Gevonden zoektermen

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY2921

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
16-07-2012
Datum publicatie
13-11-2012
Zaaknummer
763532 UC EXPL 11-10721 CTH 4065
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Afsluiting drinkwatervoorziening voor de duur van twee jaren onder de gegeven omstandigheden onrechtmatig. Volgt afwijzing vordering drinkwaterleverancier in conventie en toewijzing van reconventionele vordering tot herstel drinkwatertoevoer en verklaring

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
NJF 2013/10

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

sector handel en kanton

kantonrechter

locatie Utrecht

zaaknummer: 763532 UC EXPL 11-10721 CTH 4065

vonnis van 16 juli 2012

inzake

de naamloze vennootschap

Vitens N.V.,

gevestigd te Utrecht,

verder ook te noemen Vitens,

eisende partij in conventie,

verwerende partij in reconventie,

gemachtigde: A.H. Groenewegen, werkzaam bij incassobureau Groenewegen en Partners,

tegen:

[gedaagde],

wonende te [woonplaats],

verder ook te noemen [gedaagde],

gedaagde partij in conventie,

eisende partij in reconventie,

procederende in persoon.

1. Het verloop van de procedure

Vitens heeft een vordering ingesteld.

[gedaagde] heeft geantwoord op de vordering en heeft een eis in reconventie ingesteld.

Vitens heeft voor repliek in conventie en voor antwoord in reconventie geconcludeerd.

[gedaagde] heeft voor dupliek in conventie en voor repliek in reconventie geconcludeerd.

Vitens heeft voor dupliek in reconventie geconcludeerd.

Hierna is uitspraak bepaald.

2. De feiten in conventie en in reconventie

2.1. Vitens en [gedaagde] hebben een overeenkomst gesloten tot levering van drinkwater aan het woonadres van [gedaagde].

2.2. Vitens heeft de drinkwaterlevering aan [gedaagde] medio juni 2010 onderbroken en heeft de aansluiting van de woning van [gedaagde] op het waterleidingnet afgesloten.

2.3. [gedaagde] heeft op 16 juni 2010 per bank en onder vermelding van de mededeling: “Spoedoverboeking Faktuur 71901422504 term 12/09+w ett rente v.a jan’10 E .23 + max wett incasso a 44.03” een bedrag van € 59,29 aan Vitens betaald. Vitens heeft deze betaling op 17 juni 2010 ontvangen.

2.4. Artikel 9 van de algemene voorwaarden van Vitens luidt – voor zover hier van belang – als volgt:

“Artikel 9 Onderbreking van de levering wegens niet-nakoming

9.1 Het bedrijf is bevoegd na voorafgaande waarschuwing – tenzij dat om redenen van veiligheid niet van het bedrijf kan worden verlangd – de levering te onderbreken, indien en zolang de aanvrager en/of verbruiker één of meer artikelen van deze algemene voorwaarden of de op grond van deze voorwaarden van toepassing zijnde voorschriften niet nakomt. Een dergelijk geval kan zich onder andere voordoen indien:

a. de drinkwaterinstallatie niet voldoet aan het bepaalde in of krachtens de aansluitvoorwaarden van het bedrijf;

b. één of meer van de in artikel 18 van deze algemene voorwaarden genoemde verbodsbepalingen zijn overtreden;

c. de verbruiker overeenkomstig het bepaalde in artikel 17 van deze algemene voorwaarden in verzuim is een vordering ter zake van aansluiting of levering, dan wel een andere opeisbare vordering, die het bedrijf op hem heeft, te voldoen, met inbegrip van die ter zake van aansluiting of levering ten behoeve van een ander, respectievelijk vorig perceel, mits er voldoende samenhang bestaat tussen de vordering en de verbintenis van het bedrijf om de onderbreking te rechtvaardigen. Dit geldt mede met betrekking tot vorderingen van het bedrijf ter zake van aansluiting of levering ten behoeve van de uitoefening van een beroep of een bedrijf;

d. de verbruiker een geldende betalingsregeling niet nakomt;

Het bedrijf zal overigens slechts gebruik maken van zijn, bevoegdheid tot onderbreking van de levering, indien en voor zover de niet-nakoming van zijn verplichtingen door de aanvrager/verbruiker dat rechtvaardigt.

