Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY2202

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
02-11-2012
Zaaknummer
16-655961-12
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht van zijn zwager en zijn zus, mishandeling van een agent en wederspannigheid.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655961-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1981] te [geboorteplaats]

volgens de gba ingeschreven op het adres: [woonplaats], [adres]

verblijvende op het adres: [woonplaats], [adres]

raadsman mr. A.C. Vingerling, advocaat te Utrecht.

1. Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 31 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2. De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: geprobeerd heeft om aan [aangever 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen;

Feit 1 subsidiair: [aangever 1] heeft bedreigd;

Feit 2: [aangever 2] heeft bedreigd;

Feit 3: hoofdagent van politie [aangever 3] heeft mishandeld;

Feit 4: zich met geweld heeft verzet tegen opsporingsambtenaren [aangever 3] en

[aangever 4];

Feit 5: [aangever 1] en [aangever 2] heeft bedreigd.

3. De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, dat de rechtbank bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen reden is voor schorsing van de vervolging.

4. De beoordeling van het bewijs

4.1. Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder feit 1 primair tenlastegelegde heeft begaan. De officier van justitie heeft gevorderd om verdachte van dit feit vrij te spreken.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1 subsidiair, 2, 3, 4 en 5 ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij met name op de verklaringen van [aangever 1] en [aangever 2], op de door [aangever 3] en [aangever 4] opgemaakte processen-verbaal van bevindingen, op de verklaringen van getuigen en op de deels bekennende verklaring van verdachte.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van de onder 1 primair, 2 en 5 ten laste gelegde feiten. Ten aanzien van feit 1 primair en feit 2 heeft de verdediging aangevoerd dat er voor wat betreft deze feiten onvoldoende wettig en overtuigend bewijs in het dossier aanwezig is. Ten aanzien van feit 5 heeft de verdediging opgemerkt dat verdachte de bedreigende woorden tegen de politie heeft geuit en niet direct tegen [aangever 1] en [aangever 2]. Verdachte hoefde er niet vanuit te gaan dat de politie zijn bedreigingen serieus zou nemen en aan [aangever 1] en [aangever 2] zou doorgeven, aldus de verdediging.

De verdediging heeft voor wat betreft feit 4 aangevoerd dat alleen de wederspannigheid en niet het door de verbalisanten ten gevolge van die wederspannigheid opgelopen lichamelijk letsel bewezen kan worden verklaard, omdat het letsel is ontstaan voordat verdachte daadwerkelijk was aangehouden en daartoe werd vastgegrepen.

De verdediging heeft zich ten aanzien van de onder 1 subsidiair en 3 ten laste gelegde feiten gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

4.3. Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 1 primair

De rechtbank acht op basis van het in het dossier aanwezige wettige bewijs niet overtuigend bewezen dat verdachte met zijn handelen [aangever 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel wilde toebrengen, dan wel dat verdachte bewust willens en wetens de aanmerkelijke kans heeft aanvaard dat hij die [aangever 1] door zijn handelen zwaar lichamelijk letsel zou toebrengen. De rechtbank is dan ook met de officier van justitie en de raadsman van oordeel dat verdachte van het onder feit 1 primair tenlastegelegde moet worden vrijgesproken.

Vrijspraak feit 5

De rechtbank overweegt dat uit het door de politie opgemaakte proces-verbaal van bevindingen volgt dat verdachte de ten laste gelegde bedreigende woorden weliswaar heeft gezegd, maar dat verdachte deze woorden tegen de verbalisanten heeft geuit en niet direct tegen [aangever 1] en/of [aangever 2]. Het enkele feit dat deze door verdachte geuite bedreigende woorden [aangever 1] en/of [aangever 2] via de verbalisanten zouden kunnen bereiken is onvoldoende om tot een bewezenverklaring van de onder feit 5 ten laste gelegde bedreiging door verdachte van die [aangever 1] en [aangever 2] te kunnen komen. Voor een veroordeling ter zake van bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht is onder meer vereist dat de bedreigde daadwerkelijk op de hoogte is geraakt van de bedreiging. Nu uit het dossier niet blijkt dat de bedreigende woorden [aangever 1] en [aangever 2] daadwerkelijk hebben bereikt dan wel dat verdachte er van uit moest gaan dat deze woorden hen zouden bereiken en dat zulks vervolgens ook is gebeurd, zal de rechtbank verdachte van het onder feit 5 tenlastegelegde vrijspreken.

