Zoekresultaat - inzien document

ECLI:NL:RBUTR:2012:BY1936

Instantie
Rechtbank Utrecht
Datum uitspraak
25-10-2012
Datum publicatie
01-11-2012
Zaaknummer
328069/FT-RK 12.929 en 328095/FT-RK 12.932
Rechtsgebieden
Civiel recht
Bijzondere kenmerken
Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie

Faillissementswet. Verzoek dwangakkoord 287a Fw afgewezen. Verweer van schuldeiser dat wsnp- bewindvoerder niet bevoegd is tot het afgeven van de verklaring zoals bedoeld onder art. 285 lid 1 sub f Fw, aangezien deze niet behoort tot de categorieen zoals bedoeld onder art. 48 lid 1 sub c Wck. Rechtbank oordeelt dat wsnp- bewindvoerder deze verklaring kan afgeven. Inhoudelijke behandeling mogelijk. Schulden niet te goeder trouw, derhalve verzoek afgewezen.

Vindplaatsen
Rechtspraak.nl
Verrijkte uitspraak

Uitspraak

RECHTBANK UTRECHT

Sector handel en kanton

zaaknummers: 328069/FT-RK 12.929 en 328095/FT-RK 12.932

nummer verklaring: -

uitspraakdatum: 25 oktober 2012

dwangakkoord

enkelvoudige kamer

in de zaak van

[verzoeker]

en zijn echtgenote:

[verzoekster]

beiden wonende te [woonplaats],

verzoekers,

tegen

1. de coöperatie Coöperatieve Rabobank Rijn en Veen stromen U.A.,

gevestigd te Woerden,

2. de naamloze vennootschap Rabohypotheekbank N.V.

gevestigd te Eindhoven,

verweersters.

Verzoekers zullen hierna worden aangeduid als [verzoeker] en [verzoekster]. Verweersters zullen hierna gezamenlijk worden aangeduid als de Rabobank.

1. De procedure

1.1. Ter griffie van deze rechtbank is op 27 juli 2012 ingekomen een verzoekschrift strekkende tot het van toepassing verklaren van de schuldsaneringsregeling. Gelijktijdig met dit verzoek hebben [verzoeker] en [verzoekster] een verzoekschrift ingediend waarbij is verzocht om de Rabobank te bevelen in te stemmen met de door [verzoeker] en [verzoekster] aangeboden schuldenregeling (hierna ook wel: (het opleggen van een) dwangakkoord), een en ander als bedoeld in artikel 287a van de Faillissementswet (Fw).

1.2. Ter griffie van deze rechtbank is op 7 september 2012 ingekomen een faxbericht van de heer M. Menzing, schuldhulpverlener, met daarbij de door de rechtbank opgevraagde aanvullende stukken.

1.3. Ter griffie van deze rechtbank is op 5 oktober 2012 ingekomen het verweerschrift van de Rabobank.

1.4. Ter griffie van deze rechtbank is op 9 oktober 2012 ingekomen de reactie op het verweerschrift van de heer M. Menzing en de heer [verzoeker].

1.5. Het dwangakkoord is behandeld ter terechtzitting van 11 oktober 2012. [verzoeker] en [verzoekster] zijn in persoon verschenen, vergezeld door de heer mr. M. Menzing, schuldhulpverlener bij Menzing & Partners. Namens de Rabobank zijn verschenen

mr. H. Nieuwenhuizen, raadsman, en de heer P.H. Klop.

1.6. Ten slotte is vonnis bepaald op heden.

2. De feiten

De rechtbank gaat uit van de volgende feiten.

2.1. [verzoeker] en [verzoekster] zijn gehuwd in gemeenschap van goederen en zijn respectievelijk 50 en 51 jaar oud. De heer [verzoeker] drijft voor zijn rekening en risico de eenmanszaak [bedrijf 1]. Tevens is hij bestuurder en aandeelhouder van [bedrijf 2], welke vennootschap voor 30% deelneemt in [bedrijf 3] Mevrouw [verzoekster] heeft een dienstverband voor 20 tot 24 uur per week. Uit de bij het verzoek gevoegde bijlagen blijkt dat een vrij te laten bedrag is berekend van € 1.740,37. De inkomsten van de heer [verzoeker] uit zijn eenmanszaak zijn gesteld op € 1.666, - netto per maand.

2.2. [verzoeker] en [verzoekster] hebben op of omstreeks 11 juli 2011 een schuldregeling aangeboden aan hun schuldeisers. De aangeboden schuldregeling hield – samengevat – in dat [verzoeker] en [verzoekster] een BBZ-krediet van € 35.000, - ter beschikking zou worden gesteld en welk krediet na aftrek van kosten en belasting aan hun schuldeisers wordt uitgekeerd tegen finale kwijting.

2.3. De onder 2.2. bedoelde schuldregeling is door Xtra accountant – de enige andere schuldeiser – aanvaard. De preferente vordering van de belastingdienst die ten tijde van het aanbod nog bestond is verrekend met een teruggave. Door het wegvallen van de preferente vordering is er meer beschikbaar voor de concurrente schuldeisers. De vorderingen van de Rabobank bedragen in het voorstel van [verzoeker] en [verzoekster] in totaal € 146.617,037 op een totale schuldenlast van € 148.810,81. De vordering van de Rabobank is hiermee 98,5 % van de totale schuldenlast van [verzoeker] en [verzoekster].

3. Het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

3.1. [verzoeker] en [verzoekster] hebben in het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling de rechtbank verzocht de Rabobank te bevelen in te stemmen met de onder 2.2 bedoelde schuldregeling.

3.2. De Rabobank bestrijdt het verzoek en geeft onder meer als reden voor het onthouden van haar instemming dat de schuldhulpverlener niet bevoegd is de verklaring als bedoeld in artikel 285 lid 1 sub f Fw (hierna: de verklaring schuldsanering) af te geven. Daarnaast heeft de Rabobank aangevoerd dat de heer [verzoeker] niet te goeder trouw is geweest bij het onbetaald laten van de schuld aan de Rabobank. De heer [verzoeker] heeft, na de kredietinperking door de Rabobank, zijn – aan de Rabobank verpande – debiteuren op een bij een andere bank gehouden bankrekening betalingen laten verrichten. Bovendien, zo stelt de Rabobank, heeft de heer [verzoeker] andere schuldeisers wel volledig voldaan en niet betrokken in de aangeboden schuldregeling.

4. De beoordeling van de bevoegdheid tot afgifte van de verklaring schuldsanering

4.1. De rechtbank zal hieronder eerst ingaan op de vraag of bevoegd een verklaring schuldsanering is afgegeven. Deze verklaring kan volgens artikel 285 lid 1 sub f Fw worden afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente van de woon- of verblijfplaats van de schuldenaar. Het college kan deze bevoegdheid mandateren aan een gemeentelijke kredietbank als bedoeld in de Wet financiële dienstverlening of aan krachtens artikel 48, eerste lid, onderdeel d, van de Wet op het consumentenkrediet aangewezen natuurlijke personen of rechtspersonen, dan wel categorieën daarvan. Hier is de verklaring schuldsanering niet afgegeven door het college van burgemeester en wethouders van de gemeente waar de schuldenaar woont, noch is sprake van een mandatering aan de heer Menzing.

4.2. Bij arrest van 5 november 2010 heeft de Hoge Raad bepaald dat er geen goede grond bestaat om personen of instellingen als bedoeld in artikel 48 lid 1 Wet op het Consumentenkrediet (Wck) wel een poging tot een buitengerechtelijke schuldregeling te laten uitvoeren, maar deze desaltniettemin uit te sluiten van het opstellen van de verklaring schuldsanering.

4.3. In artikel 48 lid 1 Wck is bepaald dat het verbod op schuldbemiddeling niet van toepassing is op de onder a tot en met d bedoelde situaties. De heer Menzing stelt zich op het standpunt dat hij valt onder sub c van bedoeld artikel, namelijk schuldbemiddeling door advocaten, curatoren en bewindvoerders ingevolge de Faillissementswet aangesteld, notarissen, deurwaarders, registeraccountants en accountants-administratieconsulenten. Hij stelt dat, gelet op het hiervoor genoemde arrest van de Hoge Raad, niet valt in te zien waarom hij niet bevoegd zou zijn de genoemde verklaring op te stellen, aangezien hij door de rechtbank als WSNP bewindvoerder wordt benoemd en in die hoedanigheid wel bevoegd is om een schuldregeling te treffen.

4.4. De rechtbank volgt dit standpunt van de heer Menzing. Juist is dat de heer M. Menzing onder andere door de rechtbank Utrecht wordt aangesteld als bewindvoerder in schuldsaneringsregelingen. In artikel 48 Wck wordt de bewindvoerder in schuldsaneringsregelingen niet genoemd. Een verklaring daarvoor is dat de Wck al in werking was getreden op het moment dat de Wet schuldsanering natuurlijke personen werd ingevoerd. Destijds was slechts sprake van advocaten die aangesteld werden als curator in faillissementen en als bewindvoerder in surseances van betaling. Zij zijn, net als de andere genoemde categorieën, onderworpen aan tuchtrechtelijk toezicht. Het Bureau WSNP, wat onder andere toeziet op de kwaliteit van bewindvoerders in schuldsaneringen, heeft per 11 november 2011 het verbod op schuldbemiddeling door bewindvoerders in schuldsaneringsregelingen geschrapt. Een en ander naar aanleiding van het arrest van de Hoge Raad van 5 november 2010. Bovendien heeft de Recofa gemeld dat zij geen principiële bezwaren ziet voor het afgeven van de verklaring schuldsanering door bewindvoerders in schuldsaneringen. Om al deze redenen ziet de rechtbank geen aanleiding om een bewindvoerder in schuldsaneringen niet gelijk te stellen met een advocaat of curator als genoemd in artikel 48 Wck.

4.5. Daar komt nog bij dat er inmiddels een wetvoorstel (33054) in behandeling is waarin ook beschermingsbewindvoerders – die aan te stellen kwaliteitseisen voldoen – worden ondergebracht in artikel 48 lid 1 sub c Wck, terwijl voorts het Ministerie van Economische Zaken Landbouw en Innovatie een AMvB voorbereidt, waarbij private schuldbemiddeling zal worden verruimd. Er is dus sprake van een toekomstige verruiming van de groep schuldbemiddelaars en daarmee ook van de groep die bevoegd is de verklaring schuldsanering af te geven. Bewindvoerders in schuldsanering kunnen en mogen zich bovendien binnen de schuldsanering ook bezig houden met het aanbieden van een akkoord aan de schuldeisers. Derhalve is de rechtbank van oordeel dat ook bewindvoerders in schuldsaneringen bekwaam moeten worden geacht aan schuldbemiddeling te doen. Weliswaar is op bewindvoerders in schuldsaneringen geen tuchtrecht van toepassing, maar in de kwaliteitsnormen voor deze bewindvoerders is wel opgenomen dat zij een beroepsaansprakelijkheidsverzekering dienen af te sluiten, zodat bepaalde risico’s worden gedekt. Gelet hierop en op de inhoud van eerder genoemd arrest van de Hoge Raad komt de rechtbank tot de conclusie dat de heer

M. Menzing bevoegd was de verklaring schuldsanering af te geven.

5. De beoordeling van het verzoek tot het vaststellen van een dwangakkoord

5.1. Vervolgens komt de rechtbank toe aan de inhoudelijke beoordeling van het verzoek. Dit zal slechts kunnen worden toegewezen als de Rabobank in redelijkheid niet tot weigering van instemming met de door [verzoeker] en [verzoekster] voorgestelde schuldregeling heeft kunnen komen, in aanmerking genomen de onevenredigheid tussen het belang dat de Rabobank heeft bij uitoefening van de bevoegdheid tot weigering en de belangen van [verzoeker] en [verzoekster] en/of van de overige schuldeiser die door die weigering worden geschaad. Bij die afweging spelen de volgende omstandigheden een rol.

5.2. Uit hetgeen partijen ter zitting hebben verklaard blijkt dat de heer [verzoeker], nadat de Rabobank in februari 2010 het krediet van de eenmanszaak van de heer [verzoeker] had ingeperkt, zijn – aan de Rabobank verpande – debiteuren op een andere bankrekening heeft laten betalen en daarmee de betalingen buiten de macht van de Rabobank heeft gebracht. [verzoeker] en [verzoekster] hebben aangevoerd dat zij dit hebben gedaan op advies van de schuldhulpverlening, maar gebleken is dat de omleidingen al plaatsvonden vóór de start van het minnelijke traject. In overleg heeft de Rabobank vervolgens de inperkverplichting tijdelijk stopgezet. Toen deze werd hervat heeft de heer [verzoeker] opnieuw debiteuren omgeleid. Gelet op de afspraken met de Rabobank is de rechtbank van oordeel dat het de heer [verzoeker] niet vrij stond om dit eigenmachtig te doen. Dat zijn bedrijf anders zou zijn doodgebloed – de heer [verzoeker] was door de inperking niet in staat zijn lopende verplichtingen te betalen – is aannemelijk, maar dat maakt de handelwijze nog niet toelaatbaar.

5.3. Gebleken is voorts dat de schulden van de heer [verzoeker] in de loop van het schuldhulpverleningstraject zijn afgenomen. [verzoeker] en [verzoekster] hebben gesteld dat een deel van de schulden zou zijn voldaan door middel van verrekening. Deze stelling is echter niet met stukken onderbouwd. Zo is bijvoorbeeld niet inzichtelijk gemaakt hoe de verrekening van de belastingschuld en –teruggave tot stand is gekomen, of op welke wijze het Waterschap en het Zilveren Kruis zijn betaald. Evenmin heeft de heer [verzoeker] argumenten aangedragen, waarom hij wel de schuld aan zijn eigen besloten vennootschap heeft betaald, alsook nota’s van de accountant die in de schuldbemiddeling is betrokken zijn voldaan, terwijl hij de schulden bij de Rabobank onbetaald heeft gelaten.

5.4. Uit de financiële stukken van de eenmanszaak van de heer [verzoeker] blijkt voorts dat de onttrekkingen hoger zijn geweest dan de inkomsten. Pas na de start van het hulpverleningstraject is mevrouw [verzoekster] in loondienst gaan werken en zijn de onttrekkingen verlaagd. Ondanks dat al in 1996 en 1998 eerder eigen woningen van [verzoeker] en [verzoekster] met verlies zijn verkocht, is mevrouw [verzoekster] pas na de start van het schuldhulpverleningstraject (parttime) gaan werken. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat [verzoeker] en [verzoekster] zich niet tot het uiterste hebben ingespannen om een zo groot mogelijke afloscapaciteit voor de schuldeisers te creëren.

5.5. In de bij het verzoek dwangakkoord gevoegde stukken blijkt ten slotte nog dat er sprake is van een beleggingsverzekering bij Allianz met een waarde per 31 december 2011 van € 6.664,28. Desgevraagd heeft de heer [verzoeker] te kennen gegeven dat deze verzekering niet meer bestaat, nu deze gekoppeld was aan de eigen woning en de verzekering tot uitkering is gekomen bij verkoop van de woning. Zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, kan de rechtbank niet uitgaan van de juistheid van deze verklaring. Gebleken is immer dat [verzoeker] en [verzoekster] sinds april 2011 in een huurhuis wonen, terwijl de eigen woning daarvoor al is verkocht.

5.6. De hiervoor genoemde omstandigheden in onderling verband bezien leiden de rechtbank tot de conclusie dat van een situatie, waarin [verzoeker] en [verzoekster] te goeder trouw zijn ten aanzien van de omvang van de schuld bij de Rabobank, geen sprake is. Daarmee is de kans dat zij worden toegelaten tot de schuldsaneringsregeling beperkt. Nu de Rabobank voorts ruim 98,5% van het totaal aan schulden vertegenwoordigt en mogelijk zelfs de enige schuldeiser is, immers tussen partijen is nog in geschil of de vordering van de accountant al dan niet volledig is betaald, moet het belang van de Rabobank bij weigering van instemming met de voorgestelde schuldenregeling prevaleren boven het belang van [verzoeker] en [verzoekster]. Daar komt nog bij dat, uitgaande van een beschikbaar saldo van € 31.283,98 voor de schuldeisers in het geval van toewijzing van het dwangakkoord, het onduidelijk is hoe hoog de afloscapaciteit van [verzoeker] en [verzoekster] zal zijn als het BBZ-krediet hen niet ter beschikking wordt gesteld. Vaststaat immers dat nadat mevrouw [verzoekster] is gaan werken de onttrekkingen zijn verlaagd. De heer Menzing heeft gesteld dat – sinds de start van het schuldhulpverleningstraject – zelfs sprake van een positieve vermogensontwikkeling van € 8.600, - per jaar. Dit is hoger dan de jaarlijkse aflossing van € 7.000, - waarvan sprake is bij het te verlenen BBZ-krediet. Nu het tegendeel niet is gesteld of gebleken, is de rechtbank van oordeel dat mevrouw [verzoekster] meer dan haar huidige dienstverband van 21 tot 24 uur per week zou kunnen werken. Dit alles maakt dat niet zonder meer vaststaat dat hetgeen is aangeboden ook het uiterste is dat [verzoeker] en [verzoekster] aan de schuldeisers kunnen bieden.

5.7. De conclusie is dan ook dat de Rabobank in redelijkheid de instemming met de schuldregeling mocht weigeren. Het verzoek om de Rabobank te bevelen in te stemmen met de schuldregeling zal dan ook worden afgewezen.

5.8. [verzoeker] en [verzoekster] hebben desgevraagd verklaard het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling te handhaven in geval de rechtbank het verzoek tot vaststellen van een dwangakkoord afwijst. Op het verzoek tot toelating tot de schuldsaneringsregeling wordt bij afzonderlijk vonnis beslist.

6. De beslissing

De rechtbank:

wijst het verzoek af.

Dit vonnis is gewezen door mr. E.W.A. Vonk en in het openbaar uitgesproken op 25 oktober 2012.