Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY3380

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
29-08-2012
Datum publicatie
16-11-2012
Zaaknummer
305453 - HA ZA 11-789
Rechtsgebieden
Personen- en familierecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdeling met erfrechtaspecten.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK UTRECHT

Sector Familie en Toezicht

zaaknummer / rolnummer: 305453 / HA ZA 11-789

Vonnis van 29 augustus 2012

in de zaak van

[eiseres],

wonende te [woonplaats 2],

eiseres in conventie,

verweerster in reconventie,

advocaat mr. K.A. Boshouwers te Eindhoven,

tegen

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

gedaagde in conventie,

eiseres in reconventie,

advocaat voorheen mr. P.G. Knoppers te Utrecht,

thans mr. L.M. Baeten-Verkooijen te Den Haag.

Partijen zullen hierna [eiseres] en [gedaagde] worden genoemd.

1. De procedure

1.1. Het verloop van de procedure blijkt uit:

- het tussenvonnis van 6 juli 2011;

- het proces-verbaal van de meervoudige comparitie van 10 november 2011.

1.2. Na de comparitie heeft de rechtbank ontvangen de brief van 16 december 2011 van mr. Knoppers, met op- en aanmerkingen ten aanzien van de inhoud van het proces-verbaal alsmede de brief van 20 december 2011 van mr. Boshouwers, inhoudende een reactie op de brief van 16 december 2011. De brieven zijn in het dossier gevoegd. Met de inhoud van deze brieven is bij de beoordeling van deze zaak geen rekening gehouden.

1.3. Ten slotte is vonnis bepaald.

2. De feiten

2.1. [gedaagde] en de heer [X] (hierna: [X]) zijn op 22 augustus 1970 in algehele gemeenschap van goederen gehuwd.

2.2. [X] was Directeur Groot Aandeelhouder (DGA) van [bedrijf 1] met [bedrijf 2] als dochtervennootschap.

2.3. [X] was partner in de maatschap van [bedrijf 7] Nederland (hierna: [bedrijf 7]). In 1989 is een fusie tot stand gekomen tussen [bedrijf 7] en [bedrijf 8] (hierna: [bedrijf 8]).

2.4. [bedrijf 8] betaalde in verband met deze fusie aan de partners van [bedrijf 7] een afkoopsom, bestaande uit:

- een fusievergoeding uit te keren in 4 tranches (hierna: de fusievergoeding) (in totaal f 1.253.521,41, productie 15 bij Conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie);

- een vergoeding in vier jaarlijkse termijnen afkomstig van de maatschap [bedrijf 7] Verenigd Koninkrijk (hierna: de UK vergoeding) (f 87.000,- per jaar netto exclusief rente, productie 16 bij Conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie);

- een winstaandeel [bedrijf 7] van het eerste kwartaal 1990 (hierna: het winstaandeel) (f 645.289,26 bruto, productie 17 bij Conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie).

2.5. De onder rechtsoverweging 2.4. omschreven fusievergoeding alsmede het winstaandeel werd jaarlijks in totaal vanuit [bedrijf 8] gestort op een gezamenlijke rekening van de [bedrijf 7]-partners bij de maatschap. Door [A] Advocaten werden vervolgens elk jaar de afzonderlijke individuele partnerbedragen, inclusief rentebijtelling, berekend en overgemaakt naar de betreffende partner. Één en ander overeenkomstig de door de maatschap van [bedrijf 7] eerder overeengekomen verdeelsleutel. De UK vergoeding aan de vennoten [bedrijf 7] werd uitgekeerd in vier jaarlijkse termijnen, over de periode van 1 mei 1990 tot en met 1 mei 1993. Deze vergoeding werd belast in de UK en werd rechtstreeks aan de vennoten overgemaakt.

2.6. [gedaagde] en [X] zijn medio 1990 feitelijk uiteengegaan. [gedaagde] is bij de (voorgenomen) echtscheiding bijgestaan door een advocaat, mr. R.P.G.L.M. Verbunt (hierna: Verbunt), en een fiscalist, mr. T.H.Th. Feringa (hierna: Feringa). [X] werd in die procedure bijgestaan door een advocaat, mr. Den Hollander (hierna: Den Hollander).

2.7. [gedaagde] is na het feitelijk uiteengaan blijven wonen in de voormalige echtelijke woning aan de [adres], te [woonplaats] (hierna: de [adres]).

2.8. In de overeenkomst van 1 januari 1991 tussen [bedrijf 2] en [bedrijf 3] is onder meer het volgende opgenomen:

“OVEREENKOMST

Ondergetekenden:

[bedrijf 2] (…), hierna te noemen: [bedrijf 2],

en

[bedrijf 3](…) hierna te noemen [bedrijf 3],

IN OVERWEGING NEMENDE:

DAT [bedrijf 2] de praktijk B.V. is van mr. [X], organisatie-adviseur, die enig directeur was van [bedrijf 2], en middels de besloten vennootschap [bedrijf 1] (enig aandeelhouder van [bedrijf 2]) enig belanghebbende is in [bedrijf 2];

DAT [bedrijf 2] tot eind maart 1990 de praktijk van organisatie-adviseur heeft uitgeoefend als partner in [bedrijf 4][bedrijf 7] Nederland;

(…)

DAT Mr. [X] in zijn hoedanigheid van enig directeur van zowel [bedrijf 2] als [bedrijf 3] een overeenkomst tussen beide partijen tot stand heeft gebracht strekkende tot de overdracht door [bedrijf 2] van haar aandeel in de Maatschap (het “Praktijkaandeel”) aan [bedrijf 3];

(…)”

Met [bedrijf 3] nam [X] deel in de nieuwe maatschap van [bedrijf 7] [bedrijf 8] (productie 18 bij Conclusie van antwoord in conventie tevens houdende conclusie van eis in reconventie)

2.9. Op 21 augustus 1991 doet Den Hollander in verband met de voorgenomen echtscheiding een opgave van de te verdelen vermogensbestanddelen. Daarin is opgenomen, voor zover relevant, aan onroerende zaken de woning aan de [adres], aan overeenkomsten van geldlening, een hypotheekschuld van f 501.000,00 en aan niet beursgenoteerde aandelen, aandelen [bedrijf 1] f 1.816.000,00 en aandelen [bedrijf 3][bedrijf 5] f 90.000,00 en latente belastingverplichtingen f 705.000,00.

2.10. [X] heeft op 15 oktober 1991 (productie 5 bij dagvaarding) een woonhuis aan de [adres] te [woonplaats 2] (hierna: de [adres]) in eigendom verkregen door het inschrijven van de notariële akte in de openbare registers.

2.11. Voor de financiering van de aankoop van de [adres] had [X] op 15 oktober 1991 een overbruggingskrediet afgesloten bij [bedrijf 1]

2.12. In de considerans van de overeenkomst d.d. 15 oktober 1991 van geldlening (productie 16 bij dagvaarding) voor genoemd overbruggingskrediet, is voor zover van belang het volgende opgenomen:

De woning aan de [adres] zal worden toegedeeld aan de heer [X] die de woning zal verkopen nadat mevrouw [gedaagde] deze heeft verlaten.

De heer [X] heeft op 15 oktober 1991 de woning aan de [adres] in eigendom verworven.

Na de verkoop van de woning aan de [adres] zullen de financieringen worden overgezet op de woning aan de [adres].

Er is een overbruggingskrediet nodig voor de financiering van de [adres].

2.13. Op 30 oktober 1991 heeft Verbunt - voor zover hier relevant - aan Den Hollander geschreven:

“Cliënte vraagt zich af of er nog inkomsten zijn c.q. zijn geweest uit het partnership [bedrijf 7] in Engeland. Voorts vraagt cliënte naar de financiële afwikkeling met betrekking tot de overnamebonus i.v.m. de fusie met [bedrijf 8].”

Daarop heeft Den Hollander op 14 november 1991 geantwoord:

“Als antwoord op de door u gestelde vragen kan ik u het navolgende meedelen:

1. De inkomsten uit de partnership [bedrijf 7] Engeland zijn verwerkt in het saldo van de bankrekening en privé.

2. De door u gefinancierde “overnamebonus” maakt deel uit van [bedrijf 1] c.q. [bedrijf 2] Daarbij zijn de uitkeringen die de vennootschap nog verkrijgt over de jaren 1992 en 1993 nominaal opgenomen, alhoewel de aanspraak op die betalingen vervalt als cliënt [bedrijf 7] zou verlaten.”

2.14. [X] is medio maart 1992 gaan samenwonen met [eiseres] in de [adres].

2.15. In 1993 heeft Den Hollander een concept echtscheidingsconvenant (hierna: het concept echtscheidingsconvenant) opgemaakt (productie 27 bij de Conclusie van Antwoord in reconventie). Daarin is - onder meer - het volgende opgenomen:

“(…)

4. Tot de gemeenschappelijke boedel behoren de navolgende activa:

A de aandelen in der navolgende besloten vennootschappen:

- [bedrijf 3][bedrijf 5],

- [bedrijf 1],

beiden gevestigd te Amsterdam.

De aandelen in [bedrijf 1] en [bedrijf 3][bedrijf 5] vertegenwoordigen gezamenlijk een totale waarde van f 1.737.000. Dit bedrag dient vermeerderd te worden met f 212.000, nog te ontvangen goodwill betalingen (na VPB), zodat de totale waarde f 1.949.000 bedraagt.”

2.16. Het huwelijk, gesloten in algehele gemeenschap van goederen, van [gedaagde] en [X] is door inschrijving van de echtscheidingbeschikking d.d. 8 november 1993 in het register van de gemeente ’s-Gravenhage op [1993] ontbonden. In de akte die door [gedaagde] is ingediend in de echtscheidingsprocedure is ten aanzien van de draagkracht (op bladzijde 11 en 12) het volgende vermeld:

“De draagkracht van de man is zodanig dat een alimentatie zoals gevorderd redelijk en billijk is. Het feit dat de man er voor gekozen heeft zijn vermogen aan te wenden voor de aankoop van een huis ad. F. 920.000,- met de daarbij behorende lasten en verplichtingen is een vrije keuze van de man geweest op een moment dat hij de procedure tot ontbinding van het huwelijk “in gang heeft gezet”. In het licht daarvan zou [X] zijn vermogen en inkomsten anders hebben kunnen aanwenden waardoor de betaling van de gevorderde alimentatie probleemloos zou kunnen worden voldaan. Zou ook hij, zoals hij van [gedaagde] verlangt, zijn vermogen gedeeltelijk beleggen anders dan nagenoeg geheel voor een woning te bestemmen, dan zou ook hij aanzienlijke rente-inkomsten kunnen genieten.”

2.17. Op 17 oktober 1994 is bij notariële akte de hypotheek die rustte op de [adres] door [gedaagde] en [X] - kortgezegd - omgezet naar de [adres].

2.18. Tussen [gedaagde] en [X] is een convenant (hierna: het convenant) gesloten, dat is getekend door [gedaagde] op 17 mei 1995 en door [X] op 21 mei 1995. In dit convenant is voor zover hier relevant het volgende opgenomen:

“CONVENANT

[X] (…)

en

[gedaagde] (…)

(…)

VERKLAREN TE ZIJN OVEREENGEKOMEN ALS VOLGT

1.Artikel 1: Peildatum

Tussen partijen zijn sedert de datum dat de man de echtelijke woning heeft verlaten een aantal afspraken gemaakt, welke met name zijn vastgelegd in correspondentie tussen advocaten. Bij de vaststelling van dit convenant is uitsluitend uitgegaan van de zaken die op 17 maart 1995, zijnde de datum waarop partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over een totale afwikkeling, nog geregeld moesten worden. Voorts verklaren partijen deze akte van scheiding en deling te hebben getekend, uitgaande van de vermogensbestanddelen die partijen thans bekend zijn.

