28 juli 2011 door [gedaagde sub 1] zijn opgehaald.

4.20. Aangezien [gedaagde sub 1] de door [eisers c.s.] gestelde titel uit hoofde waarvan zij de vordering onder a heeft ingesteld gemotiveerd betwist, rust op [eisers c.s.] ingevolge de hoofdregel van artikel 150 Rv de bewijslast (en daarmee het bewijsrisico) terzake van deze titel. [eisers c.s.] beroept zich immers op de rechtsgevolgen daarvan. Aan [eisers c.s.] zal daarom worden opgedragen te bewijzen dat [gedaagde sub 1] haar opdracht heeft gegeven [paard 3] en [paard 2] te stallen en trainen tegen een bedrag van € 600,00 per paard per maand. Op [eisers c.s.] rust op grond van de hoofdregel van artikel 150 Rv tevens de bewijslast van haar stelling dat [paard 3] op 1 september 2009 en [paard 2] op 1 mei 2010 bij haar is ondergebracht.

4.21. Indien [eisers c.s.] het bewijs (mede) wenst te leveren door schriftelijke stukken of andere gegevens, dient zij deze afzonderlijk bij akte in het geding te brengen. Indien [eisers c.s.] het bewijs wil leveren door het doen horen van getuigen, dient zij dit in de akte te vermelden en de verhinderdata op te geven van alle partijen en van de op te roepen getuigen. De rechtbank zal dan vervolgens een dag en uur voor een getuigenverhoor bepalen.

4.22. Partijen moeten bij de getuigenverhoren in persoon aanwezig zijn. Indien een partij zonder gegronde reden niet verschijnt, kan dit nadelige gevolgen voor die partij hebben.

4.23. De rechtbank verwacht dat het verhoor per getuige minimaal 30 minuten en maximaal 90 minuten zal duren. Als [eisers c.s.] verwacht dat het verhoor van een getuige langer zal duren dan de hiervoor vermelde duur, kan dat in de te nemen akte worden vermeld.

4.24. Slaagt [eisers c.s.] in haar bewijsopdracht, dan is de onder a gevorderde hoofdsom van € 21.000,00 toewijsbaar. Het beroep van [gedaagde sub 1] op verrekening met de door haar geleden schade als bedoeld onder haar (voorwaardelijke) reconventionele vordering onder IV zal, gelet op artikel 6:136 BW, worden afgewezen.

Loon

4.25. Indien [eisers c.s.] bewijst dat sprake is van een overeenkomst van opdracht, maar het tarief komt niet vast te staan, dan overweegt de rechtbank reeds voor alsdan als volgt.

4.26. Vaststaat dat [eisers c.s.] in opdracht van [gedaagde sub 1] [paard 3] heeft gestald

en getraind. [eisers c.s.] handelde daarbij in de uitoefening van haar bedrijf. Op grond van artikel 7:405 lid 1 BW heeft [eisers c.s.] recht op beloning. Bij gebreke van afspraken over de hoogte daarvan dient het loon ingevolge het bepaalde in lid 2 van genoemd artikel primair op de gebruikelijke wijze te worden berekend, waarbij een belangrijk aanknopingspunt is gelegen in wat door beroepsgenoten in het algemeen voor de verrichte werkzaamheden als beloning in rekening wordt gebracht (HR 6 juni 1997, NJ 1998, 723). Indien er onvoldoende duidelijke aanknopingspunten bestaan om tot een nauwkeurige berekening op de gebruikelijke wijze te komen, zal een redelijk loon dienen te worden bepaald.

4.27. [eisers c.s.] heeft gesteld dat beroepsgenoten voor het trainen en stallen van paarden tarieven hanteren die liggen tussen de € 550,00 en € 1.300,00 per maand per paard. Ter onderbouwing van die stelling heeft [eisers c.s.] verwezen naar de tarieven van een aantal (jonge) sportruiters- en amazones. [gedaagde sub 1] heeft deze tarieven niet weersproken. De rechtbank stelt daarom vast dat het door [eisers c.s.] gehanteerde tarief als conform in de branche gebruikelijk heeft te gelden, zodat een bedrag van € 600,00 per maand per paard als gebruikelijk loon in aanmerking zal worden genomen. Indien er veronderstellenderwijs van wordt uitgegaan dat [paard 3] en [paard 2] van 1 september 2009 respectievelijk 1 mei 2010 tot 28 juli 2011 bij [eisers c.s.] zijn ondergebracht, geldt dat de berekening van het loon ingevolge artikel 7:405 lid 2 BW uitkomt op 38 maanden x € 600,00 = € 22.800,=. Dit bedrag komt dan in beginsel als te betalen beloning voor de werkzaamheden van [eisers c.s.] in aanmerking. Nu [eisers c.s.] echter een lager bedrag heeft gevorderd, namelijk € 21.000,00, zal bij dit lagere bedrag dienen te worden aangesloten.

Ongerechtvaardigde verrijking

4.28. Subsidiair heeft [eisers c.s.] haar vordering onder a gebaseerd op ongerecht-vaardigde verrijking. Indien de door [eisers c.s.] gestelde overeenkomst van opdracht niet komt vast te staan, ligt deze grondslag ter beoordeling voor. De rechtbank overweegt reeds voor alsdan dat deze subsidiaire grondslag niet tot toewijzing van de vordering kan leiden. Ook ten aanzien van [paard 3] en [paard 2] geldt dat [eisers c.s.] deze grondslag – gelijk aan rechtsoverweging 4.9 – onvoldoende heeft onderbouwd.

Verbod verkoop [paard 3] en [paard 2]

4.29. [eisers c.s.] vordert onder d kort gezegd een verbod tot verkoop van [paard 3] en [paard 2]. Deze vordering ligt zowel in het geval dat [eisers c.s.] in haar bewijsopdracht slaagt, als in het geval dat zij daarin niet slaagt voor afwijzing gereed. Nog afgezien van de vraag of het beslag wel op [paard 3] kleeft gelet op diens verkoop, geldt dat zonder nadere toelichting, die ontbreekt, niet valt in te zien welk belang [eisers c.s.] bij deze vordering heeft. [eisers c.s.] is immers geen rechthebbende van de paarden maar had deze slechts in training.

4.30. Iedere (verdere) beslissing in conventie zal worden aangehouden.

in (voorwaardelijke) reconventie

Ten aanzien van [gedaagde sub 1]

4.31. [gedaagde sub 1] heeft haar reconventionele vordering ingesteld onder de voorwaarde dat de rechtbank in conventie oordeelt dat zij iets aan [eisers c.s.] verschuldigd is. Nu in conventie ten aanzien van de vordering onder a nog geen eindbeslissing is genomen, kan thans niet worden beoordeeld of deze voorwaarde is ingetreden. De beslissing op de voorwaardelijke reconventionele vordering van [gedaagde sub 1] zal daarom worden aangehouden totdat in conventie is beslist.

Ten aanzien van [gedaagden c.s.]

4.32. [gedaagden c.s.] vordert onder I een verklaring voor recht dat [eisers c.s.] ten aanzien van [paard 1] en [paard 2] geen enkele bevoegdheid meer heeft, meer in het bijzonder niet de bevoegdheid om [gedaagden c.s.] instructies te geven of aansprakelijk te stellen voor enige daad van beheer of beschikking welke in opdracht van de rechthebbende ([gedaagde sub 1] of haar rechtsopvolger) zou worden verricht.

4.33. Vaststaat dat niet [eisers c.s.] maar [gedaagde sub 1] de rechtmatige eigenaresse van [paard 1] en [paard 2] is. [eisers c.s.] kan om die reden – en mede gelet op hetgeen hiervoor in conventie over de gestelde trainingsovereenkomst is overwogen – geen bevoegdheden van beheer en beschikking over deze paarden uitoefenen. De gevorderde verklaring is in zoverre toewijsbaar. Het staat [eisers c.s.] als beslaglegger echter wel vrij om [gedaagden c.s.] aansprakelijk te stellen. Dit deel van de vordering zal worden afgewezen.

4.34. De vordering onder II ziet op opheffing van de onder [gedaagden c.s.] als derde gelegde conservatoire beslagen op de paarden en de daarbij behorende paspoorten. [gedaagden c.s.] heeft daaraan ten grondslag gelegd dat hij door het beslag in zijn eigen vermogen wordt getroffen. Vanwege alle onrust en dreigementen van de zijde van [eisers c.s.] is [gedaagden c.s.] gestopt met het uitbrengen van [paard 1] en [paard 2] op wedstrijden. Hierdoor loopt [gedaagden c.s.] prijzengeld mis. Voorts ontleent [gedaagden c.s.] haar reputatie als handelsstal mede aan haar wedstrijdsuccessen en de (internationale) contacten die aldus worden opgedaan en onderhouden. [gedaagden c.s.] vordert onder III vergoeding van deze schade, nader op te maken bij staat.

4.35. [eisers c.s.] heeft daartegen ingebracht dat [gedaagden c.s.] geen schade lijdt door de beslagen en ook anderszins geen belang heeft bij opheffing daarvan. Volgens [eisers c.s.] brengt [gedaagden c.s.] [paard 1] en [paard 2] nog altijd uit op (internationale) wedstrijden. Ter onderbouwing van deze stelling heeft [eisers c.s.] verschillende wedstrijduitslagen in het geding gebracht (producties 40 tot en met 43).

4.36. Tijdens de comparitie heeft [gedaagden c.s.] erkend de paarden nog steeds op wedstrijden uit te brengen. De beslagen staan hem daaraan ook niet in de weg. De beslagen hebben slechts tot gevolg dat [gedaagden c.s.] de paarden (en bijbehorende papieren, voor zover in zijn bezit) niet aan [gedaagde sub 1] of een derde mag afgeven. Zonder nadere toelichting, die ontbreekt, valt niet te zien dat [gedaagden c.s.] daardoor schade lijdt. Bij opheffing van de beslagen heeft [gedaagden c.s.] dan ook geen belang. De vorderingen onder II en III zullen worden afgewezen.

4.37. Iedere (verdere) beslissing zal worden aangehouden totdat in conventie is beslist.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

ten aanzien van [gedaagde sub 1]

5.1. draagt [eisers c.s.] op om te bewijzen dat [gedaagde sub 1] aan [eisers c.s.] opdracht heeft gegeven [paard 3] vanaf 1 september 2009 en [paard 2] vanaf 1 mei 2010 te stallen en trainen tegen een bedrag van € 600,00 per paard per maand;

5.2. verwijst de zaak naar de rolzitting van woensdag 12 september 2012 teneinde [eisers c.s.] in de gelegenheid te stellen bij akte aan te geven op welke wijze zij bewijs wil leveren;

5.3. bepaalt dat, indien [eisers c.s.] (mede) bewijs wil leveren door middel van schriftelijke bewijsstukken, zij die stukken op die rolzitting in het geding moet brengen;

5.4. bepaalt dat, indien [eisers c.s.] bewijs wil leveren door middel van het horen van getuigen, zij op die rolzitting:

- de namen en woonplaatsen van de getuigen dient op te geven;

- moet opgeven op welke dagen alle partijen, hun (eventuele) advocaten/gemachtigden en de getuigen in de drie maanden nadien verhinderd zijn; zij dient bij die opgave ten minste vijftien dagdelen vrij te laten waarop het getuigenverhoor zou kunnen plaatsvinden;

5.5. bepaalt dat:

- voor het opgeven van verhinderdata geen uitstel zal worden verleend;

- indien [eisers c.s.] geen gebruik maakt van de mogelijkheid om verhinderdata op te geven de rechter eenzijdig een datum zal bepalen waarvan dan in beginsel geen wijziging meer mogelijk is;

- het getuigenverhoor zal kunnen worden bepaald op een niet daarvoor opgegeven dagdeel, indien bij de opgave minder dan het hiervoor verzochte aantal dagdelen zijn vrijgelaten;

5.6. bepaalt dat de datum van het getuigenverhoor in beginsel niet zal worden gewijzigd nadat daarvoor dag en tijdstip zijn bepaald;

5.7. houdt iedere verdere beslissing aan;

ten aanzien van [gedaagden c.s.]

5.8. houdt iedere beslissing aan;

in reconventie

5.9. houdt iedere beslissing aan.

Dit vonnis is gewezen door mr. Y. Sneevliet en in het openbaar uitgesproken op 15 augustus 2012.