Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY1955

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
30-10-2012
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
16/656050-12 [P]
Rechtsgebieden
Strafrecht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - meervoudig
Inhoudsindicatie

Veroordeling in verband met diefstal in vereniging door middel van verbreking, diefstal door verbreking en opzetheling. De rechtbank acht passend en geboden: een gevangenenisstraf voor de duur van 135 dagen, waarvan 58 dagen voorwaardelijk, met een proeftijd van twee jaar.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector strafrecht

parketnummer: 16/656050-12 [P]

vonnis van de meervoudige kamer d.d. 30 oktober 2012

in de strafzaak tegen

[verdachte]

geboren op [1980] te [geboorteplaats]

verblijvende te Arta, Hamingen 4, 7951 KN Staphorst

raadsvrouw mr. A. Foppen, advocaat te [woonplaats]

1 Onderzoek van de zaak

De zaak is inhoudelijk behandeld op de terechtzitting van 16 oktober 2012, waarbij de officier van justitie en de verdediging hun standpunten kenbaar hebben gemaakt.

2 De tenlastelegging

De tenlastelegging is als bijlage aan dit vonnis gehecht.

De verdenking komt er, kort en feitelijk weergegeven, op neer dat verdachte:

1. op 8 juli 2012 te Bunschoten samen met een ander zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een steigerlift en steigermateriaal;

2. op 8 juli 2012 te Bunschoten zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een aanhanger;

3. op 28 juni 2012 te [woonplaats] zich schuldig heeft gemaakt aan diefstal van een autobus (Ford Transit) dan wel tussen 29 juni 2012 en 8 juli 2012 zich schuldig heeft gemaakt aan heling van die autobus;

4. op 8 juli 2012 te Bunschoten zich schuldig heeft gemaakt aan heling van een KLM-legitimatiekaart dan wel deze kaart heeft verduisterd.

3 De voorvragen

De rechtbank heeft vastgesteld dat de dagvaarding geldig is, dat zijzelf bevoegd is tot kennisneming van de zaak, dat de officier van justitie ontvankelijk is in de vervolging en dat er geen redenen zijn voor schorsing van de vervolging.

4 De beoordeling van het bewijs

4.1 Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie acht wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder 1, 2 en 3 subsidiair ten laste gelegde feiten heeft begaan. De officier van justitie heeft vrijspraak gevorderd voor de onder 3 primair en 4 ten laste gelegde feiten.

4.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging is van mening dat de rechtbank niet tot een bewezenverklaring kan komen. Daarbij heeft de verdediging er - kort gezegd - op gewezen dat zowel ten aanzien van feit 1 als van feit 2 het opzet noch de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte wettig en overtuigend kan worden bewezen. Verdachte had het verzoek gekregen van ene [medeverdachte] om de goederen, zoals vermeld in de tenlastelegging van feit 1, en de aanhangwagen op te halen. Deze [medeverdachte] had hem gezegd dat hij het hangslot waarmee deze goederen vast zaten kon doorknippen. Met betrekking tot feit 3 is bepleit dat er geen enkel bewijs is dat verdachte de autobus heeft weggenomen. Voorts ontkent verdachte dat hij wist of had moeten weten dat de autobus van enig misdrijf afkomstig was.

Naar de mening van de verdediging biedt het dossier geen aanknopingspunt voor het gegeven dat de KLM-pas van enig misdrijf afkomstig was. Verdachte had geen wetenschap van de aanwezigheid van die pas in de auto en het dossier biedt onvoldoende basis om aan te nemen dat verdachte de pas opzettelijk onder zich had.

4.3 Het oordeel van de rechtbank

Feit 1

Op 9 juli 2012 heeft [aangever] (mede) namens [bedrijf 1] aangifte gedaan van diefstal van 4 complete elementen met schoren van de rolsteiger en een steigerlift. Aangever heeft verklaard dat hij namens [bedrijf 1] bezig is met een renovatieproject te Bunschoten, dat de gereedschappen die gebruikt worden altijd weer worden opgeborgen bovenop de containers, dat deze containers zich bevinden op de [adres] en dat zich een hek om deze containers bevindt, zodat men niet bij de gereedschappen kan komen. Aangever heeft op vrijdag 6 juli 2012 omstreeks 16:00 uur de containers afgesloten. Op maandag 9 juli 2012 zag aangever dat de sloten die de steigermaterialen bij elkaar hielden, waren vernield en dat een aantal goederen ontbraken.