Bewezenverklaring feit 1 subsidiair en feit 2

[aangever 1] heeft bij de politie verklaard dat op 17 juni 2012 zijn vriendin [aangever 2] tegen hem zei dat ze naar haar moeder moesten gaan, omdat haar broer [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) [verdachte] helemaal was doorgedraaid. Hij is toen met zijn vriendin naar de woning aan de [adres] te Amersfoort gereden en daar zag hij [verdachte] voor de voordeur van de woning staan. [aangever 1] zette zijn auto op de parkeerplaats. Hij had zijn veiligheidsriem nog om en de motor liep nog toen zijn portier werd opengetrokken. [aangever 1] zag dat zijn zwager [verdachte] de deur had opengetrokken en dat hij in zijn rechterhand een groot mes hield. [aangever 1] zag dat [verdachte] stekende bewegingen maakte met dat mes in zijn richting.

Ter terechtzitting verklaarde [aangever 1] dat verdachte stekende en zwaaiende bewegingen met het mes had gemaakt in zijn richting.

[aangever 2] heeft bij de politie verklaard dat zij op 17 juni 2012 werd gebeld door haar moeder en dat haar moeder zei dat haar broertje [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) haar huis kapot wilde maken. [aangever 2] is daarop met haar man [aangever 1] (de rechtbank begrijpt: [aangever 1]) naar de woning van haar moeder aan de [adres] te Amersfoort gereden. [aangever 1] parkeerde de auto en zij was uitgestapt. Terwijl ze in de richting van de woning van haar moeder liep hoorde ze een hoop geschreeuw achter zich. Ze zag dat [verdachte] in het portier van hun auto stond aan de bestuurderszijde waar [aangever 1] nog steeds zat. Ze zag dat [verdachte] een mes vasthield en dat [verdachte] met dat mes aan het zwaaien was. Ze is daarop richting [verdachte] gerend. Ze zag dat [verdachte] zich omdraaide en zich tegen haar keerde. [verdachte] begon met het mes te zwaaien en kwam in haar richting lopen. [verdachte] was in het wilde weg met het mes aan het zwaaien, maar wel gericht op haar.

Getuige [getuige 1] heeft bij de politie verklaard dat zij buiten een hoop geschreeuw hoorde en dat zij de stem van [verdachte] (de rechtbank begrijpt: [verdachte]) [aangever 2] herkende. [getuige 1] was naar buiten gelopen en zag dat [verdachte] dreigend zijn armen opgeheven had en in zijn rechterhand een mes vasthield en dat hij achter [aangever 1] en [aangever 2] aanliep. Het mes was ongeveer 25 tot 30 centimeter groot. Zij zag dat [verdachte] met dat mes op ongeveer twee meter afstand van [aangever 1] en [aangever 2] stond. Ze zag dat [verdachte] zwaaide met het mes.

De rechtbank heeft kennis genomen van de in het dossier opgenomen foto van het door verdachte gebruikte mes.

Verdachte verklaarde dat er iets in hem knapte toen zijn zwager en zijn zus de straat in kwamen rijden. Hij is naar binnen gevlogen, heeft een la opengedaan en heeft een mes gepakt. Verdachte verklaarde met het mes in zijn hand naar buiten te zijn gevlogen. Verdachte is naar zijn zwager die in de auto zat toegelopen en heeft het portier opengedaan en het mes aan zijn zwager getoond. Het puntje van het mes wees daarbij in de auto. Verdachte verklaarde dat hij het mes mee naar buiten had genomen om zijn zwager en zijn zus bang te maken.

De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 17 juni 2012 in Amersfoort [aangever 1] en [aangever 2] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht door stekende en zwaaiende bewegingen met het mes te maken in de richting van [aangever 1] en door zwaaiende bewegingen met het mes te maken in de richting van [aangever 2].

Bewezenverklaring feit 3

Hoofdagent van politie [aangever 3] relateert in het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat hij op 17 juni 2012 het verzoek kreeg om te gaan naar de [adres] in Amersfoort waar een conflict gaande zou zijn. Verbalisant zag dat midden op straat twee mannen stonden. Zij waren tegen elkaar aan het schreeuwen en begonnen elkaar te duwen. [aangever 3] is tussen hen in gaan staan en heeft de man met het blauwe shirt in een andere richting bewogen. Deze man bleek [aangever 2] te zijn. Terwijl [aangever 3] naar [aangever 2] toe stapte, zag hij dat [aangever 2] zijn linkerarm naar achteren haalde en met kracht naar voren bewoog. [aangever 3] voelde hierop een pijnlijke steek aan de rechterzijde van zijn kaak. Hij voelde dat hij door [aangever 2] tegen de rechterzijde van zijn kaak was geslagen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de in het dossier opgenomen foto’s van de kaak van [aangever 3]. Uit de medische informatie volgt dat bij [aangever 3] een zwelling aan zijn kin, een enkelvoudige contusie en een distorsie van zijn kaakgewricht werd geconstateerd.

