Feedback

Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY1967

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
14-09-2012
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
16/655648-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Verdachte is veroordeeld voor zware mishandeling. Voor de duiding "zwaar lichamelijk letsel" heeft de rechtbank met name twee afgebroken tanden als zodanig aangemerkt. Geen sprake van een noodweersituatie, zoals door de verdediging gesteld, omdat verdacht

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/655648-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 14 september 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1970] te [geboorteplaats]

wonende te [woonplaats], [adres]

raadsvrouw mr. B. Yesilgöz, advocaat te Amsterdam.

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is laatstelijk inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 31 augustus 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

Feit 1 primair: aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel heeft toegebracht door hem met een beker/glas in het gezicht te slaan;

Feit 1 subsidiair: heeft geprobeerd om aan [slachtoffer 1] zwaar lichamelijk letsel toe te brengen door hem met een beker/glas in het gezicht te slaan;

Feit 2: [slachtoffer 2] heeft bedreigd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft geconstateerd dat de dagvaarding geldig is, dat de rechtbank bevoegd is, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen is reden voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht niet wettig bewezen dat verdachte het onder 2 ten laste gelegde feit heeft begaan en vordert om verdachte van feit 2 vrij te spreken.

De officier van justitie acht wel wettig en overtuigend bewezen dat verdachte het onder

1 primair ten laste gelegde feit heeft begaan. De officier van justitie baseert zich daarbij met name op de verklaring van aangever, op de medische verklaring die ziet op het bij aangever ontstane letsel en op de verklaring van getuige [slachtoffer 2].

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft ten aanzien van het onder feit 1 primair tenlastegelegde aangevoerd dat de verklaringen van [slachtoffer 1] en [slachtoffer 2] onvoldoende betrouwbaar zijn en dat moet worden uitgegaan van de verklaringen van verdachte en [getuige 1]. Verdachte en [getuige 1] verklaren dat [slachtoffer 1] verdachte een klap in zijn gezicht gaf en dat verdachte [slachtoffer 1] daarop een klap terug gaf. De verdediging heeft aangevoerd dat hiermee sprake is geweest van een noodweersituatie voor verdachte. De verdediging heeft verzocht verdachte te ontslaan van alle rechtsvervolging.

De verdediging heeft subsidiair ten aanzien van feit 1 primair aangevoerd dat het door aangever opgelopen letsel niet gekwalificeerd kan worden als zwaar lichamelijk letsel. Verdachte dient in dat geval van het onder feit 1 primair tenlastegelegde te worden vrijgesproken, aldus de verdediging.

De verdediging heeft voorts ten aanzien van feit 1 primair en feit 1 subsidiair naar voren gebracht dat niet bewezen kan worden dat verdachte [slachtoffer 1] meerdere malen heeft geslagen.

Tot slot is de verdediging van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen van het onder feit 2 tenlastegelegde, primair omdat er onvoldoende wettig bewijs in het dossier aanwezig is en subsidiair omdat er onvoldoende overtuigend bewijs in het dossier zit.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Vrijspraak feit 2

De rechtbank is - met de officier van justitie en de raadsvrouw - van oordeel dat de verklaring van aangeefster [slachtoffer 2] onvoldoende wordt ondersteund door enig ander bewijsmiddel. De rechtbank zal verdachte daarom wegens gebrek aan wettig bewijs van het onder 2 ten laste gelegde feit vrijspreken.