Getuige [getuige], wonend aan de [adres] te [woonplaats], heeft verklaard dat zij op zondag 8 juli 2012 omstreeks 23:00 uur vanuit haar woonkamer zag dat er een bestelbus in de straat stond. Getuige zag dat twee mannen bezig waren materiaal op de open laadbak te leggen, dat dit materiaal afkomstig was van het dak van twee zeecontainers die voor haar deur staan en eigendom zijn van aannemer [bedrijf 1], dat de twee mannen samenwerkten, dat de mannen om toerbeurt op de containers stonden en bezig waren de spullen van de containers te halen die daar lagen. Toen de mannen wegreden, zag getuige dat de bestelbus kenteken [kenteken] had.

Verbalisanten [verbalisant 3], [verbalisant 4], [verbalisant 5] en [verbalisant 6] ontvingen op 8 juli 2012 omstreeks 23:08 een melding dat er een diefstal werd gepleegd bij een bouwkeet op een bouwterrein gelegen aan het [adres] te [woonplaats]. Verbalisanten hebben verklaard dat zij rijdend over de Westsingel te Bunschoten een Ford Transit, model pick-up, aantroffen, met het kenteken [kenteken], en dat op de laadbak van de Ford Transit steigermateriaal lag. Van de Ford Transit en van de laadbak met inhoud zijn foto’s gemaakt . Op die foto’s is te zien dat in de laadbak steigermateriaal ligt, waaronder een steigerlift. Verbalisanten hebben de inzittenden van de Ford Transit aangehouden. Zij bleken verdachte [verdachte] en medeverdachte [medeverdachte 2] te zijn.

Ter terechtzitting heeft verdachte verklaard dat hij de steigerdelen heeft opgehaald, dat één steigerdeel vast zat en dat hij dat steigerdeel heeft losgeknipt. Bij de politie heeft verdachte verklaard dat hij samen met [medeverdachte 2] (de rechtbank begrijpt dat hiermee medeverdachte [medeverdachte 2] wordt bedoeld) de onderdelen van de container heeft gehaald en in de laadbak van de auto heeft geladen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Het standpunt van de verdediging dat het opzet noch de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte kan worden bewezen, volgt de rechtbank niet, mede gelet op de omstandigheid dat volgens aangever de steigermaterialen met sloten bij elkaar werden gehouden, dat verdachte volgens eigen zeggen een steigerdeel heeft losgeknipt en dat sprake was van een ongewoon uur om spullen op een bouwplaats op te halen, namelijk aan het eind van de zondagavond. Het door verdachte - niet te verifiëren - vertelde verhaal over ene [medeverdachte] acht de rechtbank volstrekt onvoldoende onderbouwd.

Feit 2

Op 9 juli 2012 heeft [aangever 2] aangifte gedaan van diefstal van een aanhangwagen. Aangever heeft verklaard dat hij op 4 juli 2012 omstreeks 16:00 zijn aanhanger, voorzien van het kenteken [kenteken], kleur rood, in een parkeervak aan de Lorentzweg te Bunschoten heeft neergezet en zijn aanhanger op slot heeft gezet. Op zondag 8 juli 2012 omstreeks 14:30 uur reed aangever met zijn auto over de Amersfoortseweg te Bunschoten. Aangever zag voor zich een pick-up van het merk Ford met kenteken [kenteken] rijden, met daarachter een aanhanger. Deze aanhanger kwam aangever bekend voor en toen aangever er nog eens naar keek, zag aangever dat het zijn aanhanger betrof. Aangever heeft de pick-up met aanhanger ingehaald en heeft de bestuurder van de pick-up aangesproken. Aangever hoorde van de bestuurder dat deze de aanhanger van iemand moest ophalen. Aangever hoorde dat de bestuurder zei dat hij de aanhanger terug zou zetten in een parkeervak op de Lorentzweg te Bunschoten. Aangever reed vervolgens samen met de bestuurder van de pick-up op de Bisschopsweg richting industrieterrein de Kronkels. Aangever zag dat de bestuurder van de pick-up op de Bisschopsweg stopte, uitstapte, de aanhanger van de pick-up loskoppelde en wegreed. Aangever heeft de aanhanger aan zijn eigen auto gekoppeld en elders neergezet. Vervolgens is aangever gereden naar de Lorentzweg. Op de plek waar aangever zijn aanhanger op 4 juli 2012 had neergezet, lagen het hangslot en de ketting waarmee aangever de aanhanger op slot had gezet op de grond. Aangever zag dat het hangslot was vernield.