De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 17 juni 2012 hoofdagent van politie [aangever 3] heeft mishandeld door hem met een vuist tegen zijn kaak te stompen.

Bewezenverklaring feit 4

Hoofdagent van politie [aangever 3] relateert in het door hem opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat hij op 17 juni 2012 het verzoek kreeg om te gaan naar de [adres] in Amersfoort. [aangever 3] zag dat er midden op straat twee mannen stonden. Ze waren naar elkaar aan het schreeuwen en begonnen elkaar te duwen. [aangever 3] is tussen hen in gaan staan en hij heeft de man met het blauwe t-shirt in een andere richting bewogen. Deze man bleek later [aangever 2] te zijn. Collega [aangever 4] trok de andere man naar zich toe. [aangever 2] was erg agressief. Hij wilde in de richting van de man lopen. Hierop heeft [aangever 3] voor de tweede maal naar achteren geduwd. [aangever 3] zag dat [aangever 2] zijn handen tot vuisten balde en dat [aangever 2] voor hem ging staan in een gevechtshouding. [aangever 2] liep vervolgens in de richting van [aangever 4] en hij probeerde [aangever 4] te slaan. Hierop is [aangever 3] naar [aangever 2] toe gestapt, omdat hij hem wilde aanhouden. [aangever 3] zag dat [aangever 2] zijn linkerarm naar achteren haalde en met kracht naar voren bewoog. [aangever 3] voelde een pijnlijke steek aan de rechterzijde van zijn kaak en voelde dat hij door [aangever 2] tegen de rechterzijde van zijn kaak was geslagen. [aangever 4] en [aangever 3] hadden [aangever 2] beetgepakt. [aangever 3] bij zijn rechterpols vasthield, voelde hij dat [aangever 2] zijn arm in een andere richting wilde bewegen dan dat [aangever 3] hem bracht.

Uit de medische informatie volgt dat bij [aangever 3] een zwelling aan zijn kin en een enkelvoudige contusie werd geconstateerd.

Hoofdagent van politie [aangever 4] relateert in het door haar opgemaakte proces-verbaal van bevindingen dat zij op 17 juni 2012 ter plaatse kwamen op de [adres]. Daar stonden twee mannen tegenover elkaar op straat. [aangever 4] liep samen met [aangever 3] richting de mannen. [aangever 4] trok de man met het grijze t-shirt naar achteren toe. Ze zag dat de man met het blauwe shirt in gevechtshouding tegenover [aangever 3] ging staan. Deze man bleek later [aangever 2] te zijn. [aangever 4] was richting de verdachte gerend en was naast [aangever 3] gaan staan. Verdachte liep naar haar toe en hij maakte een zwaaiende beweging naar haar gezicht. Ze ontweek zijn vuist door uit te wijken. [aangever 4] zag dat verdachte een slaande beweging richting [aangever 3] maakte met zijn vuist en dat hij [aangever 3] op zijn kin raakte. [aangever 4] liep langs verdachte en pakte hem bij een arm om hem tegen een muur aan te zetten. Ze zag dat [aangever 3] zijn andere arm vastpakte. Verdachte trok zijn armen terug en verzette zich tegen de aanhouding. [aangever 4] pakte verdachte bij zijn linkerarm en zij zag dat [aangever 3] de verdachte bij zijn rechterarm vastpakte. [aangever 4] zag dat verdachte zich los probeerde te rukken. Verdachte luisterde niet en bleef zich verzetten.

[aangever 4] voelde op het politiebureau dat haar linkerjukbeen beurs was en dat zij schaafwonden op haar hand en op haar arm had. [aangever 4] had deze verwondingen voor de worsteling niet.

Uit de medische informatie volgt dat bij [aangever 4] een aantal kleine schaafwondjes werd

geconstateerd.