2. Artikel 2: activa en passiva

a. Ieder der ondergetekenden behoudt, tenzij in dit convenant anders wordt overeengekomen, die activa en passiva die op zijn of haar naam staan.

b. De vrouw krijgt uit de huwelijksgemeenschap een bedrag uitgekeerd c.q. heeft dit reeds ontvangen van f 598.500,--.

(…)

4. Artikel 4: slotbepalingen

a. Ondergetekenden verklaren dat zij naast hetgeen hiervoor is omschreven en geregeld geen andere aan rechten of aan verplichtingen jegens elkaar hebben. Behoudens hetgeen iedere partij na de ondertekening van dit convenant nog verschuldigd zal zijn aan de ander, waarvoor wordt verwezen naar de voorgaande artikelen, verlenen ondergetekenden elkaar over en weer finale kwijting en décharge.

b. Ondergetekenden doen afstand van hun recht tot inroeping van de nietigheid, vernietiging en/of ontbinding van deze overeenkomst.”

2.19. Op 28 mei 1999 zijn [X] en [eiseres] onder huwelijkse voorwaarden gehuwd. Het huwelijk is op 30 mei 2003 geëindigd door het overlijden van [X]. Bij testament heeft [X], onder toekenning van een drietal legaten aan zijn dochter, [eiseres] benoemd tot enig erfgenaam. [eiseres] is aldus opvolger onder algemene titel van [X] op grond van artikel 4:182 BW.

2.20. Tot de nalatenschap van [X] behoort voor zover van belang:

a. de [adres];

b. de schuld in verband met een hypotheek, geregistreerd onder nummer [nummer] met de Nederlandsche Hypotheekbank N.V., later FGH, aangegaan op 1 juni 1987 en waarvan de schuld per 1 april 2003 bedroeg € 145.908,81. In verband hiermee is een recht van eerste hypotheek gevestigd op de [adres];

c. de schuld in verband met een hypotheek, geregistreerd onder nummer [nummer] met de Nederlandsche Hypotheekbank N.V. , later FGH. Per datum overlijden bedroeg de schuld € 187.427,33;

d. een levensverzekering met polisnummer [nummer] later gewijzigd in [nummer] afgesloten bij de Onderlinge Levensverzekeringsmaatschappij NOG U.A.;

e. een levensverzekering met polisnummer [nummer] later gewijzigd in [nummer] afgesloten bij de Onderlinge Levensverzekeringsmaatschappij NOG U.A.

2.21. Tot zekerheid voor het voldoen aan de hypothecaire verplichtingen uit de geldleningen verbonden aan de [adres] waren de rechten uit de hierboven onder rechtsoverweging 2.20. onder e. genoemde polissen verpand.

2.22. Het aan [gedaagde] toebehorende gedeelte van de [adres] is nooit bij notariële akte door haar aan [X] geleverd. In dat verband is aan [gedaagde] verzonden een conceptakte van verdeling/ Rectificatie inschrijving verklaring van erfrecht d.d. 12 mei 2010 (productie 4 bij conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende eis in reconventie), die is opgesteld in opdracht van [eiseres] en waaruit het volgende blijkt:

9. Conclusie

(…)

- ten tijde van het overlijden van erflater was het registergoed: (…) [woonplaats 2], aan de [adres], dat behoorde tot de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap die bestond tussen erflater en partij 2 nog niet tussen hen verdeeld, zodat erflater en partij 2 ieder voor de onverdeelde helft in de eigendom van het registergoed gerechtigd waren op het moment van overlijden.

De comparanten verklaarden het volgende.

(…)

B. Overeenkomst

De na te melden verdeling en levering geschiedt onder de navolgende voorwaarden:

1. De beschrijving en de verdeling vindt plaats naar de toestand naar de toestand per zeventien maart negentienhonderd vijfennegentig (17-03-1995) en overeenkomstig het bepaalde in artikel 2 onder a van het convenant, waarbij ieder van partijen de activa en passiva behoudt die op zijn of haar naam staan.

2. het registergoed wordt verdeeld in de staat waarin het zich heden bevindt voor een waarde van (NLG 820.000,00) (…), zijnde de waarde van de eigendomsverkrijging door erflater, te vermeerderen met de kosten verbonden aan de eigendomsoverdracht, derhalve in totaal (…) (NLG 920.000,00).

2.23. Tussen partijen is vervolgens meermalen gecorrespondeerd. Bij brief van 24 juni 2010 heeft [gedaagde] het volgende geschreven:

“(…)

U stelt bijvoorbeeld, dat het huis in [woonplaats 2] herhaaldelijk onderwerp van gesprek is geweest. Het waren echter de woonlasten van dit huis, die aan de orde zijn geweest, in het kader van mijn alimentatie-vordering en mijn ex-man’s afwijzing daarvan.

(…)

Op 11 december 1991 werd door mr. Den Hollander telefonisch melding gemaakt van de aankoop van het huis in [woonplaats 2]. Hierop werd inderdaad onzerzijds om informatie gevraagd over de koopprijs en financiering. Een dergelijke vraag lijkt mij onder omstandigheden voor de hand liggend, als blijkt, dat er staande het huwelijk (gemeenschap van goederen) door een der echtgenoten, buiten medeweten van de ander onroerend goed is aangekocht. Daarna is er door mr. De Hollander over dit huis niets meer gecommuniceerd,behoudens over de woonlasten ervan in het kader van de alimentatievordering, zoals hierboven uiteengezet.

Ad 3 en 4.

De hypotheekschuld van de [adres] in [woonplaats] was na de verkoop op 17 oktober 1994 niet meer relevant voor de verdeling. Bij de verkoop was immers tezelfdertijd met toestemming van de Bank de hypotheekovereenkomst, inhoudende de resterende schuld en de meeverbonden en verpande kapitaalpolissen door ons overgezet op het huis in [woonplaats 2]. Met andere woorden: in plaats van het huis in [woonplaats] werd het onderpand nu het huis in [woonplaats 2]. De volledige verkoopopbrengst van [woonplaats] werd derhalve tussen ons verdeeld. De hypotheekschuld rustte voortaan op het huis in [woonplaats 2].

In geen enkel stadium zijn deze hypotheek(schuld) en de N.O.G.-polissen voor de verdeling aan de orde geweest. Het eerdere concept-echtscheidingsconvenant van mr. Den Hollander was in dat opzicht feitelijk niet juist. (De daarin gehanteerde waarde van de [adres] was overigens vanwege de hogere verkoopopbrengst ook niet juist). Het huis in [woonplaats 2] is dus buiten de verdeling gehouden.”

3. Het geschil

in conventie

3.1. Voor de vordering van [eiseres] in conventie verwijst de rechtbank naar de dagvaarding, waarvan de pagina’s 51 tot en met 60 aan dit vonnis zijn gehecht.

3.2. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van [eiseres].

3.3. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.4. Voor de vordering van [gedaagde] in reconventie verwijst de rechtbank naar de conclusie van antwoord tevens eis in reconventie waarvan de pagina’s 51 tot en met 54 aan dit vonnis zijn gehecht.

3.5. [eiseres] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid verklaring van [gedaagde] althans ontzegging van de vordering aan [gedaagde].

3.6. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

4.1. In geschil is de verdeling van de nalatenschap van [X]. Het geschil spitst zich toe op de vraag of alle vermogensbestanddelen van de ontbonden huwelijksgoederengemeenschap tussen [X] en [gedaagde] destijds zijn verdeeld. [eiseres] treedt in dezen dan ook (eveneens) op als rechtsopvolger onder algemene titel van [X].

4.2. Omdat de kern van het geschil ziet op de vraag naar de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap, is van belang welke peildatum partijen hebben gehanteerd. De rechtbank zal daarop allereerst ingaan.

Peildatum

4.3. [eiseres] heeft gesteld dat [gedaagde] en [X] ervoor hebben gekozen om het vermogen per ultimo 1991 te verdelen en dat die datum door hen als peildatum is gehanteerd. Zij verwijst in dit verband naar de brief van Feringa aan Den Hollander van 1 juli 1993 waarin hij schrijft dat alle vermogensbestanddelen in aanmerking worden genomen naar de waarde per ultimo 1991. Volgens [eiseres] heeft [X] zijn belastingaangiften ook overeenkomstig deze partijbedoeling ingediend. Volgens [eiseres] zijn door [gedaagde] en [X] in de correspondentie tussen de advocaten, het concept echtscheidingsconvenant uit 1993 alsmede het getekende convenant uit 1995 afspraken gemaakt over de vermogensbestanddelen die zij beiden rekenden tot het te verdelen vermogen en over de peildatum voor de waardering van die bestanddelen, namelijk ultimo 1991. Bovendien wijst zij expliciet op de correspondentie tussen [gedaagde] en [X] waaruit het volgende naar voren komt:

- in de brief van 21 augustus 1991 van Den Hollander geeft hij een opsomming van het vermogen per medio 1991;

- in de brief van 7 april 1992 van Feringa schrijft hij, uitgaande van de vermogensopstelling van Den Hollander van augustus 1991, dat [gedaagde] een vermogen van circa f 1.250.000,- toekomt;

- in de brief van 1 februari 1993 refereert Den Hollander aan de definitieve cijfers over het jaar 1991, hetgeen leidt tot een totaal vermogen van de huwelijksgoederengemeenschap van f 2.400.000,-;

- in zijn brief van 3 maart 1993 schrijft Verbunt dat het [gedaagde] niet helemaal duidelijk is hoe de afwikkeling van de inkomsten in het Verenigd Koninkrijk is geregeld, maar dat zij van de door Den Hollander gepresenteerde cijfers zal uitgaan;

- in zijn reactie op het concept echtscheidingsconvenant van 1993 schrijft Feringa dat hij ervan uitgaat dat de waarde van de aandelen in [bedrijf 1] en [bedrijf 3][bedrijf 5] zijn gebaseerd op de waarde per ultimo 1991. In die brief schrijft hij voorts dat feitelijk ook de huisraad van de [adres] zou dienen te worden getaxeerd. Dit is volgens hem “uiteraard” anders als alle vermogensbestanddelen in aanmerking worden genomen naar de stand per ultimo 1991.

[eiseres] concludeert dat [X] en [gedaagde] zijn uitgegaan van het vermogen dat per ultimo 1991 aanwezig was.

4.4. Volgens [gedaagde] is alleen voor de waardering van de vennootschappen uitgegaan van datum ultimo 1991, omdat andere jaarcijfers niet beschikbaar waren. Voor de overige bestanddelen zijn partijen uitgegaan van de datum van verdeling, zoals ook volgt uit artikel 1 van het convenant waarin het volgende is opgenomen:

“Artikel 1: Peildatum

Tussen partijen zijn sedert de datum dat de man de echtelijke woning heeft verlaten een aantal afspraken gemaakt, welke met name zijn vastgelegd in correspondentie tussen advocaten. Bij de vaststelling van dit convenant is uitsluitend uitgegaan van de zaken die op 17 maart 1995, zijnde de datum waarop partijen volledige overeenstemming hebben bereikt over een totale afwikkeling, nog geregeld moesten worden. Voorts verklaren partijen deze akte van scheiding en deling te hebben getekend, uitgaande van de vermogensbestanddelen die partijen thans bekend zijn.”