Verdachte heeft ter terechtzitting verklaard dat hij de aanhanger had losgeknipt en meegenomen.

De rechtbank is van oordeel dat op grond van de hiervoor aangehaalde bewijsmiddelen het ten laste gelegde feit wettig en overtuigend bewezen kan worden geacht. Voor het standpunt van de verdediging dat het opzet noch de wederrechtelijkheid van het handelen van verdachte kan worden bewezen, vindt de rechtbank geen steun in het dossier. Het door verdachte - niet te verifiëren - vertelde verhaal over ene [medeverdachte] acht de rechtbank volstrekt onvoldoende onderbouwd. De rechtbank acht de verklaring van verdachte dat [medeverdachte] hem zou hebben geïnstrueerd de aanhanger op de Dieselweg op te halen bovendien ongeloofwaardig, gelet op de aangifte waaruit volgt dat de aanhanger op de Lorentzweg is weggenomen.

Feit 3

Op 2 juli 2012 heeft [aangever 3] (mede) namens [bedrijf 2] aangifte gedaan van diefstal van een bedrijfsbus van het merk Ford, met het kenteken [kenteken], met logo ‘[bedrijf 2]’. Op 28 juni 2012 omstreeks 17:00 uur heeft aangever de bedrijfsbus geparkeerd aan de [adres] te [woonplaats]. De vrouw van aangever heeft de bus op 29 juni 2012 omstreeks 23:00 uur nog op de [adres] zien staan. Op 30 juni 2012 omstreeks 07:00 uur bleek de bus niet meer op de [adres] te staan.

Op 9 juli 2012 onderzochten verbalisanten [verbalisant 1] en [verbalisant 2] een in verband met een diefstal van steigeronderdelen (zie hiervoor onder Feit 1) in beslag genomen Ford Transit . Het voertuig was voorzien van kenteken [kenteken]. In het handschoenenvakje van het voertuig trof verbalisant [verbalisant 1] twee kentekenbewijzen aan, te weten een kentekenbewijs behorende bij een Ford Transit met het kenteken [kenteken] op naam van [naam] en [bedrijf 2] en een kentekenbewijs behorende bij een aanhangwagen voorzien van het kenteken [kenteken] op naam van [aangever 3].

Verbalisant [verbalisant 2] heeft verklaard dat voor het op de Ford Transit aangetroffen chassisnummer het kenteken [kenteken] is afgegeven en dat de linker en rechter zijde van die Ford Transit met grijze verf waren bespoten, teneinde het logo van [naam] en [naam] te verbergen.

Verdachte heeft verklaard dat hij met de Ford Transit klussen heeft gedaan, dat hij heeft gezien dat er andere kentekenplaten op werden geschroefd en dat hij een aantal keren met de Ford Transit heeft getankt zonder te betalen. Voorts heeft verdachte ter terechtzitting verklaard dat hij de kentekenbewijzen in het handschoenenvakje van de Ford Transit heeft zien liggen.

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat voor de primair ten laste gelegde diefstal van de Ford Transit onvoldoende wettig bewijs is dat verdachte die diefstal heeft begaan. Verdachte zal derhalve daarvan worden vrijgesproken. Bovenstaande bewijsmiddelen, met name dat hij de kentekenbewijzen in het handschoenenvakje van de Ford Transit heeft gezien en dat hij heeft gezien dat er andere kentekenplaten op de Ford Transit werden aangebracht, bieden wel steun voor het oordeel van de rechtbank dat verdachte ten tijde van het voorhanden hebben van de Ford Transit wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

Feit 4

De rechtbank is met de officier van justitie en de verdediging van oordeel dat voor het ten laste gelegde feit 4, primair en subsidiair, onvoldoende wettig en overtuigend bewijs is. De rechtbank zal verdachte dan ook van feit 4 vrijspreken.

4.4 De bewezenverklaring

De rechtbank acht op grond van hetgeen hiervoor is vastgesteld en overwogen wettig en overtuigend bewezen dat verdachte

1.

op 08 juli 2012 te Bunschoten, tezamen en in vereniging met een ander,met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een steigerlift en vier losse elementen steigermateriaal, toebehorende aan [bedrijf 1], waarbij verdachte en zijn mededader die weg te nemen voornoemde goederen onder hun bereik hebben gebracht door middel van verbreking van een slot;

2.

op of omstreeks 08 juli 2012 te Bunschoten, met het oogmerk van wederrechtelijke toe-eigening heeft weggenomen een aanhanger ([kenteken]), toebehorende aan [aangever 2], waarbij verdachte die weg te nemen voornoemde aanhanger onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking van een hangslot;

3.

Subsidiair

op één of meer tijdstippen in de periode van 29 juni 2012 tot en met 08 juli 2012 te Almere en/of Bunschoten, een autobus (Ford Transit) voorhanden heeft gehad, terwijl hij ten tijde van het voorhanden krijgen van voornoemde autobus wist dat het een door misdrijf verkregen goed betrof.

De rechtbank acht niet bewezen hetgeen meer of anders is ten laste gelegd. Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

5 De strafbaarheid

5.1 De strafbaarheid van de feiten

Er zijn geen feiten of omstandigheden aannemelijk geworden die de strafbaarheid van de feiten uitsluiten.

Het bewezenverklaarde levert de navolgende strafbare feiten op:

1. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

2. diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

3. opzetheling.

5.2 De strafbaarheid van verdachte

Met betrekking tot de strafbaarheid van verdachte heeft de verdediging een beroep gedaan op psychische overmacht, indien de rechtbank van oordeel zou zijn dat de ten laste gelegde feiten bewezen kunnen worden geacht.

De verdediging heeft betoogd dat een zekere [medeverdachte] misbruik heeft gemaakt van de afhankelijkheid van drugs van verdachte, doordat deze [medeverdachte] verdachte voor drugs klusjes heeft laten doen.

Naar het oordeel van de rechtbank is in het onderhavige geval geen sprake van een van buiten komende drang, waaraan verdachte redelijkerwijs geen weerstand heeft kunnen of behoren te bieden. Het beroep op psychische overmacht wordt derhalve verworpen.

Omdat ook overigens niet is gebleken van een omstandigheid die de strafbaarheid van verdachte uitsluit, is verdachte strafbaar.

6 De strafoplegging

6.1 De vordering van de officier van justitie

De officier van justitie heeft op grond van hetgeen hij bewezen heeft geacht gevorderd aan verdachte op te leggen een gevangenisstraf voor de duur van 187 dagen waarvan 110 dagen voorwaardelijk, met aftrek van de dagen die verdachte in voorarrest heeft doorgebracht, met een proeftijd van twee jaren, met als bijzondere voorwaarden een meldingsgebod, opname in verslavingskliniek Arta en andere voorwaarden het gedrag van verdachte betreffende, een en ander zoals verwoord in het rapport van Centrum Maliebaan van 26 september 2012.

6.2 Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft primair vrijspraak bepleit.

Mocht de rechtbank tot een ander oordeel komen, dan heeft de verdediging verzocht een deels onvoorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen gelijk aan de duur van het voorarrest (77 dagen) en een deels voorwaardelijke gevangenisstraf op te leggen met als bijzondere voorwaarden de door Centrum Maliebaan in voornoemd rapport genoemde voorwaarden. Daarbij heeft de verdediging verzocht de opname in verslavingskliniek Arta op vrijwillige basis te laten plaatsvinden.

6.3 Het oordeel van de rechtbank

Bij het bepalen van de op te leggen straf heeft de rechtbank rekening gehouden met de ernst van de feiten, de omstandigheden waaronder deze zijn begaan en de persoon van de verdachte.

De verdachte heeft zich schuldig gemaakt aan het medeplegen van diefstal, diefstal en opzetheling. Diefstallen zijn ergerlijke feiten, die naast schade, vaak veel hinder veroorzaken voor de benadeelden. Opzetheling is eveneens een ergerlijk feit. Zonder helers is er voor de stelers immers geen afzetmarkt.

Uit het de verdachte betreffende reclasseringsadvies d.d. 26 september 2012 van Centrum Maliebaan blijkt dat verdachte al langdurig verslaafd is aan verdovende middelen (cocaïne) en dat hij een strafblad heeft opgebouwd om zijn middelengebruik te kunnen bekostigen. Het recidiverisico wordt ingeschat als hoog gemiddeld. Verdachte heeft nog onvoldoende probleembesef. Indien hij daarnaast niet wordt behandeld voor zijn cocaïneafhankelijkheid verwacht de reclassering dat verdachte opnieuw zal terugvallen in gebruik en het opnieuw plegen van vermogensdelicten.

Het risico op het onttrekken aan de bijzondere voorwaarden wordt door de reclassering als hoog ingeschat, omdat het verleden heeft laten zien dat ingezette trajecten na enkele weken voor verdachte werden verbroken. Het vrijwillig verblijven binnen Arta wordt door de reclassering te risicovol gevonden.

Op grond van het bovenstaande acht de rechtbank een straf, zoals hierna aangegeven, passend en geboden.

7 De wettelijke voorschriften

De beslissing berust op de artikelen 14a, 14b, 14c, 14d, 27, 57, 310, 311 en 416 van het Wetboek van Strafrecht, zoals deze artikelen luidden ten tijde van het bewezen verklaarde.

8 De beslissing

De rechtbank:

Vrijspraak

- spreekt verdachte vrij van de onder 3 primair en onder 4 ten laste gelegde feiten;

Bewezenverklaring

- verklaart het ten laste gelegde bewezen, zodanig als hierboven onder 4.4 is omschreven;

- spreekt verdachte vrij van wat meer of anders is ten laste gelegd;

Strafbaarheid

- verklaart dat het bewezen verklaarde de volgende strafbare feiten oplevert:

1. diefstal door twee of meer verenigde personen, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

2. diefstal, waarbij de schuldige het weg te nemen goed onder zijn bereik heeft gebracht door middel van verbreking;

3. opzetheling.

- verklaart verdachte strafbaar;

Strafoplegging

- veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf van 135 dagen, waarvan 58 dagen voorwaardelijk met een proeftijd van twee jaren;

- bepaalt dat het voorwaardelijke deel van de straf niet ten uitvoer wordt gelegd, tenzij de rechter tenuitvoerlegging gelast:

* omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd schuldig maakt aan een strafbaar feit;

* omdat verdachte ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit geen medewerking verleent aan het nemen van een of meer vingerafdrukken of geen identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van de Wet op de identificatieplicht ter inzage aanbiedt;

* omdat verdachte tijdens de proeftijd de bijzondere voorwaarde niet heeft nageleefd;

- stelt als bijzondere voorwaarden:

* dat verdachte zich tijdens de proeftijd gedraagt naar de voorschriften en aanwijzingen die worden gegeven door of namens Centrum Maliebaan. Daartoe moet de verdachte zich na opname bij Arta of andere zorginstelling binnen drie dagen volgend op de ontslagdatum melden bij de reclasseringsafdeling van Tactus Almere (Randstad 22183 te Almere). Hierna moet de verdachte zich blijven melden zo frequent en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht;

* dat verdachte wordt verplicht mee te werken aan een klinische behandeling in verslavingskliniek Arta voor een periode van maximaal één jaar, of zoveel korter als de leiding van deze inrichting in overleg met de reclassering noodzakelijk acht;

* dat verdachte wordt verplicht mee te werken aan het nazorgtraject, aan bewindvoering, arbeidstoeleiding en terugvalpreventie middelengebruik;

- draagt deze reclasseringsinstelling op om aan verdachte hulp en steun te verlenen bij de naleving van deze voorwaarden;

- bepaalt dat de tijd die verdachte voor de tenuitvoerlegging van deze uitspraak in voorarrest heeft doorgebracht in mindering wordt gebracht bij de tenuitvoerlegging van het onvoorwaardelijke deel van de opgelegde gevangenisstraf;

Voorlopige hechtenis

- heft het - reeds geschorste - bevel tot voorlopige hechtenis van verdachte op met ingang van het onherroepelijk worden van dit vonnis.

Dit vonnis is gewezen door mr. P.P.C.M. Waarts, voorzitter, mr. M.A.A.T. Engbers en mr. P.L.C.M. Ficq, rechters, in tegenwoordigheid van A. Heijboer, griffier, en is uitgesproken ter openbare terechtzitting op 30 oktober 2012.