(…)

9.3 De in het eerste lid van dit artikel bedoelde onderbreking van de levering wordt pas ongedaan gemaakt nadat de reden daarvoor is weggenomen en de kosten van de onderbreking en hervatting van de levering, alsmede van eventueel door het bedrijf in verband hiermede geleden schade, geheel zijn voldaan. Aan de hervatting van de levering kan het bedrijf nadere voorwaarden verbinden. (…)”

3. De vorderingen en het verweer

in conventie

3.1. Na wijziging van eis vordert Vitens bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad, veroordeling van [gedaagde] om aan haar te voldoen een bedrag van € 78,97, te vermeerderen met de wettelijke rente over € 78,97 vanaf 29 juni 2011 tot de dag der algehele voldoening, tevens te vermeerderen met buitengerechtelijke incassokosten ad € 75,00, met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van de procedure.

3.2. Vitens legt aan haar vordering ten grondslag dat [gedaagde] in verzuim verkeert met betaling van haar vordering. De verschuldigdheid van buitengerechtelijke incassokosten vloeit volgens Vitens voort uit de volgens haar van toepassing zijnde algemene voorwaarden, dan wel uit de wet.

3.3. [gedaagde] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van Vitens in haar vorderingen, althans tot afwijzing daarvan. Het verweer van [gedaagde] komt er – samengevat – op neer dat Vitens ten onrechte is overgegaan tot onderbreking van de levering van drinkwater. [gedaagde] erkent dat hij een factuur van 23 december 2009 niet tijdig aan Vitens heeft voldaan. [gedaagde] heeft op 16 juni 2010 een bedrag van € 59,29 door middel van een spoedoverboeking per bank aan Vitens voldaan. Deze betaling had betrekking op de factuur van 23 december 2009, wettelijke rente en buitengerechtelijke incassokosten, aldus [gedaagde]. De betaling brengt volgens [gedaagde] mee dat hij aan zijn betalingsverplichtingen jegens Vitens heeft voldaan. [gedaagde] betwist voorts expliciet akkoord te zijn gegaan met toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Vitens. [gedaagde] weerspreekt dat Vitens huisbezoeken heeft afgelegd teneinde betaling van hem te verkrijgen en betwist hiervoor een vergoeding verschuldigd te zijn. Tevens betwist hij gehouden te zijn tot betaling van aanmaankosten door aan te voeren dat hij vermoedt dat Vitens nazaten van de gebroeders Grimm in dienst heeft die de hoofdsom hebben opgehoogd met herinneringskosten, ‘wateraanmaankosten’, maar ook met afsluitkosten. [gedaagde] stelt concluderend dat Vitens feitelijk onrechtmatig heeft gehandeld. Omdat destijds beleidscriteria van overheidswege ontbraken, was het Vitens volgens hem niet toegestaan de drinkwaterlevering te onderbreken als daar geen (technische) noodzaak toe was. Bovendien heeft Vitens nodeloos de onderbreking voort laten duren terwijl onderhavige procedure aanhangig is, aldus [gedaagde].

3.4. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

in reconventie

3.5. [gedaagde] vordert bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad:

I. Vitens te gelasten tot onmiddellijke en onvoorwaardelijke hervatting van de drinkwaterlevering door Vitens aan [gedaagde], met inachtneming van alle wettelijke en/of geldende kwaliteitseisen (i.e. “onberispelijke kwaliteit”), binnen vierentwintig uur na uitspraak, met aanzegging dat wanneer de kwaliteitseisen om technische of chemische/(micro)biologische redenen niet worden gehaald, dit eiseres niet vrijstelt van deze termijn van vierentwintig uur;

II. Bij in gebreke blijven van voornoemde onder I, een dwangsom op te leggen van € 500,00 per dagdeel, met een maximum van € 5.000,00;