Bewezenverklaring feit 1 primair

Aangever [slachtoffer 1] heeft bij de politie verklaard dat hij op 13 maart 2012 in de woning van zijn vriendin [slachtoffer 2] in [woonplaats] was. Op het moment dat hij de kamer van zijn vriendin uitliep zag hij [verdachte] (de rechtbank begrijpt dat aangever met “[verdachte]” verdachte bedoelt) staan. [verdachte] stond ongeveer vijftig centimeter bij aangever vandaan. Aangever voelde uit het niets een harde klap in zijn gezicht. Hij voelde dat hij bloed in zijn mond had. Aangever hoorde [verdachte] schelden en tieren en hij zag dat er koffie en een koffiemok op de grond lagen. Aangever maakte hier direct uit op dat hij door [verdachte] met deze koffiemok in zijn gezicht was geslagen. Aangever voelde een hevige pijn aan zijn gezicht en zag dat zijn neus bloedde en dat zijn lip opgezwollen was. Op het politiebureau voelde aangever dat er een stukje tand in zijn lip zat. Aangever heeft voorts verklaard dat hij meteen na de eerste klap voelde dat hij meerdere malen in zijn gezicht werd geslagen.

Uit de medische verklaring maakt de rechtbank op dat aangever als gevolg van de klap een snijwond in zijn neus, een snijwond in zijn bovenlip en twee afgebroken tanden heeft opgelopen. Bij de rechter-commissaris verklaarde verdachte dat er nog steeds een litteken zat. De rechter-commissaris heeft tijdens het verhoor ook een licht litteken waargenomen.

De rechtbank heeft kennis genomen van de in het proces-verbaal opgenomen foto’s van het letsel van aangever.

Getuige [slachtoffer 2] heeft bij de politie verklaard dat op 13 maart 2012 haar vriend [slachtoffer 1] bij haar thuis was. [slachtoffer 1] deed de kamerdeur open om naar de gang te gaan. Ineens stond [verdachte] in de deuropening. [slachtoffer 2] zag dat [verdachte] vanuit het niets met een koffieglas op het gezicht van [slachtoffer 1] sloeg. [slachtoffer 2] zag dat [verdachte] dit meerdere keren deed.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] een klap heeft gegeven.

De rechtbank acht op grond van voornoemd bewijs wettig en overtuigend bewezen dat verdachte op 13 maart 2012 aangever in zijn gezicht heeft geslagen en dat aangever daardoor een snijwond in zijn neus, een snijwond in zijn bovenlip en twee afgebroken tanden heeft opgelopen en daaraan een litteken heeft overgehouden.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij [slachtoffer 1] één keer met zijn vuist had gestompt. De rechtbank acht het onaannemelijk dat het door aangever opgelopen letsel is ontstaan door een enkele klap in zijn gezicht met een vuist. Daarvoor is het letsel te ernstig van aard en bovendien betreft het letsel op meerdere, uit elkaar liggende, plekken in het gezicht. Naar het oordeel van de rechtbank past het door aangever opgelopen letsel bij het meerdere malen slaan met een hard voorwerp. Mede gelet op de verklaring van aangever [slachtoffer 1] en van getuige [slachtoffer 2] acht de rechtbank dan ook bewezen dat verdachte aangever meerdere malen met een beker dan wel een glas in zijn gezicht heeft geslagen.

Anders dan de raadsvrouw is de rechtbank van oordeel dat het door aangever opgelopen letsel kan worden gekwalificeerd als zwaar lichamelijk letsel. Voor de duiding hiervan neemt de rechtbank met name de twee afgebroken tanden in aanmerking.

De rechtbank acht aldus het onder feit 1 primair tenlastegelegde wettig en overtuigend bewezen.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

primair

op 13 maart 2012 te [woonplaats], gemeente Utrechtse Heuvelrug, aan [slachtoffer 1] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel (een snijwond in de neus en een snijwond boven de bovenlip en twee afgebroken tanden en een litteken), heeft toegebracht, door voornoemde [slachtoffer 1] opzettelijk met een beker/glas, meerdere malen in het gezicht te slaan.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van het feit

Geen sprake van een noodweersituatie

De rechtbank overweegt ten aanzien van het verweer van de raadsvrouw dat sprake is geweest van een noodweersituatie, het volgende. Verdachte heeft zelf verklaard dat hij als reactie op een klap die hij van aangever zou hebben gekregen, aangever een klap terug heeft gegeven. Verdachte verklaarde niet dat hij een klap heeft gegeven, omdat hij zich bedreigd voelde of omdat er gevaar van aangever uitging, waartegen verdachte zich op dat moment moest verdedigen. Als er al sprake is geweest van een ogenblikkelijke wederrechterlijke aanranding - wat naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende aannemelijk is geworden - dan nog is gelet op de eigen verklaring van verdachte niet gebleken dat verdachte zich enkel en alleen op deze manier kon verdedigen en dat die verdediging noodzakelijk was. Van een noodweersituatie, zoals door de raadsvrouw gesteld, was naar het oordeel van de rechtbank dan ook geen sprake. De rechtbank verwerpt daarom het verweer van de raadsvrouw. Een ontslag van alle rechtsvervolging is dus niet aan de orde.

Er zijn ook overigens geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van het feit uitsluiten, zodat het bewezen verklaarde feit strafbaar is.

Het bewezenverklaarde levert het navolgende strafbare feit op:

Ten aanzien van feit 1 primair:

Zware mishandeling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Verdachte is strafbaar, omdat niet is gebleken van een omstandigheid die zijn strafbaarheid uitsluit.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van vijf maanden met aftrek van de tijd die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft aangevoerd dat volgens de oriëntatiepunten van het LOVS een gevangenisstraf van drie maanden geboden is als er sprake is van lichamelijk letsel. Verdachte zit al 4,5 maand in voorlopige hechtenis. De verdediging heeft verzocht om verdachte geen langere straf op te leggen dan de tijd die hij reeds in voorarrest heeft gezeten.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van het feit, de omstandigheden waaronder dit is begaan en de persoon van de verdachte.

Verdachte heeft het slachtoffer meerdere keren met een hard voorwerp in zijn gezicht geslagen, waardoor het slachtoffer ernstig letsel heeft opgelopen. Het motief voor verdachte om dit te doen is de rechtbank ter zitting niet duidelijk geworden. Verdachte heeft met zijn handelen de lichamelijke integriteit van het slachtoffer geschonden.

Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte d.d. 11 juni 2012 volgt dat verdachte reeds meermalen is veroordeeld voor het plegen van strafbare feiten, waaronder geweldsdelicten. In 2007 is verdachte nog veroordeeld door het Gerechtshof voor doodslag tot een gevangenisstraf van negen jaar.

Verdachte heeft ter zitting verklaard dat zijn dochtertje in Noorwegen woont en dat hij met haar in het buitenland een nieuwe start wil maken. Verdachte wil in Noorwegen gaan wonen en werken en is al bezig om dat te regelen. Verdachte verklaarde dat hij geen hulp nodig heeft van instanties als de reclassering.

Gelet op de ernst van het door verdachte gepleegde feit en het aanzienlijke strafblad van verdachte is de rechtbank van oordeel dat een onvoorwaardelijke gevangenisstraf passend en geboden is. Volgens de oriëntatiepunten is voor een zware mishandeling, zoals hiervoor bewezenverklaard, en rekening houdend met het feit dat verdachte is gerecidiveerd, een gevangenisstraf van vijf maanden geïndiceerd. Nu verdachte reeds 147 dagen in voorarrest heeft doorgebracht zal de rechtbank hem een gevangenisstraf van 147 dagen opleggen.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op artikel 302 van het Wetboek van Strafrecht, zoals dit artikel luidde ten tijde van het bewezenverklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van het onder 2 ten laste gelegde feit;

Bewezenverklaring

- verklaart het tenlastegelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde het volgende strafbare feit oplevert:

Zware mishandeling;

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 147 dagen;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van de opgelegde gevangenisstraf.

Dit vonnis is gewezen door mr. V. van Dam, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en

mr. D.A.C. Koster, rechters, in tegenwoordigheid van mr. K.F. van Dam, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 14 september 2012.

Mr. V. van Dam is buiten staat dit vonnis mede te ondertekenen.