De rechtbank overweegt dat het voor een bewezenverklaring van het aan verdachte onder 4 ten laste gelegde feit niet van belang is of verdachte al dan niet was aangehouden. In de artikelen 180 en 181 van het Wetboek van Strafrecht is strafbaar gesteld de handeling waarbij een verdachte verzet pleegt tegen een ambtenaar in de rechtmatige uitoefening van zijn/haar bediening. Dat verdachte zich met geweld heeft verzet tegen de politieambtenaren [aangever 3] en [aangever 4] staat op basis van het hiervoor genoemde bewijs vast. Dat verdachte op het moment van het plegen van een deel van dat verzet nog niet zou hebben geweten dat hij werd dan wel was aangehouden doet aan een bewezenverklaring daarvan niet af. Daar komt bij dat de wil van politieambtenaren om tot aanhouding over te gaan reeds kan blijken uit de door hen verrichtte feitelijke handelingen. Ook in de onderhavige zaak had het door de door [aangever 3] en [aangever 4] verrichtte feitelijke handelingen voor verdachte volstrekt duidelijk moeten zijn dat zij als politieagenten, en daarmee in de rechtmatige uitoefening van hun bediening, ter plaatse waren om een einde te maken aan het conflict tussen verdachte en zijn zwager en zus. De rechtbank verwerpt aldus het verweer van de raadsman op dit punt.

De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte zich met geweld heeft verzet tegen ambtenaren van politie [aangever 3] en

[aangever 4] in de rechtmatige uitoefening van hun bediening en dat die [aangever 3] en [aangever 4] daardoor enig lichamelijk letsel hebben opgelopen.

4.4. De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

Subsidiair

op 17 juni 2012 te Amersfoort [aangever 1] heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes stekende en zwaaiende bewegingen in de richting van die [aangever 1] gemaakt.

2.

op 17 juni 2012 te Amersfoort A.J.M. Metaal heeft bedreigd met enig misdrijf tegen het leven gericht, immers heeft verdachte opzettelijk dreigend met een mes zwaaiende bewegingen in de richting van die [aangever 2] gemaakt.

3.

op 17 juni 2012 te Amersfoort opzettelijk mishandelend een ambtenaar, te weten [aangever 3] (hoofdagent van politie) gedurende en/of terzake van de rechtmatige uitoefening van zijn bediening, met gebalde vuist tegen de kaak heeft gestompt, waardoor voornoemde ambtenaar letsel heeft bekomen en pijn heeft ondervonden.

4.

op 17 juni 2012 te Amersfoort zich met geweld heeft verzet tegen opsporingsambtenaren, werkzaam in de rechtmatige uitoefening hunner bediening, door opzettelijk gewelddadig om zich heen te slaan en te stompen en in een andere richting te bewegen dan waarin hij gebracht werd, of waarin getracht werd hem te brengen, tengevolge waarvan deze opsporingsambtenaren enig lichamelijk letsel, te weten een gekneusde kin en schaafwonden, bekwamen.

Voor zover in het bewezen verklaarde deel van de tenlastelegging taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn deze in de bewezenverklaring verbeterd. De verdachte is daardoor niet in zijn verdediging geschaad.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5. De strafbaarheid

5.1. De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2:

Telkens:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht.

Ten aanzien van feit 3:

Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening.

Ten aanzien van feit 4:

Wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben, meermalen gepleegd.

5.2. De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6. De strafoplegging

6.1. De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 75 dagen waarvan 60 dagen voorwaardelijk met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht en met een proeftijd van twee jaar, alsmede een meldingsgebod en een behandelverlichting, ook als dat inhoudt het volgen van een behandeling bij Centrum Maliebaan of De Waag, als bijzondere voorwaarden. De officier van justitie heeft daarnaast gevorderd om aan verdachte een werkstraf voor de duur van 240 uur subsidiair 120 dagen hechtenis op te leggen.

6.2. Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat rekening moet worden gehouden met het feit dat er tussen de onder feit 3 ten laste gelegde handelingen en de onder feit 4 ten laste gelegde handelingen een bepaalde samenhang zit.

De verdediging heeft er voorts op gewezen dat op het strafblad van verdachte oude feiten staan en dat er een gat te zien is wat erop duidt dat verdachte zijn leven gebeterd heeft. Het ging goed met hem en het is belangrijk dat verdachte de door hem ingeslagen weg kan voortzetten. Als verdachte weer vast komt te zitten, raakt hij alles kwijt. Verdachte heeft laten zien aan de slag te willen gaan met zichzelf - met hulp van De Waag en de reclassering. De verdediging heeft verzocht de officier van justitie in zijn eis te volgen wat de deels voorwaardelijke gevangenisstraf en de bijzondere voorwaarden betreft, maar de werkstraf sterk te matigen, omdat het anders voor verdachte allemaal niet te overzien is.

6.3. Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan bedreiging van zijn zwager en zijn zus met een mes en hij heeft zich vervolgens met geweld verzet tegen twee politieambtenaren die ter plaatse kwamen om te helpen. Uit de verklaringen blijkt dat verdachte volledig door het lint is gegaan en in zijn woede door wat er in de familie speelt tot deze feiten is gekomen. Verdachte heeft zich hiermee schuldig gemaakt aan ernstige strafbare feiten. De bedreiging vond bovendien buiten op straat plaats en kan daardoor mede gevoelens van angst en onveiligheid bij de buurtbewoners hebben veroorzaakt. Door het door verdachte gepleegde geweld hebben de politieambtenaren lichamelijk letsel opgelopen. Met de reactie tegen de politieambtenaren heeft verdachte het ambtelijk gezag aangetast en inbreuk gemaakt op de lichamelijke integriteit van de betreffende politieagenten.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 20 juli 2012 volgt dat verdachte wel eerder is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, maar niet voor (soortgelijke) feiten als thans bewezen verklaard.

Uit de rapporten van Reclassering Nederland d.d. 20 juni 2012 en 21 augustus 2012 volgt dat verdachte met zijn vriendin en zijn zoontje bij zijn moeder woonde en dat dat bij tijd en wijle spanningen gaf. Uiteindelijk is dit op 17 juni 2012 geëscaleerd toen de zwager en de zus van verdachte erbij kwamen. Volgens verdachte speelde een rol dat hij teveel oxazepam had ingenomen, volgens de reclassering speelde ook zijn mogelijke persoonlijkheids-problematiek een rol. Verdachte wil het graag goed doen, wil bevestiging en zoekt naar erkenning. Vanuit deze behoefte kan verdachte moeilijk omgaan met situaties waarin het tegenzit. Verdachte heeft inmiddels veel baat bij de gesprekken met De Waag. Binnen De Waag is verdachte doorverwezen naar Centrum Maliebaan, omdat verdachte tot voor kort nog dagelijks softdrugs gebruikte. Hij woont zelfstandig met zijn vriendin en zoontje in een chalet en heeft geen contact meer met zijn moeder, zwager en zus. Het feit dat er op een aantal belangrijke leefgebieden al lange tijd geen problemen meer zijn is positief. Verdachte toont zich gemotiveerd voor hulp.

Het recidiverisico wordt ingeschat als laag. De reclassering heeft geadviseerd verdachte toezicht op te leggen met een meldingsgebod en een behandelverplichting bij De Waag als bijzondere voorwaarden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij veel heeft aan de gesprekken bij De Waag en dat hij graag met deze gesprekken wil doorgaan. Verdachte verklaarde Centrum Maliebaan een beetje onnodig te vinden, omdat hij naar zijn zeggen nergens aan verslaafd is, maar alleen verslaafd is geweest. Verdachte heeft ter terechtzitting herhaald open te staan voor hulp.

Alles overziende is de rechtbank van oordeel dat een deels voorwaardelijke gevangenisstraf in combinatie met een werkstraf een passende sanctie is. Gelet op het feit dat verdachte goed bezig is om zijn leven op orde te krijgen en het feit dat verdachte wat hij heeft opgebouwd weer kwijtraakt als hij terug moet naar de gevangenis, zal de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest opleggen en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf met daaraan gekoppeld de bijzondere voorwaarden, zoals door de reclassering is geadviseerd. De rechtbank zal tevens de bijzondere voorwaarde opleggen dat verdachte moet meewerken aan een behandeling bij Centrum Maliebaan als de reclassering dat nodig vindt. De rechtbank acht dit noodzakelijk gelet op het gebruik van harddrugs in het verleden, tot voor kort het dagelijkse gebruik van softdrugs en omdat verdachte zelf aangeeft dat hij teveel oxazepam had gebruikt vóór het plegen van de feiten en dit van invloed is geweest op zijn gedrag.

Om de ernst van de feiten te benadrukken zal de rechtbank verdachte tevens een werkstraf opleggen. Nu de rechtbank tot een vrijspraak van de onder 1 primair en 5 ten laste gelegde feiten komt en de rechtbank het belangrijk vindt dat verdachte de behandelingen bij De Waag en Centrum Maliebaan kan volgen, zal de rechtbank verdachte een lagere straf opleggen dan door de officier van justitie gevorderd, te weten een werkstraf voor de duur van 120 uur.

7. De benadeelde partij

De officier van justitie heeft gevorderd de door de benadeelde partijen [aangever 3] en [aangever 4] ieder afzonderlijk ingediende vorderingen tot schadevergoeding geheel toe te wijzen, vermeerderd met de wettelijke rente en met oplegging van de schadevergoedingsmaatregel.

De raadsman heeft naar voren gebracht dat verdachte bereid is om de door de benadeelde partijen [aangever 3] en [aangever 4] gevorderde schadevergoedingen te betalen.

De benadeelde partij [aangever 3] vordert een schadevergoeding van € 350,00 voor feit 3 en feit 4.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van deze bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 17 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

De benadeelde partij [aangever 4] vordert een schadevergoeding van € 275,00 voor feit 4.

De rechtbank is van oordeel dat de schade een rechtstreeks gevolg is van deze bewezen verklaarde feiten en acht verdachte aansprakelijk voor die schade.

Het gevorderde is voldoende aannemelijk gemaakt zodat de vordering zal worden toegewezen, vermeerderd met de wettelijke rente berekend vanaf 17 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

Met betrekking tot de toegekende vordering benadeelde partij zal de rechtbank tevens de schadevergoedingsmaatregel opleggen.

8. Het beslag

De officier van justitie heeft gevorderd het in beslag genomen mes te onttrekken aan het verkeer.

De raadsman heeft zich voor wat betreft het in beslag genomen mes gerefereerd aan het oordeel van de rechtbank.

De rechtbank overweegt dat het in beslag genomen mes vatbaar is voor onttrekking aan het verkeer. Gebleken is dat de onder 1 subsidiair en 2 bewezen verklaarde feiten zijn begaan met behulp van dit voorwerp.

9. De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 14d, 22c, 22d, 24c, 36f, 55, 57, 180, 181, 285, 300 en 304 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

10. De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 1 primair en 5 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

Ten aanzien van feit 1 subsidiair en feit 2:

Telkens:

Bedreiging met enig misdrijf tegen het leven gericht;

Ten aanzien van feit 3:

Mishandeling, terwijl het misdrijf wordt gepleegd tegen een ambtenaar gedurende of ter zake de rechtmatige uitoefening van zijn bediening;

Ten aanzien van feit 4:

Wederspannigheid, terwijl het misdrijf of de daarmede gepaard gaande feitelijkheden enig lichamelijk letsel ten gevolge hebben, meermalen gepleegd;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 75 dagen, waarvan 60 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaar;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd (één van) de bijzondere voorwaarde(n) niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd moet gedragen naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Reclassering Nederland.

De verdachte moet zich binnen vijf werkdagen na de uitspraak melden bij Reclassering Nederland op het adres [adres], [woonplaats] en zich daarna blijven melden zo frequent en zo lang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* de verdachte moet meewerken aan een behandeling bij De Waag, zulks ter beoordeling van de reclassering;

* de verdachte moet meewerken aan een behandeling bij Centrum Maliebaan, zulks ter beoordeling van de reclassering;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

- veroordeelt verdachte tot een werkstraf van 120 uren;

- beveelt dat indien verdachte de werkstraf niet naar behoren verricht, vervangende hechtenis zal worden toegepast van 60 dagen;

Benadeelde partijen

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 3] van € 350,00, ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 17 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer [aangever 3], € 350,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 7 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

- veroordeelt verdachte tot betaling aan de benadeelde partij [aangever 4] van € 275,00, ter zake van immateriële schade en vermeerderd met de wettelijke rente, berekend vanaf 17 juni 2012 tot aan de dag der algehele voldoening.

- veroordeelt verdachte in de kosten van de benadeelde partij tot nu toe gemaakt en ten behoeve van de tenuitvoerlegging nog te maken, tot op heden begroot op nihil;

- legt aan verdachte de verplichting op aan de Staat, ten behoeve van het slachtoffer

[aangever 4], € 275,00 te betalen, bij niet betaling te vervangen door 5 dagen hechtenis, met dien verstande dat toepassing van de vervangende hechtenis de betalingsverplichting niet opheft;

- bepaalt dat bij voldoening van de schademaatregel de betalingsverplichting aan de benadeelde partij vervalt en omgekeerd;

Beslag

- verklaart het mes onttrokken aan het verkeer;

- heft op het reeds geschorste bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte met ingang van het tijdstip dat dit vonnis onherroepelijk wordt.

Dit vonnis is gewezen door mr. D.A.C. Koster, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en

mr. V. van Dam, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 september 2012.

Mr. V. van Dam is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.