III. Primair: uit te spreken dat eiseres met het onderbreken van de drinkwatervoorziening onrechtmatig en/of onwettig heeft gehandeld, alsook in het laten voortbestaan van deze impasse gezien haar plichten en (publieke) verantwoordelijkheid aangaande de levering van drinkwater;

Subsidiair: dit handelen tenminste als onfatsoenlijk, onnodig, onnodig duur, onwenselijk en feitelijk misbruik haar monopoliepositie aan te merken;

IV. Al dan niet afhankelijk van toewijzing of meeweging van de vorderingen onder III in verhouding tot vergelijkbare situaties in precedenten of jurisprudentie, eiseres te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding, zijnde tegemoetkoming voor door gedaagde gemaakte kosten voor alternatieve watertoevoer van € 1.250,00, inclusief btw;

V. Al dan niet afhankelijk van toewijzing of meeweging van de vorderingen onder III in verhouding tot vergelijkbare situaties in precedenten of jurisprudentie, eiseres te veroordelen tot het betalen van schadevergoeding, zijnde vergoeding wegens ongerief en vervolgschade van € 750,00, exclusief btw, per maand die gedaagde verstoken is (geweest) van drinkwaterlevering, ofwel een totaal van € 14.280,00.

3.6. [gedaagde] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij zich genoodzaakt heeft gezien op alternatieve wijze in zijn behoefte aan drinkwater te voorzien en kosten heeft moeten maken om op dit punt voorzieningen te treffen. [gedaagde] voert ter onderbouwing van zijn vordering – samengevat – aan dat hij schoon water heeft aangevoerd en een hydrofoorinstallatie heeft aangelegd.

3.7. Vitens voert verweer en concludeert tot afwijzing van de reconventionele vordering. Volgens haar heeft [gedaagde] de gevorderde schadevergoeding onvoldoende onderbouwd. Ditzelfde geldt volgens haar voor de gevorderde dwangsommen. Uit de overige vorderingen kan Vitens naar eigen zeggen niet wijs worden en zien naar haar mening niet op rechtens toewijsbare vorderingen.

3.8. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4. De beoordeling

in conventie

4.1. Het geschil tussen partijen komt er kort gezegd op neer dat Vitens betaling vordert van voorschotbedragen en afsluitkosten, terwijl [gedaagde] zich op het standpunt stelt dat hij aan zijn betalingsverplichtingen heeft voldaan.

4.2. Vitens heeft voorafgaand aan het afsluiten van de drinkwatertoevoer medio juni 2010 bij brief van 11 maart 2010 aanspraak gemaakt op betaling van € 32,53 (zijnde € 15,03 voorschotbedrag plus € 17,50 aanmaningskosten). Bij brief van 1 april 2010 heeft Vitens aanspraak gemaakt op betaling van de hiervoor genoemde bedragen, vermeerderd met € 17,50 (aanmaningskosten 1 april 2010). Ter onderbouwing van haar vordering heeft Vitens bij conclusie van repliek als productie 1 een overzicht overgelegd waarin haar vorderingen en de betalingen door [gedaagde] in chronologische volgorde zijn opgenomen.

4.3. Uit de datering van de afzonderlijke posten zoals deze opgenomen zijn in het overzicht in productie 1 blijkt dat Vitens, op het moment dat zij over wenste te gaan tot afsluiting, een bedrag van € 153,03 te goed meende te hebben van [gedaagde]. Dit bedrag is opgebouwd uit de volgende bedragen: € 15,03 (voorschottermijn), € 17,50 (aanmaning van 5 maart 2010), € 17,50 (aanmaning 1 april 2010), € 51,50 (kwitantiekosten bezoek incasseerder) en € 51,50 (voorrijkosten bezoek incasseerder). Vitens heeft bij conclusie van repliek het deel van haar vordering dat betrekking heeft op het aanvankelijk aan [gedaagde] in rekening gebrachte huisbezoek niet gehandhaafd. Ditzelfde is het geval met de aanvankelijk door haar gevorderde aanmaankosten van € 17,50 per keer.