4.5. De rechtbank overweegt als volgt. Uit de stukken volgt, en dit is tussen partijen ook niet in geschil, dat [X] en [gedaagde] tussen het moment van feitelijk uiteengaan (onbetwist medio 1990) en het moment van het ondertekenen van het convenant (in 1995) hebben gecorrespondeerd en afspraken hebben gemaakt over de verdeling van bestanddelen behorende tot de huwelijksgoederengemeenschap. Deze afspraken zijn deels gemaakt in correspondentie tussen (de advocaten van) [X] en [gedaagde], die de rechtbank overigens niet tot haar beschikking heeft, waarna in 1993 een concept echtscheidingsconvenant is opgemaakt. Vervolgens is in 1995 opnieuw een convenant opgemaakt waarin is opgenomen dat dit slechts ziet op de zaken waarover op 17 maart 1995 nog geen overeenstemming was bereikt. Dit convenant is door partijen getekend.

4.6. Van belang is dat bij verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap sprake is van twee peildata: één voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap en dus de vraag welke bestanddelen zich in die huwelijksgoederengemeenschap bevinden en één voor de waardering van die bestanddelen. Het staat partijen vrij bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap afspraken te maken over de tussen hen te hanteren peildata. In dit geval is de rechtbank van oordeel dat uit de correspondentie tussen [X] en [gedaagde] volgt dat zij met betrekking tot de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap alsmede voor de waarde van de bestanddelen behorend tot die gemeenschap zijn overeengekomen dat ultimo 1991 als peildatum zou worden gehanteerd. Dat in het convenant de datum wordt genoemd van 17 maart 1995 onder het kopje peildatum, maakt dat niet anders, nu in dat artikel staat dat in het convenant wordt uitgegaan van de zaken die op dat moment nog moesten worden geregeld. Dit zegt niets over de peildatum voor de omvang of de waardering. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat partijen zowel voor de omvang als voor de waardering van de tot de gemeenschap behorende goederen de peildatum ultimo 1991 hebben gehanteerd.

in conventie

Primair

[adres]

4.7. [eiseres] vordert in conventie primair van recht te verklaren dat de [adres] bij de echtscheiding tussen [gedaagde] en [X] is toebedeeld aan [X] zonder nadere verrekening van de waarde van deze woning. Zij stelt voorts dat de woning, die is verkregen in de tijd dat [gedaagde] en [X] nog waren gehuwd, na de echtscheiding niet bij notariële akte door [gedaagde] aan [X] is geleverd. Derhalve behoort de woning – in formele zin – nog in mede-eigendom toe aan [gedaagde]. [eiseres] vordert dan ook primair dat [gedaagde] alsnog medewerking verleent aan de levering van de [adres] aan [eiseres]. [eiseres] stelt voorts dat de [adres] evenwel in verbintenisrechtelijke zin betrokken was bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van [X] en [gedaagde].

[eiseres] heeft in dit verband gewezen op de brief van 24 juni 2010 van [gedaagde], waarin zij schrijft dat de woonlasten van de [adres] aan de orde zijn geweest in het kader van de alimentatievordering alsmede dat op 11 december 1991 telefonisch door mr. Den Hollander aan [gedaagde] werd medegedeeld dat [X][adres] had gekocht. Vervolgens heeft [gedaagde] het convenant ondertekend op 17 mei 1995, waarin in artikel 2 sub a (zie hiervoor onder rechtsoverweging 2.18.) is opgenomen dat ieder der ondergetekenden de activa en passiva behoudt die op zijn of haar naam staan. Voorts is tussen [X] en [gedaagde] volgens [eiseres] in 1992 uitvoerig gecorrespondeerd over de financiering van de [adres]. [eiseres] heeft er bovendien op gewezen dat in de echtscheidingsprocedure, die heeft geleid tot de beschikking van 8 november 1993, een akte door [gedaagde] is ingediend waarin wordt geschreven dat het feit dat de man ervoor heeft gekozen “zijn vermogen” aan te wenden voor de aankoop van een huis ad f 920.000,- een vrije keus is geweest van de man op het moment dat hij de procedure tot ontbinding van het huwelijk “in gang heeft gezet”. Uit deze stellingen van [gedaagde] in die procedure blijkt dan ook dat [X] zijn aandeel in het gemeenschappelijke vermogen heeft aangewend voor de koop van de [adres]. Derhalve kan [gedaagde] volgens [eiseres] niet volhouden dat zij meent dat (de waarde van) de woning toch nog in de verdeling zou moeten worden betrokken.

[eiseres] concludeert dat:

- [gedaagde] en [X] allebei wisten dat [X] de woning na het feitelijk uiteengaan van partijen, welke datum door hen als peildatum was gebruikt, en voor de ontbinding van het huwelijk door [X] was aangekocht;

- voor [gedaagde] en [X] duidelijk was dat [X] de hypotheek die was verbonden aan de [adres] na verkoop van de woning wilde oversluiten ten behoeve van de [adres], hetgeen op 17 oktober 1994, aldus voor ondertekening van het convenant, werd geëffectueerd;

- als peildatum voor de omvang van de huwelijksgoederengemeenschap de datum van feitelijk uiteengaan is gehanteerd;

- door [gedaagde] in de akte die zij heeft ingediend in de echtscheidingsprocedure, na aankoop van de [adres], wordt gesteld dat partijen de gemeenschappelijke boedel gescheiden en gedeeld hebben en dat deze verdeling is vastgelegd in een conceptconvenant dat als uitgangspunt kan worden genomen bij de bepaling van het vermogen van [X] en [gedaagde] van ieder f 1.100.000,-;

- door [gedaagde] in diezelfde akte (zie rechtsoverweging 2.16.) is gesteld dat [X] zijn vermogen heeft aangewend voor een huis van f 920.000,-, waaruit blijkt dat voor partijen duidelijk was dat de [adres] aan [X] zou worden toebedeeld onder de gehoudenheid de hiervoor afgesloten financiering voor zijn rekening te nemen en als persoonlijke schuld te voldoen, zonder dat hiervoor enige verrekening hoefde plaats te vinden.

Voorts wijst [eiseres] erop dat uit de correspondentie over de verdeling, het conceptconvenant en het uiteindelijk getekende convenant blijkt welke vermogensbestanddelen zij tot het gezamenlijk te verdelen vermogen beschouwden. Bezitting die werden verkregen of schulden die werden aangegaan vanaf ultimo 1991 zouden toekomen aan diegene van wiens zijde het activum in de gemeenschap was gevallen of die de schuld was aangegaan. Die doelstelling blijkt uit artikel 2 van het convenant (zie rechtsoverweging 2.18.).

Tot slot heeft [eiseres] gewezen op de slotbepaling uit het convenant waarin partijen verklaren dat zij naast hetgeen eerder in het convenant is omschreven en geregeld geen andere rechten of verplichtingen jegens elkaar hebben en bovendien is opgenomen dat behoudens hetgeen iedere partij na de ondertekening van dit convenant nog verschuldigd zal zijn aan de ander, waarvoor verwezen wordt naar de voorgaande artikelen ondergetekenden elkaar over en weer finale kwijting en decharge verlenen. Dit hebben [gedaagde] en [X] gedaan terwijl zij allebei wisten dat de [adres] was gekocht ten tijde van het huwelijk.

Bovendien heeft [eiseres] ter onderbouwing van haar stelling gewezen op de tekst van de considerans van de overeenkomst van geldlening (zie hiervoor onder rechtsoverweging 2.12.).

De eindconclusie van [eiseres] luidt dat de [adres] als vermogensbestanddeel bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap van [gedaagde] en [X] is betrokken en dat geen verdere verrekening plaats hoeft te vinden. [X] heeft ook altijd alle lasten van de [adres] voldaan.

4.8. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de [adres] destijds niet bij de verdeling is betrokken. Ter onderbouwing van haar stelling wijst zij erop dat omtrent de [adres] bewust niets is opgenomen in het convenant. Zij heeft voorts gesteld dat haar een aantal documenten (productie 2 bij Conclusie van Antwoord in conventie tevens houdende eis in reconventie) eerst bij de afwikkeling van de nalatenschap van [X] bekend is geworden, waaruit volgens haar blijkt dat de [adres] met gemeenschappelijk vermogen in de zin van (volgens [gedaagde]) verzwegen vermogensbestanddelen was gefinancierd. Immers, de geldleningovereenkomst met [bedrijf 1] is afgelost door middel van fusievergoedingen en winstuitkeringen van [bedrijf 7] die in de gemeenschap van goederen tussen [X] en [gedaagde] zijn gevallen, maar niet zijn verrekend, aldus [gedaagde]. Voorts heeft [gedaagde] verwezen naar de conceptakte van verdeling/ Rectificatie inschrijving verklaring van erfrecht d.d. 12 mei 2010 (rechtsoverweging 2.22.). Volgens [gedaagde] blijkt hieruit dat de [adres] niet valt onder het in artikel 2 van het convenant bepaalde.

[gedaagde] heeft in dit verband nog aangevoerd dat de geldlening die is aangewend voor de aankoop van de [adres] in de huwelijksgoederengemeenschap valt en is meegenomen in de waardering van [bedrijf 1] ten tijde van de echtscheiding en dus is verrekend en verdeeld. Vervolgens is dit overbruggingskrediet volgens [gedaagde] afgelost met gemeenschappelijk geld, afkomstig uit de fusievergoedingen, zodat zij de woning voor de helft heeft meegefinancierd. Deze fusievergoedingen, met uitzondering van de UK vergoeding, werden uitbetaald aan [bedrijf 2], maar kwamen [X] toe in privé. Ter zitting heeft [gedaagde] in dit verband verklaard dat de fusievergoeding moet worden gezien als een persoonlijke vergoeding voor de partners van [bedrijf 7] en dat [bedrijf 2] er louter tussen zat om formele redenen in verband met het beperken van de persoonlijke aansprakelijkheid. De UK vergoeding werd direct overgemaakt naar de privérekening van [X]. De [adres] is aldus gefinancierd met de eerste twee tranches van de fusievergoeding, terwijl de derde (uitkering in 1992) en de vierde tranche (uitkering in 1993), anders dan Den Hollander volgens [gedaagde] op 14 november 1991 meedeelde, niet verwerkt is in de geconsolideerde waarde van [bedrijf 1] en dus buiten de verdeling zijn gebleven. [gedaagde] wijst er voorts op dat de hypothecaire restschuld na het overlijden van [X] in 2003 met de op de gemeenschappelijke kapitaalpolissen opgebouwde kapitalen is afgelost. [gedaagde] meent dan ook primair dat [eiseres] haar aandeel in het gemeenschappelijk goed aan [gedaagde] heeft verbeurd op grond van artikel 3:194 lid 2 BW. Voorts meent [gedaagde] dat [X] onrechtmatig heeft gehandeld door haar te benadelen bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap en dat de schade die zij dientengevolge heeft geleden bestaat uit de niet verrekende gemeenschappelijke zaken. Tot slot heeft zij een beroep gedaan op ongerechtvaardigde verrijking.

[gedaagde] concludeert dat de woning nog verdeeld dient te worden, subsidiair dat in ieder geval het gemeenschappelijk vermogen waarmee de [adres] is aangekocht verdeeld dient te worden, hetgeen neerkomt op een totaalbedrag aan fusievergoedingen en winstuitkeringen uit de UK.

4.9. De rechtbank overweegt dat het geschil enerzijds betrekking heeft op de vraag of [adres] als zodanig in de verdeling tussen [X] en [gedaagde] is betrokken, of had moeten worden betrokken, en anderzijds op de financiering ervan en de vraag, of en zo ja in welke mate deze financiering in de verdeling of waardering van de onderneming van [X] is betrokken, of had moeten worden betrokken. De rechtbank zal eerst ingaan op de stellingen van partijen die de [adres] als zodanig betreffen.

4.10. De rechtbank overweegt dat niet in geschil is dat de vermogensopstelling van 21 augustus 1991 de basis was voor het uiteindelijk getekende convenant. Aangezien de [adres] pas is aangekocht op 15 oktober 1991 komt de woning dan ook niet voor op het hiervoor genoemde overzicht. Echter, de rechtbank oordeelt dat [gedaagde] volledig op de hoogte was van het feit dat [X][adres] had gekocht ten tijde van het huwelijk en dat deze woning in de gemeenschap van goederen viel. Dit blijkt uit de brieven van haar advocaat uit die tijd, uit de brieven die zij zelf heeft geschreven (bijvoorbeeld de brief van 24 juni 2010), het feit dat zij de akte van oversluiting van de hypotheek heeft getekend en het feit dat de [adres] (bij de bespreking van de draagkracht van [X]) in de echtscheidingsprocedure, die liep voor het sluiten van het convenant, uitvoerig aan de orde is geweest.

4.11. De rechtbank concludeert gezien het bovenstaande dan ook dat [X] en [gedaagde] willens en wetens hebben gekozen voor een situatie waarin de één in het zicht van de echtscheiding een woning koopt en zij later samen tekenen voor het oversluiten van de financiering van die woning. Vervolgens heeft [gedaagde] met [X] het convenant gesloten waarin is opgenomen (artikel 1) dat partijen verklaren deze akte van scheiding en deling te hebben getekend, uitgaande van de vermogensbestanddelen die partijen thans bekend zijn. In dat convenant wordt vervolgens bepaald dat ieder van hen behoudt die activa en passiva die op zijn of haar naam staan. Bovendien verlenen zij elkaar in dat convenant finale kwijting als omschreven in rechtsoverweging 2.18. Voorts heeft [gedaagde], ondanks dat zij mede-eigenaar was, op geen enkele wijze ooit bijgedragen aan (aankoop-, onderhouds- of andere lasten van) de woning, waartoe zij op grond van de wet wel was gehouden. De rechtbank kan onder die omstandigheden niet anders dan concluderen dat [X] en [gedaagde] er bewust voor hebben gekozen om (de waarde van) de [adres] en (de waarde van) de daaraan verbonden hypotheek niet mee te nemen bij de berekening van het tussen hen te verdelen vermogen en dat de woning derhalve met de ondertekening van het convenant zonder nadere verrekening is toebedeeld aan [X]. De rechtbank leidt hieruit af dat [X] en [gedaagde] dit bestanddeel van de huwelijksgoederengemeenschap kennelijk steeds hebben beschouwd als een vermogensbestanddeel dat [X], vooruitlopend op de echtscheiding, reeds (fictief) van zijn nog te ontvangen gedeelte in het gezamenlijk vermogen heeft gekocht, alsof hij toen al een eigen vermogen had.

4.12. Tot slot kan ook de verwijzing van [gedaagde] naar de conceptakte van verdeling/ Rectificatie inschrijving verklaring van erfrecht (zie rechtsoverweging 2.22) haar niet baten, aangezien hetgeen daarin is opgenomen ziet op een zakenrechtelijke levering van [gedaagde] aan [eiseres] als rechtsopvolger van [X], terwijl tussen partijen niet in geschil is dat die zakenrechtelijke levering nooit heeft plaatsgevonden en slechts de verbintenisrechtelijke verdeling ter discussie staat.

4.13. Ten aanzien van de financiering van de [adres] overweegt de rechtbank dat [gedaagde] weliswaar heeft gesteld dat deze is betaald van gemeenschappelijk vermogen, maar dat dit nergens feitelijk uit blijkt. Immers, niet in geschil is dat eerst een hypotheek is afgesloten bij [bedrijf 1] en dat die, reeds voor het sluiten van het convenant, is overgesloten door de hypotheek die voorheen op de [adres] rustte. De hypotheek zou zijn afgelost met fusievergoedingen. Echter, ter zitting heeft [gedaagde] erkend dat deze vergoedingen toekwamen aan [bedrijf 2], zodat dit niet kan worden gekwalificeerd als gemeenschappelijk geld van [X] en [gedaagde]. Reeds daarom falen de verweren van [gedaagde] op dit punt.

Overigens merkt de rechtbank op dat zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk is dat wanneer de eventuele aflossingen van de hypotheek uit gemeenschappelijke middelen zouden zijn voldaan, dit tot de conclusie zou moeten leiden dat de [adres] daarmee nogmaals dient te worden verdeeld. Immers, zelfs indien met gemeenschappelijk eigendom een schuld wordt voldaan die rust op een goed, maakt dat nog niet dat het goed waarop die schuld rust daarmee eigendom wordt van die twee partijen en evenmin zegt dat iets over de vraag of dat goed tussen partijen is verdeeld.

Nu voorts niet is voldaan aan de vereisten zoals genoemd in artikel 3:194 lid 2 BW, kan geen sprake zijn van het verbeuren van het aandeel in het goed door [eiseres]. Van onrechtmatig handelen door het benadelen van [gedaagde] bij de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap kan in het geheel geen sprake zijn, nu [gedaagde] heeft meegedeeld in de volledige verkoopopbrengst ten aanzien van [adres], terwijl zij in haar brief van 24 juni 2010 schrijft dat zij niet heeft hoeven meedelen in de daaraan verbonden hypotheekschuld, zodat zij hooguit bevoordeeld kan zijn op dit punt. Ten aanzien van het beroep op ongerechtvaardigde verrijking overweegt de rechtbank dat geenszins is onderbouwd dat aan de vereisten daarvoor is voldaan.

De rechtbank concludeert dat de woning niet nogmaals verdeeld dient te worden en dat er ook geen sprake van is dat het gemeenschappelijk vermogen waarmee de [adres] is aangekocht verdeeld dient te worden.

4.14. De rechtbank merkt nog op dat voor zover [gedaagde] heeft bedoeld te betogen dat zij wel heeft gedeeld in de hypotheekschuld die ten aanzien van de [adres] is aangegaan omdat deze is meegenomen in de waardering van [bedrijf 1], dit standpunt niet kan worden gevolgd nu niet kan worden ingezien dat een vorderingsrecht op een aandeelhouder op de balans van een B.V. maakt dat de waarde van die onderneming (met dat bedrag) wordt verlaagd. Nu dit standpunt door [gedaagde] geenszins met feiten en omstandigheden is onderbouwd, faalt ook dit verweer.

4.15. Voor zover [gedaagde] een beroep heeft willen doen op de door haar slechts zijdelings genoemde wilsgebreken, is de rechtbank van oordeel dat zij haar verweer op dit punt onvoldoende heeft onderbouwd en zij daaraan bovendien niet de rechtsgevolgen heeft verbonden die de wet voorschrijft. De rechtbank passeert dit verweer dan ook.

4.16. Gezien het voorgaande concludeert de rechtbank dat de door [eiseres] primair onder a. gevorderde verklaring van recht dat de [adres] is toebedeeld aan [X] zonder nadere verrekening van de waarde van deze woning met [gedaagde], zal worden toegewezen. Voorts heeft [gedaagde] niet betwist dat tegenover toedeling aan [X] van de [adres], hij de lasten uit het overbruggingskrediet bij [bedrijf 1] voor zijn rekening diende te nemen en als persoonlijke schuld diende te voldoen, zodat het door [eiseres] primair onder b. gevorderde eveneens wordt toegewezen. Bovendien is niet betwist dat de overige kosten die zijn gemoeid met het in eigendom verkrijgen van de [adres], de eigenaarslasten die vanaf 15 oktober 1991 zijn verbonden aan de woning en de lasten van deze woning, zonder verrekening voor [X] komen, zodat ook het primair onder c. gevorderde voor toewijzing gereed ligt.

Toedeling van hypothecaire geldleningen

4.17. [eiseres] vordert dat de rechtbank van recht verklaart dat de verplichtingen uit de overeenkomsten van hypothecaire geldleningen, die onder de leningnummers [nummer] en [nummer] waren afgesloten bij de Nederlandsche Hypotheekbank N.V., later FGH, in de verdeling tussen [X] en [gedaagde] zijn betrokken en wel in die zin dat [X] de verplichtingen uit de overeenkomsten voor zijn rekening diende te nemen en als persoonlijke schuld diende te voldoen, waarbij de helft van de schuld in mindering is gebracht op het aan [gedaagde] toekomende aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap.

4.18. De rechtbank oordeelt dat deze vordering moet worden toegewezen en zij overweegt daartoe als volgt. Tussen partijen is niet in geschil dat deze hypothecaire geldleningen ten tijde van het feitelijk uiteengaan van partijen rustte op de [adres]. Evenmin is in geschil dat deze woning voor het ondertekenen van het convenant werd verkocht en dat [gedaagde] de helft van de volledige verkoopopbrengst heeft ontvangen (zie de brief van [gedaagde] zoals vermeld onder rechtsoverweging 2.23. ad 3 en 4). Vervolgens, ook dat staat vast tussen partijen, is deze lening nog voor de ondertekening van het convenant overgesloten in die zin dat deze kwam te rusten op de [adres]. Daaraan hebben [gedaagde] en [X] allebei meegewerkt. Tot slot staat vast dat [X] altijd alleen de lasten van de [adres] heeft voldaan en dat [gedaagde] daaraan nooit een bijdrage heeft geleverd. De rechtbank oordeelt dan ook, gezien de geschetste omstandigheden, dat [gedaagde] en [X] kennelijk zijn overeengekomen dat deze hypothecaire geldleningen zijn verdeeld in die zin dat [X] de verplichtingen uit de overeenkomsten voor zijn rekening diende te nemen en als persoonlijke schuld diende te voldoen. Dit is ook niet betwist door [gedaagde] die heeft gesteld dat [X] alle lusten en alle lasten verband houdend met de [adres] droeg. De vordering ligt in zoverre dan ook voor toewijzing gereed. De rechtbank zal echter niet van recht verklaren dat de helft van de schuld in mindering is gebracht op het aan [gedaagde] toekomende aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap, nu uit het voorgaande (en uit de brief van [gedaagde] van 24 juni 2010 zoals vermeld onder rechtsoverweging 2.23. ad 3 en 4) volgt dat [gedaagde] zelf meent dat dit niet is geschied.

De kapitaalpolissen

4.19. [eiseres] vordert van recht te verklaren dat de rechten uit de polissen van kapitaalverzekering die onder de polisnummers ([nummer] later gewijzigd in) 120[nummer] en ([nummer] later gewijzigd in) [nummer] afgesloten bij de Onderlinge Levensverzekeringsmaatschappij NOG U.A. aan [X] zijn toegedeeld zonder enig recht op verrekening van de helft van de waarde met [gedaagde] aangezien de waarde ervan betrokken is bij het vaststellen van de overbedelingsschuld in 1995. Zij heeft in dit verband gewezen op een opstelling van de vermogensbestanddelen waaruit blijkt dat gezien de hoogte van het bedrag dat is uitgekeerd, deze polissen moeten zijn meegenomen in de verdeling.

4.20. [gedaagde] heeft zich op het standpunt gesteld dat de polissen niet zijn verdeeld.

4.21. De rechtbank overweegt dat [eiseres] door middel van verschillende financiële overzichten inzichtelijk heeft gemaakt op welke wijze het bedrag van de overbedelingsschuld die aan [gedaagde] is uitgekeerd tot stand moet zijn gekomen. Daaruit blijkt dat de polissen bij die berekening zijn betrokken, omdat anders een heel ander bedrag zou zijn verschuldigd. In het kader van die onderbouwing had het op de weg van [gedaagde] gelegen om meer te doen dan slechts te betwisten dat de polissen bij de verdeling zijn betrokken. Nu zij dat heeft nagelaten, heeft zij onvoldoende betwist dat de polissen tussen partijen reeds zijn verdeeld in die zin dat deze aan [X] zijn toebedeeld, zodat de rechtbank daarvan zal uitgaan. Derhalve zal de gevorderde verklaring van recht worden toegewezen in die zin dat de rechten uit de polissen aan [X] zijn toebedeeld, aangezien de waarde ervan betrokken is bij het vaststellen van de overbedelingsschuld in 1995. De rechtbank zal echter niet van recht verklaren dat dit zonder enig recht van verrekening van de helft van de waarde met [gedaagde] is geschied, nu onvoldoende is onderbouwd dat hiervan sprake is geweest.

Medewerking levering

4.22. Tussen partijen is niet in geschil dat de [adres] moet worden geleverd aan [eiseres]. Partijen vorderen beiden veroordeling van de ander tot meewerking aan die levering. Kennelijk vrezen beiden dat de ander niet zal meewerken. Gezien de langdurige problematiek en de eerdere procedures tussen partijen, begrijpt de rechtbank de bedoelde vrees en zal zij de vorderingen daartoe over en weer toewijzen. Voorts is in de procedure geschil over de vraag of [eiseres] de notaris mag aanwijzen in verband met de levering aan haar van de [adres]. Gezien het feit dat het gebruikelijk is dat de partij die een goed geleverd krijgt, ook de notaris kiest en die partij in dit geval [eiseres] is, zal het door [eiseres] gevorderde worden toegewezen.

Reële executie

4.23. [eiseres] heeft gevorderd het in dezen te wijzen vonnis in de plaats te stellen van de instemmende verklaring(en) van [gedaagde] tot het verlijden van de notariële akte van verdeling, waarbij voornoemde onroerende zaak wordt geleverd aan [eiseres], indien [gedaagde] niet binnen drie weken na betekening van dit vonnis haar medewerking heeft verleend aan het verlijden van de notariële akte van verdeling.

4.24. [gedaagde] heeft betoogd dat deze vordering moet worden afgewezen omdat zij niet weigerachtig is en ook geen sprake is van een geval waarbij een dwangsom geen effect sorteert. Immers, zij heeft zelf ook (een financieel) belang dat bij overdracht van de [adres]. Daarbij heeft zij aangevoerd dat deze vorm van reële executie een inbreuk maakt op de rechten van [gedaagde] als deelgenoot en als gerechtigde voor de onverdeelde helft van de ter verdeling staande zaken.

4.25. De rechtbank overweegt dat de vordering ziet op reële executie op grond van artikel 3:300 BW en dat zij een discretionaire bevoegdheid heeft, die zij met voorzichtigheid dient te hanteren. De rechtbank oordeelt dat in dit geval de voorzichtigheid noopt tot afwijzing van het gevorderde. Immers, [gedaagde] heeft aangegeven niet weigerachtig te zijn en belang te hebben bij de overdracht. Bovendien is reeds geoordeeld dat partijen over en weer zullen worden veroordeeld tot medewerking. Daarom ziet de rechtbank geen aanleiding de vordering toe te wijzen.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.26. De rechtbank stelt voorop dat het hier gedeeltelijk gaat om een declaratoir vonnis, zodat het niet mogelijk is dat deel van het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren zoals gevorderd. Tot zover zal de vordering dan ook worden afgewezen. Voor het overige zal de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Conclusie

4.27. De primaire vordering in conventie wordt toegewezen, met dien verstande dat niet van recht zal worden verklaard dat de helft van de schuld (uit hoofde van de hypothecaire geldleningen) in mindering is gebracht op het aan [gedaagde] toekomende aandeel in de huwelijksgoederengemeenschap en evenmin dat de rechten uit de polissen van kapitaalverzekering aan [X] zijn toegedeeld zonder enig recht op verrekening van de helft van de waarde met [gedaagde]. De gevorderde reële executie wordt eveneens afgewezen. Omdat het subsidiair gevorderde ziet op verdeling van de nog onverdeeld gebleven goederen, komt de rechtbank daaraan niet toe.

Proceskosten in conventie

4.28. [gedaagde] wordt als degene die (grotendeels) in het ongelijk is gesteld veroordeeld in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op:

- dagvaarding € 94,32

- vast recht 258,00

- salaris advocaat 1.356,00 (3,0 × factor 1.0 × tarief € 452,00)

Totaal € 1.708,32

in reconventie

4.29. [gedaagde] heeft in reconventie primair een verklaring van recht gevorderd ten aanzien van het verbeuren door [X] van zijn aandeel in de onverdeeld gebleven goederen en ten aanzien van de te hanteren peildatum. Bovendien is in reconventie gevorderd (naar de rechtbank begrijpt) de wijze van verdeling te gelasten althans de verdeling vast te stellen. Het gaat volgens [gedaagde] om de [adres], een gedeelte van de fusievergoeding en het saldo van de privébankrekening van [X] bij ABN Amro. De rechtbank zal de posten hieronder bespreken.

Onrechtmatig handelen en ongerechtvaardigde verrijking

4.30. [gedaagde] heeft (subsidiair) gesteld dat sprake is van onrechtmatig handelen van [X] jegens haar althans (meer subsidiair) dat [X] en thans [eiseres] ongerechtvaardigd is verrijkt ten koste van haar. Nog daargelaten dat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat hiervan sprake is, is gesteld noch gebleken wat daarvan in casu het rechtsgevolg is en evenmin dat dit in het onderhavige geval zou moeten leiden tot toewijzing van het door [gedaagde] gevorderde. De rechtbank gaat aan het gestelde op dit punt dan ook voorbij.

Primair

Peildatum

4.31. Ten aanzien van de peildatum heeft de rechtbank reeds overwogen als weergegeven onder rechtsoverweging 4.5. en 4.6., zodat het in reconventie primair gevorderde wordt afgewezen.

[adres]

4.32. [gedaagde] vordert - samengevat - in reconventie een verklaring van recht dat [X] zijn aandeel in de onverdeeld gebleven goederen heeft verbeurd en dat de wijze van verdeling, althans de verdeling wordt vastgesteld in die zin dat de [adres] aan [eiseres] wordt toebedeeld, waardoor zij (als rechtsopvolger onder algemene titel van [X]) wegens overbedeling aan [gedaagde] dient te voldoen € 1.050.000,-. Gezien hetgeen de rechtbank hiervoor in rechtsoverweging 4.9. tot en met 4.16. heeft overwogen is ten aanzien van de [adres] in ieder geval geen sprake van een verzwegen, zoek gemaakt of verborgen gehouden bestanddeel als bedoeld in artikel 3:194 lid 2 BW en daarmee evenmin van het verbeuren van het aandeel in dit bestanddeel. De rechtbank wijst het in reconventie primair gevorderde voor zover dat ziet op de [adres] dan ook af.

De afkoopsom en privébankrekening [X]

4.33. [gedaagde] heeft in reconventie gevorderd ook ten aanzien van een gedeelte van de afkoopsom een verklaring van recht dat [X] zijn aandeel in dat volgens haar onverdeeld gebleven goed heeft verbeurd en dat de wijze van verdeling, althans de verdeling wordt vastgesteld in die zin dat het bedoelde gedeelte van de afkoopsom wordt toebedeeld aan [eiseres], waardoor zij [gedaagde] het volledige bedrag van € 417.477,79 dient te betalen als verschuldigd uit overbedeling. Zij legt aan deze vordering ten grondslag dat Den Hollander in zijn brief van 14 november 1991 verklaart dat de “overnamebonus” deel uitmaakt van [bedrijf 1] c.q. [bedrijf 2] en dat deze uitkeringen daarbij nominaal zijn opgenomen, terwijl uit de jaarcijfers en het grootboek van [bedrijf 2] blijkt dat de derde (uitkering in 1992) en vierde (uitkering in 1993) tranche van de fusievergoeding niet in de verdeling zijn betrokken. Uitsluitend de eerste twee tranches zijn hierop vermeld. Derhalve is [bedrijf 1] te laag gewaardeerd. Voorts is ook de UK vergoeding niet in de verdeling betrokken, volgens [gedaagde]. De uitkeringen zijn niet gedaan op de enige rekeningen waarin zij inzicht had of waarvan zij het bestaan kende, namelijk de en/of rekening bij ABN met nummer [nummer] en de en/of Spaarrekening. Derhalve moet de UK vergoeding (vier maal f 87.000,- = f 414.000,- netto) zijn betaald op de privérekeningen van [X] die niet in de verdeling zijn betrokken. Zij wijst er in dit verband op dat haar bij de afwikkeling van de nalatenschap kenbaar werd dat [X] omstreeks 1990-1991 een privérekening bij ABN Amro met nummer [nummer] had geopend, waarop de UK vergoeding volgens [gedaagde] hoogstwaarschijnlijk is overgemaakt. Deze rekening behoorde tot de gemeenschap en is nimmer in de verdeling betrokken. Omdat het vorderingsrecht uit hoofde van de afkoopsom is ontstaan ten tijde van het huwelijk valt ook dit gedeelte daarvan in de gemeenschap. De bedoelde rekening alsmede dit deel van de afkoopsom is achtergehouden bij de verdeling en moet alsnog worden verdeeld, aldus [gedaagde].

4.34. [eiseres] heeft hiertegen verweer gevoerd en betoogd dat geen sprake is van verzwegen bestanddelen, dat [gedaagde] destijds wist van alle bestanddelen waarvan zij thans verdeling vraagt, dat partijen expliciet hebben willen uitgaan van de bestanddelen per ultimo 1991 en dat de afkoopsom is uitgekeerd aan [bedrijf 2], nu niet [X] in persoon maar [bedrijf 2] partner was bij de maatschap [bedrijf 7]. Dit was [gedaagde] ook bekend. Zij wijst erop dat uit de wijze van afwikkeling van de afkoopsom ook blijkt dat [X] hiertoe niet in persoon was gerechtigd, maar dat deze toekwam aan [bedrijf 2] Immers, de correspondentie in dit kader werd steeds aan [bedrijf 2] gericht en de afkoopsom is ook aan [bedrijf 2] overgemaakt. Aldus vielen de uitkeringen niet in de gemeenschap. De uitkering maakt wel deel uit van de geconsolideerde waarde van de aandelen [bedrijf 1] en is op die wijze in de verdeling betrokken en bij de bepaling van de hoogte van de overbedelingsschuld.

Voorts wijst [eiseres] erop dat de derde en vierde tranche van de fusievergoeding wel bij de verdeling zijn betrokken nu in het concept convenant de waarde van de aandelen van [bedrijf 1] en [bedrijf 3][bedrijf 5] is vermeerderd met een bedrag van f 212.000,- (zie rechtsoverweging 2.15.) voor nog te ontvangen goodwill betalingen na VPB. Het bedrag van f 212.000,- is volgens [eiseres] het resultaat van de derde en de vierde tranche van de afkoopsom van ieder f 145.075,- na aftrek van VPB f 106.000,-. Van benadeling of verzwijging is dan ook geen sprake, aldus [eiseres].

Ten aanzien van de UK vergoeding heeft [eiseres] aangevoerd dat bij de afwikkeling van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap aan de orde is gekomen dat het voor [gedaagde] niet geheel duidelijk was hoe de afwikkeling van de inkomsten in het Verenigd Koninkrijk was geregeld, maar dat zij omdat zij haar aarzelingen niet kon onderbouwen akkoord is gegaan met de door [X] gepresenteerde cijfers. Haar was immers al verteld dat de uitkering tussen de f 60.000,- en f 70.000,- per jaar zou liggen. Daarvan was zij dan ook op de hoogte. Bovendien zag UK vergoeding op een jaarlijks uitkering (vier maal, tussen 1990 en 1993) ter compensatie voor toekomstige winstderving. Daarom speelde deze vergoeding geen rol bij de afwikkeling van de huwelijksgoederengemeenschap. [eiseres] heeft in deze een parallel getrokken met een ontslagvergoeding die ten tijde van een echtscheiding wordt ontvangen. Voor zover die ziet op een vergoeding voor inkomensderving na de echtscheiding, komt de uitkering voor dat deel volledig toe aan de partij die de uitkering ontvangt en valt deze niet in de verdeling. Wel wordt daarmee rekening gehouden bij het vaststellen van de draagkracht voor het vaststellen van de partneralimentatie, aldus [eiseres].

Met betrekking tot de verdeling van de privérekening van [X] met nummer [nummer] heeft [eiseres] aangevoerd dat deze rekening door [X] is geopend nadat hij de [adres] had verlaten. Zij wijst voorts op het bepaalde in artikel 4 sub C van het concept echtscheidingsconvenant, waarin is bepaald dat de banksaldi en overige bezittingen vallende in de gemeenschap f 70.000,- bedragen. Volgens [eiseres] beoogden [X] en [gedaagde] door het hanteren van deze formulering in het convenant dat andere bankrekeningen niet tot de te verdelen gemeenschap behoorden. Daarbij heeft zij aangevoerd dat alle mutaties vanaf de datum van feitelijk uiteengaan van [X] en [gedaagde] niet van belang zijn, omdat het uitgangspunt van partijen was het vermogen per ultimo 1991 te verdelen. In formeel opzicht dient de bankrekening wel in de verdeling te worden betrokken en zonder nadere verrekening aan [eiseres] te worden toebedeeld.

4.35. De rechtbank overweegt ten aanzien van verdeling van de privérekening met nummer [nummer] dat uit de door [gedaagde] overgelegde stukken blijkt dat reeds in oktober 1991 geld is overgemaakt naar deze rekening en dat deze rekening op naam van [X] stond. De rechtbank heeft reeds overwogen dat zij uitgaat van een door [X] en [gedaagde] overeengekomen peildatum voor de omvang van de gemeenschap van ultimo 1991. Voorts is tussen partijen niet in geschil dat deze rekening niet bij de verdeling is betrokken en heeft [eiseres] niet betwist dat [gedaagde] pas bij de afwikkeling van de nalatenschap bekend werd met het bestaan van deze rekening.

Gesteld noch gebleken is dat [X] en [gedaagde] ten aanzien van de door ieder vanaf het moment van feitelijk uiteengaan gebruikte rekeningen een afspraak hebben gemaakt op grond waarvan deze privérekeningen niet behoefden te worden verdeeld althans zonder nadere verrekening zouden worden toebedeeld aan degene op wiens naam de betreffende rekening staat. De rechtbank kan voorts [eiseres] niet volgen in haar betoog dat [X] en [gedaagde] door het hanteren van de formulering in artikel 4 sub C van het convenant beoogden dat andere bankrekeningen niet tot de te verdelen gemeenschap behoorden, nu in dit convenant ook is opgenomen dat de akte is getekend uitgaande van de vermogensbestanddelen die [X] en [gedaagde] op dat moment bekend waren. Nu niet is betwist dat [gedaagde] niet wist van deze rekening ten tijde van het tekenen van het convenant, moet de rechtbank daarvan uitgaan en kan het bepaalde in het convenant niet zien op de betreffende rekening. De rechtbank concludeert dan ook dat deze rekening, gezien de peildatum en het feit dat de rekening toen al was geopend, één van de bestanddelen was van te verdelen huwelijksgoederengemeenschap en in de verdeling had moeten worden betrokken. De vraag die vervolgens voorligt is of [X], althans [eiseres] als diens rechtsopvolger onder algemene titel, het aandeel in dat bestanddeel heeft verbeurd aan [gedaagde] op grond van 3:194 lid 2 BW, zoals in reconventie primair gevorderd.

De rechtbank oordeelt dat [X] dit bestanddeel van de te verdelen huwelijksgoederengemeenschap opzettelijk heeft verzwegen. Immers, hij had deze rekening in ieder geval reeds in 1991 geopend en desalniettemin (zo is niet betwist) wist [gedaagde] niet van het bestaan daarvan. Derhalve komt zijn aandeel in dit goed toe aan [gedaagde]. Daarbij overweegt de rechtbank dat nu [gedaagde] toedeling aan [eiseres] en betaling uit overbedeling wenst, de vordering (kennelijk) slechts ziet op een eventueel positief saldo.

Vervolgens is van belang welke peildatum dient te worden gehanteerd voor de waarde van deze rekening. De rechtbank zal in redelijkheid aansluiten bij de door [X] en [gedaagde] gekozen peildatum voor de waardering van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap, derhalve ultimo 1991 en meer in concreto 31 december 1991.

Gezien het voorgaande wordt de rekening met nummer [nummer] toebedeeld aan [eiseres], nu dat tussen partijen niet in geschil is. Het saldo van de betreffende rekening, voor zover positief, komt per peildatum 31 december 1991 in het geheel toe aan [gedaagde]. In zoverre wordt het primair onder IV door [gedaagde] gevorderde toegewezen.

4.36. De rechtbank oordeelt ten aanzien van de afkoopsom als volgt. De afkoopsom bestaat uit drie verschillende elementen, de fusievergoeding (die in vier tranches werd uitbetaald), het winstaandeel eerste kwartaal 1990 en de UK vergoeding (vier jaren een bepaald bedrag voor het eerst op 1 mei 1990 uit te betalen). Het geschil ziet op de derde en vierde tranche van de fusievergoeding, alsmede op de UK vergoeding.

4.37. Ten aanzien van de derde en de vierde tranche van de fusievergoeding oordeelt de rechtbank dat [eiseres] heeft betoogd dat deze tranches inderdaad in het kader van de verdeling van de huwelijksgoederengemeenschap moesten worden betrokken bij de waarde van de aandelen in [bedrijf 1] en dat dit ook is gebeurd. Dit is een bevrijdend verweer. De rechtbank stelt vast dat [eiseres] dit verweer heeft onderbouwd door aan te tonen dat in het convenant is uitgegaan de waarde van de aandelen zoals die bleek uit de financiële stukken van [bedrijf 1] vermeerderd met de goodwill uit de derde en vierde tranche, waarbij zij heeft gewezen op de totstandkoming van het bedrag van de meegenomen goodwill. Deze stelling is door [gedaagde] niet betwist, terwijl met deze stelling niet langer kan worden volgehouden dat uit de jaarstukken en het grootboek van [bedrijf 1] blijkt dat de derde en vierde tranche niet zijn meegenomen bij de verdeling. De rechtbank gaat er dan ook vanuit dat [gedaagde] en [X] de derde en vierde tranche wel bij de verdeling hebben betrokken, zodat (nadere) verdeling daarvan thans niet in rechte kan worden gevorderd en evenmin sprake kan zijn van het verbeuren van het aandeel in dit bestanddeel. Dit laatste geldt temeer nu de fusievergoeding als zodanig geen bestanddeel is van de huwelijksgoederengemeenschap, maar de waarde van de aandelen wel een bestanddeel was.

4.38. Ten aanzien van de UK vergoeding overweegt de rechtbank dat niet is betwist dat de UK vergoeding is overgemaakt op de eerdergenoemde privérekening met nummer [nummer] van [X], zodat met de verdeling van die rekening ook deze vergoeding tot en met 31 december 1991 is verdeeld. Derhalve is slechts nog de vraag of ook voor de uitkeringen die hebben plaatsgevonden na die tijd nog een verdeling zou moeten plaatsvinden. Daartoe overweegt de rechtbank dat het vorderingsrecht ten aanzien van deze vergoeding is ontstaan ten tijde van het huwelijk. Bovendien heeft de rechtbank reeds overwogen dat zij ervan uitgaat dat [X] en [gedaagde] ultimo 1991 als peildatum voor de waarde van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap hebben gehanteerd. Het bedoelde vorderingsrecht is ook vóór die tijd ontstaan. Voorts is de rechtbank met [eiseres] van oordeel dat dit vorderingsrecht toekwam aan [bedrijf 2] Dat betekent echter dat ook deze vergoeding in de waardering van de aandelen van [bedrijf 1] moest zijn betrokken, althans op andere wijze tussen [gedaagde] en [X] moest worden verdeeld. Onbetwist is dat namens [gedaagde] op 30 oktober 1991 (zie rechtsoverweging 2.13.) is gevraagd of er nog inkomsten zijn c.q. zijn geweest uit het partnership [bedrijf 7] in Engeland en dat zij bovendien heeft gevraagd naar de financiële afwikkeling met betrekking tot de ‘overnamebonus’ in verband met de fusie met [bedrijf 8]. Vervolgens heeft Den Hollander in zijn brief van 14 november 1991 (zie rechtsoverweging 2.13.) geschreven dat de inkomsten uit het partnership [bedrijf 7] zijn verwerkt in het saldo van de bankrekeningen en privé en dat de overnamebonus deel uitmaakt van [bedrijf 1]/[bedrijf 2]

Gezien het voorgaande is duidelijk dat ook deze vergoeding tussen [gedaagde] en [X] ter sprake is gekomen en dat zij meenden dat deze in de verdeling moest worden betrokken. Het standpunt van [gedaagde] wordt aldus begrepen dat haar thans is gebleken dat deze UK vergoeding anders dan haar was voorgespiegeld, niet in de verdeling is betrokken.

De vraag is vervolgens of dit had gemoeten gezien de aard van de uitkering, zijnde (onbetwist) een compensatie voor winstderving. De Hoge Raad heeft met betrekking tot een koopsom voor een stamrechtverzekering in verband met het einde van een dienstverband geoordeeld (HR 17 oktober 2008, RFR 2008, 131) dat een onderscheid moet worden gemaakt tussen de aanspraken die zien op de periode voor en na de ontbinding van de huwelijksgoederengemeenschap. De aanspraken die zien de op de periode voor de ontbinding vallen in de huwelijksgoederengemeenschap, de aanspraken die zien op de periode erna niet. De rechtbank is van oordeel dat voor zover deze uitspraak analoog kan worden toegepast op de onderhavige vergoeding voor winstderving, die is uitgekeerd vanwege een achteruitgang in inkomen, dit [eiseres] niet kan baten. Immers, alle uitkeringen hebben plaatsgevonden voor de ontbinding van het huwelijk en het vorderingsrecht is ontstaan ten tijde van het huwelijk en nog voor de door [X] en [gedaagde] gekozen peildatum voor de waarde van de bestanddelen van de huwelijksgoederengemeenschap. Gesteld noch gebleken is dat en zo ja waarom met betrekking tot deze uitkeringen een andere datum dan de datum van ontbinding van het huwelijk moet worden gehanteerd, zoals de Hoge Raad heeft gedaan. Daarom is de rechtbank van oordeel dat het verweer faalt en dat de UK vergoeding (volledig) in de verdeling had moeten worden betrokken. De rechtbank overweegt in dit verband dat [eiseres] weliswaar heeft gesteld dat de vergoeding ter sprake is gekomen, maar nergens uit blijkt dat deze uitkeringen (na 31 december 1991) zijn verdeeld tussen [X] en [gedaagde]. Gezien het voorgaande gaat de rechtbank er vanuit dat dit niet is gebeurd en nog moet gebeuren.

4.39. Vervolgens moet de vraag worden beantwoord of [X], althans [eiseres], zijn aandeel in dit bestanddeel heeft verbeurd. De rechtbank oordeelt dat dit niet het geval is, nu uit de (onbetwiste) inhoud van de correspondentie tussen de advocaten van [X] en [gedaagde] blijkt dat [gedaagde] op de hoogte is gesteld van het bestaan alsmede de geschatte hoogte van de UK vergoeding. Ook al is niet komen vast te staan dat dit bestanddeel in de verdeling is betrokken, kan niet worden geoordeeld dat sprake is van opzettelijk verzwegen, zoekgemaakte of verborgen gehouden goederen. Het aandeel van [X] is dan ook niet aan [gedaagde] verbeurd en in zoverre wordt het primair gevorderde afgewezen.

4.40. De rechtbank oordeelt dat het gedeelte van de UK vergoeding dat is uitgekeerd na 31 december 1991 nog moeten worden verdeeld, tegen de waarde die deze (toen al bestaande) vorderingsrechten per ultimo, dus 31 december, 1991 hadden. De rechtbank gelast de wijze van verdeling aldus dat de waarde van de in 1992 en 1993 uitgekeerde vergoedingen wordt verdeeld in die zin dat deze aan [eiseres] worden toebedeeld onder betaling van de helft van de waarde per 31 december 1991 daarvan aan [gedaagde].

VPB

4.41. [gedaagde] heeft gesteld dat zij ten onrechte heeft meegedeeld in de volledige VPB over de fusievergoeding, terwijl zij niet in de volledige afkoopsom heeft gedeeld. Zij heeft in dit verband gewezen op de brief van Den Hollander van 21 augustus 1991 die als uitgangspunt heeft gediend bij de totstandkoming van het convenant, waarin een bedrag van f 705.000,- wordt genoemd aan latente belastingverplichtingen. Volgens haar was echter al VPB betaald over de eerste twee tranches van de fusievergoeding alsmede het winstaandeel in 1990. Derhalve had alleen de VPB over de rest van de afkoopsom moeten worden opgegeven. [gedaagde] meent dan ook dat zij teveel VPB heeft betaald, hetgeen zij in deze procedure terugvordert.

4.42. [eiseres] heeft hiertegen verweer gevoerd en verwezen naar het bepaalde in het concept echtscheidingsconvenant (zie rechtsoverweging 2.15.), waaruit blijkt dat op de waarde van de aandelen de latente belastingclaim al in mindering is gebracht. Zij heeft voorts betoogd dat de latente belastingverplichtingen van f 705.000,- die den Hollander in zijn overzicht van vermogensbestanddelen heeft opgenomen geen betrekking hebben op de te betalen VPB, nu die belasting wordt betaald door de besloten vennootschap. De in het overzicht opgenomen latente belasting heeft volgens [eiseres] betrekking op de inkomstenbelasting ter zake het aanmerkelijk belang. De latente belastingclaim is als schuld van de gemeenschap opgevoerd omdat over de waarde van de aandelen in de vennootschap bij verkoop een aanmerkelijk belangheffing dient te worden betaald. Voorts hebben de belastingverplichtingen betrekking op de belastinglatentie ter zake de uitkering op de levensverzekeringen en het in eigen beheer opgebouwd pensioen, volgens [eiseres]. Er is volgens [eiseres] dan ook geen sprake van het meebetalen van VBP door [gedaagde]. Zij concludeert tot afwijzing van de vordering in reconventie op dit punt.

4.43. De rechtbank stelt vast dat [gedaagde] tot uitgangspunt neemt dat de latente belasting die bij de verdeling is betrokken voor een bedrag van f 705.000,- VPB belasting betreft. Echter, de rechtbank stelt vast dat dit niet met stukken of anderszins wordt onderbouwd. Bovendien ligt dit ook niet voor de hand nu VPB een belastingverplichting is die rust op de B.V. en niet op [X] in persoon, zodat deze verplichting niet als zodanig in de huwelijksgoederengemeenschap tussen [X] en [gedaagde] valt. De stelling van [gedaagde] is door [eiseres] ook gemotiveerd betwist. De rechtbank is van oordeel dat niet kan worden uitgesloten dat de latente belasting van f 705.000,- is opgenomen in verband met inkomstenbelasting ter zake het aanmerkelijk belang in de onderneming, de uitkering op de levensverzekeringen en het in eigen beheer opgebouwd pensioen. Het is ook niet ongebruikelijk bij de verdeling van een huwelijksgoederengemeenschap voor deze posten een latente belasting op te nemen. Daarbij wordt in aanmerking genomen dat [gedaagde] heeft verklaard in de echtscheidingsprocedure te zijn bijgestaan door een fiscalist. Gezien het voorgaande oordeelt de rechtbank dat [gedaagde] onvoldoende heeft gesteld om te kunnen concluderen dat het bedrag van f 705.000,- in de verdeling is betrokken ten behoeve van VPB en daarmee ook niet dat dit onjuist is geschied. Daarmee is niet komen vast te staan dat [eiseres] haar enig bedrag is verschuldigd uit hoofde van ten onrechte door [gedaagde] betaalde VPB. De primaire vordering in reconventie van [gedaagde] zoals neergelegd onder V van de Conclusie van antwoord in conventie tevens eis in reconventie wordt dan ook afgewezen.

f 92.000,- rente

4.44. [gedaagde] heeft in reconventie gevorderd [eiseres] te veroordelen tot betaling van het door [gedaagde] ten onrechte betaalde bedrag aan rente van f 92.000,- per jaar over het overbruggingskrediet, nu zij meent dat deze betalingen ten laste van gemeenschapsgeld zijn voldaan.

4.45. [eiseres] heeft betwist dat dit het geval is. Zij heeft erop gewezen dat [X] en [gedaagde] ultimo 1991 als peildatum hebben gekozen en dat de betalingen na die datum hebben plaatsgevonden ten laste van de inkomsten van [X]. Dat deze kosten van gemeenschapsgeld zijn voldaan wordt volgens [eiseres] ook niet aangetoond.

4.46. De rechtbank oordeelt als volgt. Ten eerste is de vordering van [gedaagde] onvoldoende bepaald, nu geenszins wordt aangegeven om hoeveel jaar en dus om welk bedrag het (in totaal) gaat. Ten tweede is zonder nadere motivering, die ontbreekt, onbegrijpelijk dat betaling van rente, van welke betalingsverplichting [gedaagde] moet hebben geweten, vanaf een moment gelegen na de door [X] en [gedaagde] gekozen peildatum in de gemeenschap zou vallen. Tot slot heeft [gedaagde] in het geheel niet aangetoond waarvan deze betalingen werden verricht, zodat niet kan worden aangenomen dat deze betalingen zijn verricht van gelden die voor de helft aan haar toebehoorden. In dat verband is nog van belang dat de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat de fusievergoedingen niet als gemeenschappelijk kunnen worden aangemerkt en de UK vergoeding alsnog zal worden verrekend. Daarmee kan van een toewijzing van deze vordering al geen sprake zijn, aangezien het niet zo kan zijn dat [gedaagde] aanspraak maakt op betaling van de helft van de UK vergoeding en daarenboven ook van hetgeen daarmee is betaald. Dan zou immers sprake zijn van dubbeltelling. De vordering wordt afgewezen.

Conclusie primaire vordering in reconventie

4.47. De rechtbank gelast de wijze van verdeling aldus dat het saldo van de rekening bij ABN Amro met nummer [nummer], voor zover positief, wordt toebedeeld aan [eiseres] en de waarde ervan per peildatum 31 december 1991 in het geheel toekomt aan [gedaagde] alsmede dat de waarde van de in 1992 en 1993 uitgekeerde UK vergoedingen aan [eiseres] worden toebedeeld onder betaling van de helft van de waarde per 31 december 1991 daarvan aan [gedaagde]. De overige primaire vorderingen worden afgewezen.

Subsidiair

4.48. Nu reeds ten aanzien van de primaire vordering in reconventie is geoordeeld over het gelasten van de wijze van verdelen althans het vaststellen van de verdeling als bedoeld onder II, III, en IV van de conclusie van eis in reconventie en de subsidiaire vordering niet verschilt van het primair gevorderde wat dat betreft, heeft de rechtbank daarmee ook al beslist op het subsidiair gevorderde.

Meer subsidiair

Kapitaalpolissen

4.49. [gedaagde] vordert in reconventie meer subsidiair de wijze van verdeling te gelasten, althans de verdeling vast te stellen in die zin dat uit hoofde van de kapitaalpolissen een onderbedelingsvordering van [gedaagde] op [eiseres] is ontstaan van € 338.992,16 alsmede € 31.684,95, alsmede € 3.088,15.

4.50. [eiseres] heeft hiertegen aangevoerd dat uit de brieven tussen de advocaten van partijen blijkt dat bij de berekening van de nettowaarde van de [adres] rekening is gehouden met de waarde van de polissen van de kapitaalverzekeringen. In dit verband heeft zij erop gewezen dat de waarde van de woning van f 850.000,- is verminderd met de drie hypotheken (depositohypotheek, f 323.436,-, kapitaalhypotheek f 299.849,-- en de hypotheek bij [bedrijf 2] f 127.000,-) en is vermeerderd met de waarde uit de polissen (f 249.785,-), zodat een bedrag van f 349.500,- resteerde. In het concept echtscheidingsconvenant is vervolgens opgenomen:

“4. Tot de gemeenschappelijke boedel behoren de navolgende activa:

(…)

B. De waarde van de gemeenschappelijke woning aan de [adres] te [woonplaats] is vastgesteld op f 850.000, waarop in mindering moet worden gebracht de hypothecaire inschrijving en overige schulden, zodat een netto-waarde resteert van f 350.000.”

De rechten uit de polissen zijn dus in de afrekening verdisconteerd. Indien dat niet het geval was, was men op een ander bedrag uitgekomen dan op 1,1 miljoen, zoals thans het geval is. Volgens [eiseres] was het de bedoeling van [X] en [gedaagde] dat de polissen aan [X] zouden toekomen onder de gehoudenheid om de verplichtingen uit de hypotheekschuld voor zijn rekening te nemen.

Voor zover de rechtbank oordeelt dat de polissen niet bij de verdeling zijn betrokken, meent [eiseres] dat de polissen van de kapitaalverzekering en niet van de overlijdensrisicoverzekering alsnog in de verdeling moeten worden betrokken tegen de waarde die de polissen op de peildatum hadden, omdat [X] vanaf die tijd alle premies voor zijn rekening heeft genomen en als persoonlijke schuld heeft voldaan. Ten aanzien van de overlijdensrisicoverzekering heeft [eiseres] betoogd dat deze niet voor verdeling in aanmerking komen omdat [eiseres] begunstigde was voor deze verzekering en niet kan worden ingezien waarom [gedaagde] aanspraak kan maken op enig bedrag.

Ten aanzien van de gevorderde € 31.684,95 alsmede € 3.088,15 heeft [eiseres] aangevoerd dat niet valt in te zien om welke reden [gedaagde] gerechtigd zou zijn tot enige uitkering, nu zij ook ten aanzien van die polis niet de begunstigde was.

4.51. De rechtbank heeft in rechtsoverweging 4.21. reeds overwogen dat zij ervan uitgaat dat de kapitaalpolissen met nummers ([nummer] later gewijzigd in) 120[nummer] en ([nummer] later gewijzigd in) [nummer] reeds zijn verdeeld in die zin dat deze aan [X] zijn toebedeeld. Alhoewel de rechtbank heeft geoordeeld dat daarbij onvoldoende is onderbouwd dat dit onder verrekening van de helft van de waarde is geschied, heeft [gedaagde] evenzeer onvoldoende onderbouwd dat zij in dit kader is onderbedeeld. Immers, uit haar brief van 24 juni 2010 volgt dat de hypothecaire geldleningen en de kapitaalpolissen allebei niet zijn verdeeld, terwijl [X] en [gedaagde] allebei wisten van de geldleningen en de kapitaalpolissen en in het convenant is overeengekomen dat ieder hetgeen behoudt dat op zijn of haar naam staat. Dit zou ook tot de conclusie kunnen leiden dat [X] en [gedaagde] ervoor hebben gekozen de hypothecaire geldleningen en de kapitaalpolissen aan [X] toe te delen zonder nadere verrekening. In dat licht had het op de weg van [gedaagde] gelegen om haar standpunt nader te onderbouwen, hetgeen zij heeft nagelaten. Derhalve is niet komen vast te staan dat sprake is van onderbedeling van [gedaagde] voor een bedrag van € 338.992,16. Ten aanzien van de overige polissen heeft [gedaagde] slechts gesteld dat dit contante uitbetaling van kapitaalpolissen aan [eiseres] betreft. Bij gebrek aan enige rechtsgrond, alsmede feiten en omstandigheden ter onderbouwing van het gevorderde, wordt de vordering afgewezen.

Conclusie meer subsidiaire vordering in reconventie

4.52. Gezien hetgeen de rechtbank reeds heeft overwogen en beslist ten aanzien van de fusievergoeding en de UK vergoeding, zal geen sprake zijn van toebedeling aan [eiseres] onder betaling van een bedrag uit overbedeling aan [gedaagde]. De vordering onder VII van de conclusie van antwoord in reconventie wordt dan ook afgewezen.

4.53. Voorts is reeds beslist dat de vorderingen ten aanzien van de VPB en rente over het overbruggingskrediet (f 92.000,-) worden afgewezen, zodat [eiseres] ook niet zal worden veroordeeld tot betaling daarvan. Ten aanzien van de fusievergoeding, de UK vergoeding en het saldo van de rekening bij ABN Amro is ook reeds geoordeeld en zal de wijze van verdeling worden gelast als eerder overwogen. Nu ten aanzien van deze posten op dit moment niet vast staat welk bedrag [eiseres] aan [gedaagde] is verschuldigd uit overbedeling, kan de rechtbank niet overgaan tot veroordeling tot betaling daarvan.

Meer meer subsidiair

4.54. Hierop zal de rechtbank niet ingaan, omdat reeds is geoordeeld over de fusievergoeding alsmede de kapitaalpolissen.

Uiterst subsidiair

4.55. Ook hiervoor geldt dat de rechtbank reeds heeft geoordeeld dat niet is komen vast te staan dat [eiseres] haar enig bedrag is verschuldigd uit hoofde van ten onrechte door [gedaagde] betaalde VPB. Daarmee zal de uiterst subsidiair gevorderde veroordeling van het door [gedaagde] teveel betaalde bedrag aan VPB evenmin worden toegewezen.

Zowel primair, als subsidiair, als meer subsidiair, als meer meer subsidiair, als uiterst subsidiair

Medewerking levering [adres]

4.56. De rechtbank verwijst op dit punt naar hetgeen is overwogen onder rechtsoverweging 4.21. en zal bepalen dat [eiseres] meewerking dient te verlenen aan levering van de [adres] haar, dus aan [eiseres], zoals door [gedaagde] gevorderd.

Gebruiksvergoeding

4.57. [gedaagde] vordert veroordeling van [eiseres] tot betaling van een gebruiksvergoeding voor het gebruik van de [adres], nu [eiseres] het alleengebruik heeft van de gehele woning en aldus ook van het gedeelte van de waarde van de woning dat aan [gedaagde] toebehoort, aldus [gedaagde].

4.58. De rechtbank wijst op hetgeen zij reeds heeft overwogen in rechtsoverweging 4.11., waarin zij onder andere heeft geoordeeld dat de [adres] zonder nadere verrekening aan [X] is toebedeeld. Onder de omstandigheden van het geval (zie rechtsoverweging 4.11.) kan niet worden ingezien dat [gedaagde] recht zou hebben op een gebruiksvergoeding, nu niet kan worden volgehouden dat er een gedeelte van (de waarde van) de [adres] toebehoorde aan [gedaagde] en er derhalve een deelgenootschap heeft bestaan als bedoeld in artikel 3:169 BW. De vordering wordt dan ook afgewezen.

Uitvoerbaar bij voorraad

4.59. Ook in reconventie geldt dat voor zover het gaat om een declaratoir vonnis, het niet mogelijk is dat deel van het vonnis uitvoerbaar bij voorraad te verklaren. Tot zover zal de vordering dan ook worden afgewezen. Voor het overige zal de rechtbank het vonnis uitvoerbaar bij voorraad verklaren.

Proceskosten in reconventie en buitengerechtelijke kosten

4.60. Aangezien elk van partijen als op enig punt in het ongelijk gesteld is te beschouwen, zullen de proceskosten worden gecompenseerd op de hierna te vermelden wijze.

4.61. De vordering tot vergoeding van buitengerechtelijke (incasso-)kosten zal - mede gelet op de door deze rechtbank gevolgde aanbevelingen van het Rapport Voor-werk II - worden afgewezen. [gedaagde] heeft immers in het geheel niet gesteld dat kosten zijn gemaakt, laat staan dat die kosten betrekking hebben op verrichtingen die meer omvatten dan een enkele (eventueel herhaalde) aanmaning, het enkel doen van een (niet aanvaard) schikkingsvoorstel, het inwinnen van eenvoudige inlichtingen of het op gebruikelijke wijze samenstellen van het dossier. Derhalve heeft [gedaagde] niet aan haar stelplicht voldaan op dit punt en worden de gevorderde kosten afgewezen.

5. De beslissing

De rechtbank

in conventie

5.1. verklaart van recht dat [X] en [gedaagde] ten tijde van de tussen hen geldende echtscheidingsprocedure - al dan niet impliciet - zijn overeengekomen dat de [adres] die op 15 oktober 1991 op naam van [X] in eigendom is verkregen, is toegedeeld aan [X] zonder nadere verrekening van de waarde van deze woning met [gedaagde],

5.2. verklaart van recht dat [X] en [gedaagde] ten tijde van de tussen hen geldende echtscheidingsprocedure - al dan niet impliciet - zijn overeengekomen dat [X] de lasten, die voortvloeien uit de overeenkomst van overbruggingslening die hij op 15 oktober 1991 heeft afgesloten met de besloten vennootschap [bedrijf 1], voor zijn rekening dient te nemen en als eigen schuld dient te voldoen,

5.3. verklaart van recht dat [X] en [gedaagde] ten tijde van de tussen hen geldende echtscheidingsprocedure - al dan niet impliciet - zijn overeengekomen dat de overige kosten die zijn gemoeid met het in eigendom verkrijgen van de [adres], de eigenaarslasten die vanaf 15 oktober 1991 zijn verbonden aan de woning en de lasten van deze woning zonder nadere verrekening voor [X] komen,

5.4. verklaart van recht dat [X] en [gedaagde] ten tijde van de tussen hen geldende echtscheidingsprocedure - al dan niet impliciet - zijn overeengekomen dat de verplichtingen uit de overeenkomsten van hypothecaire geldleningen die onder de leningnummers [nummer] en [nummer] waren afgesloten bij de Nederlandsche Hypotheekbank in de verdeling tussen [X] en [gedaagde] zijn betrokken en wel in die zin dat [X] de verplichtingen uit de overeenkomsten voor zijn rekening diende te nemen en als persoonlijke schuld diende te voldoen,

5.5. verklaart van recht dat [X] en [gedaagde] ten tijde van de tussen hen geldende echtscheidingsprocedure - al dan niet impliciet - zijn overeengekomen dat de rechten uit de polissen van kapitaalverzekering onder polisnummers [nummer] en [nummer] die zijn afgesloten bij NOG U.A. aan [X] worden toegedeeld, aangezien de waarde ervan is betrokken bij het vaststellen van de overbedelingsschuld in 1995,

5.6. veroordeelt [gedaagde] tot het verlenen van haar medewerking aan het verlijden van een notariële akte, waarbij het woonhuis met garage, ondergrond, erf, tuin en verdere aanbehoren, gelegen in [woonplaats 2] aan de [adres] en kadastraal bekend als gemeente [woonplaats 2], sectie [nummer], groot 10.18 are wordt geleverd aan [eiseres], door op eerste verzoek van een door [eiseres] aan te wijzen notaris voor de levering benodigde actie te ondernemen en de akte van verdeling op eerste verzoeken zijnerzijds te ondertekenen, binnen twee weken nadat het te dezen te wijzen vonnis aan [gedaagde] is betekend,

5.7. veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eiseres] tot op heden begroot op € 1.708,32,

5.8. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.6 en 5.7. genoemde beslissing uitvoerbaar bij voorraad,

5.9. wijst het meer of anders gevorderde af,

in reconventie

5.10. verklaart van recht dat [X] zijn aandeel in de onverdeeld gebleven bankrekening bij ABN Amro: [nummer] heeft verbeurd,

5.11. gelast de wijze van verdeling aldus dat:

- het saldo van de bankrekening bij ABN Amro: [nummer], wordt toebedeeld aan [eiseres], waardoor zij uit hoofde van overbedeling aan [gedaagde] het daarop (per 31 december 1991) aanwezige saldo dient te voldoen,

- de waarde van het in 1992 en 1993 uitgekeerde gedeelte van de UK vergoeding wordt toebedeeld aan [eiseres] onder betaling van de helft van de waarde daarvan per 31 december 1991 aan [gedaagde],

5.12. bepaalt dat [eiseres] medewerking dient te verlenen aan levering van de [adres] aan haar,

5.13. verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.11. en 5.12. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad,

5.14. compenseert de kosten van deze procedure tussen partijen, in die zin dat iedere partij de eigen kosten draagt,

5.15. wijst het meer of anders gevorderde af.

Dit vonnis is gewezen door mr. H.A. Gerritse, mr. D.J. van Maanen en mr. E.E.M. van Abbe en in het openbaar uitgesproken op 29 augustus 2012.?