4.4. Naar de kantonrechter de processtukken begrijpt heeft Vitens haar eis in die zin gewijzigd dat het bedrag van € 291,64 – dat zij bij dagvaarding vorderde – is vermeerderd met een voorschottermijn à € 7,95 (nr. 75900036206) en is verminderd met drie maal € 17,50 aanmaningskosten en € 51,50 ‘kwitantiekosten’. Op het totaal is in mindering gebracht een bedrag van € 116,62 ter zake van een periodeafrekening, waarmee volgens Vitens resteert een vordering van € 78,97. Tegen de wijziging van eis is door [gedaagde] geen bezwaar gemaakt.

4.5. [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord betwist expliciet akkoord te zijn gegaan met de toepasselijkheid van de algemene voorwaarden van Vitens, maar heeft daarmee niet betwist dat hij impliciet de toepasselijkheid van deze voorwaarden heeft aanvaard. Daarom zijn de voorwaarden in hun geheel van toepassing op de overeenkomst tussen partijen.

4.6. Los van de vraag of Vitens gerechtigd was voorafgaand aan het afsluiten van de drinkwatertoevoer aanmaankosten, ‘kwitantiekosten’ en voorrijkosten in rekening te brengen, dient beoordeeld te worden of de tekortkoming in de nakoming aan de zijde van [gedaagde] afsluiting van de drinkwatertoevoer door Vitens rechtvaardigde.

4.7. Uit de datering van de afzonderlijke posten zoals deze opgenomen zijn in het overzicht in productie 1 blijkt dat op het moment dat Vitens over wenste te gaan tot afsluiting, de hiervoor genoemde aanmaankosten, ‘kwitantiekosten’ en voorrijkosten buiten beschouwing latend, een voorschotbedrag van € 15,03 door [gedaagde] onbetaald was gelaten. De kantonrechter is van oordeel dat een zo geringe betalingsachterstand niet de onderbreking van de levering van drinkwater aan [gedaagde] en de afsluiting van de aansluiting van de woning van [gedaagde] op het waterleidingnet, rechtvaardigde. Dit te meer nu [gedaagde] als gevolg van deze handelwijze verstoken raakte van drinkwater, een primaire levensbehoefte. Bovendien volgt uit haar eigen algemene voorwaarden – met name het hiervoor geciteerde laatste deel van lid 1 van artikel 9 – dat Vitens slechts gebruik maakt van haar bevoegdheid tot onderbreking van de levering indien en voor zover de niet-nakoming door de aanvrager/gebruiker dit rechtvaardigt. Van een dergelijke rechtvaardiging is niet gebleken.

4.8. Evenmin is komen vast te staan dat Vitens [gedaagde] voorafgaand aan het afsluiten van de watertoevoer heeft gewaarschuwd daartoe over te gaan zoals zij op grond van artikel 9 van haar algemene voorwaarden behoort te doen. [gedaagde] heeft bij conclusie van antwoord weersproken dat Vitens een aankondiging tot afsluiting heeft gedaan, noch door een vertegenwoordiger noch door middel van een enveloppe met hierin een aankondiging. Vitens heeft vervolgens geen nadere feiten of omstandigheden aangevoerd waaruit kan worden opgemaakt dat zij een huisbezoek aan [gedaagde] heeft gebracht of waaruit blijkt dat een van de door Vitens als productie 2 overgelegde aanmaningen [gedaagde] daadwerkelijk heeft bereikt. De enkele stelling dat dit het geval is, vormt onvoldoende onderbouwing op dit punt.

4.9. Voorts heeft Vitens, teneinde betaling van € 15,03 te verkrijgen, op basis van artikel 17 lid 3 van haar algemene voorwaarden (in samenhang met het tarievenoverzicht) in totaal een bedrag van € 138,00 aan aanmanings- en incassokosten bij [gedaagde] in rekening gebracht. Deze kosten worden met [gedaagde] door de kantonrechter aangemerkt als buitengerechtelijke incassokosten. Nu sprake is van een door Vitens met [gedaagde] als consument gesloten overeenkomst en Vitens zich jegens [gedaagde] beroept op een beding dat is opgesteld om in een aantal overeenkomsten te worden opgenomen en/of waarover niet vooraf met de consument is onderhandeld, dient de kantonrechter op grond van de rechtspraak van het Hof van Justitie (o.a. Pannon-arrest, 4 juni 2009, C-243/08) ambtshalve te beoordelen of het beding onredelijk bezwarend is. De kantonrechter neemt daarbij in aanmerking dat de Richtlijn 93/13/EEG van de Raad van 5 april 1993 inzake oneerlijke bedingen in consumentenovereenkomsten (verder: de richtlijn) is geïmplementeerd in het Burgerlijk Wetboek, onder meer in artikel 6:233 BW, waarin is bepaald dat een onredelijk bezwarend beding vernietigbaar is. Hierbij dient te worden gelet op de aard en overige inhoud van de overeenkomst, de wijze waarop de voorwaarden zijn tot stand gekomen, de wederzijds kenbare belangen en de overige omstandigheden van de overeenkomst. In de richtlijn is bepaald dat een oneerlijk beding de consument niet mag binden.

4.10. Bij de richtlijn is een indicatieve lijst gevoegd van mogelijk oneerlijke bedingen. Het onderhavige beding is naar het oordeel van de kantonrechter een beding als bedoeld in onderdeel e van de genoemde indicatieve lijst (een beding waarbij aan de consument een onevenredige schadevergoeding wordt opgelegd). De kantonrechter acht het hier aan de orde zijnde beding onredelijk bezwarend voor [gedaagde] nu het leidt tot een hoger bedrag aan buitengerechtelijke kosten dan conform de staffel kantonrechters redelijk wordt geacht en gewoonlijk in rekening wordt gebracht. Dit heeft tot gevolg dat het beding, voor zover het leidt tot een hoger bedrag dan normaal gesproken conform die staffel voor toewijzing in aanmerking komt, voor het meerdere buiten toepassing blijft op grond van artikel 3:40 jo 6:233 onder a BW. Gelet hierop was [gedaagde] niet gehouden de door Vitens in rekening gebrachte incasso- en administratiekosten te betalen voor zover deze meer bedroegen dan het bedrag conform voornoemde staffel, zijnde € 37,00 exclusief btw. Uit hetgeen hiervoor is overwogen met betrekking tot de in rekening gebrachte buitengerechtelijke incassokosten vloeit voort dat ook voor zover [gedaagde] het voorschotbedrag van € 15,03, vermeerderd met € 37,00 aan buitengerechtelijke incassokosten, onbetaald liet, afsluiting van de drinkwatertoevoer niet gerechtvaardigd was.

4.11. Dit alles brengt mee dat Vitens niet mocht overgaan tot onderbreking van de levering van drinkwater en tot afsluiting van de aansluiting op het waterleidingnet. Hieruit vloeit voort dat Vitens evenmin gerechtigd is voorrijkosten en afsluitkosten in rekening te brengen, zodat het deel van de vordering dat hierop betrekking heeft dient te worden afgewezen.

4.12. Ten aanzien van de door Vitens gevorderde voorschotbedragen voor de periode na afsluiting van de drinkwatertoevoer op 16 juni 2010 overweegt de kantonrechter het volgende. Hiervoor is overwogen dat Vitens ten onrechte afsluitkosten € 164,50 in rekening heeft gebracht. Zij heeft haar vordering ten aanzien van deze kosten gehandhaafd door haar eis enkel te verminderen ten aanzien van drie maal € 17,50 aanmaningskosten en € 51,50 ‘kwitantiekosten’. Het totaal van de door Vitens gevorderde voorschotbedragen na 16 juni 2010 bestaat, naar de kantonrechter het overgelegde overzicht in productie 1 begrijpt, uit drie voorschotnota’s van € 2,65 en twee van € 7,95, in totaal € 23,85. Uit ditzelfde overzicht blijkt dat Vitens een periodeafrekening van 23 juli 2011 van € 116,62 – welk bedrag door Vitens aan [gedaagde] diende te worden terugbetaald – heeft verrekend met, zoals hiervoor is overwogen, het ten onrechte in rekening gebrachte bedrag van € 138,00 aan aanmanings- en incassokosten . Nu het bedrag van het ten onrechte verrekende bedrag van € 116,62 de verschuldigde voorschotbedragen na 16 juni 2010 overstijgt, valt zonder nadere toelichting, die door Vitens niet is gegeven, niet in te zien dat [gedaagde] deze voorschotbedragen verschuldigd is aan Vitens. Het verweer van [gedaagde] dat hij de hiervoor genoemde voorschotbedragen niet verschuldigd is omdat Vitens geen water leverde kan derhalve onbesproken blijven.

4.13. Hetgeen hiervoor is overwogen leidt tot de slotsom dat de gevorderde hoofdsom zal worden afgewezen. De nevenvordering ter zake buitengerechtelijke incassokosten deelt dit lot omdat [gedaagde] op 16 juni 2010, voorafgaand aan deze procedure, een bedrag van € 37,00 aan buitengerechtelijke incassokosten heeft voldaan aan Vitens.

4.14. Nu haar vordering zal worden afgewezen zal Vitens als de in conventie in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil.

in reconventie

4.15. De kantonrechter begrijpt de vordering in reconventie onder I aldus dat [gedaagde] hervatting van de drinkwaterlevering door Vitens aan [gedaagde] vordert. Het gevorderde gebod tot hervatting van drinkwaterlevering, dat niet onbegrijpelijk is geformuleerd, zal worden toegewezen. Ten eerste heeft Vitens dit deel van de vordering niet anders weersproken dan door te concluderen tot afwijzing van de gehele vordering. Daar komt bij dat, zoals hiervoor in conventie is overwogen, Vitens ten onrechte is overgegaan tot onderbreking van de levering en tot afsluiting van de aansluiting op het waterleidingnet zodat ook hierom dit deel van de vordering dient te worden toegewezen. De kantonrechter overweegt dat het deel van de vordering dat betrekking heeft op de door [gedaagde] gevorderde kwaliteitseisen onvoldoende door [gedaagde] is onderbouwd. Dit deel zal dan ook worden afgewezen.

4.16. De onder II gevorderde dwangsom zal eveneens worden toegewezen. Niet vereist is dat [gedaagde] een onderbouwing geeft van de hoogte van een dwangsom, zoals door Vitens kennelijk wordt betoogd. Een dwangsom is immers bedoeld als geldelijke prikkel om nakoming van de veroordeling zoveel mogelijk te verzekeren. Nu Vitens dit deel van de vordering voor het overige niet heeft weersproken, zal het worden toegewezen. De kantonrechter ziet geen aanleiding tot verdere matiging van maximaal te verbeuren dwangsom, zoals door Vitens is verzocht, en zal het door [gedaagde] genoemde maximum volgen.

4.17. De primaire vordering onder III verstaat de kantonrechter als een vordering om te verklaren voor recht dat Vitens onrechtmatig, dan wel onwettig heeft gehandeld, door de drinkwatertoevoer te onderbreken, onderbroken te houden, dan wel haar plichten en verantwoordelijkheid aangaande de levering van drinkwater te schenden.

4.18. In zijn conclusie van antwoord, tevens conclusie van eis in reconventie, heeft [gedaagde] – hoewel niet altijd in even heldere bewoordingen – aan het door hem gestelde onrechtmatig handelen door Vitens ten grondslag gelegd dat Vitens ondanks haar plicht tot levering van drinkwater, is overgegaan tot onderbreking van de drinkwaterlevering. Voorts heeft Vitens naar [gedaagde] aanvoert een veel te zwaar middel ingezet door tot onderbreking van de drinkwaterlevering over te gaan.

4.19. Zoals [gedaagde] met juistheid onderkent was medio juni 2010, de datum van het onderbreken van de drinkwatertoevoer, de Drinkwaterwet niet van toepassing, maar was de Waterleidingwet van toepassing. In deze wet is geen verplichting opgenomen als (thans) in artikel 9 van de Drinkwaterwet is opgenomen. Echter naar het oordeel van de kantonrechter brengen de in het maatschappelijk verkeer geldende opvattingen mee dat, waar het een eerste levensbehoefte als drinkwater betreft, Vitens gelet op de zeer geringe betalingsachterstand allereerst niet heeft mogen overgaan tot onderbreking van de drinkwaterlevering aan [gedaagde] en dat zij voorts, nadat zij betaling van [gedaagde] had ontvangen, deze onderbreking niet voort heeft mogen laten duren. Nu dit wel het geval is leidt dit tot het oordeel dat Vitens onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld, zodat de gevorderde verklaring voor recht zal worden uitgesproken. Het subsidiair onder III gevorderde behoeft daarom geen bespreking.

4.20. De onder IV en V gevorderde schadevergoeding zal worden afgewezen. [gedaagde] heeft, nadat Vitens de gestelde schade heeft weersproken, dit deel van zijn vordering niet van een onderbouwing voorzien. [gedaagde] heeft geen stukken of bescheiden in het geding gebracht op grond waarvan de door hem gestelde schade kan worden vastgesteld. Vanwege het ontbreken van een afdoende onderbouwing komt dit deel van de vordering niet voor toewijzing in aanmerking. Voor zover [gedaagde] bedoeld heeft immateriële schadevergoeding te vorderen door aan te voeren dat hij ongerief heeft gehad doordat het risico op bijvoorbeeld legionella of botulisme is vergroot, hij geen of nauwelijks schone kleren voorhanden heeft, een schimmel- en worminfectie is vastgesteld, welke lichamelijke gezondheidstoestand hij Vitens lijkt te verwijten door het ontbreken van drinkwater, dient dit deel van zijn vordering te worden afgewezen. De door [gedaagde] gevorderde schadevergoeding komt, indien gegrond op artikel 6:106 BW, enkel voor toewijzing in aanmerking indien Vitens het oogmerk had nadeel, anders dan vermogensschade, aan [gedaagde] toe te brengen, indien [gedaagde] lichamelijk letsel heeft opgelopen, in zijn eer of goede naam is geschaad of op andere wijze in zijn persoon is aangetast. Hiervan is niet gebleken.

4.21. Vitens zal als de in reconventie grotendeels in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kosten aan de zijde van [gedaagde] worden begroot op nihil.

5. De beslissing

De kantonrechter

in conventie

5.1. wijst het gevorderde af,

5.2. veroordeelt Vitens tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil,

in reconventie

5.3. gebiedt Vitens om binnen twee dagen na de datum van dit vonnis tot hervatting van de drinkwaterlevering aan [gedaagde] over te gaan,

5.4. bepaalt dat Vitens aan [gedaagde] een dwangsom verbeurt van € 500,00 (vijfhonderd euro) voor iedere dag of dagdeel dat Vitens na de dag van betekening van dit vonnis in gebreke blijft aan het onder 5.3. bepaalde te voldoen, tot een maximum van € 5.000,00 (vijfduizend euro) is bereikt,

5.5. verklaart voor recht dat Vitens door het onderbreken van de drinkwatervoorziening, alsmede door het laten voortbestaan van deze onderbreking, onrechtmatig jegens [gedaagde] heeft gehandeld,

5.6. veroordeelt Vitens tot betaling van de proceskosten aan de zijde van [gedaagde], tot de uitspraak van dit vonnis begroot op nihil,

5.7. verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad.

Dit vonnis is gewezen door mr. J.P.H. van Driel van Wageningen, kantonrechter, en is in aanwezigheid van de griffier in het openbaar uitgesproken op 16 juli